‘Indië is als erwtensoep: altijd groen en eeuwig heet!’

Nederland kende in de vooroorlogse jaren volkszangers voor wie de hele bevolking dichter naar de radio schoof: Speenhoff, Davids, Bandy, Pisuisse en Derby. Hadden zij ook succes in Indië? Een reis van Willy Derby was niet zonder moeilijkheden.

Willy Derby

Volgens het biografisch portaal van het Huygens Instituut groeide Willem Frederik Christiaan Dieben (1886-1944), beter bekend als Willy Derby, op in een arm gezin in een Haagse volksbuurt. Na zijn militaire diensttijd trok hij de wijde wereld in en kreeg allerlei baantjes als kelner en zanger-humorist. In 1914 keerde hij terug, en vond, mede dank zij zijn vrouw, een contract om op te treden in variététheaters in Den Haag en Rotterdam. Hij gaf hier nog enige voorstellingen samen met zijn broer, Lou Dieben (Bandy). Vanaf 1918 trad hij weer alleen op, nu onder de artiesten naam Willy Derby. Hij bracht een uitgebreid repertoire meezingers, maar had het meeste succes met zijn smartlappen. De meeste teksten waren afkomstig van zijn vriend Ferry van Delden.
In Indië was Derby bekend geworden door enkele uitzendingen via de PHOHI-omroep. Zijn liedjes ‘Hallo Bandoeng’, ‘Brief uit Indië’ en ‘Slamat tidoer’ zorgden hier voor voldoende populariteit om hem uit te nodigen.  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | Een reactie plaatsen

Over deze Nederlandse slavernijgeschiedenis hebben we het nooit

Het is bekend dat Nederland slaven maakte en verhandelde. Maar daarbij gaat het altijd over Suriname en de Antillen – en nooit over Nederlands-Indië. Reggie Baaij betoogt dat ook dát in de geschiedenisboeken moet komen.

I Loeh Sari, slavin van de radja van Boeleleng, 1865. Foto: I. van Kinsbergen / Leiden University Library

Door Reggie Baaij

Nederland staat meer stil bij de slavernij. Sinds enkele jaren maakt het eigen slavernijverleden deel uit van het primair en voortgezet onderwijs. En als je tijdens de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij op 1 juli het nieuws kijkt, en politici invoelend acte de présence ziet geven, dan zou je bijna denken dat er in dit land sprake is van een diepgaand historisch besef als het gaat om het Nederlandse slavernijverleden.

Niets is minder waar. Afgezien van het feit dat het onderwerp op de scholen veelal beschamend oppervlakkig wordt behandeld (en niet zelden door docenten wordt vermeden), is dat wat wordt onderwezen en herdacht ook nog maar een deel van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Het deel namelijk dat zich afspeelde in onze voormalige koloniën in de West: Suriname en de Antillen.

Dat ons land ook een meerdere eeuwen omspannend slavernijverleden heeft in het vroegere Nederlands-Indië, dáár wordt tot op heden volledig aan voorbijgegaan. Dit deel van het Nederlandse slavernijverleden ontbreekt geheel in ons collectieve geheugen, in onze nationale geschiedenis, in ons onderwijs en bij onze nationale herdenking.

Hoe kan dat? En waarom mogen we dit deel van onze slavernijgeschiedenis nooit meer negeren?  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 39 reacties

Wie wil vergeten moet eerst herinneren

Nederland en Indonesië moeten het koloniale verleden niet wegstoppen, maar zowel de positieve als de negatieve kanten ervan benoemen, betoogt de Indonesische kunstenaar .

Hartono ontwierp een ‘ijzerdraadmodel’ van het omstreden Gouden Koets-paneel over slavernij. “Met licht laat ik er schaduw achter vallen.”

Door Iswanto Hartono

Tot de komst van de Japanners in 1942 stond het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op een centraal plein in het toenmalige Batavia. Coen was de eerste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. In 1621 liet hij bijna vijftienduizend bewoners van de Banda-eilanden doden ter verdediging van het handelsmonopolie van de VOC. Toch kent men hem in Indonesië ook als degene die de stad Batavia, het huidige Jakarta, stichtte. Het geeft een dualiteit aan die in Nederland tot hevig gepolariseerde debatten leidt over goed en fout, over slachtoffer- en daderschap.  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 18 reacties

‘Schaamte is mijn kompas, daar vaar ik op’

Als hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum streeft Martine Gosselink naar een stem voor iedereen die geen stem heeft. ‘We hebben geen idee hoeveel woede er nog heerst, over Nederland.’

Martine Gosselink voor een schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst

Door Bas Blokker

‘Dit gebouw blaakt van trots”, zegt Martine Gosselink. We zitten in de villa van het Rijksmuseum in Amsterdam. In haar kamer met uitzicht op de tuin en de fontein, zet het hoofd geschiedenis van het museum uiteen wat zij als haar opdracht ziet. „Wij tonen hier de pronkstukken van de elite in Nederland. Dat is geweldig, daar trekken we miljoenen bezoekers mee. Maar geschiedenis is ook rauw en vies, ze stinkt. Ik wil niet alleen de geschiedenis van de overwinnaars schrijven.”  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 42 reacties

Dekolonisatie Nederlands-Indië: de onderste steen boven

Vandaag wordt officieel het startschot gegeven voor een breed opgezet onderzoek naar de dekolonisatieoorlog in Indonesië, van 1945 tot 1950. Al enkele jaren wordt gepleit voor een nieuw wetenschappelijk onderzoek naar deze periode, waarbij beide kanten, zowel de Indonesische als de Nederlandse, worden belicht.

Evacuatie van gewonden. Tandjoeng Priok, 1945

Aanleiding voor het onderzoek zijn recente publicaties over het optreden van Nederlandse militairen in toenmalig Nederlands-Indië. Met name in Remy Limpachs ‘De brandende kampongs van generaal Spoor‘ kwam aan het licht dat de Nederlandse krijgsmacht structureel extreem geweld heeft gebruikt tegen de Indonesiërs.

Het kabinet ging eind vorig jaar akkoord met nieuw onderzoek naar de dekolonisatieperiode, en stelde er 4,1 miljoen euro voor beschikbaar. In september 2021 moet het onderzoek klaar zijn. Het wordt uitgevoerd door het NIOD, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 129 reacties

Ik moet de op bloed beluste Indonesische strijder begrijpen

Historici moeten zich verdiepen in het perspectief van de ander, schrijft Onno Sinke bij de ‘kick-off’ van het onderzoek naar de Dekolonisatie-oorlog in Indonesië, 1945-1950.

Fritz Behrendt in Algemeen Handelsblad, 1 augustus 1961: ‘Hoogste tijd voor een revisie’.

Door Onno Sinke

Enkele jaren geleden raakte ik op een feestje met een Indonesische vrouw in een discussie verzeild of Ancol (Java) een pretpark of een erebegraafplaats is. „Een pretpark”, zei de vrouw stellig. „Dat kan, maar het is ook een erebegraafplaats”, zei ik. „Ik weet het vrij zeker want mijn opa is daar begraven.” Ik legde haar uit dat hij een KNIL-officier was die door de Japanners was geëxecuteerd vanwege zijn verzetsactiviteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. „Ah, KNIL, moordenaars!”, riep ze. Verontwaardigd zei ik dat hij ook gevochten had voor de vrijheid van Indonesië. Hier was zij het totaal niet mee eens. Er was duidelijk sprake van een botsing van twee perspectieven op de gedeelde Nederlands-Indonesische geschiedenis.  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 23 reacties

Ethische politiek in de praktijk

De landbouwtentoonstelling te Bondowoso, 1902

In 1901, vrijwel gelijk met de invoering van de ethische politiek die de inlandse bevolking op termijn tot politieke en economische zelfstandigheid moest brengen, vatte men onder leiding van resident J.R. Couperus van Bondowoso het plan op de Javaanse Oosthoek in de schijnwerpers te zetten. Was men geïnspireerd door de wereldtentoonstelling in 1900 in Parijs? Of door de ethische politiek? We weten het niet. Met een beetje goede wil vinden we echter van beide iets terug in de voorgestelde landbouwtentoonstelling.

Bondowoso tentoonstelling 1902, worstelwestrijden

Bondowoso, een slaperig stadje met niet meer dan 8700 inwoners (volgens de volkstelling van 1905), waarvan 125 Europeanen, 800 Chinezen, 700 Arabieren en ongeveer 7000 inheemsen, maakte zich op voor een grote sprong voorwaarts. Een tentoonstellingscomité ging aan de slag voor de voorbereidingen.

“15, 16 en 17 Mei 1902 zal te Bondowoso een gewestelijke tentoonstelling gehouden worden van producten van landbouw, veeteelt en nijverheid. De tentoonstelling is verdeeld in drie afdelingen, terwijl iedere afdeling weder is onderverdeeld in 4 groepen: landbouw, bosbouw, tuinbouw, nutten en plagen, hulpmiddelen, gereedschappen, werktuigen daarop betrekking hebbende. Afdeling II vormt de groepen: veeteelt (runderen, paarden en geiten), hoenderteelt, in het wild levende viervoetige dieren, vogels enz. en ten slotte jacht en visserij. Alle soorten van ambachten en nijverheid worden vertegenwoordigd door Afdeling III.

Voor 1 Maart 1902 moeten exposanten een opgaaf indienen van de verlangde plaatsruimte, terwijl voor het vervoer langs de lijnen van de Staatsspoor op Java een reductie van 50 percent wordt verleend.”

Aldus De Locomotief op 25 oktober 1901. Die exposanten waren voor een groot gedeelte Europese ondernemingen van Oost-Java, maar ook detailhandel uit steden als Djember, Malang en Soerabaja, en karbouwhandelaren van Madoera. Veel ruimte werd gegeven – en dit was nieuw – aan lokale ambachten.  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 2 reacties