In de jaren ´30 stond het kolonisatievraagstuk in Nederlands-Indië midden in de belangstelling. Voor zowel Indonesiërs als Indo-Europeanen werd een toekomst geprojecteerd in nog onontgonnen gebieden, voornamelijk buiten Java. De interesse ontstond om redenen van sociaal-economische aard, maar had ook ethische en morele aspecten. In 1929 verklaarde de katholieke volksvertegenwoordiger Steger in de Eerste Kamer dat “de enige rechtsgrond voor kolonisatie de plicht is om onder andere een ander volk zó te leiden en op te voeden, dat het volwaardig in de rij der cultuurvolkeren zijn plaats zal kunnen innemen”.
Vooral de plaats van de Indo´s had aandacht bij de Nederlandse overheid. Het opleiden van de Indo tot zelfstandig landbouwer (door sommigen bekritiseerd want de Indo zou daarvoor niet geschikt zijn), zou deze groep een menswaardig bestaan kunnen bieden. De Congregatie van de Broeders van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes (afkomstig uit Breda), gevestigd in Temanggoeng, Midden-Java, oordeelde dat kolonisatie nog een ander voordeel kon hebben: door het stichten van kolonies zou het christelijke geloof kunnen worden verspreid. De broeders participeerden dan ook actief in de discussie over het nut van deze volksplantingen. Lees verder











