Tokio grijpt in!

Kampverlatingen en executies op Java

Met de capitulatie van het KNIL en de in Nederlands-Indië verblijvende Australische en Britse troepen raakten tienduizenden militairen in krijgsgevangenschap. Volgens de militair historicus E. Van Witsen waren aanvankelijk een kleine 70 duizend, en na de vrijlating van de inheemse krijgsgevangenen nog 27 duizend Nederlanders en 16.500 niet-Nederlanders in de kampen op Java geïnterneerd.

Japanse bajonet

Niet alleen omdat het aantal krijgsgevangenen in het begin van de bezetting het grootst was, maar ook omdat de Japanners enkele maanden nodig hadden om de internering organisatorisch te regelen, was in het begin sprake van een vrij chaotische situatie. Gedurende de eerste zes, zeven weken ontbrak nagenoeg elke controle. Overtuigd van het feit dat de Japanners zich aan de Conventies van Genève zouden houden, hielpen de in de kampen aanwezige KNIL-officieren de Japanners zelfs door de orde te handhaven en door zorg te dragen voor de registratie van de benodigde voedselvoorraden. De geboden vrijheid maakte echter dat honderden militairen het kamp verlieten…

Medio april 1942 liet het Japanse opperbevel in Tokio aan de bevelvoerende officier van het 16e Leger, generaal Imamura, blijken dat de teugels moesten worden aangehaald en dat kampverlatingen moesten worden bestraft. Tokio stuurde een drietal adviseurs naar Java om de kampcommandanten er op te wijzen steviger in te grijpen. Een week later volgden de drie generaals Soegijama, Muto en Tominaga met dezelfde boodschap.

Tjimahi

Over de situatie in het VIe Bataljon in Tjimahi werd in 1947 een getuigenverklaring afgelegd door KNIL-soldaat J. Rookmaker. Volgens hem was er in het begin slechts een KNIL-kampwacht. Vele krijgsgevangenen kregen toestemming om het kamp korte tijd te verlaten. De Japanners drongen er bij de Nederlandse kampleiding wel op aan de militairen binnen te houden. ´Bij een inspectie van een Japanse generaal verontschuldigde de Japanse kampleiding zich dat er voor de goede orde op die dag een Japanse schildwacht voor de poort van de kampen moesten staan. (…) Deze schildwacht bleef er toen maar voor het gemak staan en van toen af aan werd de wacht (…) door de Japanners overgenomen.´
De Nederlandse kampleiding kreeg daarna de opdracht kampverlatingen te bestraffen. ´Toch werden nog veel uitbrekers door de Japanners opgevangen en zó lang vastgehouden tot ze en-bloc naar het kamp werden teruggebracht. (…) De Japanse wachten stoorden zich niet aan hun meerderen en gaven soms de krijgsgevangenen gelegenheid tot ontsnappen. Hiervoor werd echter de Hollandse commandant aansprakelijk gesteld, zodat deze zich tenslotte tot de Japanners wendde met het verzoek om versterking van de wachten. Toen echter een honderd tegelijk weggelopen waren, was de situatie niet meer te houden.´
Op 1 mei 1942 werd een duidelijke waarschuwing gegeven dat zij die nu nog trachten te ontkomen gedood zouden kunnen worden. Het is niet bekend of deze waarschuwing bij alle krijgsgevangenen bekend is geworden.
Op 5 mei werden 9 personen opgebracht die de avond ervoor het kamp hadden verlaten. Onder hen de twee Nederlandse militairen Peetoom en Braam van wie bekend was dat ze vele keren eerder een nachtje buiten het kamp waren geweest. Hun vrouwen woonden in het nabijgelegen Batoedjajar. Of ze waren niet op de hoogte geweest van de nieuwe richtlijn, óf ze hadden deze niet serieus genomen. Hoe het ook zij, ze werden thuis van hun bed gelicht en meegenomen naar het kamp. Met zeven anderen (twee Ambonezen en vijf Menadonezen) moet hetzelfde zijn gebeurd. Deze laatsten werden bij de gebouwen van het IXe Bataljon neergeschoten. Peetoom en Braam, die verplicht waren geweest hierbij toe te kijken, werden daarop ten aanschouwen van hun ´eigen´kampgenoten in het VIe Bataljon door geweervuur gedood. Rookmaker: ´Dit was het eerste ernstige geval van mishandeling wat wij meemaakten.´

Grootspraak

De verhalen uit de andere kampen zijn vergelijkbaar met dat van Tjimahi. In zeven van de 22 krijgsgevangenkampen op Java werden executies verricht. De eerste vonden plaats op 22 april in Djatinanggor en Bandoeng, de laatste op 28 mei in Malang.
In Djatinanggor werd de Nederlandse commandant majoor Van Baarsel volgens eigen zeggen op 19 april tijdens een wandelingetje door het kamp gewaarschuwd door de Japanse commandant luitenant Tonoda. Een paar dagen later vertelde Tonoda hem dat vijf man zouden worden geëxecuteerd. Van Baarsel heeft dit toen aan zijn compagniecommandanten doorgegeven, ´echter onder de toevoeging dat dit wel grootspraak zou zijn.´ De richtlijn werd daarop algemeen besproken, maar ´door niemand au serieux genomen.´ Tonoda hield echter woord.

In Bandoeng werd op 21 april 1942 de order uitgevaardigd dat iedereen zijn hoofdhaar moest afscheren. Een aantal gevangenen zag wat de mogelijke consequenties waren en weigerde. Gewezen op mogelijke represailles gaven de meesten uiteindelijk toch toe. Uit een barak waar een grote anti-stemming heerste, verdwenen die nacht vijf gevangenen, om, zoals hun kampgenoten veronderstelden, zo snel mogelijk contact op te nemen met de Amerikanen die naar men dacht al veertig kilometer ten zuiden van Bandoeng in aantocht waren. De volgende dag bleek drie man te zijn gegrepen. Ten overstaan van honderden krijgsgevangenen werden ze gebajonetteerd.

Ook in Soekaboemi, Djokjakarta en Malang vonden soortgelijke executies plaats. Van Batavia is slechts bekend dat eind april/begin mei 1942 drie man van het Britse RAF-personeel uit de Glodok-gevangenis ontsnapte met het plan een vliegtuig te bemachtigen om uit te wijken naar niet-bezet gebied. Ze werden opgepakt en geëxecuteerd. De Japanse autoriteiten vertelden de Britse kampcommandant dat de mannen waren gedood ´for a more serious offence than trying to escape.´ Als we deze Britten niet meerekenen, dan komen we tot de conclusie dat op Java in totaal 32 kampverlaters werden geëxecuteerd: 18 (Indo-)Europeanen, 6 Menadonezen, 2 Ambonezen, 2 Javanen en 4 Britten.
Alleen met betrekking tot Bandoeng en Malang wordt in de stukken gesproken van bestraffingen ná de eerder uitgevoerde executies. In Bandoeng kreeg een aantal kampverlaters een celstraf. Een geïnterneerde die contact had gehad met zijn vrouw werd enige dagen samen met haar in een kooi op het kazerneterrein geplaatst. Alleen in Malang vonden executies plaats op twee verschillende momenten.
Gegevens over de omvang van het aantal kampverlatingen ná de executies zijn niet bekend. Waarschijnlijk was het middel afdoende gebleken.

Gewijzigd beleid?

In Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog baseerde Lou de Jong zich terzake vooral op de bij het NIOD aanwezige dagboeknotities van generaal Imamura. Deze laatste zou volgens Tokio te mild zijn geweest en tot de orde zijn geroepen. De eerste drie adviseurs bleken echter bij aankomst op Java zich te kunnen verenigen met het beleid van Imamura, in tegenstelling tot de generaals die hen volgden. De Jong kwam niet tot een duidelijke conclusie. Wel stelde hij dat de door de adviseurs uit Tokio overgebrachte klachten mogelijk tot een verscherping hadden geleid van het beleid ten aanzien van de krijgsgevangenen. Een bevestiging daarvoor vond hij in de executies.

Hitoshi Imamura

Bestudering van de vonnissen in de na de oorlog gevoerde processen tegen Hitoshi Imamura en Masao Maruyama, commandant van de tweede divisie van het 16e leger en commandant van het territoir West-Java, en Seisaburo Okazaki, chef-staf van het 16e leger, leidt echter niet tot de constatering dat sprake was van een bijsturing van het beleid. De beklaagden ontkenden de beschuldigingen in alle toonaarden. Ze stelden niet alleen geen weet te hebben gehad van de op plaatselijk niveau gevoerde maatregelen, maar ook zelfs dat zij alle uit hoofde van hun functie te verwachten maatregelen hadden genomen om dergelijke executies te voorkomen.
Ze werden alle drie vrijgesproken, op grond van gebrek aan bewijs.
De toenmalige president van de Temporaire Krijgsraad, mr. L.F. de Groot, onderwierp de desbetreffende vonnisstukken later aan een nadere bestudering in zijn bundel Berechting Japanse oorlogsmisdadigers in Nederlands-Indië, 1946-1949. De Groot, die evenals de Jong inzage had in de dagboekaantekeningen van Imamura, was meer dan veertig jaar na het gebeurde nog overtuigd van de oprechtheid der beklaagden.
Als het niet was op grond van een bevel van het hoge militaire gezag, om welke reden vonden de executies dan wél plaats? De bij het NIOD en Nationaal Archief aanwezige documenten bevestigen de in de vonnissen aangegeven veronderstelling: een aantal plaatselijke kampcommandanten reageerde buiten medeweten van Imamura, Okazaki en Maruyama op de komst van de Tokio-delegaties. De executies waren éénmalig, en in strijd met het gevoerde beleid. De allereerste waarschuwingen dat kampverlaters konden worden geëxecuteerd, tenslotte, werden mogelijk opgevangen op 19 april 1942, in Djatinanggor en Bandoeng.

 

Bijlage: Geëxecuteerden
22-04-1942, Djatinanggor: Smit, Gortmans, J. Hamar de la Bretonnierre, twee
Javanen (namen onbekend)
22-04-1942, Bandoeng: H. Karssen, A. Hielkema, J.W. Mercus
XX-04-1942, Malang: F. De Raadt
04-05-1942, Singosari: Gordon, A.G.F. Cheesewright, Poland, Kenneison
05-05-1942, Tjimahi: C.J. Peetoom, Braam, Wattimena, Tetehuka, Sasamu,
Ranan, Tintingon, J.P. Dalimba, Umboh
10-05-1942, Soekaboemi: W. Wilson, Dirksen (Derksen?)
23-05-1942, Malang: Singken (Sinke?), Douw van der Krap, Lanoy (Laudy?)
28-05-1942, Malang: C. Gouka, Waleleng (Walolong/Warouw?)
29-05-1942, Djokjakarta: Meyer, O. Kraag, Cramer

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

15 reacties op Tokio grijpt in!

  1. geert van der velden zegt:

    Artikel gelezen.
    JW Mercus was mijn oom. (Bandoeng) Jan (JW) was de zus van mijn moeder Agnes Mercus. Jan had 1 broer (Piet) en 2 zussen, mijn moeder Agnes en Annie.
    Mijn moeder en Annie zijn geboren in Weeze (D), Jan en Piet in Winnekendonk (gemeente Kevelaer) Allen woonden bij het uitbreken van de oorlog in Well (Lb), juist aan de andere kant van de grens
    De tekening is van Burki. Jammer genoeg hebben de beide zussen, broer en Jans vader en moeder nooit het graf van Jan kunnen bezoeken. Allen zijn intussen gestorven. Jan’s vader en moeder liggen begraven op het historische kerkhofvan Well.
    Ik beschik als oudste kleinkind (in 1950 geboren) nog over diverse foto’s van Jan en het eregraf .
    Groet,

    Geert van der Velden (Beegden)

  2. http://ww2db.com/person_bio.php?person_id=389
    Dit moet Masao Maruyama zijn .
    Het kamp te Bandoeng van 22 april 1942 moet het 15de bataljonskamp zijn , toch ?

  3. buitenzorg zegt:

    Dat is correct: het voormalig KNIL-kampement in Bandoeng-Oost, bestaande uit de kazernes van het Depot Bat. Infanterie, het XVe Bataljon Infanterie, de Luchtdoel-artillerie en het Subsistentenkader.

  4. Pingback: 22 april 1942 «

  5. buitenzorg zegt:

    Enkele aantekeningen bij bovenstaand verhaal:

    Lou de Jong had het bij het verkeerde eind toen hij sprak van twee executies in Bandoeng. Hij kon natuurlijk ook niet alles weten. Hij baseert zich in zijn verhaal (11b, pp 640-643, wetenschappelijke editie) op een secundaire bron, waaruit hij vrijelijk citeert. De ‘andere’ executie waar hij over schrijft, lijkt echter in alles op de executie van Karssen, Mercus en Hielkema. Verder komt de naam L.A. Marks in geen desbetreffend archiefstuk voor, en wordt in de veelheid van archiefstukken over de executie van Karssen, Mercus en Hielkema geen melding gemaakt van een andere executie. Dat laatste is des te opmerkelijker, omdat die executie juist was bedoeld als voorbeeld, en dus zou het logisch zijn geweest dat naar andere executies zou zijn verwezen om aan te geven of het voorbeeld had gewerkt. In de bedoelde bron van De Jong is mogelijk om redenen van privacy o.i.d. de naam van Mercus in Marks veranderd Het totaal van de door De Jong genoemde executies ter bestraffing van kampverlatingen is dus ook niet juist.

    Wat de executies in Bandoeng betreft nog het volgende. De bronnen uit 1946 en 1947 (berustend bij NA en NIOD) maken melding van het volgende.
    Het kamp werd geleid door commandant H. Poulus. Deze meldde dat er ca. 12.000 gevangenen waren ten tijde van het gebeurde. Het aantal kampverlatingen was veelvuldig. Getuige H.J.W. Bentinck: “De Inheemsen lopen vrij in en uit. De bewaking is maar zeer beperkt. Het gevolg hiervan is dat hun aantal met de dag minder wordt en er op zekeren dag geen enkele meer over is. (…) Het aantal gevangenen verandert elk uur. Door de zwakke bewaking en mede door het slechte eten gaan velen via het prikkeldraad naar buiten als de duisternis is ingevallen. Vooral degenen wier vrouwen in Bandoeng wonen maken van deze gelegenheid gebruik om er een nacht tussenuit te trekken. De volgende ochtend, voor het opgaan der zon, komen zij dan terug, want elke ochtend worden wij trouw geteld door onze eigen commandant. (….) Zij zijn erg soepel, omdat de Japanners niet controleren.”
    Bentinck vervolgt zijn relaas door er op te wijzen dat de Japanners maatregelen nemen door bijvoorbeeld de handel bij de omheining te verbieden; de situatie verandert echter niet. Ook ontsnappingen worden tegengegaan: “De prikkeldraadversperring wordt door de Japanners versterkt om de uitknijpers te keren, doch dit helpt niets. Wel is het niet meer zo gemakkelijk om er door te komen, doch er zijn middelen om de Japanse wacht het zwijgen op te leggen. Deze wacht bestaat uit stoottroepen en deze zijn dol op horloges, vulpennen en andere luxe artikelen”. Weer later komt er 3x daags appel. Resultaat nihil. De compagnies lenen mensen aan elkaar uit om de tellingen te laten kloppen.
    Kampcommandant Poulus bevestigt de uitspraken van Bentinck. Hij verklaart verder dat velen zich ook permanent aan krijgsgevangenschap onttrekken.

    Wat de waarschuwingen betreft: hierover is weinig te vinden. Slechts een enkele getuige, kampcommandant Van Altena, verklaarde later dat de Japanse kapitein Kawakatsu hem meermalen had gewaarschuwd dat kampverlaters zouden worden gedood, en dat hij – Van Altena – dit aan de krijgsgevangenen zou hebben doorgegeven.
    Op 21 april werd de order uitgevaardigd dat iedereen zijn hoofdhaar moest afscheren of knippen. Een aantal gevangenen vat het op als herkenningsteken om ontvluchten tegen te gaan, en weigert. Gewezen op mogelijke represailles geven de meesten daarna toch toe. Uit een barak waar een grote anti-stemming heerst, verdwijnen die nacht vijf gevangenen. Om, zoals hun kampgenoten veronderstellen, zo snel mogelijk contact op te nemen met de Amerikanen die naar men dacht al veertig kilometer ten zuiden van Bandoeng in aantocht waren.
    Op 22 april, ’s morgens vroeg, blijkt dat drie van de ontvluchters zijn gepakt. Na te zijn geslagen worden ze rond het middaguur, in het midden van het kamp, ten overstaan van honderden krijgsgevangenen in opdracht van Kawakatsu gebajonetteerd. Poulus: “Na dit voorval was het duidelijk dat de Jap niet voornemens was zich aan enige Internationale Conventie (…) te storen, zodat ik er toe overging (…) te waarschuwen tegen de gevolgen van ontvluchtingspogingen. Niettemin werd ik zeer kort na de bovenomschreven executie wederom bij de Japanse commandant ontboden, die mij mededeelde dat wederom drie krijgsgevangenen een poging tot ontvluchting hadden gedaan en daarvoor zouden worden geexecuteerd. Nadat ik mij met de kampcommandanten persoonlijk garant had gesteld dat in de toekomst niemand meer zou ontvluchten, is het gelukt de straf van betrokkenen veranderd te krijgen in celstraf, waaruit zij na enkele weken werden vrijgelaten”.

    Op 14 juni vertrokken ca. 5000 Indo-Europeanen naar Tjimahi. Poulus: “ De Inheemse militairen, van wie de Javanen en Soendanezen grotendeels reeds in april 1942 waren vrijgelaten, bleven in Bandoeng achter. De resterende Europeanen, ten getale van ongeveer 4800 man, werden – op enkele uitzonderingen na – op 20, 21 en 22 jui in groepen naar Tjilatjap afgevoerd”.

  6. Erwin zegt:

    L.S.,

    ik heb een kleine aanvulling/aanpassing op bovenstaand verhaal aangaande de executie van mijn grootvader. De executie op xx-04-1942 te Malang: F.J. de Raadt (ipv P. de Raadt).

    Alvast bedankt voor de correctie.
    Groet,
    Erwin de Raadt.

    • buitenzorg zegt:

      Erwin, ken je de juiste overlijdensdatum van je grootvader? Heb je daar misschien een of ander (officieel) document van?
      Bert

      • Erwin zegt:

        Beste Bert,
        Begin 1948 heeft mijn oudoom, de oudste broer van mijn grootvader, briefcontact gehad met een adjudant. Ik kan de naam evt. later nog noemen. Volgens deze adjudant, die indertijd samen met zijn broer in het Malang kamp verbleven, heeft op 16 april rond 22uur ’s avonds de executie van mijn opa plaatsgevonden. De tegenstrijdigheid is natuurlijk dat dit zou betekenen dat er vóór 22 april 1942 al executies werden verricht. Helaas heb ik hier geen officieel document van en ik vraag mij af óf er uberhaupt een (officiele) melding van is gedaan toendertijd.. Ik heb alleen de brief die mijn oudoom heeft ontvangen (dd. 10-02-1948) met bovenstaande informatie.
        Groet,
        Erwin de Raadt.

  7. buitenzorg zegt:

    Dank je, Erwin. Ik heb de bijlage aangepast. Wel ga ik nog een keer op zoek naar mijn eigen stukken over deze kwestie, om te controleren of de data m.b.t. Malang kloppen. Dit is een al weer wat ouder artikel, de stukken zijn naar onderen verschoven… 😉

  8. Hans Boers zegt:

    Bert, in je conclusie zeg je dat er op Java onder de 32 geëxecuteerden onder meer 2 Ambonezen waren (5 mei 1942 Tjimahi.) Op deze dag werden echter te Tjimahi naast de 2 Ambonezen ook 5 Menadonezen terechtgesteld. Zie je bijlage Geëxcuteerden.(Rauan, Sasamu, Tintingon, Umboh en Dalimba) Zijn deze 5 Menadonezen door jou in het aantal van 18 (Indo)-Europeanen opgenomen? In dat geval lijkt het me niet juist dan.

    Lodewijk de Geer Boers heeft een tweetal tekeningen gemaakt van het massagraf van deze 2 Ambonezen en 5 Menadonezen gemaakt te Tjimahi maart 1944. Zie geheugenvannederland dot nl

    Groet/Hans Boers

    • buitenzorg zegt:

      Beste Hans,
      Dank voor je correctie! Ik weet ook niet hoe het is gebeurd, maar ik liet 6 Menadonezen uit de tekst. Ongewild, natuurlijk, want het totaal noem ik wel: 32. Ik noem hen ook bij naam in de bijlage. Een verschrijving, anders kan ik het niet zien. Heb het aangepast. Nogmaals dank.
      Bert

  9. Henk ANTHONIJSZ zegt:

    Beste Hans Boers,
    In Bandoeng heb ik Hans Boers gekend. Samen met hem getennist. Hij kwam vaak bij ons thuis. Jaren 1956/1957.. Familie van je?
    Hartelijke groet,
    Henk Anthonijsz (1926)

  10. Lars Roobol zegt:

    Mijn grootvader Jan Roobol (1914) is ooggetuige geweest van de executie van de heren Peetoom en Braams. Op http://www.femkeroobol.nl/achtergrond/achtergrond_tropenjaren.html#WWII heb ik een foto van een zeepdoosje gezet dat naar aanleiding van die gebeurtenis is gegraveerd door een geïnterneerde in kamp Tjimahi (“kampkunst”). Ernaast een briefje van mijn grootmoeder, die het verhaal voor de kleinkinderen heeft opgeschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s