Een bijzondere dag

Onderscheiding voor verdienstelijke Bandoengers

“Er heerste in het noordelijke deel van Bandoeng een ware feeststemming, een stemming  die wij ons herinneren van vóór den oorlog, en die we sindsdien – tot voor gisteren dan – niet meer beleven mochten”, aldus het Rode Kruisblad Propeller van 31 januari 1946, de verjaardag van Prinses Beatrix.

Bandoeng: BVLO-terrein met Jaarbeurs (1923)

´s Morgens begonnen de feestelijkheden met een militaire parade waaraan werd deelgenomen door zowel Britse als Nederlandse troepenonderdelen. Bij het Jaarbeursgebouw werd gedefileerd voor de Britse brigadegeneraal N. MacDonald en de Nederlandse kolonel Poulus. Vervolgens werd op het terrein van de Bond voor Lichamelijke Opvoeding, voor het Jaarbeursgebouw, de Nederlandse vlag gehesen en door meer dan dan vijfduizend kinderen het `Wilhelmus´ en `Wien Neerlands Bloed´ gezongen. Een toespraak van een lokale bestuurder en nog een lied, gezongen door Ambonese kinderen, completeerden het officiële programma. De rest van de dag werd voornamelijk gevuld met kinderspelen en volksdansen.   

Uitreiking van zwaarden

Rond het middaguur werd voor een select gezelschap nog een bijzondere bijeenkomst georganiseerd. Voor het paviljoen van het BvLO-terrein werden namens de Geallieerde strijdkrachten Japanse zwaarden uitgereikt aan “personen die zich tijdens de Japanse bezetting in of buiten de kampen bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt”. Brigadegeneraal MacDonald hield een korte toespraak om vervolgens eerst een zwaard uit te reiken aan “de burgerij van de stad Bandoeng”, hetwelk in ontvangst werd genomen door dr. Th. Loze van de Amacab, en – posthuum – aan de een week eerder overleden voorzitter van het plaatselijke Rode Kruis, dr. J. van de Velde. Dit laatste zwaard werd overhandigd aan mr. O. Visser, plaatsvervangend voorzitter van de organisatie.

Vervolgens werden nog 43 andere zwaarden overhandigd aan privé-personen, waarbij steeds in het kort werd aangegeven welke de reden was voor de onderscheiding.  De laatste twee waren voor officiële gezagsdragers: de Britse majoor Gray en de Nederlandse Rapwi-vertegenwoordiger majoor J.A. van der Valk.

Japans zwaard

De de volgende dag in de Propeller afgedrukte lijst maakt duidelijk dat het hier om een plaatselijk initiatief ging. Alle gelauwerden, onder wie tien vrouwen, kwamen uit Bandoeng of nabije omgeving. De Britten moeten gedacht hebben dat bij zo´n buitengewoon “echt Hollandsch feest” een bijzondere premie hoorde. De overhandiging van de zwaarden symboliseerde natuurlijk – ieder op zich – de Japanse capitulatie en betekende daarmee voor de ontvangers een moment van grote waarde.

Lezen we het verslag, dan krijgen we een goed beeld van de beperkingen die de Europese bevolking tijdens de bezettingsjaren was opgelegd. De meeste zwaarden werden overhandigd aan geïnterneerden die zich hadden onderscheiden door leiderschap, nieuwsdistributie, medicijnensmokkel en ander goed werk voor medegeïnterneerden. Deze gronden lijken een beetje op de criteria voor latere verzetsonderscheidingen, maar moet daarmee niet worden verward. Het zwaard was géén verzetsonderscheiding. Als voorbeeld noemen we hier het enige zwaard dat aan een echtpaar werd overhandigd: de heer en mevrouw Van de Capellen kregen het voor het gedurende de gehele bezettingsperiode in functie houden van een gaarkeuken.

Mendoza, Argentinië

Eén van deze zwaarden heb ik kunnen traceren. Toen de ontvanger daarvan, Bob Bär, in 1947 met verlof naar Nederland ging, heeft hij het meegenomen. Later zou hij hierover schrijven: “en dat was maar goed ook, want bij razzi­a’s en huiszoekin­gen in de woe­lige jaren na de on­afhan­ke­lijk­heid was het zeker in beslag geno­men”. Bär overleed in 1997. Het zwaard schonk hij aan zijn zoon Dick, die het enige tijd aan de wand hing in zijn woning in Buenos Aires, Argentinië. Inmiddels is het zwaard al weer verder gereisd, zowel in tijd als in ruimte. Dankzij Dick kreeg ik foto´s van het zwaard, genomen door zijn kleinzoon en dus achterkleinzoon van Bob Bär, woonachtig in Mendoza, Argentinië.

Het zwaard van Bär

Op de foto´s zien we een zwaard dat niet geheel ongeschonden de tijd is doorgekomen. Het handvat, met kersenbloesemmotieven, lijkt nog te ruiken naar bezwete Japanse handen. Ook de schacht, zwartgelakt hout met een leren omhulsel, doet vermoeden dat het zwaard niet meer nieuw moet zijn geweest toen het op die bewuste 31ste januari 1946 aan Bob Bär werd overhandigd. Kregen allen die dag een zelfde soort zwaard in handen? We weten het niet. Waarschijnlijk kwamen ze uit een partij door de Japanners ingeleverde wapens, en waren dus verschillend. Echter, te weten dat het een gebruikt wapen moet zijn geweest, zal bij de ontvangers misschien wel nóg grotere voldoening hebben geschonken…

x

Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Dick en Santiago Bär. Dank! Gracias!

x

BIJLAGE:

Zwaarden werden uitgereikt aan:

De burgerij van de stad Bandoeng
in ontvangst genomen door Dr. Th. Loze, Co. Amacab.

Dr. J. van de Velde
In ontvangst genomen door Mr. O. Visser, waarnemend voorzitter van Bandoengs Rode Kruis-organisatie.
Dr. V.d. Velde was gedurende de bezetting een der voornaamste figuren in de ondergrondse organisatie, waarbij hij velen zowel met medicijnen als met geld geholpen heeft.

Mevrouw M.N. Diepenveen-Lindner
commandante van het vrouwenkamp Tjihapit.

Kolonel H. Poulus
voor de bijzondere wijze waarop hij zich van het kampcommando te Tjihapit heeft gekweten.

De heer Crighton
voor zijn uitstekend werd in het Tjihapitkamp.

De heer R.B. Quack,
voor het organiseren van de illegale registratie der Nederlandse geinterneerden en krijgsgevangenen in het Verre Oosten, zomede het in beslag nemen van de Japanse administratie na de capitulatie, aan de hand waarvan hij onmiddellijk een informatiebureau opende.

Dr. R. Brenkman
voor zijn deel in het illegale werk en de voortreffelijke medische zorgen aan de bevolking van Bandoeng.

De heer Cluwen
voor zijn aandeel in de kampleiding in het 15e Bataljon.

Jonkheer H.A. van Karnebeek
met de bijzondere vermelding dat hij in zijn optreden tegen de Japanners een bijzonder sterke figuur was, wien in het samenwerk met Dr. Thijs is gelukt te bereiken, dat het kamp onder zijn leiding nooit een collectieve straf heeft ondergaan, terwijl de voedselsituatie in het 15e Bataljon altijd beter was dan in de andere Bandoeng-kampen.

De heer en mevrouw Van de Capellen
voor het gaarkeukenwerk dat zij  tijdens de bezetting deden.

De heer Meesters
voor het voortdurend luisteren naar buitenlands radionieuws.

Jonkheer C. de Villeneuve
voor de wijze waarop hij de Tjimahi-kampen leidde.

De heer P. van Heynsbergen
die meewerkte aan de illegale registratie der krijgsgevangenen en geinterneerden.

Mevrouw Taat-Veerkamp
die door onjuiste medische certificaten er in slaagde velen buiten de kampen te houden.

De heer Hildebrand
voor radioluisteren en nieuwsdistributie.

Mevrouw Hertha Kuilman-Prager
voor steun aan gevangenen en geinterneerden.

Luitenant J.A. Gulden
voor luisteren en nieuwsdistributie.

Dr. J.A. de Nooy
die onder uiterst moeilijke omstandigheden vele verbeteringen voor de zieken in de kamphospitalen wist te verkrijgen.

Dr. Thijs
“de beste tolk van alle kampen op Java, die zovelen voor bestraffing en mishandeling wist te vrijwaren, dat het ondoenlijk is ze allen op te noemen”.

De heer Goudoever
voor nieuwsdistributie.

Mr. J.R. van der Henst (naam niet goed te lezen-JP)
voor het smokkelen van nieuws, brieven en medicijnen.

Moeder-overste Louise van de Zusters van het Heilig Hart
voor haar bijzonder werk in het hospitaal van het Tjihapit-kamp.

Majoor P. van Beveren
voor betoond leiderschap tijdens krijgsgevangenschap.

De heer Hagenaar
vroeger Japans tolk van de Nederlands-Indische regering, die dit echter geheim wist te houden en op die wijze de beschikking kreeg over Japanse couranten die hij vertaalde.

Prof. dr. A.G. van Veer
voor de wetenschappelijke bereiding en selectie van voedsel, zomede de organisatie van de gistfabriek in het 15e Bataljon.

De heer D. Faber
voor de in het Baros-kamp opgezette groentenkwekerij.

Mevrouw Heyne
die lid was van een nieuwsdistributie-organisatie buiten de kampen, en bij haar arrestatie alle verantwoording op zich nam.

Kolonel M. Kooistra
voor leiderschap in krijgsgevangenschap.

Mevrouw Cramer-Harmsen
voor het organiseren van de bakkerij in de vrouwenkampen.

Overste A. Doub
voor leiderschap in krijgsgevangenschap.

Mevrouw Bouman-Otani
Japanse van geboorte, maar volkomen loyaal aan Nederlandse zaak, die tijdens haar werk als tolk in het Tjihapit-kamp veel voor de geïnterneerden wist te bereiken.

Mevrouw Nikijuluw
smokkelen van voedsel en medicijnen naar gevangenissen en kampen.

Mevrouw A.W. Droog-Hartgrink
zeer krachtige houding tegenover de Japanse kampcommandanten ten bate van haar medegeïnterneerden.

De heer Young van het Leger des Heils
werk voor medegevangenen.

De heer H. van Kuyk
medicijnensmokkel naar kampen, en inbraak in Japans medicijnenmagazijn.

Majoor M.H.P.J. Paulissen
leiderschap in krijgsgevangenschap.

De heer A. Huismans
voor illegaal werk, aanmaak van valse passen e.d., die ondanks vele martelingen nooit een enkele naam noemde.

De heer Di Colalto (di Calouta?-JP)
voor radio luisteren, nieuwsdistributie, vervalsing van papieren e.d. (het gelukte hem zich jaren schuil te houden).

Kapitein van Zanten
corveeleider, wien het gelukte veel voor zijn mensen te bereiken.

De heer B. Bär
die herhaaldelijk in Japanse magazijnen inbrak teneinde goederen te verkrijgen om anderen te helpen.

De heer Ouw Tek An
radioluisteren en nieuwsdistributie.

Kapitein J.F.A. Gessel-Errons  (naam niet goed te lezen-JP)
leiderschap in krijgsgevangenschap.

Mevrouw J.A.A. Luckx-Sleyfer (naam niet goed te lezen-JP)
voor radio luisteren en nieuwsdistributie in het Tjihapit-kamp.

Tenslotte werden nog zwaarden aangeboden aan majoor Gray en aan majoor ir. J.A. van der Valk, de eerste voor zijn werk in de periode dat Bandoeng nog geen bezetting had, en aan majoor Van der Valk voor zijn werk in het belang van de opbouw van de Rapwi hier ter stede verricht.

x

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

51 reacties op Een bijzondere dag

  1. van den Broek zegt:

    De aanwezigheid van de Britse brigadegeneraal N. MacDonald wijst er op dat het Nederlandse leger zelfs in Januari 1946 nog steeds niet op “Oorlogssterkte” was,. daargelaten dat de Nederlandse bevelvoerende officier van lagere rang was. De verhoudingen waren zo wel getekend.

    Het zal voor de Indonesische bevolking duidelijk geweest zijn dat Nederland zich als koloniale macht nog steeds niet bevestigd had en een ondergeschikte rol speelde. Dit motiveerde de bevolking om extra hard voor hun onafhankelijkheid te vechten tegen een tweede rangs mogendheid.

    Ik vind het opmerkelijk dat van Mook cs. het psychologisch gevaar van een beperkte aanwezigheid onderschat hebben. Pemoeda’s ea. hadden zodoende vrijspel en dat had tot gevolg dat in de Bersiap bijna 20,000 Nederlanders werden geslachtofferd.

    • Jan A. Somers zegt:

      De Koninklijke Landmacht kwam bij mijn weten pas half maart in Indië aan. Buiten de door de Republiek beheerste gebieden was er nauwelijks sprake van bersiap. Daar begon het KNIL zich te herstellen. In de grote steden was de bersiap toen al onderdrukt door de Britse troepen. In Soerabaja was in januari 1946 de bersiap volledig voorbij, de stad begon weer tot leven te komen. We durfden zelfs met een mobiele polikliniek voorbij de demarcatielijn te werken. De gezagssituatie was niet voor iedereen duidelijk. Dat gezag lag tijdelijk bij SEAC, rechtstreeks onder Trumann/Churchill. Volgens mij heeft Van Mook de situatie niet onderschat, hij moest zijn werk doen zonder steun uit Den Haag. Hij heeft dan ook van het begin af aan de contacten met Sjahrir onderhouden om tot politieke oplossingen te komen.

    • buitenzorg zegt:

      Zo zie je maar weer hoe ons geheugen op de loop kan gaan met een getal: er zijn géén (bijna) 20.000 Nederlanders gedood in deze periode. Er zijn evenmin 20.000 Nederlanders “geslachtofferd”.
      Wat de Britse aanwezigheid betreft: Somers heeft gelijk. De Nederlandse aanwezigheid was op dit moment nog minimaal.
      Ter illustratie de deelname van Nederlanders en Britten aan de in dit artikel genoemde parade:

      “De zeer lange colonne bestond, in de hier te noemen volgorde, uit een detachement van het Nederlandsche bataljon, een detachement van de Koninklijke Marine, een detachement van het politiecorps, zoomede vertegenwoordigers van Amacab, Marva en Rode Kruis; dit Nederlandsche deel van de colonne werd voorafgegaan door de plaatselijke militair commandant, Kolonel Poulus, die in een jeep was gezeten.
      Vervolgens kwam, voorafgegaan door de Brigadier-generaal N.MacDonald, D.S.O., die eveneens in een jeep had plaatsgenomen, het Britsche deel. Dit bestond uit – in volgorde – een afdeling cavalerie in drie tanks, een afdeling van het 3rd Indian Field Regiment in carriers met vier stukken geschut, en vervolgens 8 compagnieën van 6 Mahratta´s, 5/8 Punjabs, 3/3 Ghurka´s, 3/5 Royal Ghurka Rifles, en een sectie van 49 Field Ambulance.
      De Brits-Indische pijpers en trommelslagers waren mede van de partij, maar waren, door de groote lengte der colonne, daarin niet overal hoorbaar.”

      • Ik heb ook mijn vraagtekens over 20.000 Nederlandse burgers vermoord in de bersiap en die anderhalf jaar daarna (tijdspanne die Pia van der Molen aangaf voor het door haar genoemde cijfer van 20.000) .

        Maar feit is wel dat naast de doden vele Nederlanders en Indonesiërs mishandeld, beroofd en geterroriseerd waren door het extreemnationalisme
        Als blank uitziende kun je wel daarna je op straat wagen, maar altijd houd je die dreiging in je achterhoofd: het kan zo weer gebeuren.
        Ook als was je een donkere indo…. steeds moet je niet je europeesheid profileren.
        Het woord ‘vervolging’ is dan niet op zijn plaats in rustigere tijden, maar wel in de verhitte periodes.

  2. Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

    Mvr. Heijne was mijn oudste zus en dankzij het “perfecte” optreden van mayor Gray werd mijn broer vermoord.

  3. buitenzorg zegt:

    Triest dat te horen, Wilhelm. Toch durf ik het je te vragen: weet jij waar het zwaard van je zuster is gebleven?

    • Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

      Ingepikt(gestolen) door een funtionaris van het NL- Consulaat in Bandoeng !
      Om te voorkomen dat de Indonesiers eventueel de samurai in beslag zouden nemen had ze dat destijds aan iemand van het consulaat in bewaring gegeven. Alles was in goed vertrouwen gebeurd!.Ze had géén bewijs van inlevering gevraagd, maar wel om de samurai naar Holland mee te nemen. Toen ze er in Holland om vroeg, wist de genoemde persoon van niets.

  4. koppieop zegt:

    Dank voor de plaatsing, Bert!
    De namen die je niet goed kan lezen, zijn helaas ook op de “originele” fotocopie niet duidelijk. Ik zou kunnen proberen, ze volledigheidshalve te preciseren via mijn zegsman bij de NIOD. Maar wacht daar even mee omdat mogelijk dat extra werk (voor de NIOD) niet nodig zal blijken wanneer een familielid of bekende van de genoemde personen deze publicatie lezen.
    Het commentaar <>, is op “onze” sabel zéker van toepassing!!
    Ben benieuwd naar het antwoord van Wilhelm von Grumbkow…..

    Dick Bär

  5. van den Broek zegt:

    @Somers
    als v. Mook en zijn NEFIS legermacht de situatie niet heeft onderschat, waarom was dan pas laat, maart 1946 het Nederlands leger op sterkte. Als je het rijtje lichte voertuigen en bemanning op die feestelijke dag afgaat dan was er wel een legermacht maar dan alleen maar voor de schijn, geen zware bewapening). Die konden niet tegenhouden dat bijna 20.000 Nederlanders geslachofferd werden. Waarom heeft van Mook daar niet ingegrepen. Er stond toch een Mariniersbrigade klaar in de VS. En al die militairen in Nederland (de manmoedige Irenebrigade) die net heldhaftig in de oorlog gevochten hadden (vnl vrouwen kaalgeschoren) die konden toch direct naar Indie gestuurd worden. En dan zaten op de Marineschepen in Ceylon ook vele marinemannen duimen te draaien, die hebben toch de hele oorlog niks meer uitgevoerd omdat hun grote bevelhebber VADM Helfrich, de De Ruyter van de Javazee) de halve geallieerde vloot naar de bodem van de Javazee had gevoerd.

    Wat ik alleen beweer dat Nederland nalatig is geweest een bersiap met al haar duizenden, misschien 20.000 (Buitenzorg moet maar het tegendeel bewijzen wat hij gezien de voorgaande discussie niet kan, dus een discussie diengaande is wat hopeloos) Nederlandse slachtoffers te vermijden.

    Buitenzorg moet maar zeggen wat er dan met die mensen gebeurd is, hij zegt wat er niet gebeurd is, maar wat is er volgens hem dan wel gebeurd , onvrijwillige euthenasie?. een wel hele onzorgvuldige reactie (sic)

    • buitenzorg zegt:

      @heer Van den Broek:

      Het “officiele” standpunt (KNAW/NIOD):
      Eind 1947 werd door de Nederlandse autoriteiten het totaal aantal slachtoffers van de Bersiap op 3.500 geschat; of daarbij de slachtoffers onder de Ambonezen zijn meegesteld is niet duidelijk. Volgens L. de Jong is deze schatting vermoedelijk te laag geweest: vermoorden werden alleen aangemeld als zij relaties hadden die dat konden doen, maar talrijke Indisch-Nederlandse mannen en vrouwen die met Indonesiërs gehuwd waren, leefden geïsoleerd in de binnenlanden. Eind 1948 waren er in heel Indië nog circa 2.500 Europeanen zoek – dat cijfers sloot evenwel ook personen in die in de Japanse bezettingstijd spoorloos waren verdwenen. (L. de Jong, ‘Koninkrijk der Nederlanden’, deel 12, pag. 744-745.)

      Het “alternatieve” standpunt:
      Herman Bussemaker schrijft in zijn boek “Bersiap! Opstand in het paradijs” (2005) over 20.000 slachtoffers, en wijkt daarmee wel heel erg af van het standpunt van De Jong. De onderbouwing die hij geeft is discutabel: een “oversterfte” in de kampen van 2.500 en maar liefst 14.000 vermisten bovenop de 3.500 van het OGS. Ondanks de geringe onderbouwing, wordt het door Bussemaker genoemde aantal met gretigheid overgenomen door anderen, waaronder, recent, door mw. Pia van der Molen in haar documentaire “Archief van tranen”.

      Over mijn eigen twijfels m.b.t. deze cijfers schreef ik reeds in “Archief van tranen?” en trad hierover in discussie met Herman Bussemaker: Bersiap in cijfers.
      Het lijkt me dat deze uitleg voldoende moet zijn.

    • Jan A. Somers zegt:

      De NEFIS was slechts een inlichtingendienst, meer niet. In Australië opgeleid door opleiders die er niet waren. Het KNIL stelde nog niet veel voor, was in herstel en reorganisatie met ex-krijgsgevangenen. Van Mook was voor de troepensterkte volledig afhankelijk van de Nederlandse regering (en van SEAC). En die was weer afhankelijk van de opleidingsmogelijkheden in Engeland. Voor transportschepen waren ze afhankelijk van de geallieerde schepenpool, en die had meer te doen dan Nederlandse militairen te vervoeren. Die pool had de hele wereld als klant! Ik meen te weten dat krijgsgevangenen en geïnterneerden voorrang hadden. Vandaar dat de Prinses Irenebrigade moest wachten, en later weer op Malakka. De mariniersbrigade stond niet klaar, maar was in opleiding. Eerst voor de oorlog tegen Japan, later voor optreden in Indië. Zoveel marineschepen waren er toen niet in Azië/Australië (ik geloof alleen de Tromp en wat kleiner spul), en die bemanningen kan je niet zomaar met een geweer de jungle insturen. Dat zijn schepelingen, geen vechtsoldaten. Van de (burgerlijke) Gouvernements Marine was in Ceylon alleen de Zuiderkruis beschikbaar, met een niet helemaal betrouwbare Indonesische bemanning. In Australië nog een paar mijnenvegers. Alles bij elkaar genomen vind ik dat Van Mook heeft gedaan wat hij heeft moeten/kunnen doen. Samen met Sjahrir de architecten van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Als dank is hij door Nederland en de Nederlandse regering uitgekotst. Evenals Sjahrir, door de Indonesische regering. Nu ook op deze website.
      Ook de Britse militairen van SEAC hebben nooit onze dank gehad. Met vele anderen ben ik door die militairen bevrijd, vele militairen zijn daarbij gesneuveld, en worden nooit herdacht. Militairen voor wie de oorlog eigenlijk voorbij was, en alleen maar naar huis terug wilden. Ingezet in een vreemd land, voor vreemde mensen.

  6. Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

    De Bersiap begon in Bandoeng precies om 18.00 uur op de 24 ste November 1945.

  7. HenkAnthonijsz zegt:

    Wilhelm heeft gelijk! Die dag van 24 op 25 november 1945 zal ik nooit kunnen vergeten. Ik woonde toen bij de familie von Grumbkow (oom en tante van mij van moederszijde) aan de Gang Alipin ( een zijstraatje tussen de Grote Postweg en de Kleine Lengkong in Bandoeng). Was nog niet lang thuis van mijn werk als corveeër bij het Rode Kruis. Bij thuiskomst vertelde de broer van Wilhelm, Rob von Grumbkow, mij dat Willy hulp was gaan halen om ons allen naar een veiliger plaats te brengen. Het was tegen zes uur in de avond dat Rob onrustig werd door het lange uitblijven van zijn broer Willy. Hij pakte een fiets en hij zei mij nog “ik ga even kijken waar Wil toch blijft””. Hij reed Gang Alipin uit, naar de Grote Postweg, wij hoorden enkele geweerschoten.
    Met, ik meen drie/vier personen liepen wij de gang uit en wij zagen Rob, dood op de grond liggen naast zijn fiets, veel bloed. Verder geen mens te zien! Wij hebben Rob het huis in gedragen, deuren gesloten. Biddend zaten en knielden wij, toch zeker met tien/twaalf personen in de huiskamer de dingen af te wachten die zouden gebeuren! Buiten hoorden wij veel geschreeuw en daarna stilte.
    Pas tegen middernacht hoorden wij veel lawaai in de tuin. Voetstappen en geklop op de deuren!
    Willy was er met gewapende Japanse militairen! Wij werden, alleen met de kleding die wij aan hadden, in vrachtauto’s geladen en geëvacueerd naar het Ursulinenklooster aan de Medikaweg.
    Wij reden eerst langs het hotel Preanger- waar een Britse schildwacht ons nog even staande hield. Toen naar het Julianaziekenhuis waar het stoffelijk overschot van Rob werd achtergelaten.
    Die nacht van 24 op 25 november 1945 kan ik niet uit mijn geheugen wegwissen, Angst, angst!

  8. van den Broek zegt:

    @Somers,
    ik weet niet waar Somers zijn gegevens vandaan haalt maar in Ceylon waren op een gegeven moment aanwezig 4 onderzeeboten K12-14-15 en O19, een kanonneerboot Soemba, een mijnenlegger, een voorraadschip de Zuiderkruis, de lichte kruiser Jacob van Heemskerk en de torpedobootjager Isaac Sweers. Dan was er in Australie nog wat kleiner spul, daarvoor dient Somers maar in de marine-annalen te kijken. Het grut werd voornamelijk gebruik voor ecorte-attviteiten, de Amerikanen vonden het niet leuk dat bij de Japanse bezetting van Indie, nogal wat Amerikaanse schepen onder ABDA-bevel in de grond werden geboord, dus ze wilden helemaal niet samen met Nederlandse schepen oorlog voeren..

    En dat verhaal over de mariniersbrigade lijkt mij uit de lucht gegrepen
    Wegens gebrek aan scheepsruimte – Nederland had zijn koopvaardijvloot uitgeleend aan de geallieerden – zou het nog enige maanden duren voordat de circa 4.000 mariniers vanuit de VS scheep konden gaan naar Nederlands-Indië.
    Eind 1945 arriveerde het troepenschip Noordam met 2.000 mariniers aan boord in de Indonesische wateren. De Britten, die het militaire gezag over Indonesië uitoefenden, weigerden echter Nederlandse troepen toe te laten. Desondanks lukte het één bataljon om nabij Batavia te ontschepen. De overige mariniers werden in Malakka aan land gebracht. Daar voegde zich later het tweede echelon bij ter sterkte van ruim 2.000 man, dat was aangevoerd met het troepenschip Bloemfontein. In maart 1946 werden de Nederlandse troepen uiteindelijk in Indonesië toegelaten

    En wat de schepelingen betreft kent Somers de praktijk niet op Hr. Ms oorlogsschepen. Als reserveofficier weet ik dat er op de schepen wacht gelopen werd, de schepelingen hadden tenminste een geweer en de dienstdoende officier van de wacht een 9mm pistool. Tevens gingen gewapende schepelingen met MP de wal op om aangeschoten matrozen ed tot orde roepen. Zij konden dus wel als gewapende wacht ingezet worden.

    Opmerkelijk is dat VADM Helfrich na de oorlog eerder in Indie was als van Mook, die er meer dan 2 maanden over heeft gedaan om van Australie naar Indie te komen met zijn NICA. Dat was wel een politieke blunder.

    Wat ik hem aanreken en dat wordt door Somers niet weersproken dat hij niks gedaan heeft om de dood van bijna 20.000 Nederlanders of minder te verhinderen in de Bersiaptijd.. Ik denk dat zijn uitgangspunt; het herstel van de orde volledig verkeerd was en hij niets heeft gedaan om via een humanitaire missie de Nederlandes in veiligheid te brengen. Ik denk dat de prioriteit van de ordehandhaving en herstel van het Nederlands gezag geen goed heeft gedaan bvb het vlagincident in Soerabaja (welke heikneuter gaat de Nederlandse vlag in vijandelijk gebied hangen. Dat is toch een provocatie/opruiing) gelijk aan die van Boeng Tomo.

  9. van den Broek zegt:

    Er worden over de Bersiaptijd wel meer sprookjes verteld zoals het tijdstip dat het Nederlandse leger volgens Somers in Indie aankwam, ergens in Maart 1946. Maar als ik de verslagen van de 7 december divisie op na lees, vertrokken al op 14 Oktober 1945 een kannoneerboot, de Keersbergen en 8 Mijnenvegers met 8 bataljons richting Indië.

    Wat weten we eigenlijk van de Bersiaptijd, alleen de Engelsen hebben toen hard gevochten en hun doden achtergelaten (worden die eigenlijk door Nederland geeerd) en dat kwam Nederland eigenlijk wel goed uit, wie haalde de kastanjes uit het vuur?. De Nederlandse militaire aanwezigheid werkte alleen maar als een rode lap op een dolle stier.

    Ik begin langzamerhand te begrijpen dat zelfs historici hun handen niet vuil willen maken aan deze periode, aan Nederland kleeft teveel eigen bloed aan haar handendenk an Isaak die ipv het lam geofferd moest worden.

    • Jan A. Somers zegt:

      Vertrekken is iets anders dan aankomen. Ik weet niets van vertrekdata, maar zowel de oorlogsschepen als de militairen mochten niet in Indië aankomen. Maar ieder nadeel heb ze voordeel: op Malakka hadden ze een goede acclimatisatieperiode. De enige militairen die eerder aankwamen waren uit krijgsgevangenschap terugkerende KNIL’lers. Afgezien van kleine groepen in Batavia zijn ze (volgens mij) ingezet buiten het door de Republiek beheerste gebied. Daar was niet of nauwelijks sprake van bersiap. Op 15 september arriveerde Patterson in Batavia. Van Mook mocht pas op 2 oktober naar Batavia komen. Helfrich iets eerder maar die was nodig met het oog op informatie aan de Engelsen over militaire installaties. Het vegen van mijnen gebeurde door Engelse mijnenvegers.
      De genoemde aantallen stelden ook niets voor. Alleen al voor Soerabaja kon een Brits-Indische brigade (ca 4000 man met grote oorlogservaring) de klus niet klaren en moest worden ondersteund door een hele divisie. Op de eerste dag, 10 november, zijn wij wel uit de Werfstraatgevangenis bevrijd, maar de verdere bevrijding van Soerabaja heeft ruim drie weken gekost. Er werd afgezien van doorstoten naar Malang; bevrijding van Malang zou wel mogelijk zijn geweest, maar niet houdbaar, gezien ook de lange aanvoerlijnen.
      De Nederlandse troepenmacht kon pas in 1947 op sterkte zijn, zo’n 100.000-120.000 man (sorry, ik heb dat niet nagerekend!). Voor Nederland een hele klus, maar lang niet genoeg. Die sterkte moest opereren in een land zo groot als Europa. Die sterkte was ongeveer ook de sterkte van het leger in vredestijd in Nederland (in 1991 126.000 man), een land van ongeveer een kwart van Java. In beide politionele acties werden de doelen wel snel bereikt, maar van een blijvend gezag kon geen sprake zijn.
      Hiervoor is gesproken over het inzetten van schepelingen van de oorlogsschepen. Laat die vier onderzeeboten in Soerabaja (Oedjoeng) hun bemanningen, met geweren, aan land gaan. Binnen de kortst mogelijke tijd geen levende schepelingen meer! Afgezien dat Helfrich geen toestemming had marineschepen naar Indië te dirigeren. De enige Nederlandse marine-officier die door Patterson op 23 september naar Soerabaja was gestuurd wist daar de Japanse commandant te bewegen zich aan hem over te geven, waarna hij de Japanners toestemming gaf naar hun verzamelpunt Poedjon te vertrekken. Tot dan hadden de Japanners vrij goed het gezag weten uit te oefenen. Zonder de Japanners te vervangen door eigen troepen was dit uiteraard een verheviging van de bersiap, toen vielen de doden. Er werd nog steeds niet begrepen dat Nederland niets had te vertellen. SEAC was de baas, en die had een eigen programma.

      • Ed Vos zegt:

        “Er werd nog steeds niet begrepen dat Nederland niets had te vertellen. SEAC was de baas, en die had een eigen programma.”

        Dat was maar al te waar. De Nederlanders waren al voor WOII in gebreke gebleven in de bescherming van Indie. Dat heb ik elders reeds uit de doeken gedaan. Vervolgens deden ze (de NICA) enkele evacuatiepogingen door mee te gaan met de geallieerden. Maar dat werd dan door de Indonesiers als gonceng (meeliften) uitgelegd om stiekem weer de baas over de archipel te worden. Wat er daarna gebeurde aan acties was eigenlijk dweilen met de kraan open, maar sommigen willen dat niet nog steeds niet inzien.

        Maar ik geef Van den Broek gelijk: in een chaotische en vijandige situatie ga je als burger niet de driekleur hijsen.

  10. simone brenkman zegt:

     Mijn dank voor het schrijven van dit artikel !
    Misschien was de lijst met namen niet geheel compleet, maar ik wil graag vermelden, dat de heer Kees Verwoord een hele belangrijke rol speelde in het netwerk illegale handel in medicijnen. Mijn vader Brenkman kon aan medicijnen komen en de heer Verwoord had “connecties” , die ervoor zorgden dat de medicijnen de gevangenis in werden gesmokkeld.
    De heer Verwoord werd verraden, opgepakt en “verhoord” door de kempetai. Ze hebben hem vreselijk toegetakeld ; o.a. bamboe splinters onder zijn nagels gestoken. Omdat hij niks losliet heeft de kempetai zijn vrouw Els Verwoord opgepakt en meegenomen. Haar werd verteld, dat ze het leven van haar man kon redden door gegevens te verstrekken. Ze weigerde en ook zij werd te grazen genomen. Aangezien ze zeven maanden zwanger was, was haar buik uiteraard een geliefd doelwit voor de Jap.
    Beiden hebben volgehouden en hebben niet doorgeslagen. Hun loyaliteit en kracht hebben mijn vader en het netwerk beschermd! Mijn innige dank aan de Verwoords en alle anderen die hier aan deelnamen waar ik de namen niet van weet, dat zij dit hebben kunnen opbrengen.

    Simone Brenkman

  11. buitenzorg zegt:

    Beste Simone,
    Natuurlijk waren er veel meer Bandoengers die zich verdienstelijk hebben gemaakt tijdens de oorlog en mogelijk in het verzet zaten. De hier gedecoreerden waren echter op dát moment de meest in het oog springende personen waarvan bekend was wat ze hadden gedaan, en zonder twijfels over hun houding tijdens de bezettingsjaren.
    Als ik het goed begrijp was jouw vader dus degene die op 31 januari 1946 een zwaard overhandigd kreeg van brig.gen. MacDonald. Weet je wat met dit zwaard is gebeurd? Is het nog in de familie?

  12. Hans Hallegraeff zegt:

    Hans Hallegraeff zegt:
    Tot mijn grote verbazing en stijgende verontwaardiging las ik uw artikel over de uitreiking van zwaarden aan verdienstelijke mensen uit Bandoeng die in de oorlogstijd tegen de Japanners actief waren geweest. Voor mij was dit compleet nieuw. Op de lijst ontbreekt naar mijn mening de naam van mijn vader Victor Emanuel Hallegraeff. Hij was evenals als andere personen ook tijdens de oorlogperiode aktief in het luisteren naar de buitenlandse radio en het distribueren van het nieuws onder de bevolking van Bandoeng. Victor Hallegraeff was in maart 1941 als Vliegtuigtelegrafistenmaat in dienst gekomen bij de Koninklijke Marine te Surabaya. Na opleiding werd hij geplaatst op het Marine vliegveld Morokrembangan. Bij de eerste vijandelijkheden werd hij ingezet als vliegtuigbemanningslid bij een aantal verkenningsmissies. Tijdens een zo’n missie werd het Marinevliegtuig (Catalina) aangeschoten en moest de bemanning zien te overleven aan de kust van of Borneo of Sumatra. Uiteindelijk slaagde bemanning er toch in om terug te keren naar Morokrembangan. Helaas was hij door het drinken van verontreinigd water zwaar ziek geworden (ernstige vorm van malaria ) en moest genezen bij zijn hospita in de stad. Hierdoor miste hij het vertrek van zijn squadron dat opdracht kreeg van de hogere leiding om uit te wijken naar Australie of Singapore toen de militaire situatie onhoudbaar werd. Half hersteld vertrok hij naar Bandoeng waar zijn familie op dat moment verbleef. Aangezien hij als militair zich had moeten melden bij de Japanse militaire autoriteiten verbleef hij illegaal in Bandoeng in een onderduikadres, immers hij had ook geen officieel persoonsbewijs, die door de Japanse autoriteiten werden verstrekt. Hij zou waarschijnlijk bij aanhouding geinterneerd worden of wellicht doodgeschoten worden omdat hij zich niet als militair gemeld had. Dit weerhield hem niet om toch actief te proberen het thuisfront via radiomeldingen (hij had een klandestiene radio) op de hoogte te houden over de internationale oorlogssituatie. Hiervan zijn door mij getuigen gevonden. Dit bleef hij doen de gehele oorlogsperiode. Na de oorlog in augustus 1945 werd hij weer in actieve dienst geroepen maar na medische keuring tijdelijk afgekeurd en later in 1946 in Nederland definitief afgekeurd en teruggestuurd naar Indonesie . In 1965 is mijn vader op 43-jarige leeftijd in Eindhoven overleden. Zelf heb ik hem nooit over de oorlogsperiode horen praten en heb dit moeten vernemen van mijn moeder die ook niet van alle details op de hoogte was. Wel wist ze te vertellen dat mijn vaders acties door instanties niet serieus werden genomen. Mijn vader zou ook de man niet zijn geweest om hierop door te pakken. Dit gezegd hebbende ben ik van stellige mening dat ook mijn vader bij die uitreiking bij had moeten zijn en zijn eerbetoon had moeten ontvangen iets wat hem dus is onthouden. Graag zou ik hiervan toch meer willen weten en vooral welke commissie e.d. zich hier mee bezig had gehouden. Alhoewel gedane zaken geen keer nemen, ben ik toch van mening dat ik dit aan mijn vader, Victor Hallegraeff verplicht ben en op zijn minst een poging moet wagen.

    • buitenzorg zegt:

      Beste Hans,

      Ik hoopte met mijn artikel duidelijk te maken dat het gebeuren nogal een ad-hoc karakter had, en dat er geen scherpe criteria aan deze onderscheiding ten grondslag hebben gelegen. Of er een commissie is geweest die er werkelijk over heeft nagedacht, – anders dan een paar personen op een namiddag -, ik betwijfel het. Volledigheid werd ook niet nagestreefd. De tijden waren er niet naar. De Nederlanders hadden op dat moment behoefte aan een soort bloedtransfusie om weer in eigen kunnen te geloven. Daar paste deze uitreiking goed bij.
      Een paar jaar later, in ´48, werd de eerste échte onderscheiding uitgereikt, de Verzetsster Oost-Azie. Steeds op voordracht van derden.
      Voor een veel latere onderscheiding, het verzetsherdenkingskruis (1980), konden betrokkenen zich zélf aanmelden. Maar dat was dus al lang nadat je vader was overleden. Beide onderscheidingen zijn overigens al lang wettelijk gesloten.
      Zie je bijdrage op dit forum als een lintje voor je vader. Klein qua omvang, maar groot van waarde.

    • koppieop zegt:

      Beste Hans,
      Dat jouw vader niet was voorgedragen, betekent niet dat hij niet in aanmerking zou komen voor een onderscheiding. Misschien is in die dagen zijn naam niet voorgedragen aan de commissie “namens de geallieerde strijdkrachten”, die de lijst heeft opgesteld. Het lijkt moeilijk om nu nog redenen te weten te komen. Maar wéten dat jouw vader ook zijn bijdrage heeft geleverd is, voor mij tenminste, voldoende om tevreden over te zijn.

      P.S. Terwijl ik dit aan het schrijven was, kwam het commentaar van buitenzorg door. Ik zeg hetzelfde met andere woorden, dus ik laat het staan. Groet,

      Dick Bär

  13. f bogaardt zegt:

    Bij ons thuis in Jakarta lag het zwaard open en bloot en ik wist dat een decoratie was. Verder werd er nooit over gesproken zoals in vele gezinnen. Dit is het mooie van deze site dat alle verhalen langzaam naar boven komen. En het rotte gevoel dat we nooit doorgevraagd hebben. Ben bang dat het zwaar ingeleverd is in Holland omdat je het niet in huis mocht hebben.
    Frank Bogaardt( stiefzoon dr Brenkman)

  14. Nan van Hal-van Willigen zegt:

    De heer en mevrouw Van de Capellen…… Dat moeten Paatje en Tante Truus van de Capellen zijn. Mijn vader (Borsumij) zei altijd, dat hij tante Truus nog rantangs hed geleverd voor de distributie van voedsel en dat zij de uitvinders waren van nassi rames. In elk geval hadden zij een restaurant in Den Haag(50 tiger jaren?) en als ik me goed herinner waren zij (in elk geval tante Truus )ook zijdelings betrokken bij de keuken van een bejaardencentrum aan de Rijksweg in Wassenaar. Ik dacht zelfs, dat zij (of tante Truus alleen) daar op het laatst van hun leven woonden. Ik geloof, dat zij geen kinderen hadden, maar misschien zijn er nog erfgenamen en komt dan ook hun zwaard boven water. Dat bejaardencentrum bestaat nog steeds. Helaas…ik weet de naam niet.
    Mevrouw Nikijuluw…….als fysiotherapeute heb ik nog stage gelopen in Den Haag bij Marriët Nikijuluw. Zij speelde heel hoog hockey, ik dacht in het Nederlands elftal. Zij is later getrouwd met een arts, daarna ben ik haar uit het oog verloren…. Misschien familie van de bewuste mevrouw.
    Het zijn maar mogelijkheden, wellicht levert het niets op, maar elk klein beetje kan helpen.

    Nan van Hal-van Willigen

    • f bogaardt zegt:

      Wij aten vaak bij Truus en Paatje zoals het restaurant heette dan wel dat dat de volgorde in de familiesfeer was. Opmerkelijk de vrouw eerst. Het was inderdaad in de vijftiger jaren en naar ik meen ergens bij de Lange Poten. Mijn stiefvader dr Brenkman kende hen uit de gaarkeuken tijd in Bandoeng. Toen nog met een oe!

      • Erna van Gulik zegt:

        Ik herinner me dat in 1965 (misschien al iets eerder) een toko op het Stuyvesantplein in het Bezuidenhout in Den Haag was: Tante Truus en Paatje. Ik herinner me een heel klein winkeltje op een hoek waar het ongelofelijk lekker rook. Wij woonden in de aangrenzende wijk Mariahoeve en kenden de Indische keuken niet. Mijn moeder zat ook kookles bij Tante Truus, heerlijk, wat heb ik daar als kind al van genoten. Volgens mij hebben Tante Truus en Paatje daar nog jaren gezeten en er staat mij ook iets bij dat ze ook wel voor het koningshuis kookten.

  15. Anton zegt:

    Had eens zitten af te vragen waarom Nederland niet zo gauw troepen kon sturen.
    Als ik goed begrepen had, kwam het dat de Britten in het begin geen toestemming gaven.
    Ook al zoals ik elders eens vernam, kwam Nederland transport schepen te kort, doordat de Nederlandse schepen al in de oorlog onder contract aan die “pool” stonden. Dus haast geen schepen beschikbaar voor troepen transport. Belgie daarentegen hadden hun schepen niet onder contract gegeven…
    Kan het mis hebben…

    Nou ja ..ik voel me ook wel als een boot vluchteling, maar dan wel per luxe Far East liner, niet zoals die arme drommels tegenwoordig uit Indonesie.

  16. Anton zegt:

    Maar over die zwaarden… ik zou zulke geweldadige moord dingen nooit willen aanpakken… al genoeg triest in de wereld.

    • Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

      Er zal u niet gevraagd worden of u een moordtuig wil aanpakken.
      Een samurai is op korte afstand dodelijk, maar u krijgt een schiettuig in handen dat op groter afstand doodt en dit snel herhaalt.

      • Anton zegt:

        “Er zal u niet gevraagd worden of u een moordtuig wil aanpakken”
        Gelukkig maar ook; kort of lange afstand… ze hebben allemaal het zelfde doel… verderf zaaien.
        Heb al genoeg kiekjes gezien van onthoofdingen door zo’n onmenselijk ding.
        Ik heb er geen bewondering voor… ook niet voor Javaanse krissen etc.

  17. R. Camerik zegt:

    Getuigt niet van goede smaak, om een samurai van de bezetter (lees: moordenaars) aan hen te geven die zich verdienstelijk hebben gemaakt. Maar goed, de tijden waren ook anders.

    • Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

      Het ligt er maar aan hoe men het bekijkt, in het onderhavige geval een wapen buitgemaakt dat aan de vijand toebehoorde.
      Er zullen er ook genoeg zijn die een Duits pistool hebben gekregen.

      • Anton zegt:

        Ik zie een samurai in modern oorlog voeren niet als een wapen … Meer als een moord ding en voor idioot standing.
        Als het nog zo gewaardeerd wordt om in het bezit te hebben, dan promoveert men juist die standing van de vijand.
        Het gewoon vernietigen is het beste om die trots van de vijand te niet te doen.
        Dat geldt zeker voor de Jap.
        Wie weet hoeveel bloed aan zo’n ding heeft blijven plakken ??
        Mijn ziens niet zo’n prettige gedachte …

  18. HenkAnthonijsz zegt:

    Familie van Dr. Brenkman (Bandoeng).
    Hij was een lieve man. Tegen eind juli 1945 brak ik, in het kamp waar ik vast zat, mijn pols. Ik ging voor hulp naar de daar aanwezige arts, Mevrouw Dr. Best-Veerkamp. Zij had echter de middelen niet om mij te helpen. Ik moest naar een ziekenhuis in Bandoeng. Naar de Japanse bewaker, Emma (?) om toestemming voor vertrek naar Bandoeng. Toestemming verkregen. Maar hoe om in Bandoeng te komen? Gelukkig dat een Indonesische vrachtwagenbestuurder (buiten het kamp) mij een lift wilde geven.
    In Bandoeng naar het Borromeusziekenhuis. Behandeld door een Chinese dokter (Dr.Lie?). Er was geen gips, dus maar een houten plank gebruikt en een strak verband!
    Volgende dag naar Dr Brenkman – pols moest van hem bestraald worden! Blijf maar rustig eerst thuis was zijn advies, voorlopig niet terug naar het kamp, je moet nog een paar maal bestraald worden!~Zo heeft hij mij geholpen om een tijdje ( een dag of veertien) buiten het kamp te verblijven.Goede herinneringen aan Dr. Brenkman!
    Na de capitulatie van Japan heb ik hem nog een keer op het station in Bandoeng gezien bij de opvang van personen die uit diverse kampen naar Bandoeng kwamen.

    • simone brenkman zegt:

      tranen in mijn ogen bij het lezen van deze lieve reactie !!
      Heel veel dank hier voor.
      Ik heb via via nog een paar andere verhalen gehoord over zijn fantasie-rijke manier om mensen, inclusief ons gezin die een “bezoek” kreeg van bersiap strijders, uit de grootste ellende te houden. Zelf sprak hij er nooit over .
      Dankzij u heb ik er nu weer een mooie herinnering bij !
      Ik wens u alles goeds !
      simone ( dochter)

  19. R.G. Laverman zegt:

    Al lange tijd zoek naar gegevens over deze uitreiking als onderdeel van informatie over mijn vader, Hubert Laverman, gedurende de Japanse bezetting. Hij stierf in Nederland op 52-jarige leeftijd toen ik nog een jongetje van 13 was. Ik ben thans 65. Als jongetje gingen mijn interesses toen niet uit naar het kampverleden van mijn vader. Toen ik daar later wel belangstelling voor kreeg kon ik het hem helaas om redenen voornoemd niet meer vragen.
    Ik was daarom in eerste instantie verheugd het artikel “Een bijzondere dag” in de Java Post aan te treffen. Maar na de namen gelezen te hebben van degenen die zo’n zwaard mochten ontvangen was ik enigszins teleurgesteld dat de naam van mijn vader daar niet bij stond. Is deze lijst volledig?
    Mijn vader heeft het zwaard niet willen aannemen gelet op de dingen die daarmee wellicht door de vorige eigenaar zijn vericht. Dat is het enige wat mijn vader daarover ooit kwijt wilde. “Ik neem geen wapen aan waarmee (mede) kampgenoten zijn omgebracht,” (zie ook enige reacties daarover hiervoor). Wel ben ik het bezit van de oorkonde (citation) die daarbij hoorde, ondertekend door de brigadegeneraal Mac Donald.
    Graag had ik een kopie daarvan bijgevoegd, maar helaas gaat dat niet via deze methode van reageren.

    • buitenzorg zegt:

      De enige geschreven bron voor dit artikel is een stuk in RAPWI/Rode Kruisblad de Propeller van de dag na de uitreiking. De hierin weergegeven lijst is volledig door mij gekopieerd (zojuist nog even gecontroleerd), en dus zonder de naam Laverman. Het artikel in de Propeller maakt geen melding van oorkonden, en evenmin van personen die geen zwaard wensten te ontvangen. Dit laatste is natuurlijk niet zó verwonderlijk, gelet op de omstandigheden. Mogelijk dat de oorkonde een latere datum heeft?

      • R.G. Laverman zegt:

        Beste Buitenzorg,
        De citation die mijn vader heeft ontvangen is gedateerd Tjimahi, 31 januari 1946 en ondertekend door brig. Mac Donald. Geeft dat u meer info?

  20. van der Henst zegt:

    F. van der Henst,
    Ik ben de zoon van Albertus Jacobus van der Henst roepnaam Bob. Het zwaard heb ik gezzien in ons woonhuis op de soerabajaweg 1 te Djakarta. Uit veiligheids overweging heeft mijn vader het zwaard gebracht naar de politie. hij vond het te gevaarlijk dit in huis te hebben.

  21. Rolien van Rijckevorsel zegt:

    Ik ben de kleindochter van mevrouw H. Kuilman, Hertha Kuilman – Prager. Zij ontving het zwaard omdat ze eten en brieven het kamp in smokkelde. Zij woonde met haar 3 kinderen, onder wie mijn moeder, op de Dagoweg. Ik las erover in het (uitgebreide) dagboek van mijn grootvader Jaap Kuilman die wel in het kamp zat op Flores. Het zwaard is in Toronto of in Londen.

  22. Piet de Wilde zegt:

    De Heer/mevrouw Rolien ik heb waarschijnlijk 1 van de zwaarden ik kreeg het zwaard 40 jaar geleden van een kennis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s