Potentieel staatsgevaarlijk

De internering van Duitsers in Nederlands-Indië  (zie Batavia seint ´Berlijn´) heeft na de oorlog heel veel publiciteit opgeleverd. Althans, voor zover het de ramp met de Van Imhoff betreft. Slechts héél even was de vraag naar de rechtmatigheid van de internering aan de orde, en wel in 1949, in het kader van de Regeringsenquête naar de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. 

De Duitse landbouwingenieur Karl E. Kempski, thee-onderneming Poerbasari, Soekaboemi, 1924.

Uit een regeringsschrijven betreffende de reclassering van geïnterneerde Nederlandse ambtenaren blijkt dat door het verloren gaan van stukken op dat moment niet meer kon worden vastgesteld dat de internering berustte op gebleken wangedrag, ´en dat toevlucht moest worden genomen tot de constructie van potentiële staatsgevaarlijkheid.´[i]
Het verslag van de Enquêtecommissie, gepubliceerd in 1949, ging uitgebreid in op de interneringen van de Duitsers. De nadruk werd hier gelegd op de reactie van de Duitsers en de internering van de Indische gijzelaars in Nederland. Uitgebreid werd verslag gedaan van de onderhandelingen over mogelijk uitwisseling van gevangenen. De Commissie constateerde dat niet alles even helder was, maar gaf wel gelijk aan de Nederlandse gouverneur-generaal Van Starkenborgh in zijn weigering om tot uitwisseling te komen.   

Documentaire over de Van Imhoff

In 1964 gaf Herman Wigbold, chef van de actualiteitenrubriek ´Achter het Nieuws´ (VARA), opdracht aan de cineast Dick Verkijk een documentaire te maken over de ramp met de Van Imhoff. In Vrij Nederland werd hierover geschreven: ´De documentaire van Verkijk is nooit uitgezonden, in tegenstelling tot andere die hij heeft gemaakt en die minder goed waren gedocumenteerd. De vragen die gesteld werden waren te pijnlijk´. Refererend aan de manier waarop de bemanning van de Van Imhoff de Duitse geïnterneerden achterliet: ´Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren´. [ii] Het programma van Verkijk bleef op de planken liggen omdat de toenmalige secretaris van de VARA (en later als verzetsdeelnemer gelauwerde) J. Rengelink bezwaren had gehad. Ook al waren er aanwijzingen voor een schuldverklaring, het viel in het niet bij de misdaden van het nationaalsocialisme in het algemeen.[iii]
Wigbold, verbolgen: ´Wat voor ons begonnen is als een interessante journalistieke zaak, is langzamerhand uitgegroeid tot een morele kwestie…. Op het spel staan de eerlijkheid en de zuiverheid van onze bedoelingen´.[iv]

Kamervragen

Op 15 februari 1966 werd door Kamerlid Lankhorst (PSP) aan de toenmalige Minister van Defensie De Jong (Kabinet Cals) vragen gesteld over de affaire. Aanleiding vormde een artikel in het Duitse weekblad ‘Der Spiegel’ over de Van Imhoff, waarin werd gesteld dat de Duitsers bewust werden verdronken. Was het Kabinet bekend met de inhoud van het artikel? Was het Kabinet bereid om, mocht de versie van Der Spiegel naar haar oordeel onjuist zijn, mede te delen welke wél de juiste toedracht is geweest?

ss Van Imhoff, aan de kade te Makassar

De Jong antwoordde dat in 1956 – zulks op verzoek van de toenmalige Minister van Justitie – een onderzoek had plaatsgevonden naar de toedracht. De procureur-generaal van het gerechtshof in Amsterdam had de Minister meegedeeld dat er geen grond aanwezig was voor strafrechtelijke vervolging. De Jong meldde niet op welke wijze dit onderzoek had plaatsgevonden.

Een maand later stelde Lankhorst opnieuw vragen over de kwestie. De Jong meldde op 1 april 1966 nogmaals dat er – gezien de omstandigheden – geen onjuiste beslissingen waren genomen. Uit de Handelingen van de Tweede Kamer: ´Tevens is hij van mening, dat het onjuist zou zijn als de indruk zou ontstaan, dat de Nederlandse Regering deze zaak in de doofpot stopt of met twee maten meet. Ten einde dit te vermijden, zal de daarop betrekking hebbende documentatie, welke zich bevindt bij het Ministerie van Justitie, het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bij de laatstgenoemd instantie worden samengebracht en ter beschikking zijn voor geïnteresseerden.(….) Het is de Minister bekend, dat een wetenschappelijk hoofdambtenaar van de Rijksuniversiteit van Utrecht doende is in het kader van een studie over de Nederlandse koopvaardij in oorlogstijd aan deze episode speciaal aandacht te wijden, zodat een wetenschappelijk verantwoorde publicatie kan worden tegemoetgezien.´
Met de door De Jong genoemde hoofdambtenaar werd waarschijnlijk W.K.L. Bezemer bedoeld, die op dat moment bezig was met een onderzoek naar de koopvaardij. Pas in 1987 zou het volledige werk van Bezemer worden uitgegeven.

Het oordeel van Van Heekeren

Kees van Heekeren (1912-1998)

Grotere actualiteit had een publicatie van Cornelis (‘Kees’) Van Heekeren. Deze voormalig BB-ambtenaar werkte in de jaren zestig en zeventig als amateur-historicus aan een indrukwekkende reeks verhandelingen over Nederlands-Indië in oorlogstijd. Na een eerste uitgave over krijgsgevangenschap op Noord-Sumatra, begon hij met een studie van de internering van de Duitsers. In 1967, een jaar nadat De Jong de Kamer had geïnformeerd, publiceerde hij ´Batavia seint: Berlijn´, waarin een minutieuze beschrijving van het gebeurde met de Van Imhoff. Van Heekeren was mild in zijn conclusies. Niet kon worden aangetoond dat de Duitse geïnterneerden moedwillig waren verdronken. De kapitein van de Van Imhoff had weliswaar aanvechtbare beslissingen genomen, de vraag kon worden gesteld of de alternatieven tot een betere uitkomst hadden geleid.

Vrij Nederland publiceerde een reactie van Van Heekeren op een artikel over het niet uitzenden van de documentaire van Verkijk. Van Heekeren liet weten:

´Bij de research voor mijn boek, waarbij ik tientallen getuigen vond, kreeg ik de gelegenheid de documentaire van Dick Verkijk te zien. Ofschoon deze film knap gemaakt is, kon ik me toch voorstellen dat men deze niet op de televisie heeft vertoond. De zwakte van Verkijk, dat hij altijd moet propageren en nooit ‘twijfelt’, wreekt zich in deze film wel erg. Van de gecompliceerde geschiedenis van die ramp geeft hij een historisch aanvechtbaar beeld, dat bij de TV kijker alleen maar de indruk kan achterlaten, dat er een zekere opzet is geweest om de Duitsers te doden. Mijn boek heeft m.i. overtuigend bewezen, dat de zaak anders ligt. (…) Het is mij juist na de ‘rel’ over deze uitzendingen duidelijk geworden hoe wijs men is geweest, die documentaire van Verkijk over de Van Imhoff niet te vertonen. Deze was ongetwijfeld aanleiding geweest tot vele onaangenaamheden. Daarvoor hoeft men niet bang te zijn, maar dan moet het zin hebben. Mijn boek is door Nederlanders én Duitsers goed ontvangen. Alleen wat oud-NSB’ers hebben me vergast op telefonische scheldpartijen, maar dat hoeft men niet ernstig te nemen.´ [v]

In 1984 kwam een herdruk uit van het boek van Van Heekeren. De titel veranderde van ´Batavia seint: Berlijn´ in ´Batavia seint Berlijn´. In tegenstelling tot in 1967 reageerde de pers nauwelijks. Ook in 1987, toen Bezemer in zijn studie over de Nederlandse koopvaardij een hoofdstuk opnam over het gebeurde rond de Van Imhoff, bestond geen aanleiding tot heropening van de discussie. Bezemer had geen wezenlijk andere inzichten gehad dan Van Heekeren.

De discussie heeft zich in de naoorlogse jaren uitsluitend gericht op de vraag of moedwillig Duitsers zijn verdronken. De legitimiteit van de internering, alhoewel aan de orde geweest in het verslag van de Enquêtecommissie in 1949, werd nooit meer aangevochten. Over schadevergoedingen voor geïnterneerden werd nooit gesproken.

Nieuwe ronde, nieuwe prijzen

Rond de eeuwwisseling heeft de Nederlandse regering zich beijverd schoon schip te maken met het oorlogsverleden. Er werd een algemeen onderzoek gefinancierd naar de opvang van Nederlandse burgers in de na-oorlogse periode, en meerdere onderzoekscommissies mochten beoordelen of de overheid zich schuldig had gemaakt aan onrechtmatig handelen. De uitkomsten van het onderzoek leidden tot het verstrekken van eenmalige uitkeringen aan Joden, Roma en Sinti, en – middels de Stichting Het Gebaar – aan personen afkomstig uit Nederlands-Indië.[vi]
Bijzonder is echter, dat ook in deze periode geen enkel woord werd vuil gemaakt aan de mogelijke onrechtmatigheid van de internering van de Duitsers, of, voor zover deze groep vergelijkbaar is, van de door de Nederlanders in 1940 geinterneerde Japanners.

Interneringskamp Dehra Dun, Brits-Indië

De ´constructie van potentiële staatsgevaarlijkheid´ was in 1940 misschien te billijken. Als we daar nu achteraf nog een keer naar kijken, dan kunnen we niet anders dan concluderen dan dat met de interneringsmaatregel op tamelijk grove wijze inbreuk werd gedaan op de rechtszekerheid van individuele burgers. Slechts op grond van vage verdenkingen werden duizenden personen jarenlang geinterneerd, en werden hun bezittingen geconfiskeerd. Tijdens de periode dat de Nederlandse overheid verantwoordelijkheid droeg voor deze groep verloren meer dan vierhonderd geïnterneerden hun leven.

Discussie gesloten

Zouden er argumenten zijn geweest om af te zien van een spijtbetuiging of een schadevergoeding? Misschien. Maar dan slechts ná een onderzoek en ná een openbaar debat. Wat in ieder geval niet als argument zou hebben gegolden, is de veronderstelling dat de onschuldigen niet van de schuldigen zouden zijn te onderscheiden. Bij het Nationaal Archief bevindt zich voldoende materiaal om de slechts enkele tientallen uitgesproken nationaal-socialisten te kunnen onderscheiden van de rest.

Heeft de overheid deze groep per ongeluk over het hoofd gezien? Onwaarschijnlijk. Na brede maatschappelijke discussies werd in de Verenigde Staten in 1988 door de regering Reagan een eenmalige uitkering verstrekt aan de Nisei: de door de Amerikanen tijdens de oorlog geïnterneerde Japanners. Vanaf de jaren ´90 was dit voor de Stichting Japanse Ereschulden aanleiding een zelfde bedrag van de Japanse regering te eisen voor de internering van de Nederlandse burgergeïnterneerden.

Eind jaren ´90 deden enkele Duitse ex-geïnterneerden uit de hier bedoelde groep een beroep op de Nederlandse wetten voor oorlogsslachtoffers (Wuv en Wubo). De Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), verantwoordelijk voor de toepassing van deze wetten, zat met de aanvragen in zijn maag. Duidelijk was dat deze aanvragers geen recht hadden op een uitkering krachtens de Wuv of Wubo. In deze wetten wordt immers alleen gesproken van slachtoffers van vervolging, handelingen of maatregelen ´door of namens de bezetter´. De ingediende verhalen waren echter zó schrijnend, dat het Ministerie van VWS werd gevraagd of er geen andere oplossing was.

Het antwoord van Minister Borst liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Niet alleen achtte zij zich niet bevoegd een standpunt in te nemen, ook werd de PUR en passant verweten zich te bemoeien met een materie die buiten zijn werkterrein lag.
In de wandelgangen werd nog gehoord dat de overheid het niet ´opportuun´ achtte maatregelen te nemen die mogelijk bij andere groepen weer verkeerd zouden kunnen vallen. De constructie van ´potentiële staatsgevaarlijkheid´ hield klaarblijkelijk nog steeds stand. De discussie was gesloten.  

x

[i]   Regeringsschrijven dd 15 augustus 1949. NA, BURAM, 2.10.37.03
[ii]  Vrij Nederland, 1 februari 1969
[iii] Commissaris Rengelink
[iv] Vrij Nederland, 1 februari 1969
[v]  Vrij Nederland, 22 februari 1969
[vi] Bij deze laatste groep was niet geheel duidelijk op basis van welk onrechtmatig handelen van overheidswege de uitkering wordt verstrekt. De desbetreffende onderzoekscommissie concludeerde dat niet kon worden vastgesteld dat de Nederlandse overheid ernstig in gebreke is gebleven. Weliswaar verloren de meeste nederlandse onderdanen goederen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog of in bersiapperiode, dit moest worden toegeschreven aan handelingen van de bezetter (Japanners) of van de Indonesiërs. De uitkeringen werden daarom ook verdeeld onder de noemer ‘het gebaar’ waarmee tot uitdrukking werd gebracht dat de overheid oog had voor het bijzondere lot dat deze groep heeft moeten dragen.

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

7 reacties op Potentieel staatsgevaarlijk

  1. Walter Schwager zegt:

    Ook de Canadese regering heeft schadevergoeding betaald aan onterecht geinterneerde Japanse ingezetenen en officieel excuses aangeboden aan de geinterneerden en andere bevolkingsgroepen. De Nederlandse regering is erin geslaagd om deze zwarte bladzijde uit het koloniale verleden te verzwijgen.

    • Jan A. Somers zegt:

      Waren de in Japanse kampen geïnterneerde Nederlanders ook staatsgevaarlijk? Ik was wel buitenkamper, maar ik zat bij de Kenpeitai in de Werfstraat wel in een apart cellenblok voor staatsgevaarlijken. Maar ik had dan ook drie of vier verdachte zaken. Wel luxe hoor, eenpersoonscel met eigen buitenkooi!

  2. Ælle zegt:

    Samen met Walter SPIES, de bekende kunstenaar, verdronk ook * Louis MAGENER*, grootvader van mijn 2 Indo neven en nicht, Michael, Matthew en Maureen. Zoon Willy Magener was het verlies tot aan zijn eigen dood nooit te boven gekomen.

    World War 2, when Germany invaded Holland. All Germans in Bali incl. Walter Spies, were arrested by the Dutch-Indies government and put in prison camps in Sumatra. All German prisoners were set on a transport from Sumatra to Ceylon.
    Walter Spies was on of the prisoners on the ship Van Imhoff that set sail to Ceylon January 18, 1942. A day later, the ship was hit by a Japanese torpedo boat. The Dutch crew abandoned ship but the captain was afraid to set the German prisoners free without orders. The result was that most of the German prisoners, including Walter Spies, drowned in the slowly sinking ship.

    Interessant is het verhaal van Ehemalige Tsingtaukämpfer in Niederländisch-Indien (1920 – 1942) und der Untergang der “Van Imhoff” am 19.1.1941
    Ehemalige Tsingtaukämpfer in Niederländisch-Indien (1920 – 1942) und der
    Untergang der „Van Imhoff“ am 19. 1. 1942

    Von den sog. Tsingtaukämpfern, die 1914 bei der Verteidigung Tsingtaus mitgewirkt hatten und dementsprechend die Zeit von Nov. 1914 bis Dez. 1919 in japanischer Kriegsgefangen-schaft verbracht hatten, sind rund 345 Männer zunächst nicht in die Heimat zurückgekehrt, sondern fanden 1920 im damaligen Niederländisch-Indien eine Stellung. Die von den dortigen Deutschen in Batavia herausgegebene Zeitschrift „Deutsche Wacht“ brachte in der Ausgabe von 1922, Heft 5 (Mai), S. 30-32 eine Liste der Namen dieser „eingewanderten“ Tsingtau-kämpfer, mit Angabe ihres jetzigen Wohnortes und (in den meisten Fällen) der Institution, in welcher sie beschäftigt waren. Viele von ihnen sind dauerhaft dort geblieben, haben geheiratet, lebten in Freiheit allerdings nur bis zum 10. Mai 1940, denn als das deutsche Heer an diesem Tag in den Niederlanden einmarschierte, wurden die Deutschen in Niederländisch-Indien sofort interniert, die Männer (ab 16 Jahren) getrennt von den Frauen und Kindern. Letztere wurden zum Teil auch eingesperrt. Mehrere hundert deutsche Frauen und Kinder konnten allerdings im Juli 1941 das Land verlassen. Das japanische Schiff brachte einen Teil nach China, den anderen nach Japan, denn eine Rückkehr nach Deutschland mit der Eisenbahn durch Russland – wie ursprünglich geplant – war nicht mehr möglich. Der Krieg zwischen dem Deutschen Reich und der Sowjetunion hatte am 22.6.1941 begonnen.

    Als Japan am 8.12.1941 u.a. den USA, Großbritannien und den Niederlanden den Krieg erklärte, kam es zu einer raschen Besetzung von Niederländisch-Indien durch die Japaner. Die niederländischen Behörden dort wollten offensichtlich nicht zulassen, dass die von ihnen internierten deutschen Männer, rund 2500 Personen, durch die Japaner befreit würden. Sie luden jene auf mehrere Schiffe und brachten sie nach Indien. Das letzte Schiff verließ am 18.1.1942 den Hafen von Sibolga an der Südküste Sumatras mit Kurs auf Colombo. Es handelte sich um die SS „Van Imhoff“, ein 2980 Bruttoregistertonnen großes Schiff der Amsterdamer „Koninklijke Paketvaart Maatschappij“. Auf dem Schiff befanden sich 48 Besatzungsmitglieder, 62 Soldaten der niederländischenKolonialarmee und 483 deutsche Zivilisten. 372 von ihnen hockten in Gruppen zu je etwas 30 Mann im Zwischen-deck in knapp einen Meter hohen Stacheldrahtkäfigen, die verschlossen waren. Für weitere 111 Internierte war auf dem Achterdeck ein Stacheldrahtverschlag zusammengezimmert worden. Einen Tag später, am 19.1.1942 wurde das Schiff – 110 Seemeilen von Sumatra entfernt – von einem japanischen Bomber angegriffen. Dem Roten Kreuz in Batavia war nicht gemeldet worden, daß es sich um einen Interniertentransport handelte. Das japanische Flugzeug konnte also den besonderen Status dieses Transportes nicht wissen oder erkennen. Es warf 5 Bomben, von denen keine direkt traf, aber die 5. Bombe explodierte im Wasser ganz nah an der Backbordseite des Vorschiffes und riß ein großes Loch in den Rumpf. 6 Stunden später sank das Schiff. Es war überbelegt gewesen. Für die insgesamt 593 Menschen gab es nur 6 große Boote mit einem Fassungsvermögen von je maximal 50 Personen, ein Arbeitsboot für höchstens 14 Mann, 6 Rettungsflöße aus Bambusrohr und 650 Schwimm-westen. Die Niederländer verließen das sinkende Schiff in 5 großen Booten, die sie zu Wasser gelassen hatten. Eins war ein Motorboot, das die anderen 4 Boote zog. Die 5 Boote hätten 250 Personen aufnehmen können, waren aber nur mit 111 Personen besetzt. So erreichten alle Niederländer am nächsten Tag unversehrt die Insel Pulu Simu. Die Deutschen überließ man ihrem Schicksal. DerOffizier, der als Letzter der Niederländer das Schiff verlassen hatte, hatte wenigstens noch die Schlüssel überreicht, so daß die eingeschlossenen Deutschen ihre Käfige öffnen konnten. Ob das allen gelang? Sechs Stunden nach dem Bombardement sackte das Schiff plötzlich weg und versank mit 281 Deutschen. Auf das Wasser hatten sich 201 zunächst retten können. Von diesen war es einer Gruppe noch gelungen, vorher das sechste Boot flott zu machen, das die Holländer nicht hatten zu Wasser bringen können, da es irgendwo sich verklemmt hatte. Auf dem Boot befanden sich 53, im Arbeitsboot 14 und auf sechs Bambusflößen 134.Aber in einer qualvollen Fahrt von 3 Tagen (ohne Nahrung und Wasser!) erreichten nur das große Boot und das Arbeitsboot mit seinen Insassen die Insel Nias. Von den Flößen hatte nur eine Personsich in das große Boot retten können, die anderen 133 Mann gingen auch verloren. Von den 483 Deutschen sind also 415 ertrunken, nur 68 konnten sich an Land retten. Von den Geretteten sind gleich nach Ankunft noch 2 oder 3 gestorben, offensichtlich vor Erschöpfung und Überanstrengung.

    Von den 483 Deutschen des „Van Imhoff“ Transportes waren mindestens 37 Personen ehemalige Tsingtaukämpfer. Eventuell waren es insgesamt 42, aber bei 5 Namen ist die Zuordnung nicht eindeutig, da kein Vorname oder nur der Anfangsbuchstabe des Vornamens angegeben ist.

    Unter den 68 Geretteten waren 5 Tsingtaukämpfer, vielleicht 6. Von den 415 Toten waren 32 Tsingtaukämpfer, eventuell 36. Es folgen die Namen und kurze biographische Angaben.

    Die folgende alphabetische Liste ist so aufgebaut:

    a) Name, Vorname, Herkunftsort und Stellung im Juli 1914 aus der gedruckten Liste der Tsingtau-Deutschen, die von Nov. 1914 bis Dez. 1919 in japanischer Kriegsgefangenschaft waren.

    b) Namensliste (nur mit Anfangsbuchstabe des Vornamens) der ehemaligen Tsingtaukämpfer in Niederländisch-Indien vom Mai 1922, veröffentlicht in der Zeitschrift „Deutsche Wacht“ Batavia 1922, Heft 5, S. 30-32

    c) Verzeichnis der Deutschen in Niederländisch-Indien in: Deutsches Jahrbuch für Nieder-ländisch-Indien 1935, S. 353 – 408. Diese Liste enthält z.T. weitere biographische Angaben zu den einzelnen Personen, evtl. Name der Ehefrau, der Kinder u.a. Andererseits bringt diese Liste keinesfalls alle Deutschen, die damals in Niederl.-Indien sich aufhielten.

    d) Transportliste der internierten Deutschen auf der SS „Van Imhoff“ vom 18.1.1942

    (maschinenschriftlich. Der Vorname ist nur mit dem Anfangsbuchstaben wiedergegeben, der Beruf nach dem Stand am 10.Mai 1940.)

    Nicht angegeben wird, in welchen Kriegsgefangenenlagern Japans die Tsingtaukämpfer 1914-20 untergebracht waren. Dies kann man ausführlich nachschlagen in der Webseite von Hans-Joachim Schmidt: http://www.tsingtau.info, in der man die Rubrik „Kurzbiographien“ anklickt.

    Die Ortsnamen werden fast durchweg in der damaligen niederländischen Orthographie wiedergegeben, d.h. oe ist als u und ij als ei, ia als ja zu sprechen.

    Die zunächst geretteten, ehemaligen Tsingtaukämpfer

    BANTHIEN, F. Christian aus Rheydt. 1914: Matrosenartillerist. 1922: Telefon Amt in Weltevreden (Padang). 1935: in Lebong Tandai, Benkoelen. Verheiratet mit Amelie Precker. 1940: Maschinensteiger in Sumatra.

    GlLEICHMANN, F. Hermann. * in Coburg 1885. – 1914: Matrosenartillerist. 1922: Angestellter bei der Niederl.-Ind. Dampfschiffahrt Gesellschaft. 1935 und 1940: Pflanzer in Bodja/Semarang.Er stirbt noch am Ankunftstag auf Nias am 22.1.1942.

    KEMPF, E. Conrad aus Berlin. 1914: auf dem HAPAG Dampfer „Frisia“ beschäftigt. – 1914: Matrosenartillerist als Kriegsfreiwilliger. – Vor 1922: bei der Zuckerfabrik in Bodjong. 1940: Beamter in der Rubberrestrictie in Pontianak auf Borneo.Geht 1942 nach Peking, dort ist auch seine Tochter Maud (* 10.6.1925), die 1944 in Tsingtau Ottokar Peterhaensel heiratet

    (* 28.9.1917), Mitinhaber eines Bekleidungsgeschäftes. Conrad Kempf heiratet in Tsingtau in zweiter Ehe Erika Seidel (* 25.4.1922), die damit nur 3 Jahre älter ist als ihre Stieftochter Maud. Die Witwe Erika Kempf lebte später in Wiesbaden.

    RESSING, J. Heinrichaus Bocholt. 1914: Seesoldat. 1922: Hauptpolizist von der Feldpolizei in Poerwodadi. Verheiratet mit Emilie N.N. Kinder: Anita (* 9.5.1930) und Karl (* 20.8.1933). 1940: Polizeibeamter in Oerangan/Semarang. – Frau Ressing und die Kinder verließen mit dem Gruppentransport im Juli 1941 Niederl.-Indien und wählten als Aufenthaltsort von 1941 bis 1946 Tsingtau, weil Heinrich Ressing dort 1914 als Seesoldat gewesen war. Leider starbdort im März 1946 die Tochter Anita an einem Gehirntumor. Frau Ressing und Sohn Karl wurden im Juni 1946 auf der „Marine Robin“ nach Deutschland repatriiert, wo man wieder mit Heinrich Ressing zusammenkam und im Ruhrgebiet wohnte. Frau Ressing starb 1977, kurz vorher war Heinrich Ressing gestorben. Der Sohn Karl, Studienrat, starb 1983.

    SACK, Hans aus Hamburg. 1914: Seesoldat im O.M.D. 1922: Pfleger in der Irrenanstalt, Batavia. 1940: Krankenpfleger in Sabang. Gestorben.

    ZACKER, Georg A. 1922: Angestellter in der Zuckerfabrik in Bodjong. 1935 in Soerabaia.
    1940: Monteur in Malang/Java. Zacher war anscheinend 1914-1919 nicht in japanischer Gefangenschaft, aber vielleicht in britischer (Hongkong oder Australien) ?

    Die ehemaligen Tsingtaukämpfer, die mit der „Van Imhoff“ untergegangen sind.

    19. bis 22.1.1942

    BERGAU, Albert aus Nakel/Netze, Prov. Posen. – 1914: Gefreiter. 1922: Öffentliche Stadtwerke, Bandjermasin. – 1940: Angestellter MEB, Makassar/Celebes

    BÖHMER, Alwin aus Harburg a.d.Elbe. – 1914: bei der Rickmers Linie tätig. – 1914: Obermaschinistenanwärter d.R. – 1922: Zuckerfabrik Ranoepakis, Klakah. – 1940: Maschinist in der Zuckerfabrik Trangkil, Koedoes/Java

    CLAUSING, Adolf. * in Berlin. – 1914: Obersignalgast beim Gouvernement. 1922: Kaufmann, Post Weltevreden. – 1935: Kaufmann, wohnt Laan Wiechert 14, Batavia-C. Verheiratet mit Elisabeth Arnstein. – 1940: Makler, Batavia

    DALLES, Georg aus Sulzbach/Oberpfalz. 1914: Obermatrosenartillerist. 1922: Bataviasche Petroleum Gesellschaft in Balik Papan. – 1935: wohnt Laan Trivelli 9, Batavia-C. – 1940: Ingenieur, Batavia

    DONAT, Walter aus Weimar. 1914: Seesoldat im O.M.D. 1922: Holl. Beton Gesellschaft, Weltevreden. – 1935: in Lembang, Bandoeng. – 1940: Holl. Beton Gesellschaft in Batavia

    ENGEL, Reinhold, * Borstel bei Hannover 1894. – 1914: Seesoldat. 1922: Teepflanzung Tjikopo, südl. von Buitenzorg. – 1935: Pflanzer, ebenda. Verheiratet, 3-4 Kinder. – 1940: Pflanzer, Straits Soenda Syndikat (Ausführliche Biographie bei H.-J. Schmidt)

    GrROSSMANN, Johannes aus Ueberberg/Württ. 1914: Seesoldat. 1922: Vibem Simaloer, Sinabang (Atjeh). – 1940: Auto-Unternehmer, Langsat/Atjeh

    HANSEN, Wilhelm aus Schleswig. 1914: Matrose in der Marine-Kompanie. – 1922: Semarang-Cherobon-Dampfschiffahrt-Gesellschaft, Tegal. – 1940: Java (Kinder in Cheribon untergebracht)

    HECKENBÜCKER, Jacob aus Krefeld. 1914: Seesoldat. – 1922: Hauptpolizist in Indramajoe. – 1940: Polizeibeamter in Bandoeng

    IMMERHEISER, Friedrich aus Bingen. 1914: Gefreiter der Landwehr. – 1922: Bekassiweg 4, Meester Cornelis (= Vorort von Batavia). – 1935: t/o. Station Kramat, Batavia-C. – 1940: pens. Lagermeister, Batavia

    JAHN, Josef. * in Brünn. – 1914: Steuergast auf SMS „Kaiserin Elisabeth“. – 1922: Aufseher der Feldpolizei in Kedoe. – 1935: Hauptpolizeiaufseher, Post: Bandoeng, Gg.Langasarie 24, Bl. 98 – 1940: Polizeibeamter in Tebing-Tinggi

    JANSSEN, Johannes aus Eschershausen, Kr. Holzminden. – 1914: Sergeant. – 1922: Aufseher der Feldpolizei in Randoeblatoeng (Rembang). – 1940: Polizeibeamter in Soerabaia

    KAIE, Richard aus Hamburg. 1914: Funkentelegraphie-Maat auf SMS „Jaguar“. – 1922: Nied.-Ind. Gasgesellschaft, Meester Cornelis. – 1935: p/a Gas my. Lahat, Süd Soematra. – 1940: Nied.-Ind. Gasgesellschaft, in Batavia

    KESSLER, Heinrich, * in Aden 1884. – In der Liste von 1922 steht nur: H. Kessler, mehr nicht. – 1935: Pflanzer, Post: Pflanzung Poeloekan, Negara, Bali. Banjoewangi. – 1940: Pflanzer in Kintamani/Bali

    KLEIN, Franz aus St.Wendel. 1914: Unteroffizier im Ostasiat. Marinedetachement. – 1922: Aufseher der Feldpolizei in Kepandjen Pasoeroean. – 1940: Polizeibeamter auf Celebes

    KLESPER, J. 1914: Oberheizer auf Torpedoboot S 90. – 1922: Semarang-Cherobon- Dampfschiffgesellschaft in Tegal. – 1935: Pflanzung Soengei Langka, Td. Karang. – 1940: Angestellter des Straits Soenda Syndikats

    KÖNIG, Paul Hermann * 1887 Kleindittmannsdorf bei Pulsnitz. – 1914: Seesoldat. – 1922: Heiman & Co. in Soerabaia. – 1935: Uhrmacher und Fabriksleiter bei N.V.Wolf , Toendjoengan 32, Post Soerabaia. Verheiratet mit Käte Jobst. – 1940: Uhrmacher dort

    LEPP, Johann aus Bruchsal. – 1914: Obermaat d.R. bei der Matrosenartillerie. – 1922: Technisches Büro Unicum in Soekaboemi.- 1935: Logeweg 16, Bandoeng. – 1940: Monteur in Bandoeng

    LÖFFLER, Hermann aus Erfurt. -1914: Maschinenbauer in der Maschinenbau-Abteilung der Tsingtauer Werft seit 1908. Ist verheiratet. Wohnen Kleiner Hafenweg. 1914: bei der Verteidigung im Landsturm beteiligt. Wurde erst am 16.9.1915 nach Japan gebracht. – 1922: Werkzeugfirma Carl Schlieper in Batavia. – 1935: Magelang. -1940: nur der Name H.E.J. Löffler

    *************************************************************************************************************************
    * MAGENER, Louis* aus Hamburg. 1914: Matrosenartillerist. – 1922: Megalithische Denkmäler R.L. in Benkoelen/Soematra. – 1935: Kaufmann, Semarang. – 1940: Kleinhändler in Batavia
    ***********************************************************************************************************

    MECKEL, Heinrich aus Aull/Hessen-Nassau. – 1914: Seesoldat. – 1922: Wichers & Co. in Sepandjang bei Soerabaia. – 1935: Dinojo 59, Soerabaia. – 1940: Baumaterialienfabrik in Soerabaia. (Biographie bei H.-J.Schmidt)

    Oestreicher, MATTHIAS aus Levelsburg. 1914: Seesoldat d.R. – 1922: Tandjoeng Moeara Enim, Palembang.- 1940: Maschinist auf einer Zinnmine in Muntok, Insel Banka

    PAPROTH Fritz, * Forst i.L 1892. – 1914: Artilleristenmaat. – 1922: Aufseher der Feldpolizei in Djati Rogo (Rembang). – 1935: Polizeiaufseher 1. Klasse, Post: Poerworedjo-Kedoe, Java. Verheiratet mit Frieda Lina Roessler. Kinder: Margareta, Frieda, Marie. – 1940: Polizei-beamter in Siantar/Soematra

    QUEST, Heinrich, * Essen 1890. – 1914: Unteroffizier. – 1922: Polizeiaufseher in Wates Djokja. – 1935: Polizeiaufseher 1. Klasse, Post: Soerabaia. Er war verheiratet mit Hendrika Lenzen, ist inzwischen verwitwet. Kinder: Jan und Johanna Margaretha. – 1940: Polizeibeamter auf Ambon

    RASCHDORF, Karl aus Frankenstein/Schlesien. – 1914: Bürogehilfe, wohnte in der Thetis Str. – 1914: Oberverwaltungsschreibergast der Seewehr. – 1922: Faktorei der Niederl. Handelsgesellschaft in Batavia. – 1935: Buchhalter dieser Gesellschaft. Post: Weltevreden, Djaga Monjet 52. – 1940: Buchhalter derselben Gesellschaft in Soerabaia

    SAEFKOV, Emil, * Mechow/Mecklenburg 1891. – 1914: Unteroffizier. – 1922: Werkzeugfirma Carl Schlieper in Batavia. – 1935: Kaufmann, Post Soerabaia, Kroesenpark 10. – 1940: Angestellter in der Firma Vraag & Aabod, Soerabaia. (Foto und Biographie bei H.-J. Schmidt)

    SCHARLEMANN, Gerhard aus Shanghai. – 1914: Artilleristenmaat der Seewehr. – 1922: in Padang. – 1935: Inhaber der Firma Export- und Transportunternehmen Scharlemann. – 1940: Schiffshändler in Soematra

    SCHNEEWOLF, Walther aus Berlin. – 1914: Seesoldat. – 1922: Polizeiaufseher in Buitenzorg. – 1940: in der Werkzeugfirma Carl Schlieper in Batavia

    SCHOLZSEN., Rudolf, * Köln 25.1.1876. – 1914: Architekt im Technischen Bureau der Schantung-Eisenbahn-Gesellschaft in Tsingtau, wohin er 1912/13 kam. Er war damals bereits verheiratet mit Adele Genenger (* Viersen 5.5.1878) und hatte 3 Kinder: Rudolf (* 1908), Karla (* 11.2.1910) und Georg (* Tsingtau 3.11.1914). – 1914: an der Verteidigung im Landsturm beteiligt. Wurde erst am 16.9.1915 nach Japan gebracht. Adele Scholz und die 3 Kinder blieben bis 1920 in Tsingtau. – 1922: in Djokjakarta. – 1935: Ingenieur, Spezialist in Eisen-Beton, z.Zt. Beheerder der Trinkwasserleitung Tangerang. -1940: pensionierter Angestellter der Öffentlichen Stadtwerke in Lembang/Java.

    Der Sohn Georg SCHOLZ (1940: Kaufmann bei der Firma Lindeteves in Batavia) ist zusammen mit seinem Vater auf der „Van Imhoff“ untergegangen. – Adele Scholz und ihre Tochter Karla verließen Nied.-Indien im Juli 1941 und wählten von August 1941 bis Juni 1946 Tsingtau als Aufenthaltsort, wo sie schon 1912-20 gewohnt hatten. Repatriierung nach Deutschland auf der „Marine Robin“.

    SCHWITZKI, Wilhelm aus Altglienicke bei Berlin. – 1914: Seesoldat. – 1922: Polizeiaufseher in der Polizeischule, Buitenzorg. – 1935: Batavia-C., Oude Tamarindelaan 91. – 1940: Angestellter bei Niemij. in Semarang. (Foto und Biographie bei H.-J. Schmidt)

    STEINEMANN, Friedrich aus Möllendorf in Prov. Sachsen. – 1914: Pionier. – 1922: Holländische Beton Gesellschaft, Soerabaia. – 1935: Malang, Tjilaket Gg. II No. 25. – 1940: Holländ. Beton Gesellschaft in Semarang

    STEINLEIN, Jacob, * Saarbrücken 1892. – 1914: Seesoldat. – 1922: Hauptpolizist der Feldpolizei in Koedoes. – 1935: Polizeiinspektor in Semarang, Gemelaan 16. – 1940: Polizeibeamter in Madoein/Java. (Biographie bei H.-J.Schmidt)

    STÖCKS, Rudolf aus Kiel. – 1914: Unteroffizier. – 1922: Aufseher der Feldpolizei in Solo. – 1935: Polizeiinspektor in Bojolali/Java. – 1940: Polizeibeamter in Soerabaia

    VINDERS, Emil aus Westenfeld in Westfalen. – 1914: Seesoldat. – 1922: Hauptpolizist der Feldpolizei in Pakekasan/Madoera. – 1940: Polizeibeamter

    WEBER, Friedrich aus Linx, Kr. Offenburg. – 1914: Matrosenartillerist. – 1922: Holländ. Beton Gesellschaft, Makassar. – 1935: in Semarang, Pieter Sijthoflaan 61. – 1940: Holländ. Beton Gesellschaft in Semarang

    ZEIDLER, Karl aus Leipzig. – 1914: Seesoldat. – 1922: bei G.Hoppenstedt, Batavia. – 1940: Agent Aniem, Djember/Java

    • Ælle zegt:

      “van Imhoff”-Kapitän Hoeksema, wie sein Kollege Berveling inzwischen pensioniert, kann sich “an nichts mehr erinnern”. Hoeksema: “Ich habe die ganze Sache aus meinen Gedanken verbannt.”

      Holländischer Frachter “von Imhoff”: “Befehl – keine Deutschen retten”

      VAN-IMHOFF-UNTERGANG
      Das Totenschiff – KRIEGSVERBRECHEN-
      Viermal flog der japanische Bomber den holländischen Frachter vergeblich an: Beim ersten Anflug verfehlte die Bombe die “van Imhoff” um 100 Meter. Die zweite Bombe zerriß 20 Meter neben dem Schiff den Spiegel der teerträgen See. Auf dieselbe Distanz klatschten auch die dritte und vierte In den Indischen Ozean.

      Die fünfte Bombe setzten die Japaner etwa 20 Zentimeter neben die Bordwand des 2980 Bruttoregistertonnen großen Südsee-Fahrers der Amsterdamer “Koninklijke Paketvaart Maatschappij” (K.P.M.). Sie explodierte im Wasser und zerfetzte die Backbordseite des Vorschiffes.

      “Es war, als würde das Schiff aufgenommen und zur Seite gesetzt, während eine große Wassersäule über die Brücke kam”, gab “van Imhoff”-Kapitän H. J. Hoeksema später über den Treffer zu Protokoll, der seinen Dampfer am 19. Januar 1942 gegen 10.30 Uhr – 110 Seemeilen von Sumatra entfernt – so schwer angeschlagen hatte, daß er sechs Stunden später, fast senkrecht über den Bug, im Meer versank.

      588 Menschen waren am 19. Januar 1942 an Bord der “van Imhoff” gewesen – 478 Deutsche und 110 Niederländer. Beim und nach dem Untergang kamen ums Leben: 412 Deutsche, kein Niederländer.

      http://www.spiegel.de/spiegel/print/d-46275481.html

  3. Jan A. Somers zegt:

    In de Werfstraatgevangenis in Soerabaja was er een afdeling “staatsgevaarlijk”. Daar zat ik bij de Kenpeitai. Twee rijen ‘luxe’cellen, éénpersoons, met eigen buitenkooi. Heel wat beter dan de zalen tijdens de bersiap.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s