Steeds gaat de aandacht, gezien de omvang, uit naar slavernij in ‘de West’. Veel onbekender is daardoor de slavenhandel in Nederlands-Indië ten tijde van het Nederlandse kolonialisme in de Gordel van Smaragd.
Door Gert Oostindie
Op 10 september 1765 beklaagde een zekere Augusto van Balie zich bij de lokale rechtbank in Batavia, het huidige Jakarta. Augusto, slaaf van Willem Ferdinandus, onderkoster van de Binnenkerk, verklaarde dat zijn meester zijn slaven routinematig mishandelde. Hij toonde een groot litteken op zijn gezicht en striemen van geselingen op zijn rug.
Maar de reden dat hij voor de rechtbank verscheen was een andere. Volgens Augosto had Ferdinandus zijn slavin Cihstra van Bengalen zo gruwelijk afgeranseld ‘dat zij nog dienzelfden nagt daardoor den geest heeft gegeven’. Twee dagen later legde een andere slaaf, Oemar van Boegis, een soortgelijke verklaring af.
Toen trad echter een derde slaaf op als getuige à decharge, Soedin van Ganjar. Zeker, zijn meester pakte zijn slaven wel eens stevig aan, maar echt niet extreem, en nooit zonder reden. In dit geval had Cihstra aanleiding gegeven door te proberen te vluchten. Welke verklaring Soedin gaf voor haar dood, blijft onduidelijk.
Zeker is dat de twee slaven die de moed hadden opgebracht Ferdinandus aan te klagen in het ongelijk werden gesteld. Dat zal hun waarschijnlijk duur zijn komen te staan. Slaven die volgens de rechtbank ten onrechte Europeanen aanklaagden werden bestraft met geselingen. Daarna moesten ze terug naar hun baas, die in dit geval Soedin wel een extraatje zal hebben gegeven voor zijn goede diensten, maar beide anderen rauw zal hebben gelust.

Drie slavinnen van de radja van Boeleleng, 1865
Deze treurige anekdote, opgetekend door Reggie Baay in zijn bij vlagen meeslepende boek over slavenhandel en slavernij in ‘de Oost’, is om meer redenen sprekend. Allereerst, omdat zij zo’n treffend beeld geeft van de kern van slavernij, waar en wanneer dan ook: de willekeur, de rechteloosheid, het geweld, het leed, de moed van de ene slaaf, de aanpassing van de ander. Daarnaast omdat alleen al de namen van de betrokkenen een weinig bekende wereld van slavenhandel over grote afstanden in het domein van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) openbaren. De Nederlandse onderkoster bezat slaven uit duizenden kilometers ten westen, noorden en oosten gelegen oorden: Bali, Bengalen, Sulawesi. En ten slotte: wij associëren zulke gruwelijke verhalen over slavernij met Suriname of misschien Curaçao, niet met ‘Indië’. Lees verder →