Het noodlot van de Duitse Indo´s

Internering van Indische jongens vanwege hun Duitse achternaam

Op 10 mei 1940, toen Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland werd door de radio het codewoord ‘Berlijn’ uitgezonden. Dit was het sein voor de bestuursambtenaren in de gehele Indische archipel om alle personen van Duitse afkomst alsmede sympathisanten van Duitsland te arresteren en in interneringskampen op te sluiten. Duitse zeelieden van de koopvaardijschepen die op dat moment in de havens van Indië lagen, werden door mariniers overmeesterd en gevangengenomen. Onder de noemer van ‘staatsgevaarlijke onderdanen’ werden in totaal ruim 2800 mannen en vrouwen opgepakt en geïnterneerd, waaronder volgens betrouwbare gegevens waarover Dr. Lou de Jong beschikte, echter niet meer dan 30 overtuigde Nazi’s bleken te zitten.

Interieur van een barak op het eiland Onrust in de Baai van Batavia, waar Europeanen werden geïnterneerd wegens veronderstelde Duitse sympathieën [KITLV 19072]

Door Werner Stauder

Het merendeel van de mensen die puur vanwege hun Duitse afkomst het slachtoffer van deze maatregel werden, waren fatsoenlijke burgers: arbeiders, architecten, ambtenaren, kooplieden, politieagenten, fabrikanten, hoteleigenaars, boekhouders, juweliers, opticiens, kunstenaars, onderwijzers, wetenschappers, artsen en verpleegsters, die zich aan politiek niets gelegen lieten gaan, maar ook planters en boeren die op afgelegen plantages en boerderijen of in de kampong woonden en zelfs missionarissen en zendelingen diep in de rimboe alsmede bejaarde Duitse oud-Indischgasten die al tientallen jaren in Indië woonden en hun hele leven als militairen trouw bij het KNIL hadden gediend. Sommigen van hen werden zelfs uit de bejaardentehuizen weggevoerd. De stemming onder de Nederlanders in Indië was door de gebeurtenissen in Europa fel anti-Duits op het hysterische af. Vele onschuldige burgers werden het slachtoffer van deze heksenjacht op alles wat maar in de verste verte Duits was. De arrestaties verliepen niet altijd zachtzinnig, want sommigen werden letterlijk hun huis uitgeslagen en liepen daarbij rake klappen en lelijke verwondingen op. Velen kregen niet eens de tijd om zich aan te kleden of om persoonlijke spullen mee te nemen. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 41 reacties

Extreem geweld tijdens dekolonisatieoorlogen in vergelijkend perspectief, 1945-1962

Het afgelopen decennium is in Nederland een verhit debat ontstaan over het extreme geweld dat militairen in Nederlandse dienst hebben gepleegd in Indonesië tussen 1945 en 1949. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn soortgelijke discussies ontstaan. Grondig vergelijkend onderzoek naar buitensporig geweld in Indonesië, Algerije, Indochina, Maleisië, Kenia en andere plaatsen tijdens dekolonisatieoorlogen is echter zelden verricht. Dit forum is gebaseerd op de eerste uitkomsten van een recent onderzoeksproject en een congres waarin de mogelijkheden voor gerichter vergelijkend onderzoek zijn verkend. De voorlopige resultaten die wij hier delen laten zien dat de gewapende conflicten weliswaar sterk van elkaar verschilden, maar dat er meer overeenkomsten dan verschillen zijn in de manieren waarop extreem geweld daarin werd toegepast en kan worden verklaard. We concluderen onder meer dat in alle gevallen sprake was van een vorm van geïnstitutionaliseerde straffeloosheid, die het soort situaties mogelijk maakte waarin troepen in dienst van de koloniale machthebbers extreem geweld gebruikten.

Tijdens de tijdelijke geallieerde bezetting van Indonesië verbrandden Brits-Indische troepen kamponghuizen in Bekasi op West-Java als represaillemaatregel (november 1945). Dit voorbeeld steunt de gedachte dat dit extreme geweld tijdens de dekolonisatie vanuit een internationaal en vergelijkend perspectief bestudeerd moet worden. [Foto Imperial War Museum, Londen]

Door Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis

Inleiding[i]

De wreedheden die Nederlandse troepen begingen tijdens de Nederlands-Indonesische Oorlog (1945-1949) zijn een van de heetste historische hangijzers van de afgelopen tien jaar. Onder invloed van het Rawagede-proces, de eerste van een reeks rechtszaken die het Comité Nederlandse Ereschulden tegen de Nederlandse staat aanspande, hebben de Nederlandse samenleving en de politiek deze zwarte bladzijden in onze geschiedenis weer opengeslagen.[ii] In het spoor van de herlevende publieke belangstelling hebben ook historici het op zich genomen om deze wandaden te bestuderen. De historicus Rémy Limpach liep hierbij voor de troepen uit en kwam in zijn baanbrekende boek De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016) tot de conclusie dat de Nederlandse troepen ‘een spoor van brandende kampongs en stapels lijken’ door de Indonesische archipel hadden getrokken.[iii] Meerdere opeenvolgende Nederlandse kabinetten hadden de door Nederlanders gepleegde wandaden gebagatelliseerd als niet meer dan individuele ‘excessen’ in een verder correct uitgevoerde militaire operatie. Limpach toonde daarentegen aan dat het extreme geweld structureel van aard was.[iv] Na de toenemende druk van de (nog steeds lopende) rechtszaken en de publicatie van Limpachs boek besloot de Nederlandse overheid eind 2016 om eindelijk financiële ondersteuning te bieden aan een initiatief dat drie Nederlandse historische instituten in 2012 hadden opgezet voor een gezamenlijk, onafhankelijk onderzoeksprogramma.[v] Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 136 reacties

Een dilemma

Een reactie op de website Koloniale Monumenten liet de maker daarvan, Bert Immerzeel, in twijfel achter. Doet hij er wel goed aan door te gaan met zijn bestudering van gedenktekens? Een discussie over erfgoed.

Het standbeeld van Jacob Cremer voor het gebouw van de Deli Plantersvereniging te Medan

Door Bert Immerzeel

Sommigen van mijn lezers weten dat ik – naast de Java Post – ook bezig ben met een onderzoek naar monumenten in Nederlands-Indië. En dan heb ik het niet over gebouwen, maar over gedenktekens: standbeelden, gedenknaalden, gedenkstenen en plaquettes. Waarom? Omdat daar nooit eerder onderzoek naar werd gedaan, en omdat de beschrijving van fotografische afbeeldingen vaak hapert als het gaat om de benaming van dergelijke monumenten. Omdat we niet meer weten waarom ze werden opgericht, en wanneer. Omdat ik nieuwsgierig ben. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 25 reacties

‘Ik hoop dat doordringt dat Nederland ook dader is geweest’

INTERVIEW Historicus Rémy Limpach concludeerde in zijn uitgebreide boek uit 2016 dat Nederland zich wel degelijk schuldig maakte aan structureel extreem geweld in Indonesië. Onlangs verscheen een compacte editie. ‘Racisme zit in de koloniale erfenis.’

Historicus Rémy Limpach [foto Frank Ruiter]

Door Frank Vermeulen

„Als je kijkt naar de beeldenstorm nu”, zegt Rémy Limpach aan het slot van het gesprek, „dan is een van de grieven van veel demonstranten dat Nederlanders nog te weinig stilstaan bij het racisme waarop dat zogenaamd grootse koloniale verleden rustte. Deze monumenten verheerlijken personen, maar van de schaduwkanten van de geschiedenis weet men te weinig.” Met zijn onderzoek naar het optreden van Nederlandse militairen tijdens de Indonesië-oorlog (1945-1950), wil Limpach bijdragen aan een herziening van het Nederlandse zelfbeeld. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 98 reacties

Ode aan de baboe

In navolging van de recent uitgebrachte film ‘Ze noemen me baboe’ van Sandra Beerends, in de Java Post een aantal bijzondere foto´s van baboes. Als ode aan de baboe.

In Inleiding in het Maleisch (1918) lezen we dat baboe niet alleen stond voor kindermeisje. Je had ook een ‘baboe dalam’ (kamermeisje) of ‘baboe tjoetji’ (wasmeisje). Maar de meeste baboes, zoals de Indische Nederlanders zich nu nog herinneren, waren ‘baboe anak’ (kindermeisje), of ‘baboe tètèk’ (een min). En als ze meereisden naar Nederland, dan heetten ze zeebaboes.

Baboe anak

Baboe met kind  [TM/FZF900-2]

Baboe met kind op Java, vóór 1867  [KITLV 91085]

  Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 14 reacties

Ze noemen me baboe

De machtswisselingen van de jaren 40, door de ogen van een baboe

Baboe met kind (TM/FZF861)

Door Annephine van Uchelen

In het jaar waarin Indonesië 75 jaar onafhankelijkheid viert, blikt de documentaire Ze noemen me baboe terug op een gedeeld verleden van Nederland en Indonesië. Voor deze veelgeprezen documentaire dook regisseur Sandra Beerends jarenlang de filmarchieven over Nederlands-Indië in.

De documentaire vertelt over de machtswisselingen in de periode van 1939-1949, door de ogen van een baboe: een Indisch kindermeisje in dienst van een Nederlands gezin. Beerends toont het Indische perspectief aan de hand van een fictief verhaal, helemaal opgebouwd uit archiefmateriaal.

“Ze noemen me baboe. Ik ken het woord niet. Het is een woord van de Belanda’s (Hollanders).” In een voice-over vertelt de Indische Alima haar levensverhaal. Ze is gevlucht voor een gedwongen huwelijk en komt in dienst van een Nederlandse familie waar ze meteen baby Jantje in haar hart sluit. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 50 reacties

Foto´s, officieren en geschenken

Militaire expeditie naar Zuid-Celebes 1905-1906

Nederlands militair optreden moest in de jaren na de eeuwwisseling Nederlands-Indië tot een staatkundige eenheid maken. Dat ging ten koste van een reeks onafhankelijke vorstendommen. Fotografische en schriftelijke verslaggeving heet van de naald maakt het mogelijk honderd jaar na dato de expeditie naar Zuid-Celebes op de voet te volgen, in het spoor van twee Nederlandse officieren en de vorst van Boni. Heleen Pronk is kunsthistorica. Bijzondere voorwerpen uit Celebes, die 100 jaar in bezit van haar familie waren, brachten haar op het Indische spoor van haar overgrootvader.

Afb. 1. ‘Lapawawoi ex radja van Boni in het bivak te Rappang.’ De vorst van Boni wordt uit zijn tijdelijke woning in Rappang gedragen naar een draagstoel waarmee hij naar Paré Paré wordt vervoerd, 25 november 1905. Uiterst links luitenant Eilers. (Legermuseum Delft)

Door Heleen Pronk

Een oude Aziatische man, met linkervoet in verband, wordt op de rug van een andere man van een steile trap naar beneden gedragen. Daar is een eenvoudige draagstoel voor hem neergezet. Op de voorgrond staat een Europeaan met de handen op de rug, die meer oog heeft voor de fotograaf dan voor het tafereel naast zich. De gewonde man is Lapawawoi, vorst van Boni. De Europeaan is mijn overgrootvader Carel Hendrik Eilers, Luitenant bij het Korps Marechaussee. De onzichtbare maker van de foto is kapitein Jonkheer Carel Frederik Goldman, Nederlands officier uit een notabel oud-Indisch geslacht. Gedrieën worden deze mannen voor het voetlicht gebracht als hoofdrolspelers in de koloniale oorlog die in de jaren 1905 en 1906 op Zuid-Celebes woedde. Op 13 juni 1905 vertrok een grote troepenmacht vanuit Batavia naar Zuid-Celebes. Voor deze militaire expeditie waren meerdere oorlogschepen ingezet. Manschappen, paarden, wapens, en voedsel werden vervoerd op schepen van de KPM (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij). Semarang en Soerabaja werden aangedaan om troepen aan boord te laten. Begeleid door muziekkorpsen waren de manschappen door de steden getrokken, toegejuicht door de achterblijvers. Zoals te lezen valt in kranten en tijdschriften was vrijwel iedereen overtuigd van de noodzaak van militair optreden tegen de vorsten in het zuidwestelijk deel van Celebes.[i] Aanvoerder van het verzet was de radja van Boni. De opdracht die de bevelhebber van de troepen, kolonel C.A. van Loenen, had meegekregen luidde: het gevangennemen van de vorst en de onderwerping van Boni en de aangesloten rijken.

Aan boord van een van de schepen bevond zich de jonge luitenant Carel Hendrik Eilers, een gedreven militair die zijn sporen had verdiend tijdens een eerdere expeditie tegen het vorstendom Djambi op Sumatra. Voor zijn moedig optreden had hij de Eervolle Vermelding gekregen. In de strijd op Zuid-Celebes zou hij zich opnieuw kunnen onderscheiden. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 42 reacties

Die helden op sokkels staan eigenlijk in het vergeetboek

Beeldenstorm De standbeelden zijn het probleem niet, constateert Bas Kromhout. Zolang je ze maar presenteert voor wat ze zijn: historische monumenten, net als de ‘muur van Mussert’.

Het standbeeld van Coen in Hoorn (foto Koen van Weel/ANP)

Door Bas Kromhout

In het kielzog van de antiracismeprotesten die naar aanleiding van de moord op de Amerikaan George Floyd in de hele westerse wereld plaatsvinden, is een beeldenstorm opgestoken die historische slavenhandelaren en koloniale heersers van hun sokkels rukt. Dit is niet alleen een kwestie van collectieve woede die een symbolisch mikpunt heeft gevonden. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 17 reacties

Weinig Nederlanders vielen zó diep als Van Heutsz

Generaal Jo van Heutsz. Als gouverneur onderwierp hij de bevolking van Atjeh met grof militair geweld. Een biografie laat hem ook zien als een modern denkend mens.

Jo van Heutsz

Door Jeroen van der Kris

Er zijn weinig mensen in de Nederlandse geschiedenis die zó hoog op een voetstuk werden geplaatst, om vervolgens zó diep te vallen. Het verhaal van Jo van Heutsz is, hoe dan ook, opmerkelijk. Toen hij 1904 uit Indië naar Nederland kwam voor een gesprek over zijn benoeming tot gouverneur-generaal was er sprake van nationale hysterie. Op elk station waar hij uit de trein stapte – Roosendaal, Breda, Den Bosch, Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Amsterdam – wachtten hem notabelen, muziekkorpsen en juichende massa’s. Van Heutsz (1851-1924) werd gezien als de man die de al jaren slepende oorlog in Atjeh eindelijk in Nederlands voordeel had beslecht. Een Hollandse held. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 58 reacties

Een wijze les

Volksverhaal van Midden-Borneo

De kali in Bandjermasin

Toen Bapa Paloi ongeveer vijftig jaar oud was, was hij blind, omdat hij een oogziekte had gehad en niet naar de dokter was gegaan. Daarom bleef hij altijd maar thuis zonder te werken; hij zat en lag, at en dronk. Hun zoon Paloi, die bij andere mensen woonde waar hij werkte en zo de kost verdiende, kon zijn ouders niet helpen. Dus was het Indu Paloi die er op uitging om te werken en inkomsten te zoeken voor het levensonderhoud van zichzelf en Bapa Paloi, die thuisbleef. Daarom had Indu Paloi het zwaar en haar verdiensten waren niet genoeg om eten te kopen. Van haar inkomsten kon ze alleen rijst, zout en trasi kopen. Vis en groente kon zij niet kopen, omdat zij niet genoeg geld had. De groente haalde zij zelf van haar land. Maar soms was de groente van het bouwland op; dan zocht ze iedere dag bladeren van een eetbare slingerplant uit het bos om als bijgerecht te dienen.

Bapa Paloi, die thuisbleef, had steeds meer aanmerkingen; hij vroeg altijd lekkere bijgerechten als het etenstijd was; en hij wou dat Indu Paloi hem liefkoosde en masseerde, zoals het een vrouw betaamt haar man te doen. Maar omdat Bapa Paloi blind was, kon Indu Paloi noodgedwongen juist toen niet veel thuis zijn, omdat ze voor eten voor hen beiden moest zorgen. Maar Bapa Paloi begreep dat niet. Iedere dag, als het etenstijd was, mopperde hij luid dat er geen lekkere bijgerechten waren. Lees verder

Geplaatst in 9. Java Post | 33 reacties