Een bezoek aan een kampslachtoffer geeft aanleiding tot overpeinzingen over de tijd.
Door Bert Immerzeel
Een paar maanden geleden bracht ik een bezoek aan een ex-collega van me. Ze had me jaren geleden, toen ik in het ziekenhuis lag in verband met hartproblemen, een kaart gestuurd met een uitgebreide handgeschreven groet. Ik wilde haar graag daarvoor, ook handgeschreven, bedanken, maar kón dat niet. Een mailtje sturen ging niet – ze deed niet aan mail – en door mijn fysieke problemen is mijn handschrift belabberd geworden. Later, dacht ik, wordt dat beter en stuur ik haar alsnog een kaartje. Maar ja, zoals zo vaak, later wordt nóg later, en weer later nog heel veel later.
Maar dit keer zou het er dus van komen. Ik was zó dicht in de buurt dat ik geen excuus meer had. Ik belde haar op, en – gelukkig – ze reageerde positief. Met een bosje bloemen ging ik op weg naar haar woonplaats. Het was een allerhartelijkst weerzien. Enigszins verbaasd was ik te zien dat ze in de hal, bij de voordeur, een houten wajangpop had staan. Het zal toch niet dat ook zíj uit Indië komt? Lees verder












