Wie spreekt voor het koloniale verleden?

Een pleidooi voor transkolonialisme

Op woensdag 28 september sprak prof. dr. Remco Raben in de Aula van de Universiteit van Amsterdam zijn oratie uit, getiteld: “Wie spreekt voor het koloniale verleden? Een pleidooi voor transkolonialisme.” Raben is benoemd tot bijzonder hoogleraar Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis, vanwege de Stichting Indisch Herinneringscentrum. In zijn oratie roept Remco Raben de vraag op welke verhalen de koloniale en postkoloniale geschiedenis over ‘Indië’ zijn gaan beheersen.

Prof. dr. Remco Raben tijdens zijn oratie

Prof. dr. Remco Raben tijdens zijn oratie

Door Remco Raben

Mijnheer de decaan, zeergewaardeerde studenten, collega’s, lieve vrienden,

Indië is hot. Dat zijn woorden die u kunt verwachten van iemand wiens leeropdracht de koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis luidt. Maar het kolonialisme heeft dusdanige diepe sporen achtergelaten dat we er dagelijks mee geconfronteerd worden, sterker nog: het maakt intrinsiek deel van ons uit. Dat staat los van de kwestie of iedereen zich bewust is van het koloniale verleden dat in ons doorwerkt. Dat is natuurlijk helemaal niet het geval. Integendeel. Grote delen van Nederland verkeren in een staat van ontkenning. Letterlijk.

Remco Raben

Remco Raben

De koloniale geschiedenis is verwarrend, soms zoet, soms onaangenaam, maar altijd verwarrend. Een probleem bij elke benadering van het koloniale verleden is die van representatie en representativiteit. Iedere uitspraak over hoe de kolonie was of hoe die werd ervaren roept de vraag op wie het verhaal vertelt en voor wie dat dan gold. Bij de productie en reproductie van de koloniale geschiedenis zijn we afhankelijk van de discoursen die door het kolonialisme zelf in het leven zijn geroepen, door het koloniale archief, en door de postkoloniale herinneringsculturen, die sterk door de zingeving van de natie zijn bepaald. Zo was in Nederland de Japanse bezetting tijdenlang synoniem aan het interneringskamp; pas 40 jaar later drong het besef geleidelijk door dat de meeste Nederlanders de oorlog buiten het kamp hadden doorgebracht. In Indonesië is vooral het verhaal van de vrijheidsstrijd zo dominant dat het al het andere in de schaduw stelt.[1] Andere verhalen bestaan wel, maar ze zijn ondergeschikt gemaakt aan het grote nationale narratief. En dat is jammer, want diversiteit, onbepaaldheid en verwarring vormen de essentie van de koloniale, en postkoloniale, situatie.

Kort samengevat is de vraag die ik wil opwerpen: wie spreekt voor de koloniale geschiedenis? Wie heeft het woordvoerderschap? En wat ís dat Indië eigenlijk? Welke grenzen trekken we? Het zijn even pertinente als onmogelijke vragen. Precies die onmogelijkheid tot plaatsbepaling en afbakening is de essentie van Indië. 

De ingewijden onder u beseffen natuurlijk dat de vraag in de titel van deze rede ontleend is aan de ondertitel van een beroemd essay van de Indiase, of misschien moet ik zeggen Bengaalse historicus Dipesh Chakrabarty uit 1992: ‘Who speaks for “Indian” pasts?’[2] In dat artikel laat Chakrabarty zien hoe ‘Europa’ het referentiekader is in ons begrip van elke geschiedenis, ook die van nietwesterse landen. Een van de uitwegen uit dit eurocentrische verhaal van de wereld is een oppositioneel standpunt in te nemen, bijvoorbeeld door het perspectief van de gekoloniseerde of van de emanciperende natie in te nemen. Maar ook dat heeft weer zijn bezwaren, omdat de situatie van de gekoloniseerde slechts in termen van het westerse ontwikkelingsperspectief kan worden beschreven.

Dit is het dilemma waar we ons in bevinden. In onze postkoloniale wereld lijken we ons moeilijk te kunnen ontworstelen aan de oppositie tussen het koloniale en antikoloniale en de zwaartekrachtwerking van het Europese beeld van moderniteit. Dat maakt het ingewikkeld om de geschiedenis van het koloniale Indonesië te schrijven. Dat komt natuurlijk omdat de ervaringen van de verschillende delen van de Indische samenleving zo uiteen lijken te lopen. Bovendien zijn met de dekolonisatie de bruggen, hoe gammel ze ook waren, verbrand. Indonesië en Nederland gingen huns weegs en maakten van de koloniale geschiedenis heel verschillende dingen.

Niemand heeft het onnatuurlijke en dwingende karakter van die scheiding zo pregnant en ironisch beschreven als Tjalie Robinson. In zijn postuum verschenen verhaal ‘Afscheid’ beschrijft hij zijn vertrek uit Indonesië: ‘Nou tabee dan, land van mijn moeder en voormoeders. […] Dit is dus het onherroepelijke einde. Omdat er tussen Holland en Indonesië slechts een alternatief is […] blank óf bruin, Hollands óf Indonesisch, beschaafd óf onbeschaafd. Ik heb gekozen. Daarom: adieu!’[3] Tjalie Robinson was een Indo en het lijkt voor de hand te liggen dat hij daarom een soort van essentiële tussenpositie innam. Dat kan wel zo zijn, maar was het niet dezelfde Tjalie Robinson die schreef: ‘Niemand voelt zich thuiser in Djakarta dan ikke’? Zelfs – of juist! – de Indo had een thuis. Hij steekt wel de draad met de binaire oppositie tussen kolonisator en gekoloniseerde – ‘beschaafd óf onbeschaafd’ – maar uit zijn uitroepen blijkt ook de wanhoop dat hij in die zone tussen Indonesië en Nederland in de verdrukking is geraakt. Dat is een van de vele drama’s van de dekolonisatie.

Hoe het ook zij, de Indo was niet de enige die door verschillende werelden was aangeraakt, die dacht dat hij misschien wel ergens tussen werelden stond, en die door de dekolonisatie de trossen moest kappen. Voor veel Indonesiërs was de dekolonisatie vaak al even problematisch.[4] De Javaanse filosofe en dichteres Toety Heraty schreef in 1996 in een autobiografisch artikel over de schizofrene situatie dat zij, op Nederlandse scholen onderwezen, afstand moest nemen van de cultuur die haar had gevormd toen de kloof van de dekolonisatie zich verdiepte: ‘een taal om te vergeten, een mentaliteit om te vergeten’.[5] De natie moest aangeleerd worden, en dat hield in, zoals Benedict Anderson heeft betoogd, dat andere dingen vergeten moesten worden, of in elk geval ontkend: oude regionale loyaliteiten en koloniale achtergronden.[6] Maar het was een publiek vergeten; de amnesie was onderdeel van het ritueel van natievorming. Zoals velen van u weten, zijn ontkennen en vergeten niet geheel controleerbaar. Het pre-nationale onderhemd, zo gezegd, hangt vaak nog wel ergens uit de broek.

Iedereen die de oudere, vaak wat hoger opgeleide generaties in Indonesië frequenteert, weet hoezeer Indië voortleeft, vaak onbenoemd, soms diep onder de laag vulkanische as van de turbulente Indonesische geschiedenis, en altijd vol tegenstrijdigheid over wat nu Nederlands is, en wat Indonesisch, en wat er gewonnen en wat verloren is. In 2007 hebben Jos Janssen, Martin van den Oever en Petra Timmer in het eerste deel van hun Indonesische portretten in die vulkaanlagen gegraven, hetgeen een fascinerende en ontroerende documentaire heeft opgeleverd die laat zien hoe de Indische erfenis, soms moeizaam, vaak tegenstrijdig, maar natuurlijk in de levens van zes bewoners van Yogyakarta voortleeft.[7]

De kern van het probleem is dat de koloniale geschiedenis in veel opzichten wringt met die van de natie. Indonesië en Nederland hebben hun eigen versies van die geschiedenis gecreëerd. Hoe gecompliceerd en vol tegenstrijdigheden, het Indonesische verleden is ook een koloniaal verleden, net zoals, op een andere wijze, de Nederlandse geschiedenis ook koloniale geschiedenis is. Hoe je het wendt of keert, het is een gedeeld verleden. Dat is een zo vanzelfsprekende vaststelling, dat het alleen maar verbaast dat het zo weinig analytisch raamwerk heeft gekregen. De postkoloniale wereld waarin wij leven, vraagt kennelijk meer om een discours van antagonisme dan van verwantschap – hoe chaotisch, tegenstrijdig, en ongelijk die verwantschap ook is.

De erkenning van dit gedeelde verleden leidt tot een paradox. Kunnen we aan de ene kant vaststellen dat er iets van een gedeeld verleden bestaat, aan de andere kant was er de bittere werkelijkheid van geïnstitutionaliseerde ongelijkheid. De Indiase politicoloog Partha Chatterjee zag het rasonderscheid als een allesoverheersend kenmerk van de koloniale samenleving.[8] Zijn concept van ‘the rule of colonial difference’ is een krachtig statement over het inherent racisme in koloniale regimes, zelfs als er pogingen werden ondernomen om een nominale gelijkheid uit te dragen. Dat is natuurlijk in de context van Nederlands-Indië zeer herkenbaar: ook daar zien we aan de ene kant de tendens tot vervloeiing, zo sterk dat de koloniale overheid overwoog om het aloude rascriterium – het juridisch onderscheid in Inlander, Vreemde Oosterling en Europeaan – te herzien, maar aan de andere kant een diepgeworteld institutioneel racisme.[9] De oostelijke en westelijke eindjes kwamen zelden bij elkaar. En als ze elkaar al raakten, was het in de hiërarchische situatie van een cultuuroverdracht die we modernisering noemen en altijd van West naar Oost vloeide.

De oorzaken van de historische scheiding is dus meervoudig: de scheidslijnen die het koloniale project tussen de gemeenschappen trok; de nationale zingeving na de dekolonisatie; en de westerse claims op moderniteit; dit alles zorgt ervoor dat de Indonesische en Nederlandse geschiedenis uiteen zijn gaan lopen. Moeten we het Margaret Thatcher niet nazeggen, die in 1987 verkondigde: ‘There is no such thing as society’.[10] Was er geen koloniale samenleving? Waren er slechts groepen die naast of liever langs elkaar heen leefden? Wat deelden de mensen? Op welke manier maakten zij deel uit van dezelfde geschiedenis? Het is een pertinente vraag in een tijd waarin de historische narratieven onder druk blijven staan van nationale en eurocentrische discoursen.

Leven als Inlanders

Het grootste probleem van de Nederlandse geschiedschrijving en literatuurbeschouwing is dat zij zich laten leiden door de ervaringen van een dunne, meest witte bovenlaag in de kolonie. Hoe problematisch de toedeling van natie in de praktijk was, laten gebeurtenissen tijdens de Japanse bezettingstijd zien.

Nemen we Kesilir, een gat in het uiterste zuidoosten van Java, zo’n 50 kilometer van Banyuwangi. Kesilir was in 1932 gestart als een landbouwkolonie van het Indo-Europees Verbond, in een poging om de gevolgen van de crisis af te wenden door de Indo-europeanen tot landbouw te bewegen. Een groot succes was het niet; in 1942 was Kesilir zo goed als verlaten. Het project inspireerde wel de Japanse gezaghebbers, die vanaf juli 1942 ruim drieduizend Europeanen in de nagenoeg verlaten kolonie vestigden.[11] Het doel was om de Europese burgermannen uit de samenleving te verwijderen en hen in hun eigen levensonderhoud te laten voorzien. De uiteindelijke doelstelling was om er zo’n 10.000 Europeanen te planten, een aantal dat bij lange na niet werd gehaald, vermoedelijk omdat het een kwijnende toestand was en in kampen opsluiten efficiënter was.

Johan Warmen, Bamboeloodsen in Kesilir, ca. 1942/1943. Museon.

Johan Warmen, Bamboeloodsen in Kesilir, ca. 1942/1943. Museon.

De selectie van kolonisten lijkt vrij willekeurig te zijn geschied; de meeste dwangkolonisten kwamen uit oostelijk Java en werden eerst op vrijwillige basis, maar al snel op bevel bijeengebracht.[12] Onder hen bevond zich ook de schrijver Willem Walraven, die weigerde ook maar een vinger naar een patjol uit te steken en die er zeven maanden later door dysenterie en malaria de dood zou vinden.[13] Hoewel de kolonisten veel bewegingsvrijheid hadden en er weinig Japans toezicht was, was het een ellendig oord. De oud-kolonist Rudy van ’t Hof schreef later over het kamp: ‘het leven [was er] teruggebracht tot het bestaan van de oorspronkelijke bevolking, armoedig en slovend hun leven doorbrengend in een afgelegen oord’.[14]

In dat Kesilir waren ook mannen die zich minder gebonden voelden aan de oude Nederlandse kolonisator. Een groot aantal liet zelfs duidelijk blijken dat ze de voormalige machthebbers de rug toekeerden. Zij vormden een groep die zich PAGI noemde, uiteraard het Maleise woord voor ochtend en dus met duidelijke associaties met de Japanse rijzende zon, maar ook de afkorting van Persaudaraan Asia Golongan Indonesia (de Indonesische kring van de Aziatische broederschap). De PAGI wist zich te ontwikkelen tot een grote beweging van minstens driehonderd, vooral Indo-europese mannen die zich, al dan niet uit opportunisme, schaarden achter een idee van Asianisering van Indonesië. Ze stelden een rekest op aan de Japanse leiding met het verzoek vrijgelaten te worden omdat ze zich Aziaten voelden, ze spraken uitsluitend Maleis, en droegen Indonesische kleding.

De meeste aandacht is uitgegaan naar de leiders van de PAGI beweging, en vooral naar Piet Hein van den Eeckhout. Deze was in 1933 betrokken geweest bij de muiterij op het marineschip de Zeven Provinciën. Van den Eeckhout ontpopte zich in Kesilir als leider van de pro-Japanse, of moeten we zeggen pro-Aziatische groep. In september 1943 werd Kesilir opgedoekt en werden de meeste Indo-europese kolonisten naar de oude jeugdgevangenis in Tangerang, bij Jakarta, overgebracht. Daar wisten Van den Eeckhout en enkele medestanders zich tot kampleiders op te werpen, waarbij zij een tijdlang een soort schrikbewind uitoefenden en druk op de gevangenen zetten om zich tot overtuigde Groot-Aziaten te bekeren en zich loyaal aan Japan te verklaren. Uiteindelijk zou Van den Eeckhout en een handvol medestanders inderdaad worden vrijgelaten en zetten zij zich in voor de trainings- en werkkampen voor Indoeuropese jongens.

De zaak riekt natuurlijk en vooral het einde smaakte bitter. Maar goed of kwaad hangt af van de pot waar we boven hangen. In de keuken van de Nederlandse koloniale en naoorlogse oordeelsvorming zijn de Pagisten landverraders. Maar welk land verraadden ze eigenlijk? Boven de Indonesische pot, zo kunt u zich indenken, hangt een andere lucht.[15] Dat deze mensen zich Indonesiër of althans Aziaat voelden, is niet verwonderlijk. Ruim dertigduizend Europeanen kozen na de dekolonisatie immers voor een leven in hun geboorteland en voor de Indonesische nationaliteit.[16]

Weten we eigenlijk wie de leden van de PAGI-groep waren en wat hen bewoog zich bij Van den Eeckhout aan te sluiten? De Nederlandse leider van het kolonisatiekamp, J.G. Wackwitz, karakteriseerde de PAGI-leden als ‘ontevreden en slechte elementen en vele domme lieden’.[17] Een ander kamprapport noemt de PAGI-leden ‘voornamelijk Indo-Europeanen van geringe ontwikkeling, vroeger levend aan den zelfkant der maatschappij’.[18] Kunnen we deze mannen wegzetten als ontevredenen, ontaarden of domoren? In de sfeer van bezetting en internering werden de lijnen van loyaliteit natuurlijk scherp getrokken, maar in de karakterisering klonk ook iets door van de vooroordelen van de witte koloniale Spiessbürger jegens de bruine mede-Nederlander. Nu trok de beweging inderdaad enkele duistere sujetten aan die medegevangenen hebben geïntimideerd en zelfs kleine overtredingen bij de Japanse kampleiding hebben gerapporteerd, met soms mishandeling en vermoedelijk zelfs doden tot gevolg. Waar het me hier echter om gaat, is dat de keuze die enkele honderden Europeanen in het Kesilirkamp maakten, niet alleen als een daad van verraad kan worden gelezen, maar vanwege de koloniale verhoudingen heel andere betekenissen aanneemt.

Het relaas van Kesilir is voornamelijk bekend uit de teksten van mensen die het standpunt van de Pagisten verfoeiden – de verslagen van de kampcommandanten, dagboeken en memoires.[19] Het verhaal van de leden van de PAGI-groep is nergens publiek vertegenwoordigd. Los van de vraag of alle leden zich netjes hebben gedragen – wat niet het geval is – is de vraag relevant wat hun pro-Japanse standpunt te betekenen had. Er is na de Japanse capitulatie wel enig onderzoek naar een aantal PAGI-leden gedaan, maar voor de meesten is er in strafrechtelijke zin weinig bezwarends gevonden. Lezen we de spaarzame geluiden van de PAGI-aanhangers in naoorlogse ondervragingsrapporten en rekesten, dan komt een beeld boven van een vrij amorfe groep mensen die nogal in de knel hadden gezeten en die weinig reden hadden om zich al te loyaal op te stellen jegens de Nederlandse overheid.

Een zo’n getuigenis uit PAGI-hoek zijn de ‘Bekentenissen’ die een van de kopstukken, Frederik Vodegel, in 1965 optekende – overigens ten behoeve van een aanvraag om zich als spijtoptant in Nederland te vestigen. Die aanleiding kan het verhaal gekleurd hebben, maar toch klinkt hij niet heel conciliant. Vodegel beschrijft hoe hij de Japanse bezetting ervoer als ‘het onafwendbare gevolg’ van wat hij de Historische Rechtvaardigheid noemde.[20] Had hij op het verkeerde paard gewed door zich bij de PAGI aan te sluiten, vroeg hij zich twintig jaar later af. Hij wist of gaf er geen antwoord op, maar uit zijn bekentenissen blijkt weinig van spijt: hij schildert zichzelf af als een ‘have-not’ en beschuldigt de Europese kampleiding van een ‘arrogante, uitdagende houding’ en discriminatie. Hij schreef dat hij geen vriend van Japan was, maar ook geen vijand, ‘omdat Nippon de Indische Nederlander in principe ook niet als vijand beschouwde’. In de praktijk wedde hij op meer paarden. Voor de Japanse inval had Vodegel gewerkt bij de koloniale marine – waar hij na het einde van de bezetting ook weer aanmonsterde. Hoewel hem amnestie werd verleend en geen strafvervolging werd ingesteld, kon hij niet bij de marine terugkeren.[21] Hij opteerde voor het Indonesische staatsburgerschap, maar kwam financieel in zulk zwaar weer terecht dat hij in 1965 verzocht naar Nederland te emigreren. Indonesië, het land waarvoor hij eind 1942 had gekozen, had hem niet gebracht wat hij had gehoopt.

Een ander, anoniem verslag van een van de medewerkers van Van den Eeckhout schetst een beeld van een nogal amorfe beweging, waarin principiëlen en pragmatisten vaak tegenover elkaar stonden.[22] In elke geval maakt deze schrijver, die zich had ingezet voor een trainingskamp van Indo-europese jongeren in het laatste oorlogsjaar, duidelijk dat dit binnen de context van de Japanse pogingen om de samenleving te organiseren en te trainen een logische en onvermijdelijke stap was.

Het verhaal van de PAGI is het verhaal van een keuze die onlosmakelijk is verbonden met de koloniale samenleving. Waarom zou Soekarno van de geschiedenis wel gelijk hebben gekregen, en deze mannen van de PAGI-groep niet? Er bestaat een naoorlogse foto waarop Piet van den Eeckhout de hand van Soekarno schudt. Omdat hij voor de wet Europeaan was, kijken we heel anders naar deze foto dan als hij voor de oorlog Inlander was geweest. Bitter is natuurlijk wel dat de opname van Indo-europeanen in de Indonesische schoot verre van hartelijk was en duizenden daarbij een gewelddadige dood vonden. Ook dat tekent de worsteling die de transitie van kolonie naar natie meebracht.

Op het dambord met witte en zwarte stukken staat de PAGI-gemeenschap dus buitenspel. De naoorlogse Nederlandse rapporten over het optreden van de PAGI-groep zijn unaniem denigrerend en verachtend. Dat kan in het morele raamwerk van de meeste andere Europeanen begrijpelijk zijn, maar het laat onverlet dat deze mensen keuzes maakten die we niet los kunnen zien van het probleem van natietoedeling in koloniaal Indië. Een kolonie is geen natie, zelfs geen protonatie. Het is juist een samenleving waarin dergelijke zingevingen werden uitgesteld en, natuurlijk, onderdrukt. De Nederlandse identiteit was een expat-identiteit. Daarbuiten waren nationale zingevingen, zelfs onder Indonesische nationalisten, diffuus en omstreden. Dat is de essentie van de koloniale situatie.

De politieke dwaaltochten van veel PAGI-leden zijn niet alleen het verhaal van de Indo die tussen de naties komt te staan. Voor veel Indo’s was dat helemaal niet het geval. Het gold ook niet alleen voor zogenoemde tussengroepen als Indo’s, Chinezen of Ambonezen. De scheidslijnen, die voor witte Europeanen misschien wel het duidelijkst lagen, waren voor grote delen van de samenleving helemaal niet zo helder.[23]

We kunnen twee dingen concluderen. In de eerste plaats is het beeld van de geïsoleerde witte Nederlander die eigenlijk weinig keuze had, zo dominant geworden dat onze verbeelding geen ruimte biedt voor wat de overheersende stemming in Indonesië was: onzekerheid, contentie en opportunisme. Een tweede punt is dat de verschillende ervaringen meer verband houden dan de simpele labels als Nederlanders, Indonesiërs, geïnterneerden of buitenkampers aangeven. We kunnen de lotgevallen van de verschillende groepen slechts begrijpen als we ze in hun onderlinge relatie beschouwen. Veel te lang hebben we de oorlogservaringen in een soort verzuilde herinneringscultuur geperst. Dan zien we over het hoofd dat de zuchten die in de interneringskampen klonken ook in de straten van Batavia te horen waren.[24] De inzet van krijgsgevangenen aan de Birmaspoorweg is ondenkbaar zonder de dwangarbeid van Indonesische romusha. En de Indo opvoedkampen zijn alleen te verklaren uit de Japanse organisatie van de samenleving en disciplinering van de jeugd.

Leven als Europeanen

Het zijn niet alleen de constructies van natie en ras die onze geschiedbeelden leiden, maar ook onze opvattingen van moderniteit. Om dat te illustreren verplaatsen we ons terug in de tijd, naar de laatste jaren voor de Japanse inval. Het waren jaren waarin Indië snel veranderde. De crisis was voorbij, steden barstten uit hun voegen, commissies bogen zich over staatkundige hervormingen in de kolonie, auto’s domineerden het straatbeeld – en Indonesiërs en enkele Nederlanders voerden druk discussie over wat Indonesische cultuur nu eigenlijk was. Dat vraagstuk was onlosmakelijk verbonden met concepties van wat modern was en welke plaats Oost en West daarin hadden.

De beeldvorming over modernisering wordt bijna unaniem in een hiërarchische verhouding tussen West en Oost geplaatst. In dat schema hebben de Indonesiërs de keuze: ze lopen in modernisering achter bij de Nederlanders of Europeanen, of ze nemen die van diezelfde Nederlanders over. Ruw samengevat: ze zijn achterlijk of na-apers. Voor dit proces is de term mimicry in zwang geraakt: het proces waarbij gekoloniseerden de cultuur van de kolonisator overnemen. Ze gaan daarbij overigens wel op hun overheersers lijken, maar ze zullen nooit gelijk worden.[25] Opvallend aan een dergelijke benadering is dat elke manifestatie van moderniteit – wat dat ook moge zijn – gerelateerd wordt aan de hiërarchische verhouding tussen kolonisator en gekoloniseerden.

Belenggu, van Armijn Pane

Belenggu, van Armijn Pane

Een mooi voorbeeld van mogelijke mimicry is de roman Belenggoe van de Batak, Maleistalige schrijver Armijn Pane.[26] Het is een redelijk geslaagde roman, sterk realistisch maar met een sterke psychologische dimensie, somber en vol existentiële twijfels, in de trant van veel modernistische romans in het interbellum. Er hangt een sfeer van onvrede en verveling. Belenggoe betekent ‘ketenen’. De ketenen staan voor het gevoel van de hoofdpersonen vast te zitten – niet, zoals je gemakkelijk kunt denken, voor de koloniale overheersing of voor de klem van de traditie.

Belenggoe vertelt het verhaal van de jonge dokter Sukartono, Tono, die weinig liefde vindt bij zijn echtgenote Tini en verliefd wordt op een patiënt, de voormalige prostituée Jah. Wie denkt dat Tini de gebeten hond is, komt bedrogen uit. Zij heeft geweigerd zich aan haar man en zijn drukke praktijk op te offeren. Bovendien blijkt zij geobsedeerd door een verdwenen jeugdliefde – die uiteraard in de loop van de roman opdaagt en de driehoeksverhouding vierkant maakt. Als Tini hoort van de verhouding tussen Tono en Jah, voelt ze zich vrij om haar eigen plan te trekken en vertrekt om een weeshuis te leiden. Ook Jah pakt haar koffers, beseffend dat zij als gevallen vrouw Tono nooit een gerespecteerde relatie kan bieden. Alle ketenen zijn verbroken.

Mij gaat het hier niet over de kwaliteit van de roman, die uit deze korte samenvatting behoorlijk larmoyant moet klinken. Belangrijker voor ons hier is dat de hoofdpersonen in Belenggoe zich een volstrekt modern aandoende levensstijl aanmeten. Dokter Sukartono laat zich in een auto rondrijden, maakt zijn afspraken per telefoon, luistert naar de radio en speelt viool. Nu zijn dat op zich nogal materiële en oppervlakkige vormen van moderniteit, maar ze staan voor een algehele sfeer van een leven ongebonden door tradities.

Is het een westerse moderniteit? Kunnen we Sukartono, een fictionele figuur natuurlijk, karakteriseren als het type ‘almost the same but not quite’, in de termen die Homi Bhabha gebruikte om aan te duiden dat in het koloniale discours de niet-westerling de cultuur van de overheerser kan kopiëren maar nooit gelijk kan worden? Op een subtiele maar radicale wijze is het Nederlandse kolonialisme uit de roman geschreven – we weten dat het er is, maar het is uit het boek niet op te maken. Er komt geen wit mens in het boek voor. Natuurlijk, in de historische werkelijkheid waarin de roman tot stand kwam waren de koloniale machtsverhoudingen onmiskenbaar: vakbonden waren beteugeld, de Indonesische stem in gemeenteraden werd bewust klein gehouden, de meeste nationalistische activiteiten verboden. Maar dat is buitenliteraire kennis. Slechts eenmaal schiet Armijn Pane uit zijn modus: als Tini op een liefdadigheidsbijeenkomst piano speelt, krijgt ze commentaar dat ze westerse muziek speelt en haar eigen cultuur vergeet.

Lezing van Belenggoe doet ons afvragen hoe we de moderniteit van de roman moeten karakteriseren. Daarbij is het de vraag of de hoofdpersonen in Armijn Pane’s roman, ja of de roman en de romanschrijver zelf gereduceerd kunnen worden tot mimicry, tot een nabootsing en nooit bereiken.

Armijn Pane zocht hyperbewust naar een moderne taal en een moderne setting. Daarmee claimde hij, naar mijn smaak, de moderne cultuur, en gaf daarmee de Indonesische Indiër een eigen plaats in de moderne wereld. Maar hij deed dat zonder zich expliciet van Nederland of van het Westen af te keren. Opvallend is dat Armijn Pane zelf aangaf dat Belenggoe wél ging over het conflict tussen Oost en West.[27] Nu is het maar de vraag of we ons iets van de intenties van de schrijver moeten aantrekken, en onder sommige literatuurwetenschappers is dat zelfs voltrekt taboe. Wat de schrijver ook bedoeld mag hebben, de taal van conflict tussen Oost en West komt in de roman nauwelijks voor.

Armijn Pane is geen willekeurige auteur. Hij werkte voor de regeringsuitgeverij Balai Poestaka en was redacteur van het tijdschrift Poedjangga Baroe – de nieuwe dichter. Hij was een smaakmaker en een voorvechter voor de ontwikkeling van een moderne Indonesische literatuur. Maar al definieerden de kopstukken van Poedjangga Baroe zich als nationalisten, ze keerden zich niet af van de Nederlandse, of westerse cultuur als zodanig.[28] Integendeel. Armijn Pane en zijn kring waren Nederlands-opgeleide mensen die een Indonesische cultuur probeerden te construeren. De Indonesianist Henk Maier zegt hierover: deze literatoren voelden zich Nederlands én Indonesisch, westers en oosters tegelijk, noties die zowel door de Nederlanders als door henzelf waren gecreëerd; maar het is niet duidelijk in hoeverre zijzelf doordrongen waren van deze paradox.[29] Kortom: zij leefden in een soort van wolk waarin Oost en West, Nederlands en Indonesisch onmogelijk gedefinieerd konden worden. Heather Sutherland noemde de Poedjangga Baroe dan ook een ‘curieus product van tempo doeloe’.[30]

Juist daarom is Belenggoe zo’n Indische roman, hoewel de witte overheersers in het boek niet thuisgeven en al is het in het Maleis geschreven. De cultuur die het uitademt is onmiskenbaar die van de hoogopgeleide elite van de jaren dertig. De vraag is waarom dit dan minder aanspraak op het Indische zou kunnen maken dan de literaire bespiegelingen van de blanke expat.

Indonesië in de jaren twintig, dertig, veertig, vijftig gonsde van de discussies over het eigene en het andere, over traditie en moderniteit, over het nationale en het westerse. In literaire tijdschriften, op massabijeenkomsten, in interneringskampen zelfs. Maar ondertussen ging het leven door en kreeg het nieuwe daadwerkelijk een vanzelfsprekendheid die niet voortdurend gelabeld hoefde te worden. Dat wordt ook bevestigd door een de Tsjechisch Amerikaanse historicus Rudolf Mrázek die in de jaren negentig een groot aantal bejaarde Indonesiërs over hun ervaringen in en herinneringen aan de Nederlandse tijd interviewde.[31] Mrázek speelt, net als Armijn Pane, een subtiel spel met de moderniteit. Die is eigenlijk overal, maar ze is er heel natuurlijk. We zien een Bataviase, Jakartaanse elite die Nederlands was opgeleid en op een volstrekt ontspannen, en vooral luxueuze manier, de verworvenheden van de veranderende cultuur opnemen en op hun manier ook weer vormgeven. De spanning kwam pas, zoals we eerder bij Toety Heraty zagen, toen de vorming van de natie de oude cultuur in het gedrang bracht.

Het is gemakkelijk om deze ontwikkelingen te interpreteren in termen van een opkomende Indonesische middenklasse die zich de cultuur van de Nederlandse kolonisator eigen wilden maken omdat deze statusverhogend zou werken.[32] Het begrip ‘cultureel burgerschap’ dat in dezen valt, is echter misleidend, omdat het altijd uitgaat van een hiërarchische situatie in de cultuuroverdracht, en van een strategische keuze om deze cultuur aan te nemen. Het is, kortom, precies de ‘almost the same, but not quite’ die Homi Bhabha signaleerde in het koloniale discours.

Het maakt ons bewust van de eenzijdige manier waarop we de koloniale geschiedenis vertellen en ons onvermogen om buiten de kaders van koloniale moderniteit te denken. Onze blik is meestal een kant op gericht. De lichtbundel van moderniteit straalt van West naar Oost, en van hoog naar laag. Het reduceren tot een kwestie van mimicry of een koloniaal gestuurde ‘education of desire’, doet niet alleen tekort aan de meervoudige oorsprong van cultuur[33], maar ook het vermogen tot selectie van de Indonesiërs – en anderen – en de wezenlijke maar vaak vergeten invloed van de lokale culturen op de kolonisatoren.

Kolonialisme

Europeanen die als Inlanders moesten leven; Indo-europeanen die Aziaten wilden zijn; schrijvers die op een Nederlandse manier de Indonesische cultuur ontwikkelen; fictieve doktoren en reëel gefortuneerde Indonesiërs die volop aan de schwung van de veranderende samenleving deelnamen – krabbend aan het oppervlak van de geschiedenis en de cultuur vervagen de claims van natie, ras en taal die ons door de politieke verhoudingen zijn opgelegd.

Wat er tevoorschijn komt is fragmentarisch en misleidend door de voortdurende aanspraken van natie, gemeenschap, Oost en West. Toch zien we niet alleen koloniale versnippering en postmoderne deconstructie. We moeten ons er rekenschap van geven dat deze mensen dezelfde tijd en ruimte deelden en dat hun aanwezigheid een grote constituerende werking heeft gehad op elkaars leven en ervaringen, en elkaars cultuur. De kleuren mengen misschien niet, maar likken als het ware aan elkaars grenzen.

We hebben gaandeweg deze gedeelde geschiedenis op manieren verteld die de andere kant uitsloot. Niet alleen gaf de koloniale situatie er aanleiding toe, maar ook de postkoloniale geschied- en herinneringsculturen hebben gestimuleerd dat de verwarrende koloniale geschiedenis in hokjes voor nationaal gebruik werden geperst. Dat heeft ons het zicht belemmerd op de complexiteit en diversiteit van de koloniale relaties en onze geschiedschrijving armoedig gemaakt.

Bandoeng, Groote Postweg Oost, 1938

Bandoeng, Groote Postweg Oost, 1938

Het roept de vraag op wat we eigenlijk bedoelen als we ‘koloniaal’ zeggen? Er zwerven wel wat definities rond, maar in wezen zijn zij vrij primitieve analytische instrumenten die ons weinig wijzer maken over de complexe processen van samenleving en beïnvloeding. Laura Ann Stoler en Frederick Cooper hebben zich al afgezet tegen wat zij het ‘Manicheïsche’ – dus uit tegenstellingen bestaande – voorstelling van de laatkoloniale wereld noemen.[34] Toch zijn zij vooral bezig met de Europese kant van het kolonialisme en laten vooral de hybriditeit van het Europese cohort zien.[35]

Er gaat een sterke zwaartekrachtwerking uit van het denken in koloniale termen. Dat is geen wonder. Onze archieven, de dagboeken, memoires en romans zijn voor een groot deel geschreven door de witte expats in de kolonie. Wie andere archieven zoekt, geschreven door die amorfe, verwarrende silent majority, moet harder zoeken. Dat levert niet altijd op wat je denkt. In de jaren negentig hebben Ann Stoler en Karen Strassler een poging gedaan om het verhaal van de Indonesische kindermeisjes uit de koloniale tijd te achterhalen.[36] Ze spraken vrouwen die ondertussen bejaard waren en een turbulent leven achter de rug hadden. De onderzoeksters waren gefascineerd geraakt door de warme herinneringen van de Nederlandse expatfamilies aan hun baboes. Strassler en Stoler gingen op zoek naar een tegenverhaal – naar het perspectief van deze ultiem subalterne groep, de vrouwen die geheel afhankelijk geweest waren van de witte werkgevers. Het fascinerendste aan de exercitie was het feit dat er geen tegenverhaal te vinden was. Er was geen aanklacht, nauwelijks een herinnering, en zeker geen nostalgie. Het was ‘werk’ geweest, niets meer en niets minder. De subalterne sprak niet. De gekoloniseerde schreef niet terug. En waarom zou ze ook?[37] Tegenover de hegemoniale beelden van het kolonialisme en van de natie is geen helder contrapunt te formuleren.

Tegenover eenheid staat slechts fragmentatie; tegenover lineariteit slechts vergruizing; tegenover het vloeiende narratief slechts de stameling. Dat maakt het verhaal van een niet-wit, divers Indië kwetsbaar. Toch zijn het juist de fragmentatie, de vergruizing en de stameling die we moeten toelaten, willen we het Indische verleden recht doen.

De ervaringen van Nederlanders en Indonesiërs (en anderen) in ‘Indië’ zijn niet waterdicht te scheiden. Er is een transkoloniale blik nodig om te zien hoe de verschillende leefwerelden in onderlinge relatie tot elkaar hebben bestaan. Een transkoloniale manier van kijken volgt niet per se de vooringenomen politieke, culturele of raciale scheidslijnen die kolonialisme en dekolonisatie hebben helpen creëren, maar onderzoekt die lijnen in het licht van de gedeelde ervaring die het samenzijn in tijd en ruimte met zich meebrengt. Er klinkt hier een vage verwantschap door met wat de Indiase historicus Sanjay Subrahmanyam het ‘verbonden’, connected karakter van de geschiedenis noemt.[38] Ook Subrahmanyam, schrijvend over vroeg-modern Azië, maakt zich zorgen over de wijze waarop nationalisme ons blind heeft gemaakt voor het mogelijke bestaan van verbindingen tussen culturen, regio’s en groepen.

Op geen enkele manier wil ik betogen dat we onze ogen moeten sluiten voor de dominante machtsverhoudingen binnen het kolonialisme en de effecten van het koloniale racisme. Maar de rule of colonial difference en de binaire oppositie tussen overheersers en overheersten is slechts een deel van het verhaal, om de misschien wel simpele reden dat macht in een samenleving niet altijd staatsmacht is en de koloniale arm niet overal even diep ingrijpt.[39] Een kolonie is ook maar een mens, schreef de oud-ambtenaar en schrijver A. Alberts, en hij wist als geen ander hoe dun, maar niet altijd ongenegen, de koloniale verhoudingen waren.[40]

Evenzo is de modernisering van de Indonesische samenleving niet het verhaal van een door Nederland geleide modernisering die na de onafhankelijkheid plaats maakte voor een Indonesische versie. De Indonesische of andere niet-Nederlandse stem verdient een duidelijker plaats in de geschiedenis van het kolonialisme, die ten slotte ook, of juist bij uitstek Indonesische geschiedenis was. Te veel is het kolonialisme een geschiedenis van de Nederlanders dáár, en te weinig van de Indonesiërs zelf geweest. Alleen op die manier kunnen we voorkomen dat ons beeld kreupel zal blijven lopen door de lacunes in de archieven, de doorwerking van koloniale discoursen en de projectie van de nationale geschiedenissen.

Doen we dat niet allang? Die vraag is slechts te beantwoorden met een reeks wedervragen: waarom hebben we het altijd over koloniale nostalgie en hebben nooit de Indonesische nostalgie onderzocht; waarom weten we zo weinig over het leven van Europeanen – en Indonesiërs – buiten de interneringskampen, of over de Indonesiërs en Chinezen in de kampen; waarom krijgen de ervaringen van Indonesische dwangarbeiders en seksslavinnen tijdens de Japanse bezetting zo weinig aandacht; waarom zijn de Indonesische militairen van het KNIL geheel buiten beeld gevallen; waarom isoleren we de Nederlandse moordpartijen tijdens de dekolonisatieoorlog van het omringend Indonesische geweld; waarom schilderen we de autorijdende en radioluisterende Indonesische stedelijke elite in de koloniale tijd zo gemakkelijk af als navolgers van een westerse moderniteit; waarom weten we nagenoeg niets over de Indonesische ambtenaren in het koloniaal bestuur; en waarom beschouwen we de moderne koloniale cultuur nooit vanuit een proces van lokalisering, maar altijd als een importcultuur uit het Westen? En waarom rekenen we Indonesische literatuur eigenlijk niet tot de Indische literatuur?

Enzovoorts. Het klinkt allemaal wat activistisch maar het zijn pertinente kwesties. Ons beeld van het koloniale verleden, zowel in de publieke ruimte als in het geschiedbedrijf, is nog op talloze manieren verbonden met de modellen die het kolonialisme zelf heeft aangereikt.[41] Door de koloniale geschiedenis binnen strikt Foucaultiaanse of Gramsciaanse schema’s van een hegemoniale westerse moderniteit te interpreteren, ontnemen we veel spelers de agency die kan verklaren waarom bepaalde veranderingen in een samenleving plaatsvinden. Het is, als ik het een beetje pretentieus mag zeggen, de hoogste tijd voor een emancipatie van onze koloniale geschiedenis uit de schema’s die het kolonialisme en de dekolonisatie zelf hebben voortgebracht. Het koloniale Indië was daarentegen een plaats en een periode waarin de bewoners van Indonesië zochten naar manieren om hun leven vorm te geven en dat deden in een unieke legering van westerse, lokale en andere inspiratiebronnen die in onderling verband en bovendien in veel opzichten door een mondiaal proces van verandering werden bepaald en dus niet alleen als het reine resultaat van de koloniale overheersing kunnen worden beschouwd.

Samenvatting

In de afgelopen minuten heb ik me afgevraagd wie er voor het kolonialisme spreekt. Er volgde een excurs langs de contouren van de koloniale geschiedenis. In mijn voorbeelden over pro-Japanse geïnterneerden en Maleistalige schrijvers heb ik willen aangeven dat de scheidslijnen tussen kolonisator en gekoloniseerde, tussen Nederlandse en Indonesische ervaringen, tussen Oost en West niet als gegeven moet worden aangenomen maar onderdeel uitmaken van een gezamenlijke ervaring.

De vraag wie er voor het kolonialisme kan spreken mondde aldus uit in een pleidooi voor een koloniale en postkoloniale herbezinning die niet meer maar ook niet minder is dan een oproep tot het openen van de schuifdeuren. Het gros van de geschiedenis is te afhankelijk geworden van de koloniale en nationale archieven die zijn nagelaten. Een geloofwaardig tegenarchief is echter niet aanwezig. Het contrapunt van het koloniale archief is aldus een wijkend perspectief. Het tegenovergestelde van een koloniale geschiedenis is niet een antikoloniale maar een transkoloniale geschiedenis: een geschiedenis die uitgaat van tijd en plaats als ordenende principes en niet de arbitraire scheidslijnen van natie, ras of taal – hoe relevant die ook zijn – als gestaald axioma neemt. Een dergelijke benadering doet ook veel meer recht aan de duizelingwekkend gecompliceerde toestand van etnische vermenging en politieke meerkantigheid, en biedt meer ruimte aan de agency van de gekoloniseerde.

Een belangrijke rol zie ik weggelegd voor de letterkunde en de literatuurgeschiedenis. Zij vormen een essentiële toevoeging aan het arsenaal van de historicus, juist omdat de letterkunde geen aanspraak maakt op objectiviteit of representativiteit. Zoals de socioloog Zygmunt Bauman en schrijver Riccardo Mazzeo onlangs nog hebben betoogd, zijn literatuur en sociale wetenschap Siamese tweelingen: ze streven naar hetzelfde – inzicht – en zijn daarom volstrekt complementair.[42] De literatuur kan dienen, niet zozeer als bron van gegevens maar als opener van onze ogen. Zij zet ramen open, roept vragen op. En vragen leiden tot inzicht.

Dat inzicht hebben we nodig. De koloniale geschiedenis is in het huidige Nederland en Indonesië een bron van verwarring. ‘Biarkan berlalu akan berlalu’ – laat het verleden toch rusten – zeggen de Indonesiërs, en ik vrees dat het Indonesische verleden hier alle aanleiding toe geeft. Ze zeggen het dan ook heel vaak, zoals onlangs nog de Indonesische president ter gelegenheid van zijn bezoek aan Nederland. Op verschillende momenten heeft ook premier Rutte zich in die termen uitgesproken zodra er koloniale of postkoloniale kwesties aan de orde waren. Maar we kunnen niet blijven negeren. De koloniale herinnering en doorwerking zullen een veenbrand blijven die op gezette tijden in open vuur zal ontvlammen. De steeds luider wordende roep om de witte onschuld achter ons te laten en de erfenissen van het kolonialisme kritisch te onderzoeken, verplicht ons te luisteren en het onderzoek, ook het zelfonderzoek, ter hand te nemen.[43]

De Indonesische omgang met het koloniale verleden is ondertussen even schizofreen en neurotisch als die van Nederland. Ondanks de recente roep om de nationale geschiedenis te herschrijven, wil het koloniale verleden maar niet lekker integreren in de nationale geschiedenis.[44] Dat daar wel een behoefte aan is, blijkt uit de groeiende publieke belangstelling voor het koloniale verleden, zoals die zich uit in eclectische, soms ironiserende verkleedpartijen, waarmee Indonesiërs pogen de moderne samenleving een geschiedenis te geven.[45]

Namen noemen

Ondertussen heeft het kolonialisme soms ook iets moois voortgebracht. Een van de fraaiste voorbeelden van koloniale literatuur is de bundel Namen noemen van schrijver en oud-Indisch ambtenaar A. Alberts, een autobiografisch relaas over zijn Indische jaren. Hij noemt er nauwelijks namen in. Je zou min of meer kunnen zeggen dat het Alberts om het principe ging. Daar was het me vanmiddag ook om te doen, en niet om de namen.

Het is gebruik om aan het einde van een oratie een uitgebreide inventaris van intellectuele en emotionele schuld – verhoudingen te bieden, maar dat is grenzeloos vervelend en in zo’n groot gezelschap voor de meesten teleurstellend. Voor de betrokkenen: we weten wat we aan elkaar hebben gehad. Daarom zit u waarschijnlijk hier, en niet om te kijken of u in de index wordt genoemd. Als ik nu eens wel in strikte categorieën mag spreken: mijn Leidse leermeesters hebben laten zien hoe belangrijk het is om over de grens te kijken; mijn Amsterdamse collega’s lieten zien hoe belangrijk het is om van over die grens terug te kijken; op het NIOD leerde ik hoe onmisbaar en stimulerend de bijdrage van de getuigen van buiten de academie voor de wetenschap is; mijn Indonesische collega’s en vrienden, ten slotte, hebben een bescheidener mens van me gemaakt. Voorts hebben ontelbare mensen me in de loop van jaren geïnspireerd en geïrriteerd, en zijn om die redenen invloedrijk geweest, maar ik zal ze noodgedwongen ongenoemd laten.

Van een geheel andere orde zijn Nadia, Hannah en Maaike, mijn dagelijkse kostgangers. Zij behoeven geen verdere woorden.

Relevanter in deze ruimte is dat ik met immens plezier het werk met de studenten en de collega’s in de Amsterdamse universiteit heb opgepakt. Dat is meer dan een beleefdheidsfrase. Bovendien zijn de geesteswetenschappen hier een war zone, en daar voel ik me thuis. Als kleine intendant in de discussies rond de universiteits hervormingen ben ik beter gaan beseffen waar een universiteit toe dient en hoezeer bureaucratische kleingrutters en economische grootverdieners het hart van die universiteit bedreigen, maar ook hoeveel speelruimte we hebben om de studenten en onszelf intellectueel uit te dagen – mits we de formulieren maar blijven invullen.

Ik dank de Utrechtse faculteit der geesteswetenschappen voor de ruimhartigheid waarmee ze mijn aanstelling in Amsterdam mogelijk heeft gemaakt. Aan de andere kant van de oversteek vond ik een warm welkom bij – toch enkele namen, omdat inconsistentie nu eenmaal des mensen is – Thomas Vaessens en James Kennedy, die de poten van de leerstoel vormen – en u begrijpt dat de balans op twee poten precair is. Buiten hen ben ik er geweldig fier op dat ik in de eminente voetsporen van Bert Paasman en Pamela Pattynama mag treden, al zullen mijn stappen wellicht andere kanten van de koloniale en postkoloniale verhoudingen uitgaan. Op de allerlaatste en allereerste plaats koester ik de samenwerking met het Indisch Herinneringscentrum, dat mij hier heeft geplant en van water voorziet. Ik zie dat als een buitengewoon voorrecht en hoop dat het zich het samenspel nog lang zal heugen. Indië is hot, en laten we dat zo houden.

Ik heb gezegd.

 

 

[1] William Frederick, ‘Reflections in a moving stream: Indonesian memories of the war and the Japanese’ in: Remco Raben (red.), Representing the Japansese occupation of Indonesia. Personal testimonies and public images in Indonesia, Japan, and the Netherlands (Zwolle: Waanders en Amsterdam: Netherlands Institute for War Documentation 1999) 16-35.
[2] Dipesh Chakrabarty, ‘Postcoloniality and the artifice of history: who speaks for “Indian” pasts?’, Representations 37 (1992) 1-26.
[3] Tjalie Robinson, ‘Afscheid’ in: Idem, Didi in Holland (Arnhem: Gelderse Culturele Raad 1992) 19-21, aldaar 19.
[4] Els Bogaerts en Remco Raben (red.), ‘Beyond empire and nation’ in: Idem (red.), Beyond Empire and Nation. The Decolonization of African and Asian societies, 1930s-1960s (Leiden: KITLV Press 2012) 7-21.
[5] Toety Heraty, ‘Dekolonisatie, amnesia en anamnese’, Indische letteren 11-2/3 (1996) 64-73, aldaar 68.
[6] Benedict Anderson, Imagined communities. Reflections on the origin and spread of nationalism (herziene druk; London en New York: Verso 1991) 205.
[7] ‘Indonesische portretten deel 1. Yogyakarta 2006’ van Jos Janssen, Martin van den Oever en Petra Timmer (Stichting de Stobbe 2007).
[8] Partha Chatterjee, The nation and its fragments. Colonial and postcolonial histories (Princeton: Princeton University Press 1993) hoofdstuk 2.
[9] Zie bijvoorbeeld Cees Fasseur, ‘Hoeksteen en struikelblok. Rasonderscheid en overheidsbeleid in Nederlands-Indië’, Tijdschrift voor geschiedenis 105 (1992) 218-242, aldaar 240-241.
[10] ‘There is no such thing as society’: ‘Aids, education and the year 2000’, Women’s Own (31 oktober 1987) 8-10. Interview van Margaret Thatcher door Douglas Keay. Zie voor het transcript van het interview en een reactie van Downing Street 10 http://www. margaretthatcher.org/document/106689 (geraadpleegd 2 augustus 2016).
[11] L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 11 b Nederlands-Indië II, eerste helft (Leiden: Martinus Nijhoff 1985) 351; Idem 11 b tweede helft, (Leiden: Martinus Nijhoff 1985) 844; Huub de Jonge, ‘“Be always healthy and happy.” Het kolonisatiekamp Kesilir tijdens de Japanse bezetting’ in: Wim Willems en Jaap de Moor (red.), Het einde van Indië. Indische Nederlanders tijdens de Japanse bezetting en de dekolonisatie (’s-Gravenhage: Sdu 1995) 113-126 en 284.
[12] Julika Vermolen, De Dampit affaire. Een vergeten drama op Oost-Java tijdens de Japanse bezetting (Amsterdam: De Bataafsche Leeuw 1999) 40.
[13] Wim Walraven jr., De groote verbittering. Herinneringen aan mijn vader (Amsterdam: Bas Lubberhuizen 1992) 67-78.
[14] Rudy Verheem, Bevrijding zonder bevrijders. De ‘Sinjo’ tussen Indië en Nederland (Baarn: Hollandia 1980) 24.
[15] Over het Japanse beleid jegens de Indo-europeanen, zie Elly Touwen-Bouwsma, ‘Japanese minority policy. The Eurasians on Java and the dilemma of ethnic loyalty’ in: Peter Post en Elly Touwen-Bouwsma (red.), Japan, Indonesia and the war. Myths and realities (Leiden: KITLV 1997) 31-50.
[16] Charlotte Laarman, Oude onbekenden. Het politieke en publieke debat over postkoloniale migranten, 1945-2005 (Hilversum: Verloren 2013) 65.
[17] J.G. Wackwitz, Rapport inzake de kolonisatie Kesilir, NIOD, Indische Collectie, inv.nr. 028991 [oude nummering]. Uitgegeven als: J.G. Wackwitz, Kesilir juli 1942-september 1943. Rapport van de leider der kolonisatie (’s-Gravenhage: Moesson z.j.) 45.
[18] D.F. Blokhuis, Verslag over het Japansche bewind van het burgerinterneeringskamp nr. 4 te Tjimahi (Ned. Indië), NIOD, Indische Collectie 030236-030274 [oude nummering], aldaar 030250.
[19] Wackwitz, Kesilir juli 1942-september 1943; Verheem, Bevrijding zonder bevrijders; Joh. A.G. Warner, A.C. Broeshart en A.N. de Wit, Java 1942-1945. Kampschetsen uit: Kesilir, Banjoe Biroe, Tjikoedapateuh, 15e bat. in Bandoeng (Rijswijk: Elmar 1984).
[20] Bekentenissen, bijlage bij een brief van F. Vodegel aan de minister van Justitie in Den Haag, 15 mei 1965, NIOD, Indische Collectie, inv.nr. 067455 [oude nummering].
[21] Uittreksel uit de beschikking van de vice-admiraal, commandant der zeemacht in Nederlands-Indië, 8 september 1947, NIOD, Indische Collectie, inv.nr. 067456.
[22] Zie ‘De Indo-Europeesche gemeenschap gedurende het tijdvak 8 mrt 1942 tot 15 aug 1945’, Nationaal Archief, Den Haag, Archief van de Netherland Forces Intelligence Service [NEFIS] en Centrale Militaire Inlichtingendienst [CMI] in Nederlands-Indië , inv.nr. 2550.
[23] Over de wisselende houding van Indonesische intellectuelen jegens de Japanners, zie Ethan Mark, Appealing to Asia. Nation, culture, and the problem of imperial modernity in Japanese-occupied Java, 1942-1945 (proefschrift Columbia University, New York 2003).
[24] Minarsih Soedarpo, Niet louter kleine toegenegenheden. Herinneringen van een Indonesische vrouw 1924-1952 (Leiden: KITLV 1998) 61.
[25] Homi K. Bhabha, ‘Of mimicry and man: the ambivalence of colonial discourse’ in: Idem, The location of culture (London en New York: Routledge 1994) 85-92.
[26] Armijn Pane, Belenggoe (Batavia: Poestaka Rakjat 1940).
[27] Armijn Pane, ‘De Poedjangga Baroe’, De fakkel 9 (1941) 746-760; zie ook Henk Maier, We are playing relatives. A survey of Malay writing (Leiden: KITLV 2004) 278.
[28] Heather Sutherland, ‘Pudjangga Baru: Aspects of Indonesian intellectual life in the 1930s’, Indonesia 6 (1968) 106-127, aldaar 112.
[29] Henk Maier, We are playing relatives, 283.
[30] Sutherland, ‘Pudjangga Baru’, 127.
[31] Rudolf Mrázek, A certain age. Colonial Jakarta through the memories of its intellectuals (Durham en London: Duke University Press 2010).
[32] Henk Schulte Nordholt, ‘Modernity and cultural citizenship in the Netherlands Indies: An illustrated hypothesis’, Journal of Southeast Asian Studies 42, 3 (2011) 435-457.
[33] Peter Geschiere, Birgit Meyer en Peter Pels, ‘Introduction’ in: Idem (red.), Readings in modernity in Africa (London: The International African Institute 2008) 1-7.
[34] Frederick Cooper en Ann Laura Stoler (red.), ‘Between metropole and colony. Rethinking a research agenda’ in: Idem (red.), Tensions of empire. Colonial cultures in a bourgeois world (Berkeley: University of California Press 1997) 1-56, aldaar 8.
[35] Zie ook Bart Luttikhuis, Negotiating modernity. Europeanness in late colonial Indonesia, 1910-1942 (proefschrift European University Institute, Florence 2014).
[36] Ann Laura Stoler en Karen Strassler, ‘Castings for the colonial: memory work in “New Order” Java’, Comparative studies in society and history 42, 1 (2000) 4-48.
[37] Zie ook Ratna Saptari, ‘Melalui lensa domestik: Pembantu rumah tangga dan masalah ingatan dalam proses dekolonisasi’ in: Erwiza Erman en Ratna Saptari (red.), Dekolonisasi buruh kota dan pembentukan bangsa (Jakarta: Obor en KITLV 2013) 342-381, aldaar 371-373.
[38] Sanjay Subrahmanyam, ‘Connected histories: notes towards a reconfiguration of early modern Eurasia’ in: Victor Lieberman (red.), Beyond binary histories. Re-imagining Eurasia to c. 1830 (Ann Arbor: The University of Michigan Press 1999) 289-316.
[39] De koloniale variatie hebben Ulbe Bosma en ik geïllustreerd in de casus van Indische families, zie De oude Indische wereld 1500-1920 (Amsterdam: Bert Bakker 2003).
[40] A. Alberts, Een kolonie is ook maar een mens (Amsterdam: G.A. van Oorschot 1989).
[41] Dit punt maakte ik ook in ‘De knopen van de bevrijding. Zeventig jaar Indonesische onafhankelijkheid’, De Groene Amsterdammer (13 augustus 2015) 20-23.
[42] Zygmunt Bauman en Riccardo Mazzeo, In praise of literature (Cambridge: Polity 2016) 10.
[43] Gloria Wekker, White innocence. Paradoxes of colonialism and race (Durham en London: Duke University Press 2016).
[44] Zie bijvoorbeeld Bambang Purwanto, Gagalnya historiografi Indonesiasentris?! (Yogyakarta: Ombak, 2006); Rommel Curaming, ‘Towards reinventing Indonesian nationalist historiography’, Kyoto review of Southeast Asia 3 (2003), http://kyotoreview.org/ issue-3-nations-and-stories/an-introduction-to-indonesian-historiography/ (geraadpleegd op 11 september 2016).
[45] Yatun Sastramidjaja, ‘”This is not a trivialization of the past”. Youthful re-mediations of colonial memory in Jakarta’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 170 (2014) 443-472; Remco Raben, ‘Postkoloniale saturnaliën’, De Gids 175, 3 (2012) 16-19.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

34 reacties op Wie spreekt voor het koloniale verleden?

  1. hansvschaik zegt:

    Wat mij steeds opvalt is dat met kolonisten de mensen bedoeld worden die zich in de kolonie bevonden, terwijl mijns inziens de echte kolonisten degenen zijn die vanuit hun macht en geldzucht de kolonie beheersten en niet de kolonie bewoonden. (in dit geval in Nederland).
    De macht werd/wordt beheerst door o.a. de VOC en eraan verbondenen en tot op heden de politici.
    Ik kom zelden dit onderscheid tegen, terwijl toch zo zichtbaar is waar de opbrengst is gebleven!
    Amper in de kolonie zelve.

    • RLMertens zegt:

      @hansvschaik; ‘de kolonie beheersten en niet de kolonie bewoonden’ – Dat is toch ‘één
      pot nat’. Van de leiding gevende(macht hebbende) tot aan het werkvolk toe. De bewoners (inlanders) hadden toch niet dezelfde rechten? Trouwens het woord kolonie lijkt mij al misleidend. Een kolonie= een nederzetting in de vreemde- handelspost etc. Eufemisme ten top. Trouwens alle Nederlandse aanduidingen voor voorvallen(!) in Indië waren eufemismen; politionele acties, pacificeren= vrede brengen, expeditie= leerzaam uitstapje etc.(Bali, Lombok etc). Nederland bezat Indië( het heette toch Nederlands Indië). Het bezette Indië. Dus mi. waren we daar de bezetters! Ik ben benieuwd toch hoe Indonesische historici hierover schrijven. In gesprekken met hen, waren ze duidelijk; wij waren daar de bezetters.

      • hansvschaik zegt:

        Wat de heer RLMertens schrijft klopt op zich wel, maar blijkbaar ben ik er niet in geslaagd om mijn mening duidelijk te maken.
        Sterk vereenvoudigd:
        De echte kolonisten zijn m.i. degenen die de macht (en geld) hadden en in Nederland woonden en niet de zetbazen met hun gevolg die in de kolonie woonden.
        Immers: een kolonie was bedoeld om het “moederland” rijk te maken.
        Vanuit de bewoners in de kolonie bezien zijn die zetbazen ogenschijnlijk de kolonisten, immers die kenden ze en hadden met hen te maken en niet zo zeer met de kooplieden in Nederland (heette vroeger niet altijd zo).
        Natuurlijk zien/zagen de Indonesiërs de handlangers hierdoor als bezetter, maar de opdrachtgevers en winst opstrijkers zaten “hoog en droog” in Nederland en van deze laatsten hadden de inwoners van de kolonie weinig iets mee te maken (hooguit indirect).
        Ik begrijp dat het een ommezwaai in het denken nodig is om te begrijpen wat ik betoog.

      • RLMertens zegt:

        @hansvanschaik; ‘de kolonie beheersten’ – Toen in Indië werd ook vaak de aanduiding; factorij gedachte genoemd(= kantoor van een handelmaatschappij in de vreemde). Mijn vader (1912)had het vaak hierover. Je moet die ‘factorij gedachte’ hebben, dan was je geschikt bevonden. Alles voor over hebben/inzet voor die maatschappij! Zo niet, dan werd je ontslagen.

      • Jan A. Somers zegt:

        “Zo niet, dan werd je ontslagen.” Dat is bij Unilever, Philips, Shell, DSM, TNO enz.enz. ook. Maar zover hoefde het niet eens te komen, je wordt niet eens aangenomen. En die factorij heeft heel goed voor mijn vader gezorgd. Toen hij in 1946 mij in Soerabaja opzocht gingen we samen naar de factorij. Bij binnenkomst: Goede morgen mijnheer Somers. (dat was uiteraard mijn vader, niet die sinjo die bij hem was.). Rechtsherstel was niet eens nodig, al zijn bij de factorij gestalde bezittingen stonden nog steeds in de administratie. Konden zo naar Nederland worden overgeboekt.
        Uw opmerking over kolonie klopt. Maar het ging niet om een kolonie: Het Koninkrijk der Nederlanden omvat het grondgebied van Nederland, Nederlandsch-Indië enz.enz.

      • Dominicus van den Bergh zegt:

        Helemaal mee eens heer Mertens, het KNIL was er niet om de buitengrenzen te beschermen (tegen wie?) echter om de lokale bevolking in bedwang te houden. De grootvader van mijn vrouw (een Pruis) heeft meegevochten met van Heutz in Atjeh en later met Colijn op Lombok (de slachtingen van Fort Tjara Negara waarbij de opdracht van onze latere minister president de vrouwen en kinderen aan bajonet en klewang te spietsen om zo kogels uit te sparen, ons bin zunig nie waor?)

    • Ælle zegt:

      Ik lees dat : “Sinds november 2005 is de Koninklijke Landmacht geen zelfstandige organisatie met een eigen bevelhebber meer. Wilt u beweren dat wij geen grenzen (meer) hebben (Europese Uni) en het zo is gesteld met de bevolking van Europa dat niet niet in bedwang hoeft worden gehouden?
      Sinds 1 juli 2013 omvat de Europese Unie 28 lidstaten, een grondgebied van 4.381.376 km² en ongeveer 507 miljoen inwoners.[6] Indien men de Europese Unie als één land beschouwt, neemt zij qua grondgebied de zevende plek in op de wereldranglijst en qua bevolkingsgrootte – na China en India – de derde.
      Worden/Zijn we dan overgeleverd aan de KNIL-inventieve VS, Rusland, Groot- Brittanië etc. Bedankt voor de eye-openers. In Syrië is de Vernichtung al begonnen, zoals in 1904 op 11 uagustus, in Afrika.de Herero overkwam Kothar von Trotha gaf das Vernichtungsbefehl..„Die Herero sind nicht mehr Deutsche Untertanen. Innerhalb der Deutschen Grenze wird jeder Herero mit oder ohne Gewehr, mit oder ohne Vieh erschossen, ich nehme keine Weiber und keine Kinder mehr auf, treibe sie zu ihrem Volke zurück oder lasse auch auf sie schießen.“
      “Aufräumen, aufhängen, niederknallen”/ OPRUIMEN, OPHANGEN en AF-of NEERKNALLEN”
      Im August 1904 sammelten sich deutsche Truppen zur Entscheidungsschlacht gegen die aufständischen Herero. Die Wucht der Rebellion in Deutsch-Südwestafrika hatte die Kolonialisten überrascht – sie rächten sich mit dem ersten Völkermord des 20. Jahrhunderts.

      • Ælle zegt:

        Gecorrigeerd en vertaald.I
        k lees dat :“Sinds november 2005 is de Koninklijke Landmacht g e e n zelfstandige organisatie met een eigen bevelhebber meer.
        Wilt u beweren dat wij geen grenzen (meer) hebben (De Europese Unie) en het zo is gesteld met de bevolking van Europa dat die dan niet in bedwang zou moeten worden gehouden?
        Sinds 1 juli 2013 omvat de Europese Unie 28 lidstaten, een grondgebied van 4.381.376 km² en ongeveer 507 miljoen inwoners. Indien men de Europese Unie als één land beschouwt, neemt zij qua grondgebied de zevende plek in op de wereldranglijst en qua bevolkingsgrootte – na China en India – de derde.
        Worden/Zijn we dan overgeleverd gelijk aan de KNIL-inventieve vernufte grootmachten VS,, Rusland, etc.
        Bedankt voor de eye-openers.
        In Syrië is die Vernichtung 4 jaar geleden al begonnen, zoals in 1904 op 11 augustus in Afrika.de Herero overkwam. Lothar von Trotha gaf ‘das Vernichtungsbefehl’. Die Herero sind nicht mehr Deutsche Untertanen. Innerhalb der Deutschen Grenze wird jeder Herero mit oder ohne Gewehr, mit oder ohne Vieh erschossen, ich nehme keine Weiber und keine Kinder mehr auf, treibe sie zu ihrem Volke zurück oder lasse auch auf sie schießen.“
        “Aufräumen, aufhängen, niederknallen”/ OPRUIMEN, OPHANGEN en AF-of NEERKNALLEN”
        In augustus 1804 verzamelden zich Duitse troepen tot de beslissend gevecht tegen de opstandige Herero .IDe impact van de opstand in Duits- Zuid Afrika verraste de kolonisten – ze wreekten zich met de eerste 20-eeuwse volkerenmoord.

      • Ælle zegt:

        De Turkse Geheime Dienst (denk hierbij aan FBI) en het RUSSISCHE leger (!!!) onderhandelden in zoverre dat een overeenkomst is gesloten (?) om gematigde rebellen en burgers uit het oostelijke deel van Aleppo toe te staan om te vlieden/vluchten naar de provincie/goevernement Idlib. Dit bericht komt van The Guardian (Karim Shahin)
        De transactie/deal geeft hoop op overleving voor de mensen van Oost-Aleppo van wie de VN gezegd heeft dat ze een brute imenselijke/humanitaire neenstorting hadden/hebben ondergaan terwijl soldaten die trouw aan Syrische president Bas al ZAD door de pasveroverde districten tekeergaan excessieve moorden plegen.
        http://www.defenseone.com/ideas/2016/12/dictator-among-ruins-what-comes-next-syria/133776/?oref=d-skybox
        “Washington (Obama) wants to shape the conflict (in Syrië) from afar, but Russia is now shaping the facts on the ground. ”

        30 Dagen niet goed = geld terug, hahaha

      • Jan A. Somers zegt:

        “:“Sinds november 2005 is de Koninklijke Landmacht g e e n zelfstandige organisatie met een eigen bevelhebber meer.” Waar kon u dat lezen? Een nieuwe wet? Ik, als officier van de KL, heb daar nog geen bericht van gekregen! Misschien verlaat door de vele kerstpost? Of een nieuwe Indische complottheorie?

      • e.m. zegt:

        Dag meneer Somers, ik denk dat Ibu Ælle de reorganisatie in de bevelsstructuur bedoelt.

        Die is inderdaad per 05-09-2005 tijdens een ceremoniële plechtigheid in de Ridderzaal op het Binnenhof ingegaan; waarbij de onafhankelijke positie van de bevelhebbers van de vier krijgsmachtonderdelen is overgedragen aan de Commandant der Strijdkrachten (CDS).

        Een uitzondering vormt het nieuw gevormde Commando Koninklijke Marechaussee, dat onder bevel is geplaatst van de secretaris-generaal van Defensie.

      • Jan A. Somers zegt:

        Bedankt heer E./M. Ja, ik leef een beetje bij de dag, en sinds 2005 zijn er veel dagen, maanden, jaren voorbij gegleden. De afzonderlijke positie van de marechaussee hoort wellicht bij het gebruik van dat legeronderdeel bij politionele acties. Dat gebeurt zelfs in Nederland!

      • e.m. zegt:

        @De afzonderlijke positie van de marechaussee hoort wellicht bij het gebruik van dat legeronderdeel bij politionele acties.@

        — Dat is correct, meneer Somers. Het Commando Koninklijke Marchaussee is een politieorganisatie met een militaire status. Wel onderdeel van het politiebestel, zie Art.4 Politiewet 2012 en Art.5 Veliligheidswet BES*, maar ressorteert als zelfstandig operationeel commando onder Defensie.

        *BES staat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba

  2. P.E. Meuleman zegt:

    P.E. Meuleman (1927)
    Prof.dr. Remco Raben stelt, dat de meeste Nederlanders buiten het interneringskamp woonden tijdens de Japanse bezetting van Ned.Oost Indië. FOUT ! Als een Nederlander meer dan 50%
    Indonesisch bloed had, dan bleef hij/zij buiten het interneringskamp. Ons 100% hollands gezin moesten het kamp in, alwaar mijn vader door uitputting is overleden.
    Voorts werd de Ned.Oost-Indië kolonie beheerst door de regering in Nederland. Die stelde de regeringsambtenaren aan met de Gouverneur-Generaal aan top.
    De Nederlandse bewoners van Ned.Oost-Indië waren veelal in dienst van een Nederlandse N.V doorwelke zij waren uitgezonden voor een vooraf gesteld termijn. Zij waren geen kolonisten in de ware zin des woorden.
    Mijn vader was uitgezonden door het ministerie van onderwijs en fungeerde als leraar H.B.S.
    op verschillende plaatsen o.a. Surabaya, Malang, Semarang. Hij was geen Kolonist.
    Het is overigens onmogelijk om een éénduidig beeld te schetsen van Ned.Oost-Indië van vóór
    de tweede wereldoorlog en daarna.
    Hier laat ik het bij. Met vriendelijke groet

    • Indisch4ever zegt:

      Buiten Java werden alle Europeanen, waaronder vele van gemengde afkomst geïnterneerd. Men keek daar niet naar 50% Europese afstamming
      wbt burgers: In het begin van de internering was er een regel op Java voor burgers dat wie voldoende Indonesische voorouders had niet werd geïnterneerd. Maar er kwamen steeds meer uitzonderingen.
      Dat idee gold niet voor de krijgsgevangen. Zo werden enkele duizenden Molukkers geïnterneerd.

      Remco Raben zei dit:
      “Zo was in Nederland de Japanse bezetting tijdenlang synoniem aan het interneringskamp; pas 40 jaar later drong het besef geleidelijk door dat de meeste Nederlanders de oorlog buiten het kamp hadden doorgebracht.”
      En dit is bewezen door demografisch onderzoek. Waar men de geregistreerde nationaliteit als criterium voor Nederlander nam.
      De denkfout is dat men bruine Nederlanders niet meerekenden als Nederlander. Terwijl ze dit juridisch wel waren of cultureel hoorden bij de Nederlandse gemeenschap te Indië .
      Wat weer anders was dan lid zijn van de totok-europese groep.

      • RLMertens zegt:

        @PEMeuleman; ‘FOUT!’ – Voila de ‘de koloniaal’ aan het woord. Want zij, die meer dan 50% inlands bloed( hoe te meten?) hadden, waren GEEN Nederlanders! En dat hadden de Japanners snel in de gaten. Wellicht na bestudering van de raciale indeling in de Indische maatschappij. De meeste(!) totoks in Indië (dus ook degenen die daar ook
        geboren zijn/waren) presenteerden zich altijd met ; ‘wij Nederlanders’. Die hadden altijd het ‘koloniale gedachtegoed- en de factorij mentaliteit’ in zich. Woonden daar in hun eigen wijken/buurten. Auteur du Perron had het altijd over ‘die kolonialen, die harderrrrrwerkerrrs met hun ennesbejerrrrrs geleuter!’- zie zijn Indies memorandum!

    • Ælle zegt:

      Als een Nederlander meer dan 50% Indonesisch bloed had, dan bleef hij/zij buiten het interneringskamp..
      Dat is ook niet waar.! Mijn Opa, die als hoofdboekhouder voor de Billiton Mij. werkte, was van zijn Vader’s zijde Deens, Toen sprak de Jap volgens zeggen de magische woorden: “Met Denemarken zijn wij niet in oorlog”. Desondanks was er wel ellende en honger in de uitgebreide familie van nooitgekende nonkels en tantes.

  3. Peter zegt:

    Hi hi hr Mertens, ik, een beetje Indich bloed, heb het ook over wij Nederlanders, en straks heb ik het over wij Europeanen. Indische mensen waren en zijn in mijn ogen Nederlanders. U heeft het steeds over gevoel en gevoel is subjectief.

  4. Dominicus van den Bergh zegt:

    De heer Raben vindt de koloniale tijd verwarrend. Er is niets verwarrend aan en in feite vrij simpel. Vanaf ± 1608 bezette een privéonderneming met eigen krijgsmacht de archipel tot aan einde 18e eeuw toen zij failliet ging door corruptie (een van mijn voorvaders was schipper bij de VOC) en vanaf ± 1820 was de staat der Nederlanden de bezetter met een koloniaal leger tot 1949 met een interim bezetter van 1942 tot augustus 1945. Niet meer en niet minder. Punt aan de lijn.

    • Jan A. Somers zegt:

      “Vanaf ± 1608 bezette een privéonderneming met eigen krijgsmacht de archipel tot aan einde 18e eeuw ” Dat was geen koloniale tijd! En het was geen eigen krijgsmacht! Aangezien de jonge republiek niet in staat zou zijn zich in een ver buitenland te verdedigen, o.a. tegen de Portugezen, mochten ze met het octrooi art. XXXV, (…) Volck van Oorloge, ende Officiers van Justitie, ende andere nootelijcke diensten, tot conservatie vande Plaetsen, ende onderhoudinge van goede ordeninge, (…). Maar die moesten wel een eed van trouw aan de Staten-Generaal zweren. Dit gold ook voor schepen. De staatse vloot was echt niet in staat tot in Azië te opereren. Om zich te beschermen tegen piraterij langs de Somalische kust willen reders nu ook gewapende beschermers aanstellen. gewoon het VOC-systeem.

      • Dominicus van den Bergh zegt:

        Het is van nul en gene waarde wie de musketten, kanonnen en hartevangers bedienden. De heren zeventien deelden de lakens uit en ook de badhanddoeken al dan niet in opdracht van de staten generaal. Voor de VOC was de handel op de Oost maar een bijzaak en besloeg nog geen 10% van de omzet. Men moest het vooral hebben van de handel met de Oostzeelanden en het Middellandszee gebied. Nadat we de gordel van smaragd terug hadden gekregen van de Engeltjes vonden wij het gedwongen cultuurstelsel uit, wellicht een verbetering na het gedwongen afgeefstelsel ingevoerd door ondermeer ene heer Coen. In augustus 1945 was het na vierhonderd jaar rooftocht “time to say goodby” (had Wilhelmina gedurende WWII al eens uit haar mond laten vallen.) Daar dachten de regenten anders over en brachten een leger op de been dat Nederland nog nimmer had gezien om de bruintjes op de flikker te geven. NL zelf had geen nagels om de kont te krabben. Onafhankelijkheid? Dat maken we zelf wel uit volgens de roergangers. Schijnt dat Bernard nog een ambitie heeft gehad onderkoning van de gordel te willen worden, krek eender Mountbatten (Battenberg) maar de engeltjes hadden al wijselijk besloten wanneer Nippon naar huis was India onafhankelijk te maken. Hadden onze roergangers dezelfde koers gevaren en Boeng en Hatta in den oorlog hiervan op de hoogte gebracht waren wij nu nog dikke maatjes geweest met de jongens van de gordel. Thans gaat het land ten onder aan de ideologie van de muzelmannen. Hoe zal het er over vijfhonderd jaar uit zien?

    • RLMertens zegt:

      JASomers; ‘ dat was geen koloniale tijd’ – Wat dan wel? ‘Tot conservatie van de plaetsen ende onderhoudinge van goede ordeninge…’ – Nou, dat hebben de bewoners van de archipel geweten…gedurende ca. 3 eeuwen. Een voorbode van de verheffing der inlanders. En dan nog afscheid nemen met een oorlog!

      • Jan A. Somers zegt:

        “Wat dan wel?” Om te beginnen mijn dissertatie. Daarna kilometers archief.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘geen koloniale tijd’- Na eeuwen van eufemistische benamingen; ethisch, pacificeren etc. voor daden van onderwerping/onderdrukking met vooral een oorlog als slot is de eindconclusie; ‘daar werd niets groots verricht’, aldus socioloog van Doorn . Het was een bezetting. Door een ‘roofstaat aan de Noordzee’.
        Vooral het einde van Indië is een ‘open zenuw geworden’, die nu na 70 jaar nog pijn veroorzaakt. Veroorzaakt door het beleid van de regeringen ’40- ’50; Gerbrandy, Beel en Drees sr.!

  5. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Bovenstaand verhalen zijn bekend en worden tot vervelens aan toe herhaald. Ik kan met mijn ogen dicht de antwoorden van verschillende deelnemers aangeven. Die zijn in de loop der tijden niet of nauwelijks veranderd.

    Vragen leiden tot inzicht. Dat is in die reacties anders , want de vragen zijn er wel maar de antwoorden zijn al jarenlang een vaststaand gegeven. Bij verschillend vragen worden tot vervelens aan toe ook nog eens dezelfde antwoorden gegeven.

    Of ik als andere generatie daarvan iets leer, laat staan dat mij inzicht in het verleden geeft. ? Dat valt te betwijfelen.

    De koloniale geschiedenis is in het huidige Nederland en Indonesië een bron van verwarring. ‘Biarkan berlalu akan berlalu’ – laat het verleden toch rusten – zeggen de Indonesiërs

    Prof. Remco Raben wil die doodlopend wegen verlaten en geeft een andere weg aan: een transkoloniale geschiedenis: een geschiedenis die uitgaat van tijd en plaats als ordenende principes

    Inzicht in de Indische Geschiedenis als gezamenlijke Geschiedenis hebben we nodig. En dat begint met praten met elkaar.

  6. Surya Atmadja zegt:

    Peter van den Broek van een andere generatie zegt:
    13 december 2016 om 6:36 pm
    1.de koloniale geschiedenis is in het huidige Nederland en Indonesië een bron van verwarring. ‘Biarkan berlalu akan berlalu’ – laat het verleden toch rusten – zeggen de Indonesiërs

    2.Prof. Remco Raben wil die doodlopend wegen verlaten en geeft een andere weg aan: een transkoloniale geschiedenis: een geschiedenis die uitgaat van tijd en plaats als ordenende principes

    3.Inzicht in de Indische Geschiedenis als gezamenlijke Geschiedenis hebben we nodig. En dat begint met praten met elkaar.
    =========================
    1.NIET voor de Indonesiers, voor hun is het duidelijk wie hun helden zijn , hun “nestbevuilers/of verraders” .
    Wie de agressors zijn. Welke prijs ze moesten betalen.
    De 1ste generatie nationalisten en de gewone volk (Kromo-Marhaen) hebbenzelf mee gemaakt.
    De 2de generatie(zeg maar mijn generatie==> 65 jaar en ouder) zijn gevormd in een sfeer vannation building) .
    En het is ook begrijpelijk dat de 1ste en velen van de 2de generatie zeggen , Masa silam yang kelam jangan di buka kembali.
    De donkere verleden moet men laten rusten .
    Of Jangan merobek luka yang hampir sembuh(Geen oude wonden die bijna genezen/verdwenen zijn open reten ).
    Als de Nederlanders de behoefte hebben ( schoonship, waarheidsvinding in de geschiedenis=Indonesiers zeggen “meluruskan sejarah”) dan moeten ze het zelf weten.
    2. Een goede idee , alleen vraag ik me af met welke doel ?

    3.Tja , ben bang dat er mss te weinig gesprekpartners zijn aan de andere kant.
    Die paar zwaluwen zoals Prof Dr Wahid zijn mijn inziens behoren tot de zgn papegaaiengroep , die zelfs de beschuldigingen van sommige Nederlanders napraten, dat de Indonesiers toch een beetje stout kunnen zijn , kijk maar naar hun geweldadige kontakten met andere mede Indonesiers die pro Nederland zijn (1) of hoe ze te keer kunnen gaan tijdens de omwenteling van 1965.

  7. van den Broek van een andere generatie zegt:

    gelukkig is bovenstaande een omong kosom verhaal o.i.d.

    • Surya Atmadja zegt:

      van den Broek van een andere generatie zegt:
      14 december 2016 om 12:04 am
      gelukkig is bovenstaande een omong kosom verhaal o.i.d.
      ===========================
      Goed onderbouwd, met verifeerde argumenten.

  8. Peter van den Broek van een andere generatie zegt:

    Prof. Remco Raben vertelt eigenlijk niet veel nieuws wat ik niet al eerder bij een andere Prof. Wim Willems gelezen heb.

    Een voorbeeld van transkoloniale geschiedenis? In het verhaal over Piet van den Eeckhout mag de persoon van P.F. Dahler niet ontbreken. Het geeft eigenlijk het dilemma aan waarmee Nederlanders dwz degenen die niet geïnterneerd waren , mee werden geconfronteerd. Wordt ook het IEV erbij betrokken, dan is wellicht het plaatje voor wat betreft WO2 compleet. Trek ik de tijdlijn door, dan komt het IEV weer en duidelijk in beeld bij de onlusten in Surabaya in September/Oktober 1945. Komen na het einde van WO2 ook de Binnenkampers erbij, dan geeft dat een beeld van de Nederlandse gemeenschap in de dékolonisatie-periode onafhankelijk van de raciale tegenstellingen in Ned.-Indie. Daarbij mag de rol van Douwes Dekker, D.D. of Nes met zijn Indische Partij niet onder de tafel geveegd worden. Wel opmerkelijk is dat de rol van het IEV volledig is uitgespeeld zowel na de soevereiniteitsoverdracht Indonesië als in Nederland

    Al met al is er een politiek beeld van de Nederlanders in Ned.Indie na 1945 . Dit in samenhang met de dekolonisatie maar ook met de repatriëring mag toch wel onderzoek naar gedaan worden, het gaat tenslotte om Nederlanders onder en uit de tropenzon. Dan is representatie en representativiteit ook geen probleem

    Een laatste opmerking: Wel is veel bekend over de migratiegolven van de zgn Indische Nederlanders maar hoe, waarom en n wanneer precies de totoks uit Ned.-indie zijn weggetrokken is weinig bekend. Het lijkt mij meer een geschiedenis van Expats. Die hebben in wezen nooit in indie wortel getrokken, zijn dus ook helemaal niet ontheemd.
    Of het interessant is wat over deze minderheid, de totoks dus, te weten te komen? Wie weet, mag het zeggen.

    • Dominicus van den Bergh zegt:

      Een interessante discussie in verband met onze hobby genealogie. Ik stuit iedere keer weer op het punt nationaliteit. Mijn vrouw geboren in voormalig Nederlands Indië (1946) evenals haar broers en zuster (geboren voor en in WWII) bezitten een uittreksel uit de burgelijke stand met op de akte tussen haakjes (EUROPEANEN). Het rijkswapen staat op het document en vervolgens; “Uit het register van geboorten voor de Europeanen te Semarang enz. ” Er staat dus niet “Uit het register van geboorten voor de Nederlanders”. De vader van mijn vrouw (Nederlander) is in de jaren ’30 in dienst getreden van het KNIL en is getrouwd met een vrouw waarvan de moeder een Inlandsche is en de vader ofschoon geboren in Polen waarschijnlijk de Pruisische nationaliteit had althans dat verklaren de KNIL papieren. Grootvader was eveneens in dienst bij het KNIL en reeds in 1899 ‘afgegaan’ en in 1912 overleden. De twee kinderen uit deze samenleving zijn na het overlijden van de vader opgenomen in het instituut van Pa van der Steur ofschoon de kinderen geen vol wees waren. De vader (de Pruis) heeft de kinderen geecht en zijn indertijd opgenomen in een register; “TURUNAN DARI REGISTER TOT INSCHRIJVING DER ACTEN VAN GEBOORTE DARI PENDAFTARAN WARGA BAGI ORANG-ORANG EROPAN. Dus ook weer komt het woord Nederland of Nederlandse er niet in voor. Na de de kosteloze huisvesting voor rekening van de keizer van Japan is de vader van mijn vrouw in oktober ’45 weer terug gekeerd bij het KNIL. Het wordt mij niet duidelijk welke nationaliteit de moeder van mijn vrouw en de kinderen nu hadden bij geboorte aangezien geen van de documenten de Nederlandse nationaliteit verklaren en uitsluitend over “Europeanen” wordt gesproken. In 1947 gaat moeder en kinderen op R&R naar Nederland en zijn daar ongeveer een jaar. Nu komt het merkwaardige; in 1948 krijgt zij in Den Haag een paspoort waarin staat dat zij de Nederlandse nationalteit heeft, evenals de kinderen. Opmerkelijk ook is dat er een visum in staat voor de terugreis naar Indië (1948) afgegeven door de Nederlandsch Indische Immigratiedienst. Er is hier dus kennelijk sprake van een emigratie van uit Nederland naar Indië. De vraag is dan ook met welke document werd in 1947 gereisd naar Nederland en wat was de nationaliteit van moeder en kinderen bij geboorte uit dit huwelijk en in 1947 voor vertrek naar Nederland. Wie kan mij verder helpen?

      • Jan A. Somers zegt:

        ““Uit het register van geboorten voor de Europeanen te Semarang enz. ””Kan kloppen. In eerste instantie viel u onder de rechtsregels voor Europeanen, niet de nationaliteit. Zie Indische Staatsregeling 1925, Art.131. (…)
        (2). In de ordonnanties regelende het burgelijk- en handelsrecht worden:
        a. voor de Europeanen de in Nederland geldende wetten gevolgd, van welke wetten echter mag worden afgeweken zoowel wegens de bijzondere toestanden in Nederlandsch-Indië, als om hen met een of meer der overige bevolkingsgroepen of onderdeelen daarvan aan dezelfde voorschriften te kunnen onderwerpen;
        Daarna komt pas de nationaliteit aan de orde. Het is niet eenvoudig hoor. De inwoners van Nederlands-Indië werden staatsrechtelijk op drie onderscheidene manieren ingedeeld: 1. Ingezetenen en niet-ingezetenen; 2. Nederlanders en andere Nederlandse onderdanen tegenover vreemdelingen; 3. in groepen voorzover onderworpen aan wettelijke regelingen voor Europeanen, aan die voor Inlanders, en aan die voor Vreemde Oosterlingen (zie het artikel 131). Maar ja, de rechtsgeleerden kwamen er ook niet altijd uit. Voer voor advocaten!

    • Surya Atmadja zegt:

      Peter van den Broek van een andere generatie zegt:
      14 december 2016 om 10:23 am
      1.In het verhaal over Piet van den Eeckhout mag de persoon van P.F. Dahler niet ontbreken.
      2.Het geeft eigenlijk het dilemma aan waarmee Nederlanders dwz degenen die niet geïnterneerd waren , mee werden geconfronteerd. Wordt ook het IEV erbij betrokken, dan is wellicht het plaatje voor wat betreft WO2 compleet.

      3.maar hoe, waarom en n wanneer precies de totoks uit Ned.-indie zijn weggetrokken is weinig bekend. Het lijkt mij meer een geschiedenis van Expats. Die hebben in wezen nooit in indie wortel getrokken, zijn dus ook helemaal niet ontheemd.

      4.Of het interessant is wat over deze minderheid, de totoks dus, te weten te komen? Wie weet, mag het zeggen.
      ====================================================
      1. Te bedenken dat PF Dahler naam te lezen in de lijst van BPUPKI.
      De Komitee die de Indonesische vrijheid voorbereide.
      Kennelijk voel hij echt een Indonesische landskind .
      https://en.wikipedia.org/wiki/P._F._Dahler

      2.Het is interessant dat van de bijna iets meer dan 200.000 Indische Nederlanders van de 300.000 + Nederlanders gelukt was om buiten de kap te verblijven , en na soevereiniteitsoverdracht 31.000 de Warga Negara hadden gekozen.

      3.Als men de koloniale maatschappij samenstelling een beetje bestudeert vind t je zo de antwoorden.
      Vroeger heb je je de termen totoks blijver , barends en gasten.

      4. de totoks hebben al lang hun verhaal opgeschreven .

  9. Jan A. Somers zegt:

    In de discussies over kolonialisme en dekolonialisme in Indië-Indonesië komen feitelijk alleen Nederlanders en Indonesiërs aan de orde. In onderstaande thesis komt de zo belangrijke periode 1942-1945 aan de orde, van enorm belang voor de Indonesische revolutie. De onderzoeker was een studiegenoot van een vriend van een nichtje van mij in Australië (als u mij nog kunt volgen), studenten van Robert Cribb. Ik heb alleen de abstract weergegeven, anders krijg ik ruzie met onze kepala kampong. Ik vind eigenlijk het bronnenregister heel belangrijk, dan pas zie je hoeveel er al over een onderwerp is gepubliceerd (en nooit meer gelezen). Dat verbreedt je gezichtsveld.
    N.B. Dit is geen Heintje Davids proces!

    PRIVATE MEMORIES, NATIONAL HISTORIES:
    Indonesia and the Japanese Occupation, 1942 – 1945
    ________________
    Jacob Wray
    A thesis submitted for the degree of Bachelor of Asian Studies (Honours)
    The Australian National University.
    October 2016
    2
    This thesis is the original work of the author,
    except where otherwise acknowledged.
    Jacob Wray
    October 2016
    3
    Abstract
    ________________
    The Japanese Occupation of the Netherlands East Indies was a period of major consequence
    for Indonesia and its people. It was a politically transformative time during which the
    Japanese dismantled the Dutch colonial system and worked to cultivate a distinct Indonesian
    nationalism. However, these political changes, which made possible the existence of the
    Indonesian republic, were accompanied by immense hardship for many thousands of
    Indonesians. Among the most prominent of these hardships were forced labour mobilisation,
    institutionalised sexual slavery, and large-scale food shortages. Yet in Indonesia today, the
    Japanese period is not a matter of political consequence. It is neither a feature of the narrative
    that underpins Indonesian national identity nor a matter of historical injustice for which
    Indonesians demand appropriate financial and symbolic recompense. By drawing on oral
    history interviews and archival and other written sources, this thesis suggest three reasons why
    Indonesians, unlike citizens of many other former occupied territories, have long appeared
    indifferent to a period of history that remains highly controversial elsewhere in Asia.
    I suggest three reasons for this indifference. First, the wartime collaboration between
    Indonesian political elites and Japanese imperialists motivated Indonesia’s post-war leadership
    to reconstruct the Occupation as a triumph of anti-colonial resistance, and thus to prevent
    questions about their complicity in Japanese brutalities from being raised. This collaboration
    influenced representations of the war in official histories, and film and literature. Second, the
    staunch anti-colonial nationalism that solidified during the war and subsequent national
    revolution served to limit commemoration of the period. Indonesians broadly valued an image
    of national strength over imperial subjugation, and the lack of war commemoration prevented
    even the implicit acknowledgement that Indonesians suffered under Japanese colonialism.
    Third, Indonesia inherited a sense of coloniality as a result of Japan’s rapid post-war
    modernisation. This coloniality dramatically changed the nature of cross-border dialogue
    between the two nations, which, in turn, influenced how Indonesians viewed Japan. In the
    eyes of many, Japan was no longer just a failed empire, but also an aspirational model of
    modernity.
    4
    Acknowledgements
    ________________
    My first debt of gratitude is to Professor Robert Cribb, both for supervising this thesis and for
    his efforts throughout my undergraduate studies. I thank him for always sharing his time and
    knowledge so generously, for making me think more deeply and critically about Indonesia
    (and many more places besides), and for cultivating my interest in Asian history. I also thank
    Dr Meera Ashar for convening a thought-provoking Honours program, and for the many
    insightful and enjoyable discussions we shared.
    Fieldwork in Indonesia would never have occurred without the generous financial support of
    the ANU Indonesia Project. I pass onto them my sincere gratitude for this opportunity. I
    would also like to thank the Indonesians who so generously and patiently shared with me
    their stories about the Japanese Occupation. Their contributions made this thesis a much
    fuller piece of research. For making the time I spent in Indonesia productive and rewarding, I
    thank Yappy Burdam, Jonathan Tehusijarana, Agnes Prayogiwati, Albert Soewongsono,
    Gadis Lukman, Septi Wulandari, Ernye Hambandima, Feby Mandibondibo, and Paula
    Parinussa. In Australia, I thank Nick Metherall and Emma Roberts for helping with contacts.
    Thanks to the archivists and librarians in Canberra and Jakarta who helped me find sources,
    with a special mention to Dr Amy Chan of the Menzies Library, who, among other things,
    taught me how to use a microfilm reader. Thanks also to my fellow Honours students, in
    particular Maighdlin Doyle, Felix Pal, and Alice Dawkins, for making the year collaborative.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s