Mijn eerste jaren in Indië

De jonge Hongaarse tandtechnicus Géza Szabó is bij Java Post-lezers al bekend van zijn inzet bij de steunverlening aan armlastigen in Djokja tijdens de Japanse periode. We blikken nog een keer terug, en laten hem verhalen van zijn aankomst in Batavia en Djokjakarta, zo rond 1930.   

Door Géza Szabó

Géza Szabó in de jaren ´40.

De aankomst in Batavia wekte geen bijzondere gevoelens bij mij op. Ik was waar ik zijn wilde en daarover was ik tevreden. Echt warm vond ik het er eigenlijk niet, maar achteraf bleek dat juli in Indië een soort wintermaand is.

Kort voor het van boord gaan, werd ik aangesproken door een man die zich voorstelde als agent van de scheepvaartmaatschappij. Hij had van mijn nieuwe werkgever opdracht gekregen mij in Batavia op te vangen en eventueel te assisteren, totdat ik de volgende dag naar Djokja zou afreizen. De agent bracht me naar hotel Daendels, waar een kamer voor mij was gereserveerd.

Ik had enorme behoefte me op te frissen en zocht direct de badkamer op. Dat was een grote teleurstelling, want een douche of bad was er niet. Er stond alleen een vierkante bak met water en een emmertje op de rand. Hoe ik ermee om moest gaan was me een raadsel. 

Na enig prakkizeren stapte ik er maar gewoon in, zeepte me in en wreef daarna met veel moeite het sop weer van mijn lichaam. Niet bepaald het bad dat ik me had voorgesteld. Dat zo’n mandibak helemaal niet was bedoeld om er in te gaan zitten en dat je je met het emmertje behoorde af te spoelen, leerde ik pas later, toen ik inmiddels bij mijn werkgever in Djokja was gearriveerd.

De treinreis, over een afstand van bijna vijfhonderd kilometer, kwam mij als een eeuwigheid voor. In de loop van de middag kwam ik aan.

Djokja, Malioboro, ca. 1930

Djokjakarta

Bij het station van Djokja stond een auto met chauffeur gereed, die mij naar het huis van mijn aanstaande werkgever bracht. Het was een groot Indisch huis met een flinke tuin, een oprijlaan en een lange open voorgalerij.

Bij de ontvangst was ook Lilly (Szabó´s contact die hem aan de baan had gehopen – JP) van de partij, die mij aan mijn werkgever, dokter Stern, voorstelde. De man maakte op mij een eerlijke en joviale indruk. Later zou ik mijn eerste indrukken over hem enigszins moeten herzien.

Het welkom was kort en na de bekende plichtplegingen werd ik afgevoerd naar mijn pension, dat schuin tegenover het huis en de praktijk van Stern lag. Nadat ik mij daar had opgeknapt en het bad ditmaal op de juiste wijze had gebruikt, ging ik terug voor een aankomstetentje.

Na een maand onder vreemden te zijn geweest, was het een verademing om weer eens met landgenoten onder elkaar te zijn. Stern was immers Hongaar en zijn vrouw eveneens.

Allereerst werd mij het huis getoond. Van de voorgalerij tot de achtergalerij was het huis door een gang feitelijk in tweeën gedeeld. Rechts van de gang waren de spreekkamer, de wachtkamer en het laboratorium, terwijl links de slaapkamers, de kinderkamer en de logeerkamer lagen. De gang mondde uit in de grote open achtergalerij, die gebruikt werd als eetkamer. Achter het huis strekte zich, net als aan de voorzijde, een grote tuin uit.

Aan tafel, waar een heerlijk Hongaars diner werd opgediend, ging het gezellig toe. Storend voor mij was alleen dat de kleding die ik bij me had, volstrekt niet geschikt was voor het tropische klimaat waarin ik nu moest leven. Over wat ik hier diende te dragen, had ik voor mijn vertrek helemaal niet nagedacht. Ik kon er dus niet onderuit me een complete Indische uitrusting aan te schaffen, maar dat zag ik op dat moment niet als een probleem. Ik kocht graag nieuwe kleren en met het maandsalaris van tweehonderd gulden kon ik me dat net permitteren.

Na het diner ging ik weer terug naar mijn pension. De volgende dag hoefde ik niet direct met werken te beginnen, maar mocht ik een beetje op adem komen en die dag gebruiken om op mijn gemak uit te pakken en mijn omgeving een beetje te leren kennen.

Pension Ruiter-de Wild

Het pension waarin ik was ondergebracht, bestond uit twee Indische huizen pal naast elkaar, beide ongeveer zo ingedeeld als het huis van Stern. Het stond onder leiding van mevrouw Ruiter-de Wild en haar ongetrouwde zuster, die door iedereen Tante Dora werd genoemd. Elk van hen had een deel van het pension in beheer.

Ik kreeg een kamer in het deel van Tante Dora, achter in de tuin, waar blijkbaar alle vrijgezellen werden ondergebracht. Zes kamers naast elkaar met een gezamenlijke voorgalerij. Ik had twee man personeel tot mijn beschikking, een vrouw en een kamerjongen. De vrouw verzorgde mijn was, terwijl de jongen, de djongos, de kamer opruimde, schoenen poetste en mijn kleding verzorgde. Voor mij een totaal nieuwe en bovendien aangename gewaarwording, want ondanks het personeel thuis, hadden wij als kinderen dit soort zaken toch altijd zelf moeten doen.

Mijn kamer in het pension was ruim, maar absoluut niet gezellig. Er stonden een bed met klamboe, een grote klerenkast, een wastafel die ik bijna nooit gebruikte, omdat ik mij in de badkamer baadde en verder een tafel en een stoel. Dat was alles. Geen schilderijen of andere decoraties. Op de voorgalerij stond nog een tafel met één gewone stoel en een krossie males, een grote stoel met leuning die je uit kon klappen om je benen op te leggen. Zo’n stoel werd vaak gebruikt om ’s avonds na het werk in pyjama nog een tijdje te ontspannen, maar in mijn hele Indische periode heb ik dat vrijwel nooit gedaan.

Om mijn kamer enigszins op te fleuren, hing ik de rijzweep die ik had meegenomen op een plaatsje naast de deurpost en legde het dolkje, dat mijn vrienden mij hadden geschonken, op tafel. Echt gezellig werd het daar natuurlijk ook niet van, maar ik had er in elk geval een vleugje van mijn persoonlijkheid aan toegevoegd. Nadat ik me in mijn kamer een beetje ingeburgerd meende te voelen, ging ik naar buiten. Ik moest dus nog wat kleding kopen en wilde bovendien alvast een kijkje nemen in de tandartsenpraktijk, waar ik de volgende dag zou beginnen.

In de paar uur dat ik nu op mijn eindbestemming was, had ik vrijwel alleen Europeanen getroffen. Op straat kreeg ik een ander beeld van de plaatselijke bevolking, met name van de Javanen en ook de Chinezen, die vrijwel het gehele handelsleven beheersten. Djokja was een stad met zo’n zestigduizend inwoners met een sultan aan het hoofd en vormde het centrum van het leven op Midden-Java, zowel wat handel betreft als op cultureel gebied. De stad was ruim aangelegd met uitsluitend vrijstaande huizen, veel groen en een Javaanse bevolking, die in mijn ogen heel hoffelijk was. Die hoffelijkheid was me vanaf het eerste moment dat ik hier arriveerde al opgevallen en ik voelde me daardoor meteen op mijn gemak. Als Hongaar was ik immers niet anders gewend geweest dan met etiquette te leven en daarnaast sprak ook de gastvrijheid van de Javaan me onmiddellijk aan. Het deed me erg aan thuis denken.

Djokjakarta, tugu.

Mijn werkomgeving

Nadat ik me een paar nieuwe kleren had aangeschaft, liep ik naar de praktijk van Stern, om een kijkje te nemen in zijn laboratorium. Mijn werkgever leidde me niet zonder trots rond en ik moest toegeven, dat het zeker voor die tijd een goed ingericht en keurig verzorgd laboratorium was, met alle moderne instrumenten en materialen. Na dit korte bezoek ging ik naar mijn pensionkamer terug, blij dat ik de volgende dag zou kunnen beginnen.

Het werk in mijn nieuwe omgeving was leuk vanaf het eerste moment, maar druk, zeer druk. Daarover bekommerde ik me echter niet. Ik hield van mijn vak en maakte daarom over werktijden nooit bezwaren, tot tevredenheid van Stern, die met mij als jonge nieuwkomer natuurlijk ook eerst even de kat uit de boom wilde kijken.

In bet begin bleef de voorraadkast met dure materialen als goud en tanden daarom voor mij nog gesloten en moest ik elke keer als ik iets nodig had de sleutel vragen. Dat duurde een week of drie, maar daarna kreeg ik zelf een sleutel en mocht ik ook de bestellingen doen. Het gaf aan, dat men vertrouwen in mij had en dat deed me goed.

Aanpassing

In mijn vrije tijd deed ik mijn best Nederlands te leren. Ik kocht een paar kleurboekjes van bet niveau ‘A is een aap, B is een boer’ en dreunde die zinnetjes telkens weer op. Daarna kon ik de hand leggen op enkele lagere schoolboekjes, die ik eveneens van buiten leerde. Verder bestudeerde ik de krant. Zo langzamerhand begon ik woorden en bepaalde zinsconstructies te herkennen en toen ik enige woorden kende, probeerde ik er met wat fantasie zinnen van te maken. Natuurlijk maakte ik daarbij veel fouten, maar het deerde me niet als men mij uitlachte. Ik had op die manier immers een goedlachs publiek om mij heen.

Zoals gezegd, werden in de rij pensionkamers waar ik woonde alleen vrijgezellen ondergebracht. Al gauw merkte ik dat wij jongelingen in Indië zeer gewild waren, als mogelijke partner voor een langdurige verbintenis. Uit onze rij werden we dan ook regelmatig uitgenodigd, vooral bij mensen met huwhare dochters. Aan zo’n langdurige verbintenis had ik weliswaar geen enkele behoefte, maar een avondje uit liet ik me niet graag ontgaan.

Op een avond werd ik bij een Nederlandse familie geïnviteerd. Het was er gezellig. Op een gegeven ogenblik werd me gevraagd, een glas met hen te drinken. Beleefd als ik was, zoals me in Hongarije geleerd, zei ik daarom keurig ‘dank u’ en wachtte af. ik werd echter niet bediend, terwijl de anderen een heerlijk glas kregen voorgezet. Voor alle zekerheid vroeg de gastheer mij nog maar een keer of ik echt niets wilde hebben. Toen werd duidelijk, dat mijn gebrekkige kennis van het Nederlands me weer eens parten had gespeeld. Ik had geen ‘dank u’ moeten zeggen, maar ‘ja graag’ hoewel me juist dat onbeleefd voorkwam. De zo op mijn aanwezigheid gestelde familie was in elk geval blij dat ze toch nog iets aan mij kwijt kon. Zonder te vragen kreeg ik – met de beste bedoelingen – een glas tokayer ingeschonken. Helaas had deze tokayer meer weg van een olie-achtig aftreksel van krenten en rozijnen, dan van de vol gerijpte druiven die aan deze wijn ten grondslag behoren te liggen.

Het leven in Djokja begon me steeds beter te bevallen. Na een aanvankelijke gereserveerdheid die ik de eerste dagen na mijn aankomst bij mijzelf had bemerkt, voelde ik me langzaam maar zeker vrijer en meer ontspannen worden. Het Maleis lag me en daarom had ik al snel contact met het personeel en kon ik me ook in winkels gauw verstaanbaar maken. De enorme verscheidenheid aan rassen en volkeren en hun vaak totaal verschillende kledij, de taal die de mensen onderling spraken, het boeide me allemaal mateloos. Weliswaar leefden de Europeanen, de totoks, een totaal ander leven dan bijvoorbeeld de Javanen en de Chinezen, maar toch gaf dat, zoals ik het in die begintijd waarnam, geen zichtbare wrijvingen. Ondanks de zeer gescheiden samenlevingen die er waren en de duidelijk merkbare standsverschillen, respecteerde men elkaar. De etiquetteregels spraken me enorm aan en ik genoot ervan, mijzelf ook in de Javaanse beleefdheidsvormen uit te drukken.

Met mijn werk ging alles naar wens en mijn zelfstudie Nederlands begon vrucht af te werpen. Ik kon gesprekjes voeren en werd al snel opgenomen in gezelschappen, waar behalve aan praten, ook aan voetbal, tennis, waterpolo en tafeltennis werd gedaan.

Ook leerde ik zo langzamerhand mijn buren in de ‘vrijgezellenrij’ beter kennen. Kortom ik voelde me steeds beter thuis op m’n nieuwe stek aan de evenaar, een halve aardbol van huis, waar ik een paar maanden eerder mijn sportclubs en al mijn vrienden vaarwel had gezegd.

Arbeidsvoorwaarden

Met mijn buren zat ik ’s avonds vaak op de voorgalerij en dan praatten en praatten we. Over vrouwen en leven, over toekomst en werk, over alles. Op een keer vroegen ze mij op welke voorwaarden ik eigenlijk naar Indië was gekomen.

‘Voorwaarden’, vroeg ik, ‘hoe bedoel je?’ Ik keek verbaasd, maar zij waren het evenzeer.

‘Hoe is jouw salarisregeling bijvoorbeeld. Wat staat daarin over eventuele verhogingen en tantièmes, hoe is het met vakanties geregeld en met je Europees verlof?’ Allemaal vragen, waarop ik gewoon geen antwoord wist.

‘Wij gaan’, zo gingen ze verder, ‘om de zes jaar voor een half jaar naar huis en de werkgever betaalt de reis. Bovendien krijgen wij in die periode het salaris doorbetaald.’

Wat me daar allemaal werd verteld, trof me als een bliksemslag. Ik voelde me genomen. Een contract met mijn werkgever had ik niet, er was alleen afgesproken dat ik maandelijks tweehonderd gulden zou verdienen. Over verhogingen was nooit gesproken, laat staan over tantièmes of een vakantieregeling met doorbetaald verlof. Ik was woedend en begon me langzaam te realiseren, dat er van mijn onwetendheid werd geprofiteerd.

Mijn buren gaven me het advies een advocaat in de arm te nemen. Ik kende er één uit de tandartsenpraktijk en hoewel ik wist dat hij een goede vriend van mijn werkgever was, legde ik hem toch mijn ongenoegen voor. Tijdens het gesprek merkte ik, dat hij mij voortdurend ontwijkende antwoorden gaf en een paar dagen later begreep ik uit de houding van Stern, dat zijn vriend hem alles had doorverteld. Zeggen deed hij er echter niets over en ook ik hield verder mijn mond over deze kwestie.

Ogenschijnlijk veranderde er niets in onze verhouding, maar innerlijk was er met mij wel iets aan de hand. Na deze onverwachte tegenslag, ging ik met mijn buren elke avond naar Chinese restaurants om te drinken. Vaak kwam ik laveloos thuis.

Maanden en maanden ging dat zo voort, totdat ik er plotseling genoeg van had. Ik kende tal van Europeanen die aan lager wal waren geraakt en in de kampong terecht waren gekomen. Dat beeld trok mij allerminst aan, dus ik hield er resoluut mee op, evenals mijn buren.

In plaats van drank kochten we een flinke stapel grammofoonplaten en hielden vooral op zaterdagavonden ware concerten op onze voorgalerij. Het was een gezellige, ontspannen tijd en het volstrekte tegendeel van de drank- en katerperiode van daarvoor.

Sarangan

Ik was nu bijna twee jaar op Java en al een tijdje had ik het gevoel dat er iets aan mij knaagde. Ik was nerveus, at slecht en sliep niet meer lekker. Mijn werk deed ik wel goed, maar niet meer met plezier, zoals ik altijd gewend was geweest. Mijn baas merkte het ook en hoewel hij niets op mijn werk kon aanmerken, adviseerde hij me naar een huisarts te gaan.

Ik maakte een afspraak en kon ’s avonds laat langskomen. Ik was er om negen uur. De huisarts was een Oostenrijker van geboorte, een klein, schriel mannetje, dat erom bekend stond een dobbelaar te zijn.

We praatten een tijdje over mijn problemen, maar onderzoeken deed hij me niet. Na een kleine denkpauze zei hij kort en droog: ‘Jij gaat morgen niet naar je werk. Je weet dat ik jouw baas ken en ik zal hem opbellen dat je niet komt. Jij gaat morgen naar Sarangan en wel voor een maand. Als je na die maand niet veranderd bent, dan ga je met de eerste de beste bootgelegenheid weer naar Hongarije terug, want dan red je het hier niet.’

Wat ik had, wilde hij niet zeggen, maar dat Sarangan een badplaats was waar het goed toeven moest zijn, daarover had ik inmiddels wel gehoord.

De volgende ochtend belde ik Stern op om hem uit te leggen, dat ik met vakantie was gestuurd. Hij was al via de huisarts op de hoogte gesteld en wenste me een prettige tijd toe. De vakantie kreeg ik uiteraard doorbetaald, zo liet hij me nog weten.

Hotel Sarangan

Sarangan, in het noorden van Java, kwam mij voor als het paradijs op aarde. Een dorp op bijna duizend meter hoogte aan een bergmeer, een schitterend groene natuur, frisse koele lucht en dan ook nog het prachtige Grand Hotel Sarangan, met een verrukkelijk uitzicht op de omringende bergen en dalen.

Meteen de volgende dag al maakte ik kennis met een Engelse jongeman, die iets ouder was dan ik. Hij was tuinemployé in de tabak en we hadden direct een goed contact met elkaar. We maakten urenlange tochten te paard, elke dag. Eindelijk weer eens een paard onder me. En dan nog in zo’n heerlijke natuur. Ik genoot weer na lange tijd.

’s Avonds, na een goed diner, dansten we met aardige jonge vrouwen, die door hun mannen naar de bergen waren gestuurd om een beetje op verhaal te komen. Wij hielpen hen daar graag bij en voelden ons in deze omgeving de koning te rijk. Het was amusant en ontspannend.

En de volgende ochtend weer paardrijden, soms ook slangen vangen hoewel dat niet ongevaarlijk was. Maar wat was angst? Ik kende het eigenlijk niet en zeker niet in deze omgeving, die mij elke dag meer van mijn vroegere krachten terug bracht.

Na drie weken ging ik naar Djokja terug, naar mijn werk en m’n pension. Ik voelde me geheel opgeknapt en wist ook ineens wat mij had gemankeerd en waarom ik vaak zo ongerijmd had gereageerd. Ik had de jaargetijden gemist. De lente, de zomer, de herfst en vooral de winter. Die eeuwig groene natuur om mij heen, zowel tijdens de droge periode als in de regentijd, het ontbreken van verandering had me bedrukt. Nu ik dat doorhad, was ik genezen. Ik bleef!

x
x
Bovenstaande tekst is afkomstig uit de memoires van Szabó, gepubliceerd in Nederland in 1989 onder de titel ‘Van poesta tot polder’.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

4 reacties op Mijn eerste jaren in Indië

  1. Frank van Oortmerssen zegt:

    De eerste foto toont m.i. Jogjakarta eind jaren ’40. Althans gelet op de twee zichtbare auto’s. 😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s