Beschermd door houten mitrailleurs

De geschiedenis van de Gouvernements Marine

Door Jan Somers

In de VOC-tijd was er in de Indische archipel nauwelijks sprake van Nederlands gezag. Behalve voor Batavia en ommelanden ging het feitelijk om losse handelsposten met slechts hier en daar ´bestuur´. Wel waren bij sommige vorstenhoven gezanten of residenten gedetacheerd, en, afhankelijk van de relatie met de vorst, soms een klein garnizoen.

Soerabaja, Marine Bassin, 1895

Op het Vredescongres van Wenen in 1815 werden Nederland en België verenigd om nieuwe bedreigingen door Frankrijk te voorkomen. Voor de levensvatbaarheid van zo’n klein land werd het bezit van koloniën echter noodzakelijk geacht. Zo werd een door Engeland veroverd gebied dat wij later Indië zouden noemen, een Nederlandse kolonie. In Nederland wist men totaal niet wat dat koloniaal bezit inhield. Zo bleek het aan de commissie-generaal op 29 oktober 1815 meegegeven reglement onbruikbaar, over het door Daendels en Raffles hervormde bestuur was niets bekend.

Bij Koninklijk Besluit van 15 augustus 1815 werd een korps koloniale zeeofficieren samengesteld. De taak van de Koloniale Marine bestond aanvankelijk uit de beteugeling van de zeeroof, het voorkomen van mensenroof en het handhaven van het Nederlandse gezag, naast de door een ´Indische Zeemacht´ uit te voeren verdediging van het grondgebied. Deze Koloniale Marine werd in 1816 opgebouwd uit omgebouwde koopvaardijschepen, Engelse brikken, en in Indië aanwezige oorlogsschepen die te slecht werden bevonden voor de thuisreis.    Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Een bericht als zo vele?

De melding van een massamoord op Ceram

Eén van de redenen waarom het verzet tegen de Japanners zo beperkt is gebleven, was het slechte contact tussen bezet en niet-bezet gebied. Voor zover bekend heeft niemand in Nederlands-Indië radiocontact weten te maken met de Geallieerden. Deze laatsten, op hun beurt, hebben slechts enkele keren met personen in bezet gebied persoonlijk contact gehad. Om toch enige bruikbare informatie te verzamelen werden vanaf 1943 boven bezet gebied verkenningsvluchten gemaakt, en werd iedereen die kans zag Nederlands-Indië te ontvluchten uitgehoord over het doen en laten van de Japanners. Vooral in het oostelijk deel van de archipel leverde dat veel bruikbaars op, zij het dat de informatie vaak gedateerd was.

Ceram (linksonder), tegenover Nieuw-Guinea

In mei 1945 ontmoette een Australische party op een eilandje ten noorden van Ceram de 20-jarige Marcus Kols. Samen met enkele anderen was deze jonge Molukker zijn tewerkstelling ontvlucht en nu met een prauw onderweg naar Nieuw-Guinea. Enkele dagen later werd Kols uitgebreid aan de tand gevoeld over de plaatsen waar hij tijdens de oorlogsjaren was geweest. De intelligence officer die het rapport opstelde beoordeelde de informatie als reliable, betrouwbaar. Kols wist veel te vertellen over de Japanners in verschillende plaatsen aan de noordkust van Ceram. Het meest bijzonder was echter zijn verhaal over een verschrikkelijke moord in Waroe.  Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

´Allerminst een feest´

Door Frits J. Suyderhoud (1912 – 2002)

Als geen ander was Frits Suyderhoud op de hoogte van het reilen en zeilen van de Indo-Europese bevolking tijdens de bezettingsjaren in Bandoeng. Als hoofd van het plaatselijk Indo-Comité droeg hij verantwoordelijkheid voor de voedselverdeling, huisvesting en werkverschaffing. Kort voor zijn overlijden in 2002 schreef hij onderstaand artikel over het leven buiten de kampen voor het blad van de VEDO, Vereniging van oud-leerlingen van het het Christelijk Lyceum in Bandoeng. De inhoud is zó informatief, dat de Java Post aan de vereniging toestemming vroeg voor een nieuwe publicatie.

Frits Suyderhoud

“Op 8 maart 1942 werd Nederlands-Indië afgesloten van de rest van de wereld. Elk contact daarmee was sindsdien verbroken. Enkele weken later moesten alle radiotoestellen worden ingeleverd. Nadat de korte-golfverbinding voor het luisteren naar buitenlandse zenders was doorgeknipt kon men het verzegelde toestel terugkrijgen.
Al heel snel moest iedere niet-Indonesiër een Pendaftaran kopen waarop onder meer vermeld werd wat iemands bangsa (afkomst), was. Voor de Nederlandse onderdanen/Nederlanders was dit Blanda-totok of Blanda-Indo (eventueel Blanda-Peranakan). De totoks die geen werk meer hadden verdwenen al spoedig in de kampen. Eerst de mannen, later de vrouwen. De krijgsgevangenkampen werden al na enkele weken ´gesloten´, en dus beroofd van contact met de buitenwereld. In Bandoeng was één enkel totok-gezinskamp, voor ´werkers´. De mannen verlieten het kamp Oosteinde ’s ochtends om langs een voorgeschreven weg naar hun werk te gaan en keerden daar ’s middags weer terug.
De Indo’s werden nog korte tijd ongemoeid gelaten doch werden al spoedig onderworpen aan herregistratie. In de Preanger kende men de Indostempels 1 tot en met 8:   Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , , , , , , , , , | 18 reacties

Nederlands-Indië in kleur

Dit artikel wordt binnenkort bewerkt. De hier voorheen getoonde film is door YouTube van het internet gehaald op verzoek van een Duitse firma die verklaarde de rechten daarvan te beheren. De website van de Nederlandse stichting Beeld en Geluid verklaart echter anders: B & G zou de rechten bezitten. Enkele telefoontjes met B & G hebben me niet verder geholpen. Mij werd toegezegd dat de zaak wordt bestudeerd, en dat B & G de film mogelijk weer online brengt via haar eigen YouTube-kanaal.

Voorlopig even geen nieuws….

x

Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 18 reacties

Kampleven buiten het kamp

Gesleep met Molukse ex-KNIL-gezinnen in Bandoeng

In de periode 1942-1945 bevonden zich in Nederlands-Indië vele soorten burger-internering met verschillende maten van vrijheidsberoving. Ná de oorlog werden deze in de geschiedschrijving ingedeeld in ´interneringskampen´ enerzijds, en ´beschermingskampen´ of  ´opvangkampen´ anderzijds.  Het scherpe onderscheid werd vooral veroorzaakt door de toepassing van de Japanse uitkering en de latere wetten voor oorlogsslachtoffers, omdat hierbij steeds de vraag werd gesteld of al dan niet sprake was geweest van een verblijf in een ´erkend´ kamp. Er waren maar twee mogelijkheden: óf je was geïnterneerd, óf niet. Of je kreeg een uitkering, óf je kreeg niets.

Molukse KNIL-soldaat met kinderen

Met ´erkende´ interneringskampen werd bedoeld kampen voor – meestal blanke – personen waarvan aan het begin van de bezetting al vast stond dat ze buiten de samenleving zouden worden geplaatst. Met ´niet-erkende´ kampen werd bedoeld opvanglocaties voor personen waarvan nog níet meteen vast stond wat hun lot zou zijn, en die vaak, maar zeker niet altijd, een lichter regime kenden. Als sprake was van verplichte werkzaamheden, dan werd wel de aanduiding ´werkkamp´ gebruikt.

Als we echter getuigenissen lezen van niet-geïnterneerden, dan komen we al snel tot de conclusie dat het onderscheid tussen wél- en niet-geïnterneerd-zijn destijds minder helder was dan nú soms mag lijken. Nog even los van de vraag waar het leven – in termen van huisvesting en calorieën – objectief het slechtst was, speelden bijzondere factoren een rol. Veel ´buitenkampers´ waren door hun psychologische verbondenheid met de geïnterneerde Europeanen in een identiteitscrisis terechtgekomen. En ze hadden een goeie reden te vrezen dat ook zíj ooit zouden worden geïnterneerd. Aan het eind van de oorlog zaten duizenden van hen in werk- en opvangkampen.
Het schrijven van oorlogshistorie slechts in termen van geïnterneerden en niet-geïnterneerden leidt dan ook al snel tot simplificatie, en tot minder aandacht voor de laatstgenoemden. Om dáár iets aan te doen richt de Java Post zich de komende weken vooral op deze buitenkampers, om te beginnen op de Molukse ex-KNIL-gezinnen in Bandoeng.   Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 10 reacties

Greetings from Batavia, USA

Naamgeving is een lastige taak. Of het nu om je kinderen gaat, je bedrijf of je boot. Je wilt uniek zijn, maar toch ook weer niet overdreven. Sommigen laten zich inspireren door iets of iemand, bij anderen is het een kwestie van intuitie.
De traditie wil ook wat. Zelf ben ik vernoemd naar een oom en een tante. Misschien dat mijn ouders daar wel een bedoeling mee hadden, ik heb het ze nooit zo gevraagd. Omdat die oom en tante al heel lang dood zijn kan ik er nu makkelijk over praten en er heel eerlijk over zijn: noch die oom, noch die tante hebben ooit laten weten dat dat vernoemd zijn voor hen belangrijk is geweest. Ik heb er in ieder geval niets van gemerkt. Wél weet ik nog dat mijn ouders lichtelijk gepikeerd waren toen ze mij op mijn 6e verjaardag een fiets cadeau deden die ze kochten bij deze oom, een fietsenmaker. Ze hadden gehoopt dat de vernoeming toch wel een hele bijzondere korting met zich mee zou brengen, zo niet méér. Niets daarvan, in tegendeel, mijn oom was op de centen.

Lely op de Afsluitdijk

Bij landen en steden gaat het ook vaak fout. Tientallen kolonies van vroegere wereldmachten zijn na hun onafhankelijkheid van naam veranderd. Net zoals van talloze steden daar de naam werd gewijzigd. Hoe groter de dwang was om een bepaalde naam in te voeren, des te gemakkelijker wordt deze later door nieuwe machthebbers weer over boord gekieperd. Zo werd Leningrad weer Sint Petersburg, Stalingrad Wolgograd en Karl-Marx-Stadt weer Chemnitz. In Nederland zijn slechts enkele plaatsen naar historische figuren genoemd: Anna Pauwlona, Lelystad en Willemstad. Misschien hebben we meer historisch besef dan anderen, ik weet het niet. Feit is dat nog niemand geroepen heeft dat die plaatsen anders zouden moeten heten omdat ze vernoemd zijn naar een aangetrouwde Russische vorstin, een Franse Vader des Vaderlands of de man die de Zuiderzeevisserij om zeep heeft geholpen. Maar misschien komt dat nog. Er wordt de laatste tijd heel veel geroepen in Nederland.  Lees verder

Geplaatst in 4. Nederlands-Indië overzee | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 8 reacties

De waarheid van baboe Soep

Geloof het of niet, zo ís het nu eenmaal!

Door Jan Somers

Soepiah was niet alleen kokkie, maar had zichzelf als baboe Soep ook belast met mijn opvoeding. Omdat je als klein kind niet alles snapte wat je werd geboden, was die opvoeding ingebed in een soort magisch realisme. Wat je later in de realiteit van de volwassenheid moest doen of laten werd verpakt in magie, dat was geloofwaardig.

De baboe

Bij het koken mocht ik wel kipassen om het vuur aan te wakkeren, maar ik mocht niet aan de dandang komen. Als ze zou vertellen dat die heet was, dat je daar je vingers aan zou branden, en dat ze dan ruzie kreeg met mijn moeder, zou het geen indruk op mij maken. Als man hoorde je niet aan kookgerei te komen, dat was aan vrouwen voorbehouden. Het waarom was niet belangrijk. Baboe Soep had gesproken, en het was goed. 
Baboe Soep bracht af en toe een offer onder de blimbingboom, een pisangblad met wat gekookte rijst. Daar zat een oude man. Ik zag wel niemand, maar ja, baboe Soep had het gezegd! Na een half uur haalde ze het weer weg, maar ik zag dat er niet van was gegeten. Kort antwoord: ´Hij heeft genoeg gehad´. En natuurlijk, de kippen moesten ook wat eten. Dat was mijn eerste kennismaking met de huisgeest, de jaga rumah.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 23 reacties

Bijgeloof of boerenverstand

Bijgeloof is misschien wel van alle tijden. Toen ik heel klein was – we woonden in een waterrijk dorpje in Noord-Holland – werd me door mijn ouders op het hart gedrukt niet al te dicht bij de slootkant te komen. Daar woonde namelijk een Bullebak die het op kleine kinderen begrepen had. Niet dat ik me ooit van dat wezen een goeie voorstelling heb kunnen maken, maar de waarschuwing heeft wel geholpen. Ik keek wel uit, je wist immers maar nooit.

Onwillekeurig moest ik aan de Bullebak denken toen ik het volgende verhaal las over een tjoelik, een soort Indische variant van de Bullebak. Uit de Sumatra Post van op 27 november 1922, onder de titel ´Mensenoffers uit godsdienstwaan´:

Begraven van karbouwenkop

´Dezer dagen heeft zich te Tjilamaja, het kleine vissersdorpje aan Batavia´s Noordkust, een drama afgespeeld. Zoals men weet, zal er op de Pamenoekan en Tjiasemlanden een suikerfabriek gebouwd worden. Volgens de Inlandsche zeden moet voor een dergelijk groot bouwwerk een zoenoffer gebracht worden aan de kwade geesten. Gewoonlijk wordt dan hiervoor een karbouwenkop genomen, maar het Inlandse bijgeloof zegt, dat een of meer mensenhoofden in zo´n geval veel beter onheil bezweren en menige eenvoudige ziel gelooft dan ook inderdaad dat een mensenhoofd — in ’t geheim natuurlijk — bij zo´n geval wordt begraven. De plechtigheid met de karbouwenkop zou dan slechts camouflage zijn. Wordt nu in de nabijheid van enige kampongs aan een groot bouwwerk begonnen, dan past de bevolking terdege op de tjoelik, de personen die uitgezonden zouden zijn om een mensenhoofd machtig te worden. (…)   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

De werkelijkheid was ver weg

Herinneringen aan Kembang Koening

Door Jan Somers

´Wij woonden in Soerabaja in de Van den Boschstraat, nu Jalan Mojopahit, vlak achter mijn school, de Katholieke broederschool St.Louis van de broeders uit Oudenbosch (nu SMAK St.Louis). Naast die school was onze kerk waar ik misdienaar was. Kennelijk was ik een goede misdienaar want regelmatig werd ik samen met een klasgenoot uit de klas gehaald om te assisteren bij trouwen en uitvaarten. Die uitvaarten waren het leukst want daar was een gang naar Kembang Koening aan gekoppeld voor de begrafenis. Ik vond die begraafplaats spannend, er was altijd wel wat te doen. Goed herinner ik mij nog het grafmonument voor de bij het eerste vliegtuigongeluk in Indië omgekomen piloot. Het spookte daar! Bij mijn bezoek in 1997 was dat monument nog intact.

Tandjoeng Perak

In de namiddag van 26 februari 1942 mocht ik mee naar Oedjoeng, de marinehaven, waar het internationale eskader van schout-bij-nacht Doorman zou uitvaren voor de beslissende slag in de Javazee. Als jonge jongen was ik onder de indruk van de kracht die dat uitstraalde, natuurlijk onkundig van de verpletterende overmacht van de Japanse vloot. Mijn moeder heeft die avond marinegezinnen opgevangen met spelletjes zoals Monopoly, heel bizar als je dat oproept uit je herinnering. Mijn vader, gezagvoerder bij de marine, was na het uitbreken van de oorlog gedetacheerd op Hr.Ms. De Ruyter, het vlaggenschip van schout-bij-nacht Doorman. Kort voor de Slag in Straat Bandoeng was hij echter overgeplaatst naar Hr.Ms. Arend, een snelle opiumjager van de Gouvernements Marine. Met de Arend net teruggekeerd in Tandjoeng Priok had hij het marinecommando verzocht om – nu het nog kon – uit te mogen wijken naar Australië of Ceylon, maar hij moest wachten op nadere opdrachten. Pas op 26 februari mocht hij zijn gang gaan, maar dat was al te laat: het schip werd bij een Japans bombardement op de haven getroffen.   Lees verder

Geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 | Tags: , , , , , , , , , , , , | 8 reacties

Hoe eet je een vogelnestje?

Degenen onder ons die niet regelmatig in Zuid-Oost Azië verblijven en een vorstelijk inkomen hebben zullen het waarschijnlijk nooit hebben geproefd: het eetbare vogelnestje. Deze peperdure lekkernij, ook wel ´de kaviaar van het Oosten´ genoemd, is niet voor iedereen bestemd. Dat is misschien wel jammer want het schijnt vele heilzame werkingen te hebben. Het nuttigen van vogelnestjes brengt ons energie, gezondheid en een mooiere huid, zo wordt wel gezegd.

Aerodramus Fuciphagus

Waar gaat het precies om? De Aerodramus fuciphagus (Eetbaar-nestsalangaan) en de Aerodramus maximus (Zwart-nestsalangaan)  zijn beiden ondersoorten van de familie der gierzwaluwen (Apus Apus). De vogels zijn te vinden in geheel Zuid-Oost Azië, en broeden bij voorkeur in grotten aan de kust. In de vrije natuur bouwen ze hun nesten van speeksel, dat door de zon verhardt. Als de nesten worden verwijderd en de dieren nog niet aan broeden zijn toegekomen, maken ze bij de bouw van een tweede nest ook wel gebruik van gras en andere materialen.   
De ontdekking van de eetbaarheid van de nestjes wordt toegeschreven aan Chinese zeelui, die in de periode van de Tang Dynastie (618-907 na Christus) tijdens één van hun reizen, door honger gedreven, op zoek gingen naar alles wat eetbaar was. Bij toeval ontdekten ze dat ze al hun energie terugkregen na het eten van een soepje van vogelnestjes. De keizer werd over dit wonder ingelicht, en – het verbaast ons niets – de volgende eeuwen was het eten van vogelnestjes een voorrecht van de keizerlijke familie. Naar verluidt zou het gewone volk pas het vogelnestje mogen proeven toen deze dynastie op het punt stond in te storten.   Lees verder

Geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 14 reacties