Een Zeeuwse jongen in de dessa

Door Piet Scheele

Piet Scheele

De geschiedenis over oorlog en de militaire diensttijd begon voor mij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945). In 1940 sloeg ons gezin in het Axel in Zeeuws-Vlaanderen op de vlucht voor het kanonvuur van terugtrekkende Franse troepen: “die kwamen ons toch helpen?” Onder de Duitse bezetting werd alles anders. Begrippen als mijn en dijn werden “opgerekt”. Wat moesten ze thuis zeggen als je in de tijd dat brandstof schaars was met gejatte briketten (kolen) van de stoomtram of cokes van de gasfabriek etc. thuis kwam? Onbekommerd opgroeien werd belemmerd door spertijden, inundaties, oorlogshandelingen, enz. Op 19 september 1944 werd Axel bevrijd na hevige gevechten. Het was de tweede keer dat we voor oorlogsgeweld vluchtten.

Dienstplicht

Zoals veel jonge mannen in die tijd, werd ik in 1946 opgeroepen voor het vervullen van de dienstplicht. Van de militaire keuring herinner ik me niet veel. Je ging er heen met in je achterhoofd de grote verhalen van je vader en anderen over het dronken thuiskomen. Hoe kwamen ze toen aan het geld om drank te kopen, vroeg je je af. Armoe was immers troef. Spaarden ze ervoor? Of speelde het systeem van loting een rol? Je kon toen ‘uitloten’. Als je het goede lot trok, dan hoefde je niet in militaire dienst. Het uitlootbriefje kon worden verkocht aan bijv. rijke boerenzoons, die niet in dienst wilden of niet gemist konden worden in het bedrijf. Werd dáár dan de drank van gekocht?   

Ik herinner me nu niet meer of wij dronken thuiskwamen. Het zal wel. Zo kort na de buurtfeesten en de drank waarmee het einde van de Tweede Wereldoorlog werd gevierd, was dat waarschijnlijk niet bijzonder genoeg om te onthouden. Wel weet ik dat de officier die als psycholoog aan de keuringsinstantie was toegevoegd, vroeg of ik verkering had. Naar waarheid antwoordde ik, dat ik wel eens een meisje had maar geen verkering. Hij vroeg wat het verschil was. Buiten wist ik het antwoord, en pas later begreep ik dat het een verkapte vraag naar mijn seksuele geaardheid was. Wie durfde toen over seks praten? Tijden veranderen.

Ik werd opgeroepen bij het Artillerie Meetregiment in Amersfoort. Toen de legerleiding tot het besef kwam dat er in Indonesië geen vijandelijk kanonvuur viel op te meten werd dat Regiment ontbonden. Ze plaatsten me over naar het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen in Nijmegen, voor een opleiding als motorordonnans. We werden naar Indië uitgezonden door een regering, die snel een expeditieleger voor Nederlands-Indië uitrustte. Het moest zó rap, dat ik bij aankomst in Indonesië nog nooit met een geweer had geschoten! In Indië zou ik worden ingedeeld bij het carrierpeloton. Spannend en avontuurlijk, maar met weinig politiek besef. Wat wisten we eigenlijk van waar het om omging?

Zeeziek

Al gauw, op 14 mei 1947, werden we op het troepentransportschip Volendam ingescheept naar Indonesië. We waren de krijtrotsen van Dover nauwelijks gepasseerd of ik lag al zeeziek in het vooronder, daar waar de slingerbeweging het sterkst was. Kotsmisselijk ging ik in de midscheeps gelegen officiersmess op een bank liggen. Daar was het slingeren het minst. Met een asgrauw gezicht en volkomen apathisch negeerde ik het bevel van een officier om daar weg te gaan. Hij zag de vergeefsheid in van zijn poging, want hij liet me liggen. Na twee dagen was ik weer op de been.

Veel van de bootreis herinner ik me niet. Het was lang en vervelend. We waren dankbaar voor korte onderbrekingen. Zoals het aanleggen bij Algiers om een militair met nekkramp van boord te kunnen halen, het bunkeren in Port Said in het Suezkanaal met de kleine typische zeilboten en het gokken met een goochelaar met kuikens. “Kippetje, kippetje”, zei hij. In Amsterdam wordt het “balletje, balletje” genoemd. Veel geld hadden we niet te verliezen. Het krioelde er van de bootjes met koopwaar. In de Rode Zee werd het appel afgeschaft, er vielen er teveel flauw van de hitte. Daarna een lange oversteek door de schijnbaar eindeloze watermassa. We waren blij dat we bij het eerste eilandje ten Noord-oosten van Sumatra even van boord mochten. In Belawan, de haven van Medan, werden we ontscheept. De waarschuwing om geen lege blikjes van frisdrank in de berm te gooien, “daar maken ze handgranaten van”, nam het gevoel van opluchting niet weg. Alleen de stad Medan en het vliegveld, met een smalle corridor tussen Belawan en Medan, was in handen van het Nederlandse leger.

Improviseren

Motorordonnans in opleiding

We hebben, naast de twee politionele acties (van mij mag het ook oorlog heten) waarin we oprukten, veel wacht en patrouille gelopen. Meestal met twaalf jongens, vaak onder de sterkte, gelegerd op buitenposten in kampongschooltjes of grote huizen. Soms zelf (d.w.z. onze twee baboes) eten kokend, of verlangend uitziend naar de fouragewagen als we in een grotere plaats lagen. De eerste tijd aten we aardappelen uit blik (cement) en harde legerkoekjes waar de maden uitkropen. Waarschijnlijk waren deze door de Nederlandse regering gekocht uit een dump die het Amerikaanse leger in Nieuw-Guinea had achtergelaten. Er was niks anders. Je wendde daarna wel snel aan rijst. We waren jong, nauwelijks 20 jaar.

Over politiek spraken we weinig. We leefden, onder het bestuurlijk politieke en militaire geweld, ons simpele alledaagse leven. Stonden op wacht, liepen patrouille en verdedigden onze buitenpost als we werden aangevallen. Onderhielden de brencarriers waarvan reserveonderdelen schaars waren. Het was, afgezien van de gevaarlijke gebeurtenissen, geen beklagenswaardig bestaan. We woonden meestal in een huis van steen met een mandiehok (badkamer) nooit ver uit de buurt. Als er geen kamar kecil (toilet) was maakten we een latrine. We groeven een rechthoekig gat in de grond, waarover in de lengte planken werden gelegd en de middelste plank werd weggelaten. Er werd een wand van atap (soort gevlochten riet) rond gezet met een dak van roestige golfplaat. En je had een gezellige plee als er twee of drie man gelijktijdig gebruik van maakten. In Belawan, de haven van Medan, liep de “gezelligheid” de spuigaten uit. Daar werd het bataljon samengetrokken om per schip van de KPM (Koninklijke Parketvaart Maatschappij) overgeplaatst te worden naar Padang. Het hele Bataljon kreeg buikloop: het werd er te druk.

Voetbal tegen Chinezen

Vrije tijd brachten we door met brieven schrijven en schaken. Als we een klein veldje tot onze beschikking hadden deden we aan volleybal en badminton, als we een groter veld hadden speelden we voetbal. Lagen we in een plaats met een voetbalveld, dan maakten we daar altijd gebruik van. Niemand protesteerde: het had ook niet geholpen. De Indonesiërs in Perbaoengan kwamen naar ons voetbal kijken, totdat we een afspraak maakten om tegen een inlands elftal te spelen, dachten we. Er waren twee afspraken gemaakt, één met een Chinees en één met een Indonesisch elftal. Ons inzicht in politieke en economische verhoudingen tussen Chinezen en Indonesische mensen was niet groot. Het Chinees elftal arriveerde het eerst en we voetbalden dus tegen de Chinezen. Toen de Indonesiërs kwamen opdagen waren ze woedend. Ze hebben het ons nooit vergeven.
Het liefst speelden we tegen een legerelftal van kapiteins, luitenants, sergeants en korporaals. Je kon dan eens een duw uitdelen, zonder dat het meer kostte dan een vrije schop. In Boenoet liep ik een gescheurde meniscus (voetbalknie) op. Met voetbal was het afgelopen. Ik probeerde het nog wel eens, maar dat eindigde steevast met een drukverband om de knie. Waarom ik geen poging deed om te worden afgekeurd en eerder naar huis te kunnen? Ik weet het niet. Misschien om geen watje te lijken, iemand die zijn maats in de steek laat.

De Chinezen hadden het in die tijd ook moeilijk. Wanneer niet? Zij beheersten de handel en de financiële instellingen en dat gaf scheve ogen. Op een nacht, in het begin van de eerste politionele actie, werden we gewekt en in een drietonner (vrachtauto) geladen om op weg te gaan naar, ja naar waar eigenlijk? In een plaats niet ver bij ons vandaan waren winkels van Chinezen in brand gestoken. In het donker, vlak langs de kant van de weg waren alleen de silhouetten van rubberbomen te zien. Gespannen, en rillend van de slaap tegen elkaar aangedrukt, reden we op weg naar een onbekend doel. Zolang we in de drietonners zaten gaf dat een onterecht gevoel van veiligheid. Al waren de lichten van de auto niet ontstoken, het geluid van de motor was wel mijlen ver te horen. Bij de brandende winkels was er natuurlijk geen rampokker (rover) meer te zien. Helpen blussen was alles wat we konden doen.

Hoorden we er wel thuis?

De gebeurtenissen waren niet alle even plezierig. Er werden soms gevangenen mishandeld en vermoord, een huis werd in brand gestoken of er werden kippen gestolen. Is er iemand die een oorlog kent waar het anders gaat? En zeker, in die drie jaar hebben we medicijnen aan de bevolking uitgedeeld en werd er wel eens een jongetje met een spuitje van zijn beriberi afgeholpen. Maar toch, hoorden we wel thuis in het Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog? In het licht van de geschiedenis rond 1600, de ontdekkingsreizen, handelsoorlogen met Engeland, Portugal, enz., was kolonisatie een normaal verschijnsel. Maar hoorden we er nú nog thuis? Misschien alleen ter bescherming van de mensen die uit de Jappenkampen kwamen, en uit plicht tegenover de KNIL-militairen die door de Nederlandse regering in de steek werden gelaten.

x

Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

10 reacties op Een Zeeuwse jongen in de dessa

  1. Herman Keppy zegt:

    Mooi verhaal meneer Scheele, eerlijk zoals het gegaan is. En zonder rancunes, noch frustraties, noch wijzend vingertje. Bovendien nog goed geschreven ook. Wederom een aanwinst voor de Javapost.

  2. van den Broek zegt:

    Het is een mooi en goedgeschreven verhaal maar wat ik mis is de reflectie op het gebeuren, dat het in een perspectief wordt geplaatst. Het verhaal is heel persoonlijk maar wat voor boodschap heeft het eigenlijk voor mij in het algemeen?
    Ik kan me voorstellen dat als Hollandse jongen van net 20 jaar, je net uit de ene oorlog in een andere oorlog wordt geschopt er geen tijd overblijft om erover na te denken wat er eigenlijk aan de hand is. Dat reken ik dhr. Scheele ook niet aan, maar er zijn anderen die wel ter verantwoording kunnen worden geroepen.
    Daarbij wordt wel vergeten dat het Ned. Parlement heel democratisch en opportunistisch de grondwet veranderde omdat dienstplichtigen niet naar de Overzeese Gebiedsdelen mochten worden gestuurd, een soort Befehl ist Befehlprincipe. Maar wat ik mis is de twijfel bij al wat die militairen daar gedaan hebben, alsof het Ned. Propaganda apparaat zo goed werkte dat de oorlog excusez le mot, politionele acties zo natuurlijk waren.

    Maar er waren ook de dientweigeraars, hun bijdrage mis ik eigenlijk in het Gebeuren. Of is het onze schaamte deze niet aan het woord te laten omdat zij postuum toch gelijk hebben. Wij zaten toch aan de verkeerde kant van de Geschiedenis.

  3. Eppeson Marawasin zegt:

    Ik herken de ingetogenheid in het verhaal van meneer Scheele en de bravoure in de verhalen van Oom Karel en Oom Bert Simon. Maar ook de laatste twee verhalen steken schril af bij de wraakzuchtige en bloeddorstige krijgshandelingen waarover mijn vader Ambonese KNIL-sergeant repte. Ik heb hier weleens vermeld, dat naar de huidige maatstaven vader en zijn mannen (ze noemden hem ‘baas’) voor een tribunaal hadden moeten verschijnen. Ik schrijf er dan altijd bij dat vader desondanks ‘eeuwig’ mijn respect blijft behouden.

    Toen ons gezin aanvang zestiger jaren van Middelburg naar het midden van het land verhuisde, mocht ik eindelijk op voetbal. Hoe oud zal ik zijn geweest tien, elf jaar. Het begon altijd met een vraag waar ‘Abbenees’ in voorkwam. Ben jij óók (?) Abbenees? Woon jij óók in de Abbenezewijk? Jouw vader is zeker óók Abbenees?

    En dan begonnen die voor mij toen nog onbekende mannen hun verhaal over hun belevenissen in Indië en leerden mij dat ‘pakaian’ kwam van ‘pakkie aan’; buku van boek en kakhus van kakhuus. Maar als er een andere belanda aanschoof dan stopten ze met vertellen. Ik schrijf dit nu achteraf, maar er was sprake van een bepaalde band tussen hen en de Abbenezen, later Mlukkers (geen typo).

    Een enkele van die ex-dienstplichtigen sprak heel goed Maleis, die had duidelijk bij ons een streepje voor. Een ander maakte van zijn leven echt een puinhoop. Alles kwijt; vrouw en kinderen. Maar door dik en dun werd hij door zijn bruine stamkroegvrienden gesteund. Met vallen en opstaan is het toch nog redelijk goed gekomen. Wel een ‘loner’ gebleven. In zijn vriendenkring was hij de enige ‘belanda’.

    Later op het werk, een collega die met zijn vrouw de volgende afspraak had gemaakt. Als hij op de 3-zitter ging liggen, dan moest zij zo snel mogelijk de huisarts bellen. De laatste moest dan op zijn beurt er weer zorgen dat hij binnen 10 minuten aan huis was om ‘een spuitje’ te geven. Het is niet goed met hem gegaan. Na vervroegde pensionering midden 80-er jaren kreeg hij last van extreme achtervolgingswaan. Volledig ontspoord. Niet oud geworden. Heeft er zelf voor gezorgd dat hij geen angst meer kende.

    In het begin waren het stoere verhalen. Maar met de jaren werden de uitroeptekens vraagtekens. “Je moest eppeson, maar wat moesten we daar nu eigenlijk? Wat heeft het voor zin gehad?” Ook vader en diens jongere broer Bapak A. -ook ex-KNIL’er- kregen met de jaren vraagtekens in hun ogen. Tegen het einde van hun levens waren dat ‘tranen’ geworden. De zelfgegeven antwoorden op hun vragen laten zich vangen in het woord ‘percuma’.

    Eén van die ex-diensplichtigen, socialist in hart en nieren, tegenstander van een apart Indiëmonument in zijn gemeente, sprak in openbare discussies daarover altijd over het gelijk van Poncke Princen.

    Ik was lange tijd niet geïnteresseerd in de verhalen van vader. Ik ben blij dat mannen als meneer Scheele en Herman Keppy die verhalen nu aan JavaPost vertellen.

    e.m.

  4. A nony mouse zegt:

    Herdenking gesneuvelde Stoottroepers

    Zondag 14 Oktober 2012, 10:30 – 00:00

    Locatie : parochiekerk Beneden-Leeuwen
    Contact : tel:0341-557383. email: h.vdburg@hccnet.nl. website: http://www.stoottroepers.nl

  5. Wal Suparmo zegt:

    De zuster van mijn moeder is getrouwt met een militaire verpleger in Soerbaia met de naam van NICOLAAS VAN KERVINCK die geboren is in RILLAND BATH,Eaar naar toe m ijn tante ook geevacueerd was in 1945 en weer terug naar Ned.Indie in 1948.

    • JPF Barneveld Binkhuijsen zegt:

      Aduh Pak Suparmo, U moet als Indonesier toch weten dat het in 1948 al 3 jaar Indonesie was.

      • Jan A. Somers zegt:

        Ik heb nog even wat Indische/Indonesische correspondentie van mijn vader (ook een Zeeuwse jongen) uit 1946 bekeken.
        – Ambtelijk: Departement Scheepvaart, Goenoeng Sahari, Batavia-C. , Ned.-Indië.
        -Zakelijk: Nederlandsche Handelsmaatschappij N.V., Agentschap Soerabaja, Ned.-Indië.
        En uit 1950:
        -Ambtelijk: Republik Indonesia Serikat, Komisaris Agung.
        Keurig, vóór en na 27-12-1949.

      • Wal Suparmo zegt:

        AGGRSSIEFS moet zijn AGGRESSIES.

      • Wal Suparmo zegt:

        Aduh Meneerrr Binkhuijsen, Hoe weet U dat ik een Indonesier ben? U bent misschien een Amerikaan,Surinamer of misschien wel een WNI? De souveriniteits overdracht is pas op 28 Desember 1949 gebeurd.Anders moet Nederland OORLOG SCHADE VERGOEDING betalen voor de 2 MILLITAIRE AGGRESSIEFS.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s