Het begin van de 19e eeuw zou van cruciaal belang blijken te zijn voor de geschiedenis van Nederlands-Indië. Met de teloorgang van de V.O.C. was een herstel van de macht van de Indische vorsten niet onwaarschijnlijk. De gebeurtenissen in Europa deden echter een nieuwe koloniale wind opsteken.
Het waren roerige tijden. Om te beginnen was daar de pro-Napoleontische gouverneur Herman Willem Daendels, die, aangesteld door het in Nederland heersende Franse bewind, de macht naar zich toe trok door de aanleg van de Groote Postweg en de uitbreiding van het koloniale leger. Het bleek echter onvoldoende om de in 1811 op Java landende Engelsen tegen te houden. De nieuwe bestuurder, Thomas Stamford Raffles, was misschien iets meer verlicht dan zijn voorganger (onder zijn bewind zag de plantentuin in Buitenzorg het licht), veel veranderde niet.
Toen Napoleon voor het eerst door de Geallieerden verslagen was, in 1814, werd door de overwinnaars bepaald dat het Franse – revolutionaire – gevaar moest worden ingedamd door een sterke staat aan de Franse noordgrens, te weten een samengaan van België met de Bataafse republiek. Een dergelijke staat zou echter pas enige macht hebben, als zij gevoed werd door koloniën, en dus werd Java in dat jaar weer teruggegeven aan de Nederlanden, en kwam hier aan het Engelse ‘tussenbestuur’ een eind. Lees verder











