Indonesische vechtjas

Jeffry Pondaag heeft zich vastgebeten in de rechten van slachtoffers van oorlogsgeweld in voormalig Nederlands-Indië. Excuses of betalen: „Van mij hoeft het niet hoor, al die rechtszaken.”

Door Niek Opten

Jeffry Pondaag

Jeffry Pondaag

Stel je de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo in Parijs voor. Dat de kinderen van de slachtoffers daar ook waren en dus met eigen ogen hebben gezien hoe hun vaders zijn vermoord, vertelt Jeffry Pondaag. Dat is wat vijf Indonesische jongens volgens hem hebben meegemaakt in 1947. Zij hebben gezien hoe Nederlandse militairen onder commando van kapitein Raymond Westerling hun vaders executeerden op Zuid-Sulawesi. De ’zuiveringsacties’ moesten het verzet breken tegen de kolonisator. Naar schatting duizenden mannen werden gedood. Gewone burgers, zonder proces.

Pondaag staat deze vijf, nu bejaarde mannen, bij die excuses eisen van de Nederlandse Staat. Een unieke rechtszaak. Eén dezer dagen volgt de uitspraak. Ze gaan winnen, net zoals echtgenotes van andere doodgeschoten mannen eerder excuses en een schadevergoeding van Nederland hebben gekregen, daarvan is Pondaag overtuigd. “Waarom zouden weduwen wel en kinderen geen recht hebben op schadevergoeding en excuses? De weduwen hebben hun man moeten missen, de kinderen hun vader.”

Jeffry Pondaag (62) is geen jurist, hij werkt in een cementfabriek. Hij is een bijter, een vechter. Al 45 jaar woont hij in Heemskerk, is getrouwd met een blonde vrouw uit Ooststellingwerf en rookt shag. Maar hij heeft een Indonesisch paspoort, geen Nederlands. En daar is hij trots op.  

Confrontatie

Pondaag zoekt de confrontatie en dat is opvallend. Hij wil niets weten van soedah, van ’Laat maar zitten’, waarmee de meeste van zijn landgenoten opkomende conflicten in der minne schikken. “Als kind was ik niet zo direct. Jullie hebben mij zo gemaakt”, stelt hij. Met ’jullie’ bedoelt hij Nederland en de Nederlanders.

Praten met Pondaag is niet altijd even makkelijk. Hij springt vaak van de hak op de tak, is soms lang van stof, heeft zijn stokpaardjes. Maar zijn verwondering en woede zijn oprecht. “Hij is er dag en nacht mee bezig. Hij kan niet tegen onrecht”, zegt zijn vrouw Ciska. Pondaag laat op zijn telefoon een foto zien van mevrouw Ramisi, een van de weduwen op Zuid-Sulawesi die 20.000 euro schadevergoeding hebben gekregen, mede dankzij Pondaag.

Pondaag is woedend over de manier waarop Nederland met Indonesië is omgegaan. Over de Nederlandse oorlogsmisdaden tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, een burgeroorlog. Kom bij hem niet aan met eufemismen als ’excessen’ of ’politionele acties’; over het niet erkennen van een onafhankelijk Indonesië in 1945; over de 4,5 miljard gulden aan schadevergoeding die de Indonesiërs aan Nederland moesten betalen bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Wat is met dat geld gedaan, wil hij weten. “Maar ik kom ook op voor Nederlanders die weigerden als dienstplichtige naar Indonesië te gaan. Ze moesten jaren de gevangenis in. Sommigen hebben lange tijd ondergedoken gezeten. Na 1945.” Hij komt tevens op voor Nederlandse ambtenaren die destijds maandenlang in kampen zaten en hun salaris niet hebben gekregen.

Arrogant

Hij windt zich vooral op over de manier waarop Nederland nu, 70 jaar later, nog steeds met dit verleden omgaat. Door er niet te veel woorden aan vuil te maken, door het zelfs weg te stoppen. “Arrogant”, vindt Pondaag. Verzwijgen, maar soms toch ook verheerlijken. Want waarom is de Amsterdamse Coentunnel nog steeds vernoemd naar de VOC-gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen die in 1621 duizenden inwoners van de Indonesische Banda-eilanden liet vermoorden, omdat ze handel dreven met de Engelsen? En waarom heeft de Gouden Koets nog steeds een paneel met Javanen? Dat is volgens Pondaag verheerlijking van het koloniale verleden. En dat in een land dat anderen graag de les leest over mensenrechten. “Belletje blink, kontje stink”, zei zijn Indonesische tante vaak. Nederland houdt de schone schijn op, bedoelde ze daar mee. Al deze kwesties heeft Pondaag menig maal per brief, mail of in persoonlijke gesprekken aangekaart bij de verantwoordelijke personen en instanties. Tevergeefs. De boosheid ontwikkelt zich vanaf 1969, als hij met zijn moeder en broer verhuist van Jakarta naar Nederland. Moeder wil terug naar haar familie, nadat ze is gescheiden van Pondaags vader. Die is Indonesiër, zijn moeder Nederlandse. De jonge Jeffry, een 16-jarige puber, wil niet mee, maar hij moet. Sneeuw, blanke mensen, stenen huizen in rijtjes; Pondaag voelt zich in Noord-Holland als Alice in Wonderland. “Wat kom jij hier doen? Wanneer ga je weer naar je eigen land?”, vragen ze in Heemskerk. “Als jullie niet daar waren geweest, was ik nu niet hier”, bijt hij van zich af. Hij snapt die Hollanders niet. Waarom zien ze Indonesiërs als terroristen, terwijl ze voor hun vrijheid hebben gevochten tegen kolonisator Nederland. Zoals de Nederlanders eerder tegen de Duitsers hebben gevochten.

Terug

Als hij ouder is, dan zal hij teruggaan, neemt hij zich voor. Maar hij krijgt na een technische opleiding een baan bij Hoogovens, ontmoet zijn Ciska en krijgt twee dochters. Voor hij het door heeft, is hij stevig verankerd in Nederland. Zijn woede blijft, zonder dat hij er iets mee bereikt. De ommekeer komt in 1995, voorafgaand aan het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië. RTL 4 zendt een documentaire uit over de massamoord in het dorp Rawagede op West-Java. Daar vermoordden Nederlandse militairen in 1947 tussen de 150 en 400 mannen, toen ze een onafhankelijkheidsstrijder niet konden vinden. Langzaam begint het balletje te rollen. Pondaag zoekt tijdens een vakantie in Indonesië de stokoude weduwen van de slachtoffers op en wijst ze op hun recht op schadevergoeding. “Ze reageerden verbaasd. Sommigen werden bang en dachten ‘Wat gebeurt mij nu nog?’ Anderen wilden direct een rechtszaak.” Zij machtigen de ‘Hollander’ namens hen een rechtszaak te voeren.

Mensenrechtenadvocaat

Via via komt hij in contact met mensenrechtenadvocaat Liesbeth Zegveld. “Ik sprong niet direct bovenop die zaak. Ik wist niets van die geschiedenis en bovendien was de kwestie verjaard”, blikt de advocaat terug. “Maar Pondaag was vasthoudend en aardig.” Zegveld besluit in 2008 het erop te wagen. En met succes. De rechter vindt de verjaring niet terecht, mede omdat Nederland al die tijd achterover had geleund. Negen weduwen krijgen ieder 20.000 euro smartengeld en de overheid maakt haar excuses voor het bloedbad.

Het is een glorieus moment voor Pondaag en een aanmoediging om door te gaan. Hij traceert samen met andere leden van het in 2005 opgerichte Comité Ereschulden Nederland weduwen op Zuid-Sulawesi. Hun mannen waren ook in koelen bloede doodgeschoten door Nederlandse militairen. Zegveld twijfelt, maar Pondaag weet haar over te halen opnieuw een rechtszaak te beginnen. Wederom met succes.

Daarna komt hij met de vijf kinderen aanzetten. “Zij waren ooggetuigen of in de buurt van de moordpartij. Ik twijfelde, maar uiteindelijk zag ik dat we een goede zaak hebben. Waarom zou het voor de weduwen erger zijn dan voor de kinderen? Sommigen weduwen waren destijds 16, een van de kinderen was 13”, vertelt Zegveld. De vrees dat straks hordes kinderen de Nederlandse Staat aanklagen, vindt ze ongegrond. “Het gaat om een beperkte groep van hooguit enkele tientallen.” Vorige maand klaagde ze Nederland ook aan voor marteling en verkrachting van twee Indonesiërs.

Onafhankelijkheidsdag

“Mooi wat één mens kan verrichten”, zegt ze over Pondaag. In augustus vliegt hij naar Indonesië, vanwege de 70ste onafhankelijkheidsdag, een feestje dat Nederland nog steeds niet wil meevieren. Hij zal op Java nabestaanden van Nederlandse oorlogsmisdaden opzoeken, voor nieuwe rechtszaken in Nederland. “Ik kan zo nog driehonderd oorlogsmisdaden uit de Excessennota halen.” Dan fel: “Van mij hoeft het niet, hoor, die rechtszaken. Laat Nederland algemene excuses aanbieden voor al het leed dat het de Indonesiërs heeft aangedaan en erkennen dat Indonesië op 17 augustus 1945 onafhankelijk is geworden.” Maar of dat ooit gaat gebeuren?

x

Eerder verscheen dit artikel in het Haarlems Dagblad, 24 januari 2015

Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

45 reacties op Indonesische vechtjas

  1. NINO zegt:

    Landverrader. Laat hij lekker gelukkig zijn in Indonesië.

    • Yen zegt:

      zeg dat wel….

    • van Beek zegt:

      Belachelijke reactie. Laat mij dan ook maar lekker een landverader zijn. Ben het roerend met pondaag eens. Tenminste een indo die niet meegaat met de koloniale garde. Ik ook niet!

      • Yen zegt:

        Heeft niets met de koloniale garde te maken…en dat je een Indo bent. dat is allemaal gebeurd tijdens het jaar 1600 de koloniale tijd en dat ga je maar aan jou Moeder vragen.als ze nog leeft dus voor sommige een mooie liefdesleven of een teleurstelling van een gedwongen scheiding en nog zoveel meer. .. .Toen kwamen de jappen het was oorlog …Jappen die de jonge Indonesiërs hun als ploppors hebben getraind en gebrainwasht en vooral alles wat Nederlands was of Indo inclusief de kinderen gewoon met bamboe spiesen en ook hun eigen volk op een afschuwelijke wijze hebben vermoord..dat was dan in de bersiap tijd..en oorlog is een duivelse uitvinding …dus het komt van beide kanten.En het verdriet ,pijn en al die martelaars ,die slachtoffer zijn geworden van de domme machthebbers op dat moment.
        .Wat nu ook op deze wereld gebeurd is nog veel erger en het gaat maar door…het zijn alleen de mannen die vechten,maar denken niet aan hun vrouwen en kinderen die ze achterlaten……(gelukkig niet alle mannen hoor..) Wij leven nu en niet in het verleden…
        Mijn ouders en ik zelf waren ook slachtoffer,en wij vragen niets maar vragen om begrip te tonen, laat het verleden los en kijkt naar een vredige toekomst voor onze kinderen …Alle KINDEREN VAN DEZE AARDE ZIJN DE TOEKOMST,,,dus vooruitkijken en niet achteruit .

  2. Roger zegt:

    De man is compleet gestoord, en heeft het allemaal niet begrepen. Eerst wil hij betalingen voor de nabestaanden van het Sulawesi conflict, waar de rechter al had bepaald dat de Nederlandse staat verantwoordelijk is voor haar ‘onderdanen’ wat betekent dat het gebied onder Nederland viel en tegelijkertijd wil hij erkenning van Nederland van de onafhankelijkheidsdatum van 27 augustus 1945, dat is een ware contradictie waar deze man mee leeft. Dat hij geen jurist is en nooit een hogeschool of universiteit van binnen heeft gezien is wel af te lezen aan deze complete onzin. En waarom moet Nederland een onafhankelijkheidsfeestje vieren van Indonesië, heeft Indonesië onze onafhankelijkheid ooit gevierd of erkend? Staat Jeffry Pondaag ook de onafhankelijkheid van West Papua te vieren, een land wat door ‘zijn’ koloniale land Indonesië bruut is bezet, gaat Pondaag daar ook excuses maken? Maakt hij zich ook kwaad wat op de Zuid Molukken gebeuren of wat er is gebeurt in Oost Timor? Ik denk dat deze man leeft met oogkleppen op, maar dat zijn er wel meer in zijn straatje.

  3. RLMertens zegt:

    Moet men gestoord zijn om recht te halen waar onrecht is geschied?

  4. Wim ten Wolde zegt:

    Wat deden de pemuda’s direct na de japanse capitulatie? Toen er nog geen Nederlandse militairen in Indie waren. Wat schreeuwde Sutomo over de radio? Vermoord alle burger Blanda’s en Indo’s.
    Het Gubeng Transport in Surabaya, waar ik van nabij een geval van dichtbij ken. Een jongen van 8 jaar, met moeder en twee oudere zusjes op weg naar de haven en Nederlandna drie en half jaar internerings kampen. Vader was net voor capitulatie door jappen vermoord. De twee meisjes door pemuda’s vermoord, het achtjarige broertje gewond door bambu rutjing en stond op het punt ook vermoord te worden.Een dappere Indonesier redde hem van de wisse dood. Een held. Hij heeft z’n hele leven tot aan zijn dood in trauma geleefd. Zelfs familie leden, zoals oma’s van sommige pemuda’s werden door eigen “familie” vermoord. Tja, wat heeft de heer Pondaag uit eigen ervaring meegemaakt? Hij kan al deze getuigenissen naslaan en lezen als hij de moed heeft. Ook geen prettige litteratuur. Gelukkig was en is hij welkom in Nederland. Wij waren het niet toen we Indonesie moesten ontvluchten met achterlating van al onze bezittingen. Geen enkele misdaad kan goedgekeurd worden, maar je moet het niet alleen van een kant bekijken.

  5. Ja Wim, mijn vader en broer Erik ook door Pemudas op Japanse manier onthoofd toen hun trein in 1945 op West Java was leeg gehaald en 300 op die manier hun dood vonden in een tijds bestek van 3 dagen. Wij kregen geen rooie cent van die bersiap tijd. Zie wat Isis nu ook weer doet met Christenen en hun eigen mensen die niet met hun willen meespelen. History repeats it self.

  6. Peter van den Broek zegt:

    @Roger: #De man is compleet gestoord, en heeft het allemaal niet begrepen#
    Nou dhr Roger, wat ik ervan begrepen heb:

    In de rechtzaak Rawagede werd de Nederlandse Staat verantwoordelijk gesteld voor de schade toegebracht aan de nabestaanden van de mannen die geexecuteerd werden. Aangezien de zaak de weduwen van Zuid-Sulawesi eenzelfde karakter had, schikte de Nederlandse Staat voordat de zaak voor de rechter werd gebracht. Dat lijkt me wel logisch. Er is nu een rechtszaak gaande of de kinderen van de geëxecuteerden ook recht hebben op schadevergoeding, maar dat is weer een andere zaak. Of de weduwen op dat moment onderdanen waren of niet doet hier niet ter zake of ik heb de volledige uitspraak van de Rechtbank te Den Haag niet goed gelezen. Dhr Roger heeft dan denk ik meer juridische kennis dan ik, maar ik ben ook geen jurist.

    En voor het karakter van de onafhankelijkheidsverklaring van 1945 in tijden van oorlog en wanneer een gebied onder Nederlands gezag viel zou ik maar bij onze juristen Internationaal Recht in de leer gaan. Het ene sluit het andere niet uit zo heb ik begrepen. Of ik moet ook compleet gestoord zijn.

    • Jan A. Somers zegt:

      ” zou ik maar bij onze juristen Internationaal Recht in de leer gaan.” Staat gewoon in de handboeken. Indonesië mocht gerust op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uitroepen. Dat mag ik ook in mijn straat, samen met al mijn buren. Maar je moet daarna wel wachten op de de jure erkenning. De facto erkenning zit daartussen, dat was door Nederland op de Hoge Veluwe al gebeurd. Het gebied viel niet onder Nederlands gezag, maar onder SEAC. Maar de republiek had wel effective control over (in het begin) praktisch heel Indië. Ook dat is beschreven, verantwoordelijkheid voor de ingezetenen door de National Liberation Movement (= de republiek). Later in het gebied waar Nederland weer het gezag had, was dit natuurlijk Nederland (of Nederlands-Indië, maar dat weet ik niet, is wel uit te zoeken). Dat het in de chaos anders is gelopen kan ik niet helpen.

  7. glemmens1940 zegt:

    Ik denk dat bovenstaande een eenzijdige blik werpt op het probleem ?
    Het volgende overkwam mijn Oom – Theodorus Johannes van Gent die met mijn vader’s oudere zus Regina Catharina Lemmens was getrouwd.
    In de namiddag van 7 december 1926 te ongeveer 5 uur verlieten de sergeanten de Gruyter en van Gent, vergezeld van hunne echtgenoten hun woning, gelegen in het Militair Kampement te Blang Kedjeren en begaven zich naar de passar, alwaar zij de z.g. “Toko Crani” bezochten. Zij verbleven daar van ongeveer 5 uur tot 5.45 uur. Voor die toko, in de z.g. “Kaki lima” stonden een 10 à 15-tal Gajo koelies, die op die dag transport gelopen hadden. toen de onderofficieren en hun dames de toko verlieten, liepen zij tussen de koelies door tot mevrouw van Gent bemerkte, dat een Gajo hen achterop liep. Zij waarschuwde haar man, aangezien zij de in de veronderstelling was, dat die koelie haar man wenste te spreken, daar de sergeant van GENT als dienstdoend fourier belast was met het uitbetalen der transport-koelies. Nauwelijks had zij hiertoe een woord geuit, toen zij zag, dat deze Gajo de naast haar lopende sergeant de Gruyter met een mes in de rug stak, dat mes er weer uittrok en terugliep in de rihting waarvan hij gekomen was. De beide dames zijn daarop gillend weggevlucht naar het huis van de 1e luitenant Ter Meulen. Inmiddels had de sergeant van Gent zich omgedraaid en zette de moordenaar na. Deze zich achtervolgd bemerkende, draaide zich om, liep op sergeant van Gent toe, die de moordenaar met uitgespreide armen opving en vastgreep, doch niet, dan nadat blijkbaar de moordenaar nog kans had gezien hem met zijn mes een steek in de buik te geven. De moordenaar duwde van Gent van zich af, vluchtte terug in de richting van waar hij was gekomen, alwaar hij door twee oppassers werd bedreigd. Hij keerde daarna om en achtervolgd door de oppassers vluchtte hij, met het mes in de hand, naar het militaire kampement, alwaar hij door de inmiddels gewaarschuwde wachtcommandant, de sergeant van den Broek opgewacht en met twee klewang-houwen werd neergeslagen.
    Sergeant de Gruyter schijnt na het ontvangen van de steek te zijn neergezegen, doch is daarna weer opgestaan en om hulp roepende naar de wacht gelopen. Hier stelde hij de wachtcommandant van het gebeurde op de hoogte. Deze sloot onmiddellijk de kampementspoort en posteerde zich daarvoor met een marechaussee. Zij zagen aldra de moordenaar komen aanlopen met het mes nog in zijn hand, waarop hij werd neergeslagen.
    Sergeant de Gruyter werd in het Hospitaal opgenomen, doch de volgende morgen te ongeveer 8 uur stierf hij aan de bekomen verwonding.
    De beide mannen werden de volgende ochtend meteen begraven. En voor beide vrouwen, de één een Nederlandse, de ander een Indische vrouw, de terugtocht geregeld. Toch altijd weer vier dagmarsen langs het voetpad naar Kotadjané waar de harde weg naar Medan begon. De vrouwen kregen een bergpaardje. Verder was er de gebruikelijke gewapende begeleiding en dragers voor de bagage en het eten voor onderweg. Het was een stil vertrek. Wat viel er ook te praten. En dat de Nederlandse vrouw schuldig was aan de dood van beide mannen, wist toen nog niemand. Gelukkig maar.
    Idris, de staljongen, wist het te vertellen. De Hollandse mevrouw had op de pasar met haar schoen naar etenswaren gewezen. Dat was tegen hun adat geweest. ‘Want Toehan jang kasih, mevrouw. Het is God die geeft. Die ons eten geeft. Maar wij krissen de vrouw niet. Wij krissen de man.’.

    Inwijding van de gedenkstenen van de sergeanten Van Gent en De Gruiter. In aanwezigheid van een geestelijke, alle militairen en een enkele vrouw. Rechts staat Clara Hukom. De inwijding vond plaats een jaar na de begrafenis. Beide sergeanten waren gekrist. De dennenbomen op de achtergrond zijn typisch voor de omgeving van Blangkedjeren: ‘blang’ betekent ‘grasvlakte met dennen begroeid’
    http://www.leestrommel.nl/toehan/index.html Wies van Groningen: ‘Toehan jang kasih’, uit: Clara Hukom.
    Daar bij de ingang hadden ze ook hèm ontmoet, die met het donker worden, die avond nog, gekrist zou worden. Van Gent heette hij. Hij was sergeant, nog maar net op de Blangk aangekomen met zijn Hollandse vrouw en wilde buiten het kampement bij de Chinese warong wat eten halen. Hoefde zijn vrouw niet te koken. Ze moest toch al aan zoveel wennen en zó lekker kookte ze nou ook weer niet, vertelde hij lachend, vertederd nog daarover. En vroeg het kind dat zij op haar arm droeg, of het met hem mee wilde. Boy was iedereens lieveling en wilde altijd wel mee. Ze wist niet waarom ze ineens aarzelde en toen ’Nee, nu maar niet’ zei. Ze keek de jonge Belanda na, die vrolijk lachend alweer verder liep. Nee, ze wist niet waarom ze nee gezegd had.
    Het was net donker toen alles tegelijk gebeurde. Gegil, geschreeuw, alarm dat geslagen werd, buitenlampen die uitgingen. Dan stilte. Mijn vader kwam binnen rennen, stopte haar iets in de handen: ‘Hier, je moet jezelf maar verdedigen en doe de lamp uit,’ was meteen ook weer verdwenen. Neneh, die net de sinjo de avondpap had gegeven en hem wat nawiegde in haar armen, begon te jammeren.
    ‘Sssst,’ zei ze, terwijl ze olielamp laag draaide
    ‘Doedoek disini neh.’ En ze schoof behoedzaam de oude vrouw met het kind onder de tafel achter het neerhangende tafelkleed, toen alle stoelen eromheen. ‘En zorg dat de sinjo stil blijft.’
    Dan stond ze rechtop bij de deur om wat voor gerucht dan ook te kunnen opvangen. Dit was het dus. Eén van de dingen waarover gefluisterd werd. Waarover ze nooit iets had willen horen. Waar ze nu midden in zat. Wáár inzat? Een steekpartij? Iemand die mata gelap geworden was? Of erger nog, een overval? Juist nu, nu de meeste soldaten op patrouille waren! Ze wist hoe Atjehers met hun vijanden afrekenden. De kris laag en diep in de buik en dan met één haal naar boven er weer uit. En dit kampement was hun vijand. Allen, die hier woonden waren hun vijand. En zij, kind van dit land, was zij ook hun vijand? Want getrouwd met een Belanda?
    Hoe lang stond ze zo. Het pistool dat in haar handen was geduwd, legde ze op tafel neer. Met een licht schouderophalen. Ze riep zachtjes: ‘Neh, daar blijven ja, tot ik terug kom.’ En liep toen naar buiten. Want groter dan haar angst was haar angst om hem.
    Ze duwde de deur zachtjes verder open. Hij stond in kaarslicht gebogen over een lange tafel. Maar haar blijdschap om hem wurgde zich weer weg toen ze zag waar hij mee bezig was. Wanhopig mee bezig was. De darmen terug te stoppen in de opengesneden buikholte van de dode sergeant Van Gent.
    Er was nog een tweede slachtoffer. De man die had willen helpen toen Van Gent buiten het kampement – bij de Chinese warong – aangevallen werd. Zijn collega sergeant De Gruiter. Maar zijn sterven duurde nog de hele nacht.
    Ze stond naast de dokter in het kleine ziekenzaaltje.
    ‘God dok,’ zei ze en greep zijn arm. ’We weten dat hij doodgaat. Doe toch wat. Laat hem niet zo lijden.’ Maar de dokter schudde zijn hoofd. ‘Mag ik niet mevrouw,’ en maakte zich van haar los. Hij jammerde om drinken, hij jammerde om een einde. Beide nieren waren doorgesneden en alles wat hij dronk, al het bronwater, alle air Belanda, alle siroop, alles, alles wat maar drinkbaar was in het kamp, liep ook zo uit zijn lijf weer weg.
    De lampen buiten waren weer weer aan, maar iedereen bleef binnen. Niet alleen om het gejammer van de stervende niet te hoeven horen. Maar om sergeant Van Gent, die meteen dood was, zo plotseling dat zijn ziel misschien niet wist waar hij naar toe moest, sergeant van Gent z’n ziel was misschien aan het ronddwalen.
    Ze liepen samen terug naar huis, mijn vader en moeder. Blij met elkaar. Thuis kroop Neneh stijf en opgelucht onder de tafel vandaan en hoorde het hele verhaal aan. ’t Jongetje werd in bed gelegd, waar het verder sliep.
    ‘Wil je nu naar huis?’ vroeg mijn vader.
    ‘Ja, Toean.’
    ‘Ben je bang?’
    ‘Ik ben bang.’
    ‘Dan breng ik je naar huis.’
    En zo bracht hij, die mijn vader was – een orang belanda, een onbereikbaar hoog persoon – een oude soldatenmoeder naar haar slaapbarak. Ik heb mijn vader nooit kunnen liefhebben. Maar ik kan wel trots op hem zijn.
    De beide mannen werden de volgende ochtend meteen begraven. En voor beide vrouwen, de één een Nederlandse, de ander een Indische vrouw, de terugtocht geregeld. Toch altijd weer vier dagmarsen langs het voetpad naar Kotadjané waar de harde weg naar Medan begon. De vrouwen kregen een bergpaardje. Verder was er de gebruikelijke gewapende begeleiding en dragers voor de bagage en het eten voor onderweg. Het was een stil vertrek. Wat viel er ook te praten. En dat de Nederlandse vrouw schuldig was aan de dood van beide mannen, wist toen nog niemand. Gelukkig maar.
    Idris, de staljongen, wist het te vertellen. De Hollandse mevrouw had op de pasar met haar schoen naar etenswaren gewezen. Dat was tegen hun adat geweest. ‘Want Toehan jang kasih, mevrouw. Het is God die geeft. Die ons eten geeft. Maar wij krissen de vrouw niet. Wij krissen de man.’

    En dan wat denkt Jeffry Pondaag van de arme vrouwen en kinderen die 3 1/2 jaar de verschrikkingen hadden doorstaan van de Jappenkampen en toen in 1945 een kopje kleiner werden gemaakt door de Indonesise extremisten ?? Zouden die dan ook in aanmerking komen van de schadevergoeding van de Indonesische regering ???

    • Ælle zegt:

      Eindelijk vond ik de rust in het hoofd, in verband met mijn gedwongen verhuizing, om het bovenstaande verhaal te lezen en te laten bezinken. Het was alsof ik er gewoon bijstond als toeschouwer; het hele gebeuren aan me voorbij ziende gaan. Van de weeromstuit begin ik nu ook al in de stijl gelijk de verteltrant te schrijven.
      Het moet voor aller familieleden bijzonder pijnlijk geweest zijn, maar hebben mensen zich erover ‘vastgebeten’ in de rechten van de slachtoffers en hun nabestaanden? Neen, dus. De weduwen mochten stilletjes vertrekken, te beginnen met vier dagmarsen langs een voetpad.
      De titel ‘Toehan jang kasih’ is afschuwelijk. Vertaald met God voor Toehan is afschuwelijker, want God heeft een Zoon, maar ‘hún’ Toehan NIET!!! Bovendien is God Liefde. Uit het verhaal mag men concluderen dat Toehan de ware God níet is, maar Satan de Duivel!
      Openbaring 12 vers 9 zegt, Neergeslingerd werd daarom de grote draak, de oorspronkelijke slang, die Duivel en Sa̱tan wordt genoemd, die de gehele bewoonde aarde MISLEIDT; neergeslingerd werd hij naar de aarde, en zijn engelen (demonen) werden met hem neergeslingerd.

      • eppeson marawasin zegt:

        Voor haar kleinkinderen en achterkleinkinderen***

        — ‘Toen het zeker was dat zij (Clara Hukom e.m.) zou trouwen met een Belanda, voer haar moeder met prauw naar het eiland Haroekoe, naar het dorpje Oma, waar hun voorouders vandaan komen. En daar, in de Baileo, waar magische krachten schuilen en adatzaken besproken worden, heeft zij die voorouders om begrip gevraagd voor het feit dat haar dochter de adat niet meer zou kunnen naleven. En om vergiffenis, zodat haar kinderen zouden leven.’ (blz. 5)***

        –‘Nederland zou de oorlog in Atjeh niet hebben kunnen voeren zonder de zogenoemde kettingberen. Dat waren tot dwangarbeid veroordeelde Indonesiërs, die met het leger naar Atjeh werden gestuurd om als koelies en dragers te fungeren. Vaak bleven ze ook tijdens hun werk met kettingen aan elkaar geklonken, vandaar hun bijnaam. De soldaten noemden hen strapans, afgeleid van strafgevangenen. Hun inzet in Atjeh was onwettig en onmenselijk. Bij gevechten vielen in hun hun gelederen altijd de meeste doden en na de periodieke epidemieën telden zij de meest slachtoffers. In hun modderige onderkomens stierven zij bij honderden. Er waren jaren dat helft van de nieuwe ‘voorraad’ kettingberen binnen een jaar dood was. Tussen 1873 en 1880 stierven er meer dan achtduizend, en over het geheel van de Atjeh-oorlog gerekend rond de 25.000.’ (blz 15/16)***

        — ‘/…/Ze wist niet goed wat te doen, mijn moeder. Geneerde zich een beetje. Wat wilde ze nu eigenlijk? Liep dan naar het kantoor van mijn vader. Alleen de betaalmeester was er, zag ze. Een Ambonees. “Oom Riebock” – want onder elkaar worden oudere Ambonezen met oom ( of tante) aangesproken. “Ada apa? Wat is er aan de hand?” “Weet mevrouw dan niet?” “Ik weet niets.” “Er is vanochtend een afstraffing, mevrouw.” “Een afstraffing?” “Ja mevrouw.” “Wie wordt er dan gestraft, oom?” “Een strapan, mevrouw. Hij wilde niet mee op patrouille als drager. Daarom wordt hij gestraft. Het gebeurt wel vaker hier, mevrouw, een afstraffing.” “Waarom wou hij niet mee op patrouille, oom?” “Hij heeft platvoeten, mevrouw. Dan kun je niet een maand lang achter elkaar lopen en veertig kilo dragen.” “Wat voor straf, oom?” “Stokslagen, mevrouw. Vijftig stokslagen.” (blz 27/28)***

        –‘/…/Ineens waren ze daar –allemaal- de hele patrouille. Vuil en onvermoeid. Er werden orders gegeven; klewang en geweer konden meegenomen om schoongemaakt te worden, munitie moest worden ingeleverd. Men ging zich baden en dan naar de kantine waar het grote zuipen kon beginnen.

        Sergeant Van Kempen boog zich naar zijn vrouw, kuste haar. “Ja, alles is goed gegaan. Dag mevrouw Metaal, hoe gaat het met U? Nou nee, ik geen thee, geef me maar alvast een borrel.” Hij zat nog maar net toen zijn oppasser, een Ambonnees die de hele maand zijn eten en drinken had verzorgd, zijn kleren gewassen en zijn slaapplaats had geregeld, drie treedjes naar het platje opliep. Om te melden dat hij het pakje tabak, dat de sergeant kennelijk miste, niet had kunnen vinden. Woedens sprong Van Kempen uit zijn stoel op en met de woorden: “Ach, dat heb je dan zeker zelf gepikt,“ trapte hij de soldaat met een flinke borststoot zó het trapje af.

        Het ging allemaal zo plotseling en zo snel dat de twee vrouwen verbouwereerd toekeken. Toen stond mijn moeder langzaam op. Alsof ze nog wat tijd nodig had om precies te kunnen zeggen wat ze wilde zeggen. “U had dat beter niet kunnen doen, meneer Van Kempen. Eén van mijn mensen zó behandelen. Ik zal U wat zeggen. U bent hier gekomen om geld te verdienen. Net als mijn man. Zeker! Maar U zult nooit Uw vaderland terugzien.” Dat was alles wat ze zei. Niet eens zoveel woorden, maar ze waren gezegd. Het kon niet ongedaan worden gemaakt. “Oh, ik wist niet dat hij een landgenoot van U was, “stotterde de Hollander, maar mijn moeder luisterde al niet meer. Ze liep het trapje af en bekommerde zich om de soldaat. Het viel gelukkig mee, de belediging had méér pijn gedaan. Toen ze nog even met hem opliep, drukte ze hem op het hart geen herrie te maken. “Djangan riboet, ja.” (blz. 32/33/34)***

        ***Uit ‘Clara Hukom’ [Verhalen uit Blangkedjerèn] – Wies van Groningen – ISBN 90-76729-17-4

        e.m.

      • eppeson marawasin zegt:

        P.S.

        [CITAAT]
        Clara Hukom, Verhalen uit Blangkedjerèn van Wies van Groningen verscheen in september 1995, in een oplage van 400 exemplaren. Van deze verhalen verscheen ‘De strapan’ eerder in de Pasarkrant van maart 1995. Dit verhaal werd, samen met ‘De afstraffing’ ook gepubliceerd in de door Astrid Roemer geredigeerde verhalenbundel ‘Het vrolijke meisje’ die in mei 1995 door Arena werd uitgegeven. In 1998 werden de verhalen ‘Om een pakje tabak’, ‘Toehan jang kasih’ en ‘De kris’ opgenomen in de bloemlezing ‘Oost-Indische inkt : 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren’, samengesteld door Alfred Birney en uitgegeven door Uitgeverij Contact.
        [EINDE citaat]

        e.m.

      • Ælle zegt:

        Natuurlijk is het verhaal van de Ambonezen nooit goed te praten. Ik ben tegen geweld en valse beschuldigingen. Ik heb 7 nichten en neven die ook half Moluks zijn. Mijn vriendin Doortje is Moluks. Ik lach en huil met haar. We hebben er nooit bij stilgestaan wie wat is. Om eerlijk te zijn heb ik ’t van mijn familie nooit eerder geweten en zijn we nooit bezig geweest met de verschillen. We zijn juist verguld met ze.
        Bij ons aan huis kwam vroeger altijd een man die mijn moeder Oom Toegoe noemde. Ik weet nog steeds niet waar Toegoe ligt.
        Vroeger was alles gewoon. Ik ben trots op onze ouders dat ze nooit iemand hebben benadeeld. We hadden in de achtergallerij (rechtsaf richting kamar mandi) een kamertje waar een tijdlang een Moslimechtpaar woonde. De man las s’avonds altijd bij het licht van een lampoe templek de Koran, terwijl een bijbel in de goedang naast de wc (linksaf) op de grond lag tussen oude kranten en rommel. Daar vond ik die bijbel toen ik er als kind constant voor straf in werd opgesloten.
        Ik had pas leren lezen en welk boek las ik toen hardop, maar zonder begrip? Ja, goed geraden, de Openbaring van Johannes.

  8. Ælle zegt:

    In dit krantenartikel in de Jakarta Post, gedateerd 22 oktober, 2011, geschreven volgens de opinie van Calvin Michel Sidjaja staan ook `f a b e l t j e s` uit het bos van meneer De Uil. Oogjes dicht en snaveltjes toe.
    http://www.thejakartapost.com/news/2011/10/22/who-responsible-bersiap.html

  9. Ælle zegt:

    Indisch4ever schijnt hier reeds een week erna gewag/melding van te hebben gemaakt. Sidjaja is dus De Wilde.
    http://indisch4ever.nu/2011/10/28/11725/

  10. Peter van den Broek zegt:

    Dhr Jeffry Pondaag heeft gezegd #Ik kan zo nog driehonderd oorlogsmisdaden uit de Excessennota halen# Dan begin ik me toch zorgen te maken want de Excessennota is toch onverdachte en Onze bron, of willen sommigen die Nota 45 jaar na dato aanvechten??? Hij heeft als doorzetter en door sommigen als lekker gestoord persoon bestempeld toch wel sterke kaarten.

    • Jan A. Somers zegt:

      Kan hij ook nog aan de Indonesische excessennota beginnen.

      • glemmens1940 zegt:

        Daar ben ik het helemaal mee eens !!! Zie mijn antwoord ook hierboven!
        Want Mijnheer Pondaag kijkt alleen erg eenzijdig vind ik ! What about de kinderen die de Jappenkampen hadden doorstaan en die hun moeders vermoord zagen worden door de extremisten ???

      • Roger zegt:

        Helemaal mee eens, recht moet niet ´willekeur´ zijn, en dat is dit, daarnaast sta je een vertekend beeld te bevestigen wat Indonesiers hebben van die´onafhankelijkheidsstrijd´ die op economisch gebied geeneens een onafhankelijkheid was, maar dat terzijde.

      • RLMertens zegt:

        @Somers. ‘kan hij ook nog aan de Indonesische excessennota beginnen’ Een repliek; als lucht happen? De Excessennota ‘onze bron’ een handvat van onze misdaden voor een vechtjas als Jeffry! Wat ‘een geluk toch, dat zovele er niet instaan(vergeten?)’.
        -Dat is nou wat ik de Nederlandse politici van weleer verwijt over de dekolonisatie. In plaats van dialoog met de republiek; door provocatie een complete oorlog uitlokken met een dramatische afloop.( er waren toen ook al lieden die hiervoor waarschuwden.) En dan nu nog ….de nasleep! ( zelfs na 70 jaar)

  11. Theo Daems zegt:

    En what about al die slachtoffers door pemuda’s begaan? Indo’s, Nederlanders, w.o. vrouwen, meisjes en zelfs baby’s op gruwelijke wijze vermoord? Als die Pondaard een echte kerel is, dan moet hij ook van de Indonesische overheid excuses en financiële genoegdoening eisen net zoals o.a. bij Rawagede is gebeurd. Laat hij maar mevrouw Zegveld benaderen om zich in te spannen voor de slachtoffers (overlevenden en nabestaanden). Mevrouw Zegveld mag zich ook eens inzetten om de achterstallige betalingen van door Japan gevangen genomen ambtenaren en militairen uitbetaald te krijgen en wel t/m de 2e generatie. Als hij dat nou eens gaat doen, dan en dan pas is hij een echte kerel!

    • glemmens1940 zegt:

      Beste Theo,

      Goed geschreven en als slachtoffer van de Jappenkampen (Malang en Kamp 10) ben ik het helemaal eens met je !!!
      De Japanners hebben in tegenstelling tot de Duitsers nog niet een sorry gezegd !

      Met dank en groeten,

      Gerard

      • Van Beek zegt:

        Waar is die Hollandse vechtjas gebleven dan? Gerard? Theo? Of misschien toch meneer Somers? Gooi die ‘verdomde’ Indonesiers voor het recht als het jullie zo aan het hart gaat.

      • Jan A. Somers zegt:

        Meneer Somers is geen vechtjas hoor. Probeert alleen alles op een rijtje te houden. En ‘geschiedenis herschrijven’? Dat las ik eens in een boek van George Orwell, 1984. (dacht ik, zo lang geleden). Ook in Rusland gebeurd, en in Japan. En meteen maar de geschiedenis een goede of verkeerde kant geven.

  12. Ælle zegt:

    Ik weet niet of ik er goed aan doe om deze link van vorig jaar 2014 te plaatsen, maar ik doe ’t toch, want de namen die hierin voorkomen worden ook in de Java Post genoemd. Pondaag, Bennema …
    Vorig jaar, op 4 augustus 2014, hield historicus en journalist Tineke Bennema in de NRC een pleidooi een onderwijscommissie te vormen die ‘ons’ Indisch en koloniale verleden moet herformuleren. Zij heeft zich als ‘kind van een kampkind’ voor het karretje laten spannen door Jeffry Pondaag, de voorzitter van het Comité Nederlandse Ereschulden. Bennema en Pondaag roepen in dit stuk op tot het herschrijven van het Indische en koloniale verleden, waarbij de nadruk moet liggen op onze (Nederlandse) wandaden en op het leed van de Indonesische bevolking. Artikel is van Kees Jan Dellebeke, (b.d.) veiligheids adviseur. So what?! Ik begrijp hier niets van: herschrijven van ‘ons’ verleden, met nadruk op wandaden? Ga toch weg!!!
    https://www.villamedia.nl/community/blog/110906/indisch-monument-niet-voor-indonesiers/

    • Ælle zegt:

      In het NCR staat het belangrijkste nieuws op 22 maart 2015:
      “De dodelijke aanslag in de Bardomuseum in Tunesië werd niet alleen uitgevoerd door de twee gedode daders maar ook nog door een derde schutter.”
      Hoe kunnen gedode daders nog een dodelijke aanslag uitvoeren? NCR fantaseert!

      • eppeson marawasin zegt:

        Met ‘werd uitgevoerd’ staat de zin grammaticaal in de ‘voltooid verleden tijd’. De vvt wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.

        De toepassingsvorm van de vvt is in dit geval de verledentijdsvorm van het werkwoord worden in combinatie met het voltooid deelwoord van het werkwoord uitvoeren in de betekenis van ten uitvoer brengen; atau op z’n zondags gezegd ‘effectueren’.

        Met ‘gedode’ in het zinsdeel ‘de gedode daders’ is het voltooid deelwoord van het werkwoord doden gebruikt als bijvoegelijk naamwoord.

        ‘Over je graf heen regeren’ schijnt ook nog te kunnen, maar vooralsnog houden wij (pluralis modestiae) het hier op figuurlijk taalgebruik.

        e.m.

      • Ælle zegt:

        De daders waren nog steeds gedood. Ik trap er niet in.

      • eppeson marawasin zegt:

        De gedachten zijn vrij …

        e.m.

      • Ælle zegt:

        De gedachten zijn vrij
        Wie raadt ze daarbinnen?
        Zij dansen voorbij
        Als nacht’lijke schimmen
        Geen mens kan ze naken
        Geen jager ze raken
        Laat wezen wat zij:
        De gedachten zijn vrij!

        Ik denk mij wat ik wil
        In heimlijke dromen
        Haar zoetheid laat ik stil
        Mijn harte doorstromen
        Mijn wens en begeren
        Kan niemand mij weren
        Laat wezen wat zij:
        De gedachten zijn vrij!

        En spert men mij geboeid
        In duistere toren
        Hun zorgen en moeit’
        Gaan alle verloren
        Gedachten als vuren
        Doen storten de muren
        En zold’ring daarbij!
        De gedachten zijn vrij!

        Daarom wil ik immer,
        de zorgen verjagen,
        en zal mij ook nimmer
        met spoken meer plagen
        Men kan toch daar binnen,
        steeds lachen en minnen
        en denken, wat ook zij:
        de gedachten zijn vrij!

        Is een oud Duits volkslied geweest.Hahaha Ook te beluisteren. Hihihihihi
        http://nachtvandevrijheid.amnesty.nl/index.php/8-algemeen/28-de-gedachten-zijn-vrij

    • RLMertens zegt:

      @AElle. Dat de bersiap en zijn slachtoffers NIET bij het monument herdacht/genoemd wordt geeft toch al te denken. Zelfs de ‘politionele nasleep'(en slachtoffers) worden niet genoemd/vermeld. Herdenken van de ‘verkeerde kant van de geschiedenis’?

      • Indisch4ever zegt:

        Bij het Indisch monument in Den Haag wordt in de eerste plaats Nederlandse slachtoffers van de oorlog herdacht en hun geschiedenis.
        Maar bij andere 15 augustusherdenkingen zie je de laatste jaren wel meer aandacht voor Nederlandse slachtoffers van de Indonesische revolutie.
        Daar is niks mis mee. Dat is niet ‘de verkeerde kant van de geschiedenis’ herdenken.

      • Jan A. Somers zegt:

        “Herdenken van de ‘verkeerde kant van de geschiedenis’?” Gelukkig kun je dat niet eens, er is maar één geschiedenis. Alles netjes op een rij.

      • RLMertens zegt:

        @Boeroeng. Ik herdenk de slachtoffers van de Japanse oorlog , maar vooral ook hen, die door toedoen van de Nederlandse politiek na 1945; herkolonisatie/herbezetting van Indië/Indonesië, geslachtofferd werden; de bersiap slachtoffers! Voor de duidelijkheid; alle slachtoffers; Indisch/Nederlanders en Indonesiërs. Nederland treft blaam om nb.na de gruwelen van 2e wereld oorlog, opnieuw met grof militair geweld een volk (> 250.000 doden!), waarmee we zoveel gemeen./relatie banden hebben, te onderwerpen.
        Ter verdere info; het is mi. bij het Indisch monument opzet geweest (?) om de nasleep van de 2e wo. beëindiging er niet bij te betrekken. Omwille van die ‘verkeerde kant’.

      • RLMertens zegt:

        @Somers; ‘er is maar één geschiedenis’.Inderdaad, maar wel met 2 kanten. Die vooral/veelal door dat Ned. ‘vingertje’ wordt aangeduid. En wat betreft Indië/Indonesië vooral bij die ene geschiedenis; die ‘verkeerde kant’ te verdoezelen.

  13. van den Broek zegt:

    voor alle duidelijk- en volledigheid, er staat bij bovengenoemde link onderaan het artikel ook een reactie van Mevr. Tineke Bennema.

  14. René Logtenberg zegt:

    Vechtjas? Tja dat is hier in Nederland niet zo moeilijk.
    Persoonlijk wordt ik nogal moe van dit soort mensen. Weer betalingen..weer excuses. Ik kom toch terug op het feit dat zelfs de Indonesiers hebben toegegeven dat de aantallen slachtoffers van Kapitein Westerling door hen schromelijk overdreven waren. Ik kom ook terug op de bersiap. Wat er gebeurt is met Nederlanders, Indische Nederlanders, Molukkers en Chinezen is te walgelijk voor woorden. De laatste twee groepen kunnen vandaag de dag nog altijd rekenen op bijzondere ‘aandacht’ aldaar.
    Als meneer Pondaag echt zo’n moraalridder is en strijdt voor mensenrechten in Indonesië dan lijkt aandacht voor de regeringen na de Nederlandse tijd mij zelfs nog meer op zijn plaats. Het Indonesische leger heeft de twijfelachtige eer dat zij wereldwijd de nummer één zijn in het ombrengen van de eigen bevolking. Bijna al een miljoen naar schatting. Timor, Sumatra, Irian en uiteraard de Molukken. Met een Moluksevlag zwaaien? Levenslang met als tractatie zware mmishandeling etc. Meneer Pondaag doet u daar eens ietd aan. Die daders….daar leven er nog veel meer van. Gaat u naar uw prachtige land en bestrijd daar het huidige kwaad. ‘Wat zegt u? Gevaarlijk? Levenslang? Misschien wel vergiftigd worden in een vliegtuig? Wellicht verdwijnen?’
    Tja dat begrijp ik meneer Pondaag. Beetje eng, dus blijft u bij voorkeur bezig met tempo doeloe en stelt u geen vragen over de Republiek Indonesië. Poncke Prinsen had in ieder geval wel het lef om dat te doen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s