Aan de dood ontsnapt

Raadsels rond de ´Werfstraatinternering´ in Soerabaja

Eén van de gebeurtenissen in de Bersiapperiode die het meest tot de verbeelding spreken, is de internering in de Werfstraatgevangenis in Soerabaja. Rond 15 oktober 1945 werden ongeveer 2500 jongens en mannen in deze stad door de pemoeda’s opgepakt om te worden geïnterneerd. Vier weken later volgde een ‘heldhaftige’ bevrijding. Enkele Britse militairen schoten een gat in de gevangenismuur en bevrijdden de geïnterneerden. De heroïek van deze bevrijding wordt gevoed door verschillende elementen. Eén man zou verantwoordelijk zijn geweest voor de vrijlating: de Nederlandse luitenant Jack Boer. En als híj niet had ingegrepen, zouden alle geïnterneerden zijn vergiftigd of verbrand. Het was een kwestie geweest van uren, zo weten vele betrokkenen nu nog te vertellen.

De internering en wat er aan voorafging, de bevrijding en de hektiek van het strijdtoneel in Soerabaja zijn beschreven in verschillende historische verslagen en studies.[i] In het kader van de Wet uitkering burgeroorlogsslachtoffers (Wubo) werden door ex-geïnterneerden tientallen verklaringen opgesteld.
Lezing van al deze stukken leidt tot de conclusie dat de chaos van de gebeurtenissen zich lastig laat ontleden. Jack Boer, die zelf ook ooit over het gebeurde publiceerde, werd wel verweten dat hij zijn eigen rol misschien heeft aangedikt. Ook andere studies zijn te persoonlijk getekend, of op zijn minst op een aantal punten onduidelijk of onvolledig.
In dit artikel in de Java Post wordt getracht enkele van de vele openstaande vragen te antwoorden.

De selectie

In ‘Soerabaja, beeld van een stad’ van A.C. Broeshart lezen we:

‘Zondag 14 oktober: Boeng Tomo verklaart via zijn radiozender de oorlog aan alle Nederlanders. Als eerste actie volgt in de avonduren een grote moordpartij in de Chinese Kamp, als wraak voor het feit dat veel Chinezen zich niets hadden aangetrokken van het afgekondigde voedselembargo tegen de Nederlanders.
In de stad gaat het gerucht dat de Britten deze dag zullen landen. (…) Soetomo dringt er bij TKR-commandant Jonosewojo op aan, alle Europese mannen boven de zestien jaar te arresteren en gevangen te zetten. Jonosewojo’s weigering is voor de Pemoeda’s de volgende dag aanleiding zélf een dergelijke operatie uit te voeren.’[ii]

We weten niet of de pemoeda’s een duidelijke richtlijn hebben gehad met betrekking tot de leeftijd. Het lijkt er wél op, want in families met verschillende jongens tussen de 12  en 18 jaar werden de jongens van 15 jaar en ouder vrijwel zonder uitzondering allen opgepakt, en de jongeren meestal niet.[iii]  Duidelijk is echter ook, dat sprake was van willekeur. Als de pemoeda´s de jongens persoonlijk kenden, dan lieten ze ze soms lopen. Of juist niet.[iv]

Geboortejaren geïnterneerden Werfstraatgevangenis, 15 oktober – 10 november 1945. Bron: Java Post

Van ongeveer 400 gevangenen is ons de leeftijd bekend. Verreweg de meeste gevangenen waren geboren ná 1920, maar er waren ook veel oudere mannen. De onevenwichtige leeftijdsopbouw zal zijn veroorzaakt door het feit dat de meeste mannen geboren tussen 1900 en 1920 nog niet waren teruggekeerd van krijgsgevangenschap of burgerinternering.

Naast jongens en mannen werden ook vrouwen en (kleine) kinderen opgepakt. Hiervoor is geen andere reden aan te geven dan het toeval. Klaarblijkelijk had Jack Boer daar geen weet van bij het begin van de bevrijdingsactie op 10 november, getuige zijn verklaring: ‘Ik werd nog geattendeerd op een heel apart celblok, waarin tweeëntwintig vrouwen en kinderen zaten opgesloten. Ook zij werden toen bevrijd.’[v]
Van de gevangen vrouwen zijn ook enkele verklaringen bekend .[vi] Eén van deze vrouwen stelde:

‘De extremisten vonden tijdens een huiszoeking (Van Hoogendorplaan) bij aanvraagster diverse rood-wit-blauwe vlaggetjes, boekjes over het Ko­ningshuis, een foto van Koningin Wilhel­mina, een officierssabel en een lege revolvertas. De gevonden voorwerpen waren de aanleiding dat aan­vraagster met haar twee kinderen, haar zusje een vriendin uit Batavia die bij hen logeer­de, door de extremisten met een vrachtwagen van huis werden opgehaald. Het gezelschap werd overgebracht naar de voormalige Raad van Justitie waar ze een nacht verbleven. De volgende dag werden aanvraagster, haar beide kinderen, zuster, en vriendin per vrachtwagen overge­bracht naar de Werf­straat­gevangenis.
Aanvraagsters zoon werd in eerste instantie naar een mannencel ge­bracht. Aanvraag­ster, haar dochter en zuster kwamen in een van de vier cellen van een aparte afdeling. Ze kwamen in een cel waar mevrouw S. met twee kinde­ren al zat. De vriendin (afkomstig uit Batavia en daarom gezien als een spion) werd elders en alleen in een cel ondergebracht. Naast de cel van aanvraagster zat een vrouwelijk arts met een vriendin gevangen. In een derde cel zaten twee Australische vrouwen en de vierde cel een Indonesische vrouw met twee kinderen. Ze werden bewaakt door Indonesiërs.’ (Pelita, Wubo, 470384)

Evenals deze getuige was ook de hier genoemde mevrouw S. afkomstig uit de Van Hoogendorplaan. Dit zou erop kunnen wijzen dat de pemoeda’s die in deze straat ‘ophaaldienst’ hadden, een nogal ruime taakopvatting hebben gehad. Uit verschillende bronnen blijkt dat zich ongeveer 25 vrouwen in de gevangenis bevonden. Eén getuige schreef later dat er één kind was. Een ander spreekt echter van zes kinderen.[vii]

Alhoewel het overgrote deel van de geïnterneerden van Indo-Europese afkomst was, werd ook een aantal Nederlandgezinde Ambonezen en Menadonezen opgepakt. Ten slotte werd ook de Nederlandse legercommandant kapitein ter zee P.L.G. Huijer gevangen gezet, samen met een enkele van zijn RAPWI-medewerkers.

‘16 October 1945. 0430. Everyone was called up and told to dress and pack his luggage. 0500. We were taken in two truckloads to jail. Luggage should have come in a third but was completely stolen by the mob. We rather had an unsociable welcome – they called us their breakfast. The prison was in the hands of the mob and we were put into a large cell. Hundreds of Europeans and Eurasians were already in that jail.’ [viii]

Spitsroeden

Simpang Sociëteit (nr. 40)

Een groot deel van de transporten ging eerst via de Simpang Sociëteit. De gevangenen werden er geïntimideerd en geslagen. Een aanzienlijk aantal werd publiekelijk gemarteld en gedood. ‘Bloedige Maandag’ ontleent zijn naam aan deze gebeurtenissen. Het aantal slachtoffers is niet bekend. Boer spreekt van mogelijk tweehonderd doden, Broeshart van ongeveer vijftig.
In de meeste rapportages wordt melding gemaakt van een verblijf van enkele uren. Sommigen spreken van een dag of langer. Uiteindelijk werden de overlevenden van deze groep allen naar de Werfstraat gebracht.
Uit sommige rapportages blijkt dat gevangenen eerst naar de Simpang Sociëteit of naar de Boeboetangevangenis werden gebracht, maar dat – toen bleek dat deze locaties vol zaten – het transport vervolgens meteen naar de Werfstraatgevangenis ging.[ix]
De Simpang Sociëteit werd deze dagen óók gebruikt voor de gevangenname van vrouwen en kinderen. Velen van hen werden later afgevoerd naar het Darmokamp, en kampen in het binnenland. Anderen werden na enige tijd vrijgelaten.

Bij de Werfstraat aangekomen werden vrachtauto´s op enige afstand van de hoofdpoort uitgeladen. Een grote menigte Indonesiërs wachtte de mannen daar op, bewapend met stokken, messen en bamboesperen. De arrestanten moesten rennend naar de gevangenis.
Een jonge Molukse toeschouwer herinnerde het zich als volgt:

‘De mensen langs wie de mannen heengingen om de gevangenis in te gaan, beknuppel­den hen met stokken, honkbalknuppels en met alles waar ze mee konden slaan en als beesten werden ze weggesleurd. Dit gebeurde ’s middags door degenen die werkten. ’s Ochtends moesten deze mannen werken en gebeur­de het dus niet. Aanvrager heeft dit een week lang iedere dag aanschouwd. De mannen werden vanuit alle wijken, hoeken en gaten opgehaald.’ (457981)

Gelukkig waren er ook, die het ‘spitsroeden lopen’ niet hoefden mee te maken. Na een tijdje waren de Indonesiërs het spelletje waarschijnlijk ook gewoon moe, en was hun woede enigszins bekoeld. De laatste groepen arrestanten werden met rust gelaten.
Precieze aantallen slachtoffers zijn – ook hier – niet bekend. Volgens Boer lieten hier 24 personen het leven, volgens Broeshart waren er 40 doden en 270 gewonden.

Interneringsomstandigheden

De interneringsomstandigheden waren slecht: overvolle cellen, zéér weinig eten, slaag en bovenal de angst te worden gedood. De manier waaróp de gevangenen waren geïnterneerd, zal aan deze angst hebben bijgedragen. De grove intimidatie bij de entree had zijn werk gedaan.

Hoofdingang Werfstraatgevangenis

‘De cel was ongeveer 4 bij 5 meter groot met een hurktoilet en een bak water in de hoek. Dit water werd ook gebruikt als drinkwater. Tweemaal per dag kregen we te eten, ’s morgens een beetje pap en ’s avonds een blikje voor de helft gevuld met rijst en grassprietjes. Mijn medegevangenen kende ik niet. Ik lag geheel tussen vreemden. Voor zieken had men geen tijd en aandacht. Als er geklaagd werd over pijn of ziekte, dan zeiden de bewakers dat wij even moesten volhouden omdat we toch gauw dood zouden gaan.’ (138851)

 ‘Daarna kwam hij in de 2e cel  (van de 10 cellen) terecht. In een ruimte van een woonkamer werden 80 man gepropt. Onder en op een stenen verhoging moest geslapen worden (betrokkene had een plaatsje bij de muur). In een gat moesten de behoeftes gedaan worden. Het wemelde er van de kakkerlakken en muizen en het was er benauwd. De mannen mochten maar een kwartiertje luchten, soms iets langer als er een mildere bewaker was (Indonesisch  gevangenispersoneel). Het eten halen was erg vernederend; de mannen moesten op handen en voeten naar een soort trog kruipen en werden voor NICA-honden uitgescholden.[x] Het eten bestond uit een kom maïs of rijst.’ (169854)

‘Zo kwam hij terecht in cellenblok 5. Hij had de pech als een van de laatste vooraan terecht te komen. Toen de gevangenisdirecteur Aripin op de verzamelplaats een toespraak hield over requesten om uit zijn gevangenis ontslagen te worden, kreeg juist betrokkene van een bewaker bij woorden als: Van Mook, Koningin Wilhelmina e.d. hevige klappen met een knuppel op zijn hoofd. De mannen (en betrokkene als enige jongen) moesten toen gehurkt met het hoofd omlaag zitten. Hij bloedde hevig.’  (169854)

‘Hij werd ondergebracht op de afdeling waar zieken en gewonden werden binnengebracht. Hier zag hij de gevolgen van de mishandelingen waaraan velen bij binnenkomst van gevangenis het slachtoffer werden en hielp zoveel mogelijk bij hun ver­zorging. Het voedsel bestond uit niet veel meer dan een beetje rijst wat uit conservenblikjes werd gegeten. Kleding werd niet verstrekt zodat het enige kledingstuk dat hij bezat een onderbroek was.’  (171980)

Minder expliciet naar voren gebracht, maar soms even tastbaar bij lezing van alle betreffende rapportages, is de onwetendheid over de gebeurtenissen buiten de gevangenismuren. En verder natuurlijk de schaamte, en de achterdocht.
De mannelijke geïnterneerden zaten meestal met tientallen onbekenden in een veel te kleine cel. Behoeftes moesten in dezelfde ruimte worden gedaan. Enkele van de gevangenen waren tijdens de Japanse bezetting al geïnterneerd geweest en waren daarom nu beter bestand tegen de interneringsomstandigheden. Voor de meesten betrof het echter de eerste gevangenschap.

Vrijlatingen

´s Lands Gevangenis

In géén enkele van de publicaties over de Werfstraatgevangenschap wordt aandacht geschonken aan het feit dat sommige geïnterneerden vroegtijdig werden vrijgelaten. Uit een aantal Wubo-rapportages blijkt echter wel degelijk dat sprake is geweest van vrijlatingen. Uit de verhalen zouden we kunnen afleiden dat deze voortkwamen uit de vereisten op het punt van leeftijd en raciale kenmerken. Méér aannemelijk is het echter dat sprake is geweest van persoonlijke initiatieven van het bewakingspersoneel.

‘Na een paar dagen ging er een papier rond waar iedereen zijn naam en ras op moest schrijven. Naar aanleiding hiervan werden 12 jongens uit de cel gehaald en kwam er iets meer ruimte om bijvoorbeeld te gaan liggen. Het was een vreselijke tijd, vooral door de angst en onzekerheid, omdat niemand wist wat er met hen zou gebeuren.’  (350478)

‘Hij zelf werd naar de Werfstraat-gevangenis gebracht. Hij is er vijftien dagen vastgehouden. Toen werd hij vrijgelaten, naar hij denkt omdat hij nog jong was. De rest moest blijven.’  (450898 – geboren 29 juni 1928)

‘Na twee weken werd hij plotseling vrijgelaten. Althans, hij mocht de gevangenis uit, maar van naar huis gaan was nog geen sprake. Samen met een aantal andere Menadonezen en ook met Ambonezen werd hij naar een groot gebouw gebracht. Aanvrager kreeg er zeer hoge koorts en op last van een dokter werd hij naar huis gestuurd.’ (422584 – geboren 26 oktober 1931)

Eerste actie van de Britten

Op 25 oktober 1945 arriveerden de Britten in Soerabaja. Eén van hun opdrachten was het bevrijden en evacueren van geïnterneerden. Mede met het oog hierop werd een post ingericht in de Werfstraatgevangenis. De gebeurtenissen in de Werfstraatgevangenis op 26 en 27 oktober kunnen niet los worden gezien van de algemene ontwikkelingen in de stad. Terwijl de Britse kapitein Shaw had besloten Huijer en de Rapwi-mensen uit de gevangenis te halen, brak in de gehele stad een enorme strijd los.
Huijer zag kans zijn eigen mensen bij elkaar te krijgen, en ook de geïnterneerde vrouwen. Enkele jaren later, in het kader van de Regeringsenquête, verklaarde hij hierover echter:

‘26 October 1945. The guard told us that previous afternoon 300 Europeans were brought in. 2230. Captain Shaw, commanding officer of a platoon of Field Security Section 611, 49th Brigade, woke me with a Mahratta Guard. We assembled all RAPWI and Allied Staff personnel. After an hour’s search I managed to find the two army girls and to collect the Naval Pilot from the dark cell, also about 25 European women. We collected them all in my compound under a heavy Mahratta guard. I left prison for Brigade Headquarters.
27 October 1945. 1200. I got 50 Mahrattas and Captain Shaw and released the whole batch of RAPWI officers from prison and shipped them inmediately to Singapore.’[xi]

Vreemd genoeg repte hij hier met geen woord meer over de achtergelaten vrouwen. En evenmin over de resterende mannen. Duidelijk is dat de Rapwi-medewerkers naar de haven werden vervoerd, maar wat gebeurde er met de vrouwen? Dat Huijer ze vergeten heeft, lijkt niet erg aannemelijk. We moeten dan ook aannemen dat hij opdracht heeft gegeven ze later te transporteren.
Uit het verslag van enkele geïnterneerden wordt echter duidelijk wat na Huijer’s vertrek met de achtergelaten Britse bewaking is gebeurd:

‘De Engelsen stuurden een delegatie bestaande uit Sikhs naar de gevangenis om over de vrijlating van de Europeanen te praten. De leden van deze delega­tie werden door de Pemuda’s in de gevangenis vermoord.’ (472492)

‘Vóór november waren de Gurkha’s al een keer in de in gevangenis geweest om te proberen met de Indone­siërs te onderhandelen. Aanvrager herinnert zich namelijk nog het geschreeuw in het Engels, waarna het stil werd (de Gurkha’s werden vermoord).’ (423629)

‘Op 26 oktober 1945 kwam een tiental Gurkha’s binnen. Zij brachten, volgens afspraak, granaten bij de pemoeda’s om daarmee de kinderen en vrouwen vrij te krijgen. Op een bepaald ogenblik ging in de cel opnieuw het belletje en er verscheen een bewaker. Hij vertelde dat de granaten waren afgeleverd en dat men vrij zou komen. De vrouwen en kinderen werden uit hun cel meegenomen. Maar in plaats van naar de poort liep men langs een vergadercel naar een cel waarvoor alle tien Gurkha’s (levend) op de grond lagen. Aanvraagsters hoofd werd vastgehouden terwijl zij moest toezien hoe de vingers en tenen van de Gurkha’s met een bijl werden afgehakt waarna heet water over de handen en voeten tenen werd gegooid. Na deze afschuwelijke aanblik werd men teruggebracht naar de cel.’ (341711)

‘Huijer schreef onze namen op een lijst en beloofde terug te komen om ook ons te bevrijden. Wij kregen een gewapende wacht van een sergeant en tien minderen van de Mahratta’s. Helaas!
Zo waren de militairen met de Allied Commander De poort uit, of de peloppers kwamen de wapens van de Mahratta’s opvragen en zo zij dit weigerden, zouden wij geen eten en drinken meer krijgen en de hongersdood sterven. De waterkraan werd meteen dichtgedraaid. Men had geen keus. De wapens werden ingeleverd en onze wacht werd meegenomen. Naar verluidt zijn deze mannen om zeep gebracht. Wij, vrouwen en kinderen, werden toen weer naar onze oude cellen gebracht.’[xii]

Britse troepen in Soerabaja

De chaos van het strijdtoneel deze dagen laat zich moeilijk beschrijven. Zeker is dat de Indonesiërs op 28 oktober in de gehele stad een offensief waren begonnen, en dat dit enkele dagen aanhield. Alle Britse commandoposten werden aangevallen.
Meelhuysen tracht een overzicht te geven van de gebeurtenissen in de Werfstraatgevangenis, maar blijft op meerdere punten in het ongewisse. Broeshart maakt wél melding van de bevrijding van Huijer, maar zegt niets over de vrouwen.

Nog een laatste getuige:

‘Op 28 oktober hadden onze bewakers juist ons voedsel binnengebracht toen er buiten enkele schoten klonken, gevolgd door vuren van alle kanten. Wij hoorden geweren, tommyguns en machinegeweren. Wij werden in onze cellen gejaagd en opgesloten. De kogels floten door de gangen en nu en dan leek het wel, of er ook binnen de gevangenismuren gevochten werd.
Het vechten hield drie dagen aan. Toen werd het weer rustig. Voor het eerst kregen we weer voedsel en water, en onze bewakers vertelden ons dat er een wapenstilstand gesloten was.’ [xiii]

Uit deze episode blijkt in ieder geval dat een poging werd ondernomen de vrouwen en kinderen te bevrijden. Door de chaotische situatie in de stad mislukte deze. Een tiental soldaten werd gedood en de vrouwen en kinderen werden weer opgesloten.

Bevrijding en evacuatie

Weer twee weken later zou de échte bevrijding plaatsvinden.
Ondanks het feit dat over deze actie meermalen werd gepubliceerd, zijn toch nog veel details onbekend gebleven. Zeker is dat op 10 november 1945 de gevangenis ’s morgens werd aangevallen door een klein aantal Gurkha’s. De Britten werden hierbij geholpen door Jack Boer. De actie begon om ca 06.00 uur (volgens Boer veel enkele uren eerder) en werd beëindigd in de namiddag. De aanwezige Indonesische bewakers en één Gurkha kwamen op het leven.
De gevangenen werden bevrijd en met vrachtauto’s naar Tandjoeng Perak gebracht. Een deel ging lopend naar de haven.

De versie van Boer, opgetekend in zijn boek ‘Koninklijke Olie in Indië’ werd door meerdere andere schrijvers overgenomen:

´In de nacht van vrijdag 9 op zaterdag 10 november werd de bevolking door de lokale radio onophoudelijk opgeroepen een totale oorlog te voeren tegen de Britten.
Op het Britse hoofdkwartier hoorde luitenant Jack Boer, nu actief als tolk en verbindingsofficier, van een Molukse bewaker van de Werfstraatgevangenis dat daar nog de 2384 Nederlandse mannen zaten en dat zij de volgende dag waarschijnlijk door vergiftiging en/of verbranding zouden worden gedood.
Boer wist van de Britten een tiental Gurkha’s, een tank en een aantal vrachtauto’s los te krijgen om een bevrijdingspoging te wagen. De volgende dag, om 03.45 uur, bereikte de commando-eenheid de gevangenis. Nadat een eerste wachtpost werd gedood, werd door de tank een gat in de buitenmuur geschoten. Een vuurgevecht met de overgebleven bewakers leidde tot de dood van één van de Gurkha’s. Vervolgens konden alle cellen worden geopend en de gevangenen worden afgevoerd.´

Het is met name de rol van Jack Boer die tot discussie heeft geleid. Was híj wel degene die de Britten waarschuwde waarna deze laatsten in actie kwamen? Of hadden deze Britten, gelet op het feit dat een aantal van hun  mannen in de Werfstraat was vermoord, sowieso al het plan om die dag de gevangenen te bevrijden? Ze wisten toch al lang van de duizenden gevangenen in de Werfstraatgevangenis? En, had Boer bij de actie een leidende rol gespeeld of was hij slechts opgetreden als tolk?

Verslag Britten, 12 november 1945

Al deze vragen werden in 1998 weer actueel toen de Evangelische Omroep een documentaire uitzond over de bevrijding van de Werfstraat-geïnterneerden.[xiv] De rol van de inmiddels overleden Boer werd hierin zó gunstig belicht, dat een Comité werd opgericht om bij de regering te bepleiten voor posthume toekenning van de Militaire Willemsorde. Uiteindelijk zou dit verzoek in 2005 worden afgewezen.
Historicus H.Th.Bussemaker trachtte een overzicht te geven van de tegenstrijdigheden in de verschillende versies van de bevrijding. Ondanks het feit dat ook híj niet ontkomt aan de conclusie dat de rol van Boer mogelijk minder groot was dan lang verondersteld, toonde hij zich teleurgesteld over het besluit van de minister. Het waren naar zijn oordeel slechts ambtelijke en bureaucratische belemmeringen die tot de afwijzing hadden geleid.[xv]

Precies 2384

In het verleden is vele malen in de landelijke en regionale pers over het gebeuren in de Werfstraat gepubliceerd. Doel van deze berichten was velerlei: het aandacht te schenken aan een ‘vergeten’ gebeurtenis, het zoeken van lotgenoten uit de Werfstraatgevangenis en ten slotte de oproep tot het verstrekken van een Militaire Willemsorde aan Jack Boer. In deze berichten werden steeds verschillende aantallen gevangenen genoemd.

Op 12 november 1945 werd in een inlichtingenrapport van de 23e Brits-Indische Divisie gemeld dat ´3000 Nederlandse mannen en 5000 vrouwen ontdekt waren in de Kalisosok gevangenis, in zeer slechte conditie´.[xvi]
Op 12 november 1945 meldde De Volkskrant dat 3500 personen van Nederlandse nationaliteit uit de gevangenis te Soerabaja werden gered. Dertig jaar later sprak De Telegraaf van 3000 mannen en jongens.
Op 15 juli 1987 werd Jack Boer geïnterviewd door het Indische tijdschrift Moesson. ´Hij schoot zelf alle sloten open en liet de gevangenen buiten verzamelen. Het waren er precies 2.384´, aldus het interview.

Enkele maanden later deed Richard Klaessen een oproep in Moesson voor een reünie van ex-Werfstraatgeïnterneerden. Slechts één ex-geinterneerde reageerde nogal verbaasd bij het horen van dit aantal: ´Hoe kan J. Boer de gevangenen tellen, die –  blij als zij waren bevrijd te zijn – als een dichte menigte de gevangenis uitstroomden?´

Op de reünie, 16 april 1988, werd een dankbetuigenis aan Boer overhandigd met daarop de handtekening van de aanwezige reünisten en een verwijzing naar ‘circa 2500 ten dode gedoemden’. De reünie was voor Klaessen aanleiding tot publicatie van zijn boek ‘Macaber Soerabaja’ in 1990. Hierin spreekt ook híj – zonder dit aantal ter discussie te stellen – van 2384 gevangenen. Boer noemde tien jaar later in ´Koninklijke Olie´ opnieuw het aantal 2384, maar vermeldde niet waarop dit was gebaseerd. Wel was hierbij opvallend zijn toevoeging:´De administratie van de Werfstraatgevangenis bevatte alleen de namen van de gevangenen van de Japanners. Van de Bersiap periode werd niet één aantekening gevonden.´

m.s. Prinses Beatrix

Bij dit onderzoek ontdekte ik slechts één lijst van Werfstraatgeïnterneerden, getiteld: ‘Eerste transport bevrijde geïnterneerden Werfstraat van Soerabaja naar Batavia’.[xvii] Op deze lijst staan de namen van 462 personen, waarvan 31 vrouwen, die op 12 november 1945 met het m.s. Prinses Beatrix naar Batavia werden geëvacueerd. Bij enkele van deze vrouwen staan aanduidingen als ‘+ 1 kind’ of ‘+ 2 kinderen’. Het totale aantal personen van dit ‘eerste’ transport, de kinderen meegeteld, was 500. Uit Wubo-rapportages kan worden afgeleid dat het bij dit ene transport is gebleven. De overige ex-geïnterneerden bleven in Soerabaja. Zij bleven nog enige tijd in Tandjoeng Perak of gingen weer snel terug naar hun woning. Waarschijnlijk zijn alle vrouwen en kinderen meteen geëvacueerd.[xviii] Verder werden degenen geëvacueerd die er fysiek het slechtste aan toe waren.

De vraag blijft, hoe Jack Boer, als enige, meer dan 40 jaar na het gebeurde wist dat er ´precies´ 2384 gevangenen werden bevrijd. De verwondering van die ene ex-Werfstraatgeinterneerde lijkt – gelet op de omstandigheden – terecht. We hebben geen enkele bron om het door Boer genoemde aantal te verifiëren. De Britse bevrijders hadden hiervan geen enkel idee, en deden slechts een schatting. En dat Boer in zijn eentje alle gevangenen heeft geteld, lijkt niet zo aannemelijk.
Maar ach, veel doet het er misschien ook niet toe. De bevrijding was dáár, voor alle geinterneerden. En dát is natuurlijk wat wérkelijk telt.

x

Over de bevrijding van de Werfstraatgeïnterneerden, lees verder ´Het Britse ultimatum´, in de Java Post van 7 februari 2011.  

[i] ´Parlementaire enquête regeringsbeleid 1940-1945´ (1948), ‘Macaber Soerabaja 1945’ (1990) van Richard Klaessen, ‘Koninklijke Olie in Indië’ (1997) van Jack Boer, ‘Revolutie in Soerabaja’ (2000) van Willy Meelhuysen en ´Orde in de chaos´ van Mary van Delden (2007). Een algemeen overzichtswerk van de geschiedenis van Soerabaja is ‘Soerabaja, beeld van een stad’ (1994) onder redactie van A.C. Broeshart. Deze laatste schreef eerder: ‘Een dagboek over de Bersiaptijd in Soerabaja’ (1987)
[ii] Broeshart, A.C. e.a., ‘Soerabaja, beeld van een stad’, p. 50. Volgens Van Delden zou mogelijk al een begin zijn gemaakt met de internering op 13 oktober. Van Delden, ´Orde in de Chaos´, p. 193.
[iii] Zie tevens: Bussemaker, H.Th, Bersiap! Opstand in het paradijs (Zutphen, 2005), pp. 214-218.
[iv] In zijn boek ‘Revolutie in Soerabaja’ geeft Willy Meelhuysen, destijds 17 jaar, aan hoe hij bij de Simpang Club bij toeval aan verdere detentie ontsnapt. Omdat hij bij zijn jongere broertje bleef, werd hij voor jonger aangezien. p. 130
[v] Boer, J., Koninklijke Olie in Indië, 1997. P.229. Het door Boer genoemde aantal komt niet overeen met de gegevens uit de sociale rapportages in het kader van de Wubo en een lijst van evacuées. Op deze lijst worden 39 vrouwen met name genoemd en tevens 44 kinderen, die allen behoorden tot een transport van ‘bevrijde geinterneerden (uit de) Werfstraat’.
[vi] 470384, 333514, 333522, 341711
[vii] Klaessen, 342, 349; Enquête, 8AB, 601; Boer, 229.
[viii] Enquête 1940-1945, 8AB, 601-602
[ix] Een enkele keer wordt in rapportages en elders vermeld dat opgepakten in de Boeboetangevangenis terecht zijn gekomen. In ‘Soerabaja, beeld van een stad’ wordt letterlijk vermeld: ‘Ongeveer 800 mannen en jongens voor wie in de Werfstraat geen plaats meer is, worden overgebracht naar de Boeboetangevangenis. De Japanners die daar al eerder opgesloten zijn, worden door een toegestroomde menigte Indonesiërs vermoord uit wraak voor het Japanse optreden tegen Indonesische revolutionairen in Semarang.’ (a.w., p.50) Meelhuysen, zich baserend op Indonesische bronnen, maakte slechts melding van het feit dat er zich in de gevangenis ‘ook Nederlanders’ bevonden. (a.w. 162) Niet alleen omdat geen bijzonderheden worden gegeven over de latere vrijlating van deze gevangenen, maar ook omdat geen enkele (!) Wubo-aanvraag werd ingediend op grond van een dergelijke internering, moet worden aangenomen dat e.e.a. op een misverstand heeft berust. Boeboetan werd in deze periode waarschijnlijk slechts gebruikt voor de internering van Japanners.
[x] NICA: Netherlands Indies Civil Administration.
[xi] Enquête 1940-1945, 8AB,601-605
[xii] Klaessen, 349.
[xiii]  Klaessen, 347.
[xiv] Documentaire ´Jack Boer, bevrijder van 2384 Nederlanders´ van Pia van der Molen.
[xv] Bussemaker, H.Th., Bersiap! Opstand in het paradijs. (Zutpen, 2005) p. 244-249.
[xvi] Nationaal Archief: NA 2.13.132- 1038. Mogelijk was hier sprake van een verschrijving, en werd bedoeld 3000 mannen en 50 vrouwen. Het was in ieder geval een schatting, zó veel is duidelijk.
[xvii] SAIP, 475.
[xviii] Dat er méér kinderen aan boord van de Prinses Beatrix gingen dan in de Werfstraatgevangenis hebben gezeten, komt mogelijk omdat in het kader van gezinshereniging niet-geïnterneerde kinderen van elders uit de stad aan het transport werden toegevoegd.

Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

7 reacties op Aan de dood ontsnapt

  1. S.N. Brouwer-Krab zegt:

    Hartelijk dank voor dit verslag van de gebeurtenissen over de internering in Soerabaja. Mijn vader werd op 1 augustus 1945 14 jaar. Ook hij is gevangen genomen. Hij heeft ons er wel iets over verteld, maar dit lezende brengt zijn verhaal meer tot leven. Hij was 1 van de 462 gevangenen die met de ms. Prinses Beatrix naar Batavia zijn vervoerd. Zonder familie, hij is pas na maanden met zijn moeder en zussen (in Soerabaja achtergebleven) herenigd.

  2. Ik ben in deze gevangenis 13 jaar geworden. In de Van Hoogendorplaan door Pemoedas (vanwege het plaatsen van een kleine Nederlandse vlag) gevangen genomen. Overgebracht naar het half verwoeste “Raad van Justitie”-gebouw tegenover gouverneurskantoor. Volgende dag naar de Werfstraatgevangenis gebracht met mijn moeder, haar zuster en mijn zusje van 11 jaar. Helemaal achterin de gevangenis een ingesloten afdeling met 4 cellen en een mandikamer, zogezien voor vrouwen met kinderen. In een van de andere cellen was een vrouwelijke dokter. Mannen in verdiepingscellen, meer naar voren van de gevangenis.
    Ik denk begin november verlost door de Gurkha’s, en door een groot gat in de achtermuur en met veel bevrijden in een convooi trucks naar Tandjoeng Perak gebracht. Met de Princess Beatrix eigenlijk naar Singapore maar teruggestuurd naar Batavia. Volgens zeggen was Singapore vol met eerdere vluchtelingen.
    Alhoewel ik nu 80 jaar ben, zal deze geschiedenis mij altijd bijblijven. Mijn moeder, Corrie Rapmund (gescheiden), stierf in ’s Hertogenbosch (Grevelingen Tehuis) toen ze 100 jaar was geworden.

  3. Ælle zegt:

    Ambar Arianto Mulyo, 59-jaar-oud, is dus niet aan de dood ontsnapt, toen hij een grote python wilde vangen in de buurt van het Hyatt hotel in Bali. Agung Bawa, de security manager van het hotel, dat voor renovatie gesloten is tot 2015, was hier getuige van. Niemand van zijn maten durfde de arme man te redden.
    De bijgaande foto bij het nieuwsbericht is niet relevant aan deze gebeurtenis. De slang is ervandoor gegaan de struiken in.
    http://metro.co.uk/2013/12/27/ambar-arianto-mulyo-python-strangles-security-guard-to-death-in-bali-4243118/
    http://www.thejakartaglobe.com/news/snake-kills-security-guard-at-bali-luxury-hotel/

    • R. van der Werff zegt:

      De vrouw(aanvraagster) uit de van Hoogendorplaan is mijn moeder,Cor van der Werff-Rapmund en de revolvertas en sabel waren van de verloofde van mijn tante Els Rapmund.
      Haar geinterneerde verloofde was KNIL kaptein Lou Emons. De getuige die wordt aangehaald, ook woonende in de van Hoogendorplaan, waren onze overburen de familie Samatini. De namen van mijn moeder en tante Els zijn te vinden in de passagiers lijst van de HMS BEATRIX. In de ogen van mijzelf,moeder en tante is Jack Boer een grote held.
      Ongeacht wat anderen, goed of kwaad van hem denken.

      • buitenzorg zegt:

        Geachte heer Van der Werff,
        Ik denk niet dat iemand kwaad denkt van Jack Boer. Als historicus ben ik echter wel kritisch over de verhalen die aan hem zijn toegedicht. Of deze nu van hem zelf afkomstig zijn of van anderen…
        Mijn conclusie (zonder enige twijfel): hij heeft een – misschien belangrijke – bijdrage geleverd aan de bevrijding van de Werfstraatgevangenis; de bevrijding vond echter niet plaats dankzij hém. De Britten hadden het al langer gepland.

      • Jade zegt:

        Beste R. van der Werff,

        Ik ben Jade van der Werff, ik heb het gevoel dat wij familie van elkaar zijn. Graag zou ik daar achterkomen. U kunt een mail sturen naar mizzdjeed@hotmail.com

        Het is voor mij als mens belangrijk, maar ik begrijp het ook als u er geen behoefte aan hebt.

        Lieve groet,
        Jade

    • Jan A. Somers zegt:

      Er waren meer Indische jongens bijrijder/tolk. Ik ook. Alleen ben ik geen held geworden, maar na het bergen van lijken gewoon ambulancechauffeur. Ook mooi!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s