Op zoek naar herkenning

De transformatie van het bergdorp Poedjon/Pujon

Het boven Malang gelegen bergdorp Pujon heeft veel geleden tijdens de oorlog. Zó veel dat alleen een zeer geoefend oog nog de restanten ziet van wat het ooit moet zijn geweest. Jan Somers neemt ons mee naar het dorp van zijn grootouders en gaat op zoek…

Malang, op weg naar Pujon. Op de achtergrond de Arjuno.

Door Jan Somers

Bewoners van Soerabaja die de hitte wilden ontvluchten gingen ‘naar boven’. Favoriet waren  de bergdorpen boven Malang: Batoe, Poenten en Poedjon. Naar Malang was er een goede treinverbinding, en verder met bus of goedkope taxi.

Batoe was een druk vakantiedorp, met Poenten en de uitspanning Selekta als uitloop. Batoe had veel tuinbouw, en een beginnende teelt van appels. Ik kan me het landgoed van een rijke autohandelaar herinneren. Een groot complex met kampeerfaciliteiten voor de padvinderij. Van zo’n kampeervakantie kan ik me herinneren dat we bij slecht weer uitweken naar een groot logeergebouw. Op dat terrein had hij ook een katholieke kerk voor de inwoners, waarvoor hij een priester betaalde. Hij scheen ook veel geld te doneren aan de katholieke kerk; in Soerabaja was ik misdienaar toen hij een hoge pauselijke onderscheiding kreeg.
Ook Herman Bussemaker, de bekende historicus, had hier zijn wortels. Hij was weliswaar geboren in Soerabaja, maar verbleef tijdens de Japanse bezetting op de sinaasappelonderneming van zijn ouders boven Batoe. 

Poedjon, aan de weg van Malang naar Kediri.

Poedjon lag weer boven Batoe, op een bergpas, met een prachtige kronkelende weg richting Kediri. Als desa stelde het niet veel voor. Een kaarsrechte weg bovenop de pas (1200 m.), met wat zijstraatjes. Feitelijk heette onze desa Ngroto, maar werd Poedjon genoemd naar de gelijknamige daerah. Het mooie van Poedjon was de ligging tussen de bergen: Kawi, Dorowati, Andjasmoro bergketen, Ardjoeno, Keloed. De Keloed was bekend om de knappe drainage van het kratermeer dat in 1919 bij een uitbarsting met heet water 104 dorpen vernietigde.

Als kleine jongen logeerde ik hier bij mijn grootouders. Zij hadden hun koffietuinen in de bush van de Zuid-Smeroe verruild voor hun oude dag in Poedjon. Als vijfjarig jongetje mocht ik wandelen met de Bengaalse geiten. Beter gezegd, zij wandelden met mij. Ik was nog te klein om de relatie tussen die geiten en de sateh kambing van oma Wakirah te kennen. En naar koffie loeak zoeken in de kleine koffietuin. Soms logeerden we bij een oom en tante die een bloemenkwekerij hadden, maar ook begonnen waren met appels. Ze waren ook net begonnen met vakantiehuisjes. ’s Middags mocht ik Soebandie, de mantri, helpen met het oppompen van de Stormkings die werden gebruikt als verlichting naast de vele lampoe templeks. Schuin tegenover ons woonde een andere familie, met als moderniteit een stroomvoorziening: een generator die een paar 25 Watt lampjes kon voeden. Het hele dorp liep uit! Vanwege het lawaai van de generator kwam al gauw een einde aan deze nieuwigheid. In Poedjon was een luxe hotel, Hotel Justina, dat ook elektrisch licht had. Maar de dure auto’s in de oprit trokken meer aandacht. In dit hotel verbleven in 1929 de Belgische kroonprins Leopold en kroonprinses Astrid enkele dagen om uit te rusten van hun tweemaandelijkse reis door Indië.

Mijn ouders lieten in Poedjon een huis bouwen voor de vakanties, en om er na hun pensionering in te wonen. Het lag schuin tegenover dat van mijn grootouders, achter de bloemenkwekerij, en naast het huis van Soebandie (die we overigens Bandiet noemden) met zijn gezin. Om de ‘bewoner’ van een te kappen bamboebosje gunstig te stemmen moest een slametan worden georganiseerd. Bandiet vond de lokale priester te duur, híj deed het voor minder. Baboe Soep vond het maar niks, en ze kreeg gelijk: Bandiet spoorde naderhand nog meer boomgeesten op die ook met zijn ritueel moesten vertrekken.

Een Nulite Stormking, verkocht door de firma Joseph Rute, Soerabaja.

Mijn ouders stonden wel open voor nieuwigheid. Zo kwam er een gasnetwerk om vier luxe gaslampen te voeden. Centraal stond een gastank met benzine die ik onder toezicht van Bandiet elke dag mocht oppompen met een fietspomp. Het was geen succes, losse Stormkings waren veel handiger. Een andere moderniteit was de watervoorziening met een hydraulische ram uit de Kali Konto naar een eigen watertoren. Hoefde de toekang air niet meer te sjouwen met petroleumblikken aan zijn pikolan om de mandibak te vullen. En je kon onder de douche. Met het gevaar dat je dacht dat het leidingwater was, drinkwater. Maar het was hetzelfde water dat voorheen de toekang air ook uit de Kali Konto haalde.

Ik was nu 11 jaar oud. Als nakomertje mocht ik niet meedoen met de vriendenkring van mijn broer en mijn zus. Ja, een enkele keer voor spek en bonen, maar ik had daartegen zo mijn eigen waardigheid. Samen met een nichtje waren we dan ook tot elkaar veroordeeld. Elke dag wandelden we kilometers ver in de weelderige natuur van Poedjon, naar twee Amerikaanse sinaasappelkwekerijen, Valencia en Citrus. Daar zagen we de grote kleurbaden en de machines die op elke djeroek de naam Sunkist afdrukten. Ik weet niet of dat bedrijf in Florida de herkomst van hun fruit noemde. Ook djeroeks met dikke schillen voor de sukade.

Poedjon, wandelkaart

Er waren ook twee grote visvijvers. Wij mochten daarin niet pootjebaden voor verkoeling, het zouden heilige vijvers zijn. Volgens baboe Soep was dat onzin, de bewoners wilden alleen niet dat het water troebel werd door opgewoeld slib. Ook vond ze pootjebaden niet zo verstandig, alle min of meer vloeibare afval van die desa werd in die vijvers geloosd.
We liepen ook vaak naar het zwembad Lebaksari. Over de grote weg was dat ver, maar we wisten via een bergweggetje af te snijden, direct naar de brug over de Kali Konto. Dat eenvoudige bad werd gevoed door er een riviertje doorheen te leiden, ijskoud! Een enkele keer ben ik er met mijn ouders geweest om in het restaurant te ‘genieten’ van lekkernijen uit Nederland zoals spekpannenkoek. Vond ik niets aan.
Af en toe liepen we naar de waterval Tjoban Rondo. Die was niet zo groot, maar wel in een prachtige omgeving. Met acht kilometer heen en acht kilometer terug een beetje ver, een enkele keer mochten we op paardjes waarmee in Poedjon werd geleurd. Er liep wel een begeleider mee, maar die paardjes waren helemaal geprogrammeerd op die route.

De oorlog, en later

Met de Japanse bezetting kwam er natuurlijk een eind aan die avonturen. Ik ben er met mijn moeder nog één keer geweest om het huis op naam van mijn oma te stellen, om mogelijke confiscatie te voorkomen. We hebben er daarna niets meer van terug gevonden. De hele desa onderging bij de eerste politionele actie het lot van verschroeide aarde, en van de Europese bewoners hebben we niets meer gehoord. Op Kembang Kuning in Soerabaja zijn de in Poedjon gevonden menselijke resten in massagraven herbegraven, naamloos. Misschien ligt mijn Madoerese oma erbij.

Pujon. Herstel van door Republikeinen in de weg aangebrachte gaten, januari 1948. NA.

Mijn zus is naderhand met de MILVA terug gegaan. Na de eerste politionele actie ging ze met de trein naar Malang waar ze het graf van mijn net vóór de oorlog overleden opa terugzag. Met een kennis kon ze meerijden richting Poedjon, maar ze kwam niet verder dan de demarcatielijn bij het begin van de desa. Van Indonesische militairen hoorde ze dat het ook geen zin had door te rijden. Poedjon was volledig verdwenen, platgebrand. Veel later, op vakantie in Schotland, ontmoetten mijn vrouw en ik een Chinees echtpaar dat in Malang een ketjapfabriek had. Ook hij vertelde ons dat er van het oude Poedjon niets meer over was. Dwars over die desa was een heel nieuwe desa gebouwd. Poedjon had geen verleden meer.

Van Poedjon tot Pujon

In 1997 brachten we weer een bezoek aan Pujon: mijn vrouw ging ‘er heen’, ik ging ‘terug’ (volgens Indisch jargon). Er was inderdaad niets meer, maar dank zij mijn wandeltochten kon ik mij aardig oriënteren op de bergen die gelukkig onverwoestbaar bleken te zijn.

Het zwembad in Lebaksari: “Hello Mister!”

De eerste keer kwamen we vanuit Blitar. Na de vele bochten na Ngantang, waarschuwde ik de taxichauffeur: zo direct heb je links het zwembad. Geen zwembad gezien, wel een rij huizen langs de weg. Maar na de brug over de Kali Konto weer omhoog en vandaar even terug naar beneden gekeken: Ja!!!, zwembad!!!! Toen we later te voet nog eens richting zwembad wilden bleek het oude sluippaadje er ook nog te zijn. En ook de zwemmende katjongs: ‘Hello mister!’

Vanuit Blitar was het straatje naar ons huis moeilijk te vinden, maar na een goede schatting bleek het zijweggetje er nog te zijn. Met bruggetje over de vieze kali. Weer een zijweg rechtsaf. Maar op de plaats waar ons huis was geweest was nu een rij huizen zodat ik niet precies de plek kon vinden. En aan de overkant was op de plek van het huis van mijn grootouders alleen een wilde bush. Aan de bewoners noemde ik namen van mensen die ik hier had gekend, maar er werd alleen maar nee geschud. Behalve tegen mijn vrouw die overvloedig werd aangesproken door de vrouwen, over hun kinderen die al dan niet sakit zouden zijn. Een keer daarop, vanuit Malang, kon ik de weg beter vinden. Op het kaarsrechte deel van de weg over de pas bleek Hotel Justina het vuur ook niet te hebben overleefd. Maar ik veerde op toen er in die weg nog twee kleine heuveltjes bleken te zijn, mij bekend van het rolschaatsen. Meteen rechts de plek waar het huis van oom James had gestaan: kale vlakte. En daarna rechts natuurlijk het hierboven genoemde zijweggetje naar ons huis. Ook het paadje langs het huis van mijn grootouders naar de Kali Konto. Niets te vinden behalve een restant van een muur die wellicht van het huis was geweest. Voor de nostalgie toch maar een foto van gemaakt, net als van het ravijn dat achter ons huis lag.

Natuurlijk zijn we ook naar de Tjoban Rondo geweest. Die waterval bleek nooit te zijn weggeweest, nog steeds prachtig in een weelderige omgeving met o.a. veel Ketjoeboeng. Op de heenweg hadden een paar mensen een hek over de weg geplaatst waar je wat moest betalen, ik dacht de tegenwaarde van een paar dubbeltjes. Onze chauffeur knikte, doe maar. Ontwikkelingshulp?
Ook nog vanuit Batoe richting Soember Brantas gereden, het brongebied van de Brantas die uiteindelijk door Soerabaja stroomde als Kali Soerabaja en dan Kali Mas. Ook zo’n prachtig gebied. Daarna nog een bezoek aan Selekta, nog steeds in volle vooroorlogse glorie met die hoge springplank.
Alles nog steeds duur, alleen  maar nontonnen, kijken, kijken, maar niet kopen..
Ja, dat was dan mijn Poedjon. Zelfs mijn vrouw bleek hier de weg goed te vinden, mijn verhalen waren kennelijk goed overgekomen.

x

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

13 reacties op Op zoek naar herkenning

  1. Ron Geenen zegt:

    @Somers@ Wat een verschil met uw ervaring rond Malang heeft mijn vrouw ervaren. Zij, en haar moeder Hetty Weise woonde in Noord Malang, Djenggrik.
    Haar vader Juliaan Lavalette werd al 4 dagen na de oorlog door Indonesiers vermoord. Mijn vrouw werd een maand later geboren. Moeder stierf binnen 2 jaar en zij belandde in een katholiek weeshuis in Lawang waar de weesjes ook misbruikt werden. Een verschil van dag en nacht. Die katholieke nonnen pleegden daar ook een vorm van discriminatie en verdienden dan ook de doodstraf.

    • Jan A. Somers zegt:

      Ik begrijp u niet goed. U heeft het over een paar slachtoffers in Malang tegenover tientallen uit Poedjon (mijn ervaring rond Malang). Op Kembang Kuning in Surabaya is een lange rij verzamelgraven in vak Pujon. Slechts in één graf zijn de namen bekend. In de andere verzamelgraven weten we niet eens hoeveel slachtoffers hier liggen. Waren niet meer uit elkaar te halen.
      Mijn moeder heeft andere ervaringen met de nonnen in Malang. Zij is in 1897 geboren in Soember Pakel, een koffietuin in de bush op de zuidhelling van de Smeroe, in de buurt van Loemadjang. Voor de lagere school moest ze in de kost bij een oom en tante, maar dat was niet zo’n succes. Voor de middelbare school en verder beroepsonderwijs moest ze naar het nonneninternaat in Malang, daarvoor moest ze eerst worden geëcht. Behalve heimwee waren er daar geen problemen. Bij haar administratieve opleiding kwam ze in een klas met Franse nonnen. Daardoor sprak/las/schreef ze perfect Frans. Dat gaf voordelen bij haar latere werk, tot ze trouwde.

      • Ron Geenen zegt:

        @Ik begrijp u niet goed. U heeft het over een paar slachtoffers in Malang tegenover tientallen uit Poedjon@

        Ter verduidelijking: Ik schrijf zoveel mogelijk alleen wat ik weet en wat anderen mij uit ervaring vertellen. Er wordt zoveel moois over Malang geschreven en dan kijk ik naar mijn vrouw, die het heel anders heeft meegemaakt. Ook denk ik terug aan haar grootmoeder Pauline Kouthoofd, haar moeder Hetty Weise, haar zus en haar vader Juliaan Lavalette. De laatste door drie Indonesiërs van achteren doodgeschoten. Mooi gebied met vriendelijke mensen. Misschien leven een paar van die vriendelijke moordenaars nu nog. En over katholieke nonnen gesproken——-!

  2. August Pijma zegt:

    Ik ken Batu heel goed. Tijdens de Japanse bezetting woonden mijn broer en ik in Malang.
    Al gauw moesten we beiden werken in de appeltuinen van Herr Rohmer een duitser.
    De appeltuinen lagen in Batu Sissir een dessa buiten Batu. Het landgoed heette Srihowo.
    De appels waren bestemd voor de kenpei tai en het was ons verboden ervan te eten.
    We kregen 10 rupiah per maand. Sochtends kregen we ubi als ontbijt, de lunch was rijst met blaren van de sinkong en savonds een stukje brood van gaplek.
    We hadden voordurend honger..
    We sliepen in gedek hutten op baleh balehs, badkamer en wc tidak ada. We moesten een kuil graven voor onze behoeften en gebruikten de pohonblaren als wc papier. Baden gebeurde in de kali.
    Herr Rohmer moest 25 javaanse vrouwen gehad hebben, werd mij verteld, ik heb 4 van zijn vrouwen in Srihowo gezien.
    Ze waren allen schoonheden en elk woonde in een villa.
    In september1945 mochten we naar huis, maar 3 maanden later kwamen de pemoedas ons halen.
    Dat is weer een ander verhaal.
    Nogmaals bedakt voor weer een stukje Indiesche geschiedenis.

  3. Ælle zegt:

    Ik kan niet wachten om de tiijd te nemen bovenstaand verhaal uitgebreid te gaan lezen, geschreven door Jan Somers.
    Het enige contact met Oost Java dat ik had was via een mij zeer dierbare oudere vriendin Marie S. uit Tjepoe. Haar Vader was een echte Belg en Moeder een Javaanse.Tjepoe ligt nèt op de grens. met Oost Java. Wanneer werden de grenzen, West, Midden en Oost, op Java getrokken?

  4. M.F.Bus zegt:

    Even voor de oorlog uitbrak, herinner ik me heel goed het vakantieverblijf in Klein Zwitserland, zoals Batoe toen bekend stond. Het schitterende uitzicht richting Malang, de frisse berglucht en de fruittuinen, waar zelfs appels werden geteeld, de koffietuinen waar naar loewakkofiebonen werd gezocht, de kleine dierentuin, het was een paradijsje al beseften wij als kinderen dat toen nog niet. Wreed was de verstoring, toen uit de verte tong-tongs luchtalarm verspreidden en we even later de eerste Zero’s van de jappen zagen overkomen en een totaal andere wereld zijn intrede deed. Na de oorlog een keer terug geweest: Batoe was moeilijk , Selektra was er nog wel evenals de bergpas naar Poedjon, maar de mensen die we tegenkwamen,waren nog altijd hartelijk en gastvrij.

  5. koppieop zegt:

    Dank voor dit relaas, heer Somers! Heb het met veel genoegen gelezen Wij hebben een jaar in Soerabaja en Lawang gewoond. Van Malang en omgeving heb ik alleen vage herinneringen aan weekend-familiebezoeken in die tijd, rond 1940, een beetje opgefrist bij een tweedaagsverblijf tijdens een gedenkwaardige nostalgic journey over Java, 67 jaar daarna.
    .-

  6. Dwie zegt:

    I’m pujon people.haii…

  7. Liesbeth zegt:

    Pas recent lees ik het stukje van Jan Somers over Poedjon. Zou het kunnen dat uw oom en tante met de bloemenkwekerij waren: de bloemenkwekerij Kalorama van de fam Doyer? Zo ja, weet u wat het adres toen was?
    Mijn tweede vraag: zegt Soekasarie u of een andere lezer iets? Dit was rond 1937 een complexje van twee huisjes met zwembadje op het terrein van een voormalig kleinlandbouwonderneming aan de voet van de Panderman. Het lag vanuit Malang gezien tien minuten rijden voorbij Batoe, dan een weg naar rechts en vervolgens nog een half uur klimmen. Ik ga binnenkort naar Malang/Batu en zou graag die voormalige locatie zien op te sporen.

    • Jan A. Somers zegt:

      “de bloemenkwekerij Kalorama van de fam Doyer?” Nee, die ken ik niet, al komt de naam Doyer mij niet onbekend voor. Mijn oom en tante waren van de familie VERSTEEGH, John James Barthol. Geb. 24 juni 1869 te Ambarawa, overl. 1943. Huwde DOUWES DEKKER, Lucie Emelie, achternicht van E. Douwes Dekker (Multatuli). (1880-1943). De Panderman ken ik wel, daar keken we op uit. Soekasarie ken ik niet. Vanuit Batoe kunt u rechts af richting Selecta, Punten, en Soember Brantas. Prachtig gebied. Maar ook rechtdoor richting Pujon. Bij het veeteeltinstituut vlak vóór Pujon kunt u links af richting de waterval Coban Rondo. Daar zijn meerdere kleine landbouwondernemingen geweest. Ook een prachtig gebied om te bezoeken. Wij huurden in het hotel in Malang meestal een taxi voor een halve dag, de chauffeur wist veel uit het verleden te vertellen.

      • Liesbeth zegt:

        Dank u wel voor uw snelle reactie. Op kaarten van vroeger kom ik Soekasarie/Soeka sari ook niet tegen. Maar de naam komt wel voor in brieven uit die tijd en er zijn ook een paar foto’s o.a. van het zwembadje. Mooi wandelkaartje voegde u bij uw artikel! Ik blijf zoeken…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s