Kòdi de karbouwenhoeder

In september 1949, enkele maanden voor de soevereiniteitsoverdracht, verscheen onderstaand verhaal in de Nieuwe Courant. Een kinderverhaal, of méér dan dat? Met een beetje goede wil lezen we hier van een volk dat op zijn eigen benen probeert te staan, en belooft geen sawah´s meer te vertrappen. De schrijver is onbekend; één keer is sprake van een ik-figuur die – zich enigszins schuldigvoelend – aan de drijfjacht had deelgenomen…

“Mensen, laat alsjeblieft mijn kudde ongestoord de rivier oversteken!”

x

´Meer dan dertig jaren geleden zwierven er in de rimboe bij Fort van der Capellen verwilderde karbouwen rond, die veel schade toebrachten aan de sawahs en de tuinen der bewoners van die streken. Zelfs vielen ze soms op eenzame boswegen mensen aan, die naar de pasar trokken. Die kudde verwilderde buffels was gegroeid uit enige karbouwen, die op de een of andere wijze verwilderd waren en aan een negrihoofd toebehoorden.

Toen de klachten van de bevolking steeds erger werden, besloot het bestuur tot de Jacht op die dieren over te gaan, nadat men eerst de familie van de vroegere eigenaar, tijd en gelegenheid had gegeven, de karbouwen te vangen. Na die jacht, waarbij enige exemplaren gedood en verscheidenen gewond werden, heeft de bevolking geen hinder meer van de dieren gehad. De overlevenden schijnen die streken verlaten te hebben en dieper de oerwouden van Sumatra ingetrokken te zijn.

Jaren later ontmoette een der bestuursambtenaren, die aan genoemde jacht had deel genomen, een Indonesiër, die ook van de partij was geweest en hoorde toen van deze, het volgende verhaal over het ontstaan van die kudde verwilderde karbouwen. Het verhaal luidde:

Die kudde karbouwen zijn hier meer dan een mensenleeftijd geweest. Oorspronkelijk waren het maar vijf dieren. Zij waren het eigendom van het negri-hoofd van Ramboetan. De kleine herder van vijf buffels was Kòdi. Hij bracht de dieren dagelijks naar hun weideplaatsen. Maar op een dag, waren de karbouwen heel onrustig en in de namiddag op weg naar huis weigerden zij verder te gaan. Wat de kleine Kòdi ook deed, het lukte hem niet de onwillige dieren verder te krijgen. Zij stonden maar te trillen van onrust en angst. Eindelijk ging hij huilend naar huis, waar men erg boos op hem was. En of onze Kòdi al zei, alles te hebben geprobeerd om de buffels verder te krijgen, niemand geloofde hem en men schold hem uit voor luiaard en leugenaar. Elke dag gebeurde hetzelfde met de karbouwen en elke avond werd hij erger berispt en tenslotte kreeg hij een pak slaag. Toen huilde Kòdi de hele nacht. Zelfs de buren hoorden hem jammeren en snikken. Men had wel medelijden met de jongen, maar niemand troostte hem. Hij had immers zijn verdiende loon!

De volgende morgen trok hij er weer op uit, zijn gestreepte broekje aan en een oude, rode deken over de schouder. Maar ´s avonds kwam hij niet meer thuis. De hele kampong ging Kòdi en zijn buffels zoeken, maar zelfs van de karbouwen werd geen spoor meer gevonden, zij waren verdwenen. Het was dan ook moeilijk zoeken in de uitgestrekte bergbossen.

Jaren verliepen. Het negrihoofd was gepensioneerd, had een tocht naar Mekka gemaakt en was daarna overleden. Zijn zoon was al een man op leeftijd geworden en Kòdi en zijn dieren waren zo goed als vergeten. Toen kwamen houthakkers uit de wildernis thuis met het bericht, dat zij in het oerwoud een kudde wilde karbouwen hadden gezien, wel zestig dieren. Tussen hen in hadden zij een kleine jongen ontdekt met een versleten gestreept broekje aan en een oude rode deken over de schouder.

“Dat kan alleen Kòdi zijn”, hadden de oudsten in de kampong uitgeroepen.

En ieder van ons wist toen, dat Kòdi nog leefde en dat hij zijn dieren trouw gebleven was, toen de mensen hem niet wilden geloven. Daarna is hij nog tweemaal door de mensen gezien. Tien jaren daarna werd de kudde te groot. De dieren kwamen het bos uit naar de vlakte en begonnen gevaarlijk te worden en vernielden onze gewassen. Op last van de assistent-resident zijn toen enige dieren neergeschoten en de rest verjaagd. Wij deden allen mee aan de drijfjacht, ik ook.

In de namiddag barstte een zwaar onweer los, dat ophield toen de maan opkwam. In die heldere maannacht rilden we van angst, maar waarvoor, dat wisten we niet. Het was heel stil, maar ver in het gebergte hoorden we duidelijk het hullen van een kind. Het duurde de hele nacht door en het was, of in de hele omtrek de bergen en de bossen klaagden. Dat was Kòdi die huilde, omdat de aanvoerster van zijn buffels was gedood en de kudde was verdreven. En van de mensen, die in die nacht buiten zijn gekomen, omdat ze binnen van angst geen raad wisten, zijn er enigen zwaar ziek geworden. Het was een akelige nacht, en aldoor bleef Kòdi in de bergen doorsnikken totdat de zon opkwam.

Toen werd het stil en we begrepen, dat de verspreidde kudde op Kòdi’s gehuil was afgekomen en dat de buffels zich weer verenigd hadden om voorgoed weg te trekken.

Korte tijd daarna kwamen mensen vertellen, dat zij in die buurt, aan de linkeroever der Ombilin-rivier een grote troep vreemde karbouwen hadden gezien, die van plan was de rivier over te steken. Omdat de mensen bang waren, dat de dieren hun sawah’s zouden vertrappen, hadden ze getracht door schreeuwen en gooien de dieren de overtocht te beletten. Daardoor waren de karbouwen op een hoop gedrongen, snuivend blijven staan.

Toen zagen zij uit de kudde een jongen naar voren komen, die hun toeriep: “Mensen, laat alsjeblieft mijn kudde ongestoord de rivier oversteken. Wij moeten er over, want ginds heeft men ons verjaagd. Vele van mijn dieren zijn gedood en gewond. Wij gaan naar de oerwouden, waar wij veilig zijn. Toe, laat ons  gaan. Wij zullen niets vernielen!”

In stomme verbazing en bevreesd voor dit vreemde kind, weken de mensen terug. Toen naderde de kudde en stil trokken de buffels over de rivier. Kòdi hielp de kalveren, die door de stroom afdreven naar de overkant. Hij droeg nog altijd het gestreept broekje, dat intussen zichtbaar versleten en te klein was geworden en over de schouders hing zijn oude gerafelde rode deken.’

 

Nieuwe Courant, 17 september 1949

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

2 reacties op Kòdi de karbouwenhoeder

  1. Rahadi zegt:

    Adjaïb! Wonderbaar! De juiste mix van een reeël geval en indische geheimzinnigheid! Djempol voor de Java Post.

    • Jan A. Somers zegt:

      idem! Voor mij niet geheimzinnig. Mensen zoeken een verhaal achter een incident. En zo’n verhaal groeit. Net als onze sprookjes en fabels. Niet waar? toch mooi!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s