Een Koreaanse opstand in Ambarawa

Over het verzet tegen de Japanners is inmiddels vrij veel geschreven, maar steeds vanuit de optiek van de Nederlanders. Veel minder is bekend van een opstand onder de Indonesische PETA-militairen te Blitar, februari 1945, en al helemaal niets van een opstand van Koreaanse kampbewakers in Ambarawa, een maand eerder.

Koreaanse kampbewakers (Archief Kabupaten Jember)

Door Bert Immerzeel

De foto leidt tot verwarring. Wat zo op het eerste gezicht een groepsportret lijkt te zijn van Japanse kampbewakers (hun vriendelijke karakter wordt benadrukt door de aanwezigheid van het hondje), betreft een afbeelding van Koreaanse hulpbewakers, gekleed in Japans legertenue.

Volgens dr. L. de Jong werd in het door Japan sinds 1933 bezette Korea veel pressie uitgeoefend om dienst te nemen in het Japanse leger. Getracht werd het Koreaanse volk zijn historische identiteit te ontnemen: bij het onderwijs werd het Koreaans geheel vervangen door het Japans en zowel de in Korea als de in Japan wonende Koreanen werd gelast Japanse namen aan te nemen. Bij het Japanse leger dienden uiteindelijk bijna tweehonderdduizend Koreanen en op de Japanse vloot ruim twintigduizend. Dit alles nog los van de Koreaanse dwangarbeiders in Japan en de voor prostitutie ingezette Koreaanse vrouwen.[i]

Volgens Rostineu, docent Koreaanse geschiedenis aan Universiteit van Indonesië, geciteerd in het Indonesische blad Historia, werden 3.223 van deze bij het Japanse leger in dienst zijnde Koreanen ingezet in andere bezette gebieden in de regio Zuidoost-Azië, zoals Birma, Maleisië, Singapore, de Filippijnen en Indonesië. De meesten van hen als gunok (Japanse legerassistenten). Zo arriveerde in september 1942 in Tandjoeng Priok een Japans oorlogsschip afkomstig uit Busan, Korea. Het schip bracht ongeveer 1400 Koreaanse mannen die op Java als phorokamsiwon (gevangenbewakers) waren aangewezen. Ze werden – overigens tegen betaling – geplaatst in krijgsgevangen- en burgerkampen in Batavia, Bandung, Tjilatjap, Ambarawa, Soerabaja, Djember en Malang.[ii]

Het oordeel der geïnterneerden

De Nederlandse krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden hebben over het algemeen, zacht uitgedrukt, geen goede herinneringen aan deze Koreanen. In de kampliteratuur worden ze meestal omschreven als ruw en onbehouwen, wat zeker te maken zal hebben met het feit dat de meesten van de jongens afkomstig waren van het Koreaanse platteland en geen enkele opleiding hadden genoten. Ze probeerden over het algemeen hun Japanse meesters te imiteren.

Toch waren er ook uitzonderingen. Onderzoeker Jeroen Kemperman van het NIOD schreef in een studie over kampdagboeken: “De meeste dagboek- en memoires-schrijvers spreken doorgaans over het anonieme ‘de Jap’, waarmee ze zowel individuen, de kampstaf, de Japanse bezettingsmacht, alsook het gehele Japanse volk aanduiden. Individuele Japanse of Koreaanse bewakers krijgen in de dagboeken doorgaans nauwelijks een eigen persoonlijkheid aangemeten: het blijven voornamelijk naamloze onderdrukkers. In de weinige gevallen waarin individuele bewakers toch uit de coulissen treden en hun naamloosheid verliezen, levert dit een verrassend genuanceerd beeld op. Zo was er in Tjideng de Koreaanse bewaker Noda, die het regime van commandant Sonei nog enigszins trachtte te verzachten. Bij Sonei’s vertrek in juni 1945 liet hij zich ontvallen dat de scheidende commandant ‘boesoek betoel’ [werkelijk verdorven] was. Een jonge vrouw die in Tjideng was geïnterneerd schreef op 22 augustus’45 in haar dagboek onverbloemd positief over deze Koreaan: ‘perang betoel, betoel habis’ [de oorlog is echt, echt afgelopen] zegt Noda, de man wiens naam ik in mijn dagboek wil schrijven, omdat hij zo echt ’n goed mens is geweest voor ons, echt ’n vaderlijke vriend met ’n warm begrijpend hart voor onze moeilijkheden en ellende. Hij is zo blij dat hij naar zijn vaderland teruggaat!”[iii]

Ook Bert Barclay, een Royal Air Force-officier, liet na de oorlog een positieve getuigenis na voor een Koreaanse bewaker: “Enkele dagen geleden werd me gevraagd of ik, toen ik gevangen was op Java, ooit goeie Japanners was tegengekomen. Ik antwoordde: “Ja, één, maar dat was een Koreaan”.[iv]

Ambarawa

De houding van de Koreaanse bewakers in het algemeen, het imiteren van hun Japanse meesters, zal in Ambarawa niet veel anders geweest zijn. Misschien dat de dagboeken van de geïnterneerden in de kampen in deze plaats hier meer helderheid over kunnen geven. Toch hebben we ook reden te veronderstellen dat de Koreanen in deze plaats soms een andere houding hebben aangenomen.

In 1944, mogelijk mede geïnspireerd door de Caïro Declaration[v], richtten ca. 120 van de 200 hier werkzame phorokamsiwon een organisatie op, genaamd Hangukdokripkinyeomgwan (Jonge vrijheidsstrijders van Korea). Op 4 januari 1945 sloeg de vlam in de pan, toen drie leden van de organisatie, Sun Yang Sup, Min Yeing Hak en No Byung Han, weigerden te worden overgeplaatst naar Singapore. Toen ze weigerden hun straf te ondergaan, besloten ze de Japanse meerderen aan te vallen. Als gevolg van het incident werden 12 Japanse soldaten gedood en raakten twee Indonesische Heiho-leden gewond.

Volgens Rostineu lag de oorzaak van het conflict in de ongelijke behandeling. In plaats van als partner te worden beschouwd, werden de Koreaanse arbeiders slechter bejegend dan hun Japanse collega´s. Niet zelden werden de kleine fouten die ze maakte overdreven, met als gevolg zware straffen.

Daarnaast was er nog een andere, misschien wel belangrijker, reden voor onvrede onder de Koreanen.  Op enig moment, en zeer tot hun ongenoegen, werd door kolonel Nakada Seiichiro, een van de commandanten van het Japanse leger in Zuidoost-Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog, hun contract eenzijdig verlengd.

Hoewel het zelden wordt besproken in de Indonesische geschiedenis, was het incident in Ambarawa nogal verrassend voor de Japanse militaire regering in Indonesië. “De twee Indonesische heiho-slachtoffers maakten deze zaak nog interessanter, omdat deze het bewijs was van goede relaties tussen leden van de Koreaanse onafhankelijkheidsstrijders en Indonesiërs”, aldus Rostineu.[vi]

Het verzet werd al snel onderdrukt. Japanse militairen verrichtten een grootschalige zuiveringsactie in Ambarawa. Twaalf leden van de Hangukdokripkinyeomgwan werden gearresteerd, de drie aanstichters overleden in gevangenschap “als gevolg van zelfmoord”.

Hoe het ook zij, de opstand deed pijn aan de Japanse militaire administratie en verstoorde de Japanse strategie van Java. Een maand later brak in het nabijgelegen Blitar een opstand uit onder Indonesische PETA-jongeren. We zouden kunnen stellen dat de Koreaanse Ambarawa-opstand voor deze laatsten mogelijk een bron van inspiratie is geweest.

 

 

 

 

[i]  De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden, deel 11a, pp 501-502
[ii]  Hendi Johari, ‘Pemberontakan Korea di Tanah Jawa’, in: Historia.id, 21 augustus 2018.
[iii] Jeroen Kemperman, Tjideng en Si Rengo Rengo: uiteenlopende ervaringen. In: Indische Letteren, jaargang 16, 2013.
[iv] The Advertiser (Adelaide, Australië), 17 november 1945, ‘The only good Jap he met was a Korean’.  Vertaald weergegeven in de Java Post, 9 december 2011.
[v] De Deklaratie van Cairo was het resultaat van de Cairo Conferentie in Cairo, Egypte, op 27 november 1943. President Roosevelt (USA), Churchill (UK) en Tsjiang Kai Shek (China) brachten hier richtlijnen naar buiten voor de wereldorde na de te verwachten overwinning op de Japanners. Een persverklaring werd verspreid via de radio op 1 december 1943. Over Korea werd in het communiqué gesteld: “Japan will be expelled from all territories which she has taken by violence and greed. The aforesaid three great powers, mindful of the enslavement of the people of Korea, are determined that in due course Korea shall become free and independent.”
Een verwijzing naar de inspiratie van de Cairo Deklaratie bij de Ambarawa opstand vinden we ook bij: http://library.korea.edu/search/media/abs/SAT000019045235
[vi] Hendi Johari, a.w.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

6 reacties op Een Koreaanse opstand in Ambarawa

  1. Jan A. Somers zegt:

    “dagboeken van de geïnterneerden in de kampen i” En niet alleen de dagboeken, maar ook het grote archief van de SMGI. De meesten hiervan zijn al dood, maar het hele spul is verhuisd van het KITLV naar de Leidse universiteitsbibliotheek. Maar denk ook aan de interviews van het Indisch Herinneringscentrum, Verhalen over Indië of zoiets. In beide bestanden ben ik ook aanwezig, maar ik had niets te melden over Koreanen. In de verzameling van Brugmans, Nederlandsch-Indië onder Japanse bezetting, zie ik o.a. het hoofdstuk: De Koreaanse bewakers

  2. R Geenen zegt:

    Niet alleen op Java, want er waren ook Koreaanse smeerlappen als bewakers o.a. in Bangkinang, west Sumatra aangesteld. ” Maar we moesten oppassen voor een Koreaanse bewaker, die wij de bijnaam de Cycloop hadden gegeven. Hij stond altijd verborgen in het donker ergens tegen de hoge hek afscheiding, op de loer om ons te pakken te nemen tijdens het smokkelen van voedsel. ”
    En ” Cycloop trok me naar buiten en naar zijn kantoor en wilde weten waar het pakketje was. Ik vertelde hem dat ik geen pakje heb. Toen begon hij te slaan en ik belande onder zijn bureau. Door een andere klap viel ik met mijn hoofd tegen de rand van zijn bureau. Hier heb ik mijn hele leven last van gehad, o.a. ook evenwicht problemen, want mijn schedel had plaatselijk een barst.
    Hij trok me aan mijn haren op en begon opnieuw mij te raken. Daarna begon hij bij mij te zoeken naar de bundel met juwelen, maar kon het niet vinden. Dit maakte hem nog kwader en ik kreeg nog meer klappen. Dan zette hij me in de hoek en ik moest daar staan, de sadist.”
    Een gedeelte van het verhaal van mijn nicht Meity, toen 15 jaar, nu 91 jaar en loopt met een wandelstok om evenwicht te bewaren. De meerderheid van zowel jappen als koreanen waren misdadige schoften.

  3. Korea en Formosa(Taiwan) waren Japanse kolonien van Japan,tijdens de WWII.Daarom moesten de mannen ook in het Japans leger .Zo doende gebeurde ook wel eens muiterij.Wat geheim gehouden wordt. De Koreanen/ Formosanen zijn juist in het algemeen juist wreder dan de Japanse.

    • e.m. zegt:

      Mijn vader was inderdaad banger voor de Koreanen dan voor de Japanners. Zijn standaarduitdrukking was: ‘ze gebruikten hun armen als een stok!

  4. Peter van den Broek zegt:

    Waren “Koreanen/ Formosanen wreder dan de Japanners? sloegen ze harder of martelden ze meer?
    Een typich voorbeeld van “ guilt-rating : vergelijking wordt gemaakt waarbij het Japanse geweld als minder erg wordt voorgesteld, maar voorbij gegaan wordt, dat juist de Japanners verantwoordelijk waren voor en de grenzen stelden van het toegepaste geweld, het was het Japanse fascistische systeem waarin Koreanen, in de ogen van de Japanners het minderwaardig ras, werktuigen waren.

    • Jan A. Somers zegt:

      Bij de Kenpeitai in Soerabaja hielden de twee Japanners zich rustig. Vragen stellen en schrijven. De Indonesische ondervragers rammelden de vragen eruit. Waarbij ze overigens de karwats verkeerd hanteerden. Wel blauwe plekken, maar geen striemen die konden ontsteken.

Laat een reactie achter op Wal Suparmo (@WSuparmo) Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s