´Het waren slechts inlanders´

De afgelopen weken stond Jakarta – voor de zoveelste keer – onder water. Het aantal slachtoffers ligt rond de 60. Dat onheil van alle tijden is, toont ons de berichtgeving over een zeeramp bij Batavia, een eeuw geleden. Belangrijker de vraag hoe daarmee om te gaan…

Prauwen in Kota Batavia, 1913 (foto Frank Hurley)

Door Bert Immerzeel

Op donderdag 14 mei 1908 meldde Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië dat twee prauwen dicht bij Tandjoeng Priok in botsing waren geweest en een groot gedeelte der opvarenden verdronken zou zijn.

“Het weer was gisterenavond bijzonder ruw, en af en toe dik van regen”, schreef het blad, “en daarvan was het gevolg, dat tussen Tandjong Priok en Tjabangboengin een prauw met meer dan honderd padisnijders op weg naar Tjabangboengin in botsing kwam met een vissersvaartuig. De gevolgen moeten verschrikkelijk geweest zijn; meer dan 60 personen zijn vermoedelijk verdronken. Verdere bijzonderheden ontbreken.”

Een dag later vervolgde het blad: “Van de overlevenden der ramp, gisteren door ons gemeld, zijn tot dusver 18 personen alhier aangebracht, allen in deerniswekkende toestand. Meerdere lijken zijn reeds hier en daar aan wal gespoeld, o.a. te Tandjoeng Priok een tiental. Vele inlanders begaven zich hedenmorgen derwaarts, om te trachten de lijken van familieleden te herkennen.
Een stoombarkas van de havendienst is hedenmorgen naar buiten gegaan, om nadere berichten in te winnen. Tot 3 uur heden middag was de barkas nog niet teruggekeerd.”

Dit laatste bericht was dus van vrijdagmiddag. De stoombarkas was dus uitgezonden op zoek naar slachtoffers anderhalve dag ná het gebeurde.
Op zaterdag bleek eerst echt de omvang van de ramp:

“De omvang van het ongeval dat in de nacht van woensdag op donderdag heeft plaats gehad, schijnt nog veel groter te zijn dan aanvankelijk werd gevreesd. Men spreekt thans van niet minder dan zeven prauwen, bemand met een paar honderd personen, welke in de nacht zouden zijn vergaan. De stoombarkas van de Waterstaat die er gisteren op uit ging om tussen de eilanden naar lijken te zoeken, bracht hedenmorgen niet minder dan 48 lichamen van die ongelukkigen mede. Merendeels waren het vrouwen, ook een enkel kind was er bij. Het was een gruwelijk en deerniswekkend gezicht, die prauw vol doden, van de meeste de ledematen in doodskramp vertrokken, met verwrongen gelaat, reeds beginnende over te gaan tot ontbinding. Slechts een der lijken is herkend; het werd door de familie meegenomen. De  anderen worden in een gemeenschappelijk graf ter aarde besteld ter zijde van het havenkanaal. Aan de kust, langs de gehele baai van Batavia, spoelen voortdurend nog lijken aan, ook op minder bewoonde en bezochte plaatsen, en het is een vreselijke gedachte voor de achtergeblevenen, dat die lichamen daar vergaan, wellicht zelfs geschonden worden door honden of ander gedierte. De barkas van den Waterstaat gaat er weder op uit, om verder langs de kust en tussen de eilanden te zoeken.”

Het Bataviaasch Nieuwsblad gaf de maandag daarop een kritisch commentaar:

“De zee zwijgt en geeft slechts een deel van haar prooi terug. De opgave van het aantal lijken dat teruggevonden is wijst op dit ogenblik een totaal cijfer aan van 122, Vrijdagavond werden te Passar Ikan aangebracht 44 lijken; waarvan 37 vrouwen, 4 meisjes, 1 man en 2 kinderen. Hiervan werden slechts vier herkend, elk afkomstig van een andere kampong. Een dezer werd door de familieleden meegenomen en begraven in de kampong. De overigen zijn zaterdag begraven op het kerkhof van kampong Moeara Betawi, met de gebruikelijke plechtigheden. Zaterdagmiddag moeten te Passar Ikan nog 7 lijken van vrouwen zijn aangebracht, mede in verre staat van ontbinding verkerende. Op de eilandjes Tjeper, Kèlor en Sakit moeten de aan land gespoelde lijken begraven zijn, bij elkander 43 of 44 in aantal. Te Tandjong Priok zijn Zaterdag aangebracht 11 en 7 lijken, meest alle van vrouwen. Nog spoelde die dag een vrouwenlijk aan bij het wrak voor Petit Trouville. Zondag zijn nog 9 lijken binnengebracht, waaronder slechts enkele van mannen. Intussen vernamen wij dat in den loop van gisteren wederom enige lijken zijn aangebracht en aangespoeld, terwijl men op de eilanden de handen vol heeft met het begraven van de daar op het witte strand geworpen lijken. De assistent-wedana van Pendjaringan, de wedana van Batavia, de mantri politie van Pendjaringan, de assistent wedana van Kemajoran, de controleur voor de politie en schout Hinne zijn sedert Zaterdag in de weer en vergezellen vaak de beide stoombarkassen, die de lugubere arbeid verrichten op zee. Het zal nog wel enige dagen duren voordat men gereed zal zijn, zo werd ons schamper opgemerkt. Nog altijd is niet bekend hoeveel prauwen zijn omgeslagen en haar levende lading in de kokende golven hebben uitgeschud. De 18 op zee geredden moeten afkomstig zijn van één enkele prauw, – een bewijs dat bij spoedige hulp nog heel vele mensen gered hadden kunnen worden die thans langzaam verdronken zijn, of in de diepte gesleurd werden door de haaien. Het geringe aantal mannenlijken wekt bij de bevolking verwondering. Het aantal mannen, die uitgetrokken zijn om de padi te pikelen, die door de vrouwen moest worden gesneden, was niet veel kleiner dan dat der snijdsters. Waarom dan is het negen tiende deel van het aantal lijken dat van vrouwen? Welk mysterie heeft zich in die zwarte nacht van ontzetting afgespeeld?
De prijs van vis op de Pasar Ikan is sedert de ramp aanzienlijk gedaald. Het bijgeloof der inlanders weerhoudt hen de vis te eten, die zich wellicht gevoed heeft met het vlees van mensen. Maar de ontzaglijke les van thans zal niet weerhouden dat het volgende jaar opnieuw duizenden zullen heentrekken naar het oosten der residentie, hun leven toevertrouwende aan prauwen, die voor het vervoer van mensen niet in aanmerking mochten komen. Er zal dan natuurlijk al evenmin van de zijde der waterpolitie iets gedaan worden om het uitvaren in zulke, voor dat doel, onzeewaardig te oordelen vaartuigen te beletten.(…)”

De plaats van de ramp, tussen Priok en Tjabangboengin (rechtsboven)

Ethische politiek

Het Nieuwsblad vervolgde met de plaatsing van een ingezonden brief van één der lezers, “een van schrijnende verontwaardiging trillende uiting, uit de boezem van het volk tot ons gekomen”:

´Geachte Redacteur, Het was met een gevoel van innige deernis dat ik uw relaas over de ramp voor Pondok Doea las. Met innige deernis maar ook met een gevoel van machteloze verbittering tegen de mensen die geroepen schijnen hier te heersen maar van hun heersersplicht al een zeer onbevredigend begrip hebben. Het had in Holland moeten gebeuren dat er honderden mensen omkwamen als evenzovele nutteloze wezens, — waar men even kassian voor heeft om dan over te gaan tot de dagelijkse sleur,— omdat de ergerlijke indolentie der Hollanders genoegen doet nemen met een politie die alleen de naam gemeen heeft met wat politie zijn moest. Daar zijn op zee nog uren, dagen wellicht, na de vreselijke nacht van woensdag, vele mensen verzopen die gered hadden kunnen worden wanneer de Nederlanders niet pleegden genoegen, altijd en overal, te nemen met halfheid. Het is een vervloekte schande, meneer de Redacteur, — u moet mij mijn harde woorden vergeven, zij geven wat lucht! —dat men hier vrijdagmiddag noch bij de havenmeester noch bij de waterpolitie, noch ergens elders, iets wist van het ontzettend ongeluk. Toch las ik dat donderdagmorgen reeds, de eerste drenkeling te Batavia van de ramp bericht had gebracht. Als toen nog dadelijk hulp was verleend — (de mensen verdronken nota bene in het gezicht der kust!) — als die donderdag dan, dadelijk hulp was uitgezonden, dan had men vrijdagavond niet zo veel krengen behoeven aan te voeren, als het geval geweest is, krengen, verminkt door de tanden van de vissen der zee, en de honden der strandkampongs, door de klauwen en snavels der kraaien. Maar neen, vrijdagmiddag was er nog niets van bekend. Men is er toevallig achter gekomen, misschien wel door de krant. Wat doet het er ook eigenlijk toe, nietwaar, of er een paar honderd verachte bruine mensen meer of minder leven. Men maakt er proces-verbaal van en begraaft de krengen of laat ze drijven! Wanneer de inlander dit besefte! Wanneer hij begreep dat de Hollanders in Holland niet zouden wagen te tonen de treurige moed van het ellendig plichtverzuim dat zij zich in de koloniën veroorloven! Wanneer hij, in massa, eindelijk de onmetelijke kloof vermocht te peilen — zoals enkelingen reeds doen — die de Nederlandse onderdaan van bruine kleur scheidt van de bevoorrechte blanke onderdaan!! Er zijn ogenblikken dat ik de tijd nabij, heel nabij zou hunkeren, zoals men hunkeren kan naar onthouden recht. Maar neen, men laat ons in de veilige onwetendheid, sust zich met wat gebrekkig, ten dele door ons zelf betaald onderwijs, men schimpt op onze karakterfouten, verheft zich op eigen vermeende superioriteit, steunt ons niet, reikt ons de hand niet, en… zendt expedities uit van belastingen en opiumgeld. Niet waar, wat doet het er toe of er vierhonderd stumpers, die een karig loon najoegen, verzuipen als ratten; —vaak worden er in den archipel, de eilanden van de bruinen man, op één dag méér mensen neergelegd. Gods ondoorgrondelijkheid gaf de Javaan de duldzaamheid van de ezel.´

Het nawoord van de redactie van het Nieuwsblad. “Dit is wat de ontwikkelde inlander ons te zeggen heeft. Wij willen door geen toevoeging de indruk verzwakken. Alleen de opmerking dat waar hijzelf ons machtigde zijn naam te noemen, wij van deze machtiging nochtans geen gebruik zullen maken, om de Hollanders niet nieuwe reden tot schaamte te geven. De man toch… is ambtenaar.”

Voor de duidelijkheid, nogmaals, het schrijven was dus van een Indonesische ambtenaar, die een schreeuwend beroep deed op het verantwoordelijkheidsbesef van de blanke heerser. Was niet kort tevoren in administratieve kring de roep gehoord om een meer ´ethische´ koers van het koloniale bestuur? Was daarbij niet aangegeven dat het moederland Indonesië niet alleen diende te zien als een wingewest, maar ook een verantwoordelijkheid had jegens al haar inheemse onderdanen?

haven Tandjoeng Priok

´Het waren maar inlanders´

Het Bataviaasch Nieuwsblad maakte in zijn berichtgeving een vergelijking met scheepsrampen die kort daarvóór hadden plaatsgevonden in Nederland, het ondergaan van de mailboot Berlin bij Hoek van Holland, en die van het stoomschip Amsterdam:

“Bij de mailboot Berlin: één grote emotie door heel het land, ja, door geheel Europa; bij de Berlin: heldhaftige, onversaagde pogingen, die door ieder, aanzienlijk of gering, werden in het werk gesteld. Tot de hoogste in het land, tot Prins Hendrik toe, beijverde iedereen wie dit mogelijk was, zich om te helpen; aanstonds na de ramp werden die pogingen begonnen, zonder zich rust te gunnen werden ze herhaald. De wijze waarop men toen in Nederland zich heeft gedragen, heeft de bewondering gewekt van geheel Europa. (…)
En toen in dit voorjaar 20 mensen vermist werden van het aangevaren stoomschip Amsterdam, hoe is Nederland toen niet weer in beroering gebracht! Stoomschepen, sleepboten, torpedoboten, alles werd uitgezonden om toch maar dadelijk hulp te kunnen verlenen.
En hier?
De ramp had woensdagnacht plaats; Donderdag morgen was hier rede het een en ander bekend, maar niemand die zich er speciaal iets van aantrok. Toevalligerwijze waren we in staat donderdagavond het bericht in ons blad mede te doelen, maar zo weinig was men hier in de officiële kringen ontroerd door het nieuws, men vond liet blijkbaar zo weinig belangrijk, dat de beide andere plaatselijke bladen er niets van hadden vernomen. Nogmaals, dat het publiek dus, een dag na het gebeurde, op de hoogte word gesteld dat er iets was voorgevallen, was geheel een toeval.
Evenwel, donderdagavond wist men het in elk geval.
Wat deed men toen? Niets, absoluut niets. Men wist dat minstens 80 mensen te water waren geraakt, dat wellicht nog ettelijke mensenlevens te redden waren, men deed niets. Een oorlogsschip lag in de kom van Tandjong Priok, maar er gebeurde niets. Ook Vrijdag zou er niets zijn gebeurd, wanneer niet toevalligerwijze een Waterstaatsambtenaar, de heer G. J. H. Koen, initiatief genoeg had bezaten om er met de barkas op uit te gaan. Hij bracht toen de eerste lijken hier aan, en weder een dag later werden die ongelukkigen dadelijk ter aarde besteld. En op welke wijze! Waar  was het gevoel van betamelijkheid in de Nederlander, dat bij de ramp van de Berlin zo duidelijk was gebleken! In een open prauw, als geslacht of verongelukt vee, lagen de lichamen daar dooreen. Niemand die zich er iets aan liet gelegen liggen.
Wij trekken een parallel tussen het optreden van Prins Hendrik, verleden jaar te Rotterdam, en het totale gebrek aan enige belangstelling bij onze bestuurders hier. En wij spreken schande over de manier, waarop in deze met onze mede-onderdanen is omgesprongen.
Het waren maar inlanders, zal men wellicht zeggen, en ge kunt toch niet verlangen dat de Landvoogd zich voor inlanders zal gaan moeilijk maken. Bij de Berlin waren het Europeanen, daar was het optreden van Prins Hendrik dus verklaarbaar.
Goed, goed, het zijn maar inlanders geweest. Maar tussen het sympathieke en actieve optreden van den Prins, en het gemis aan, wij zeggen niet belangstelling, maar aan enig initiatief bij de mannen van ons bestuur, is het verschil toch te groot. Zaterdag morgen, 2 dagen na het gebeurde, is eindelijk voor het eerst een order gegeven om er op uit te gaan. Voordien moest er verzocht worden, ´of het mocht´!(…)
Dat op schrikkelijke, op onverantwoordelijke wijze is omgesprongen met de levens van medemensen, blijkt wel hieruit dat gistermiddag, dat is dus 3,5 etmaal na het gebeurde, nog 8 overlevenden te Priok werden aangebracht, die zich hadden vastgeklemd aan een prauw golek, en na lang te hebben rondgedobberd, naar het strand werden gedreven.
Hoe velen van dergelijke ongelukkigen hebben het géén drie dagen kunnen uit houden, en zijn na één of twee dagen van doodsangst, van ellende en uitputting gestorven?”

Kamervragen

Henry van Kol (SDAP)

Op 18 juni 1908 stelde het Tweede Kamerlid Henry van Kol (SDAP) aan de Minister van Koloniën de volgende vragen: “Is de Minister bereid een volledig onderzoek te doen instellen (en de resultaten daarvan vóór de behandeling der aanstaande Indische begroting mede te delen) naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen: 1. Zeeramp. a. naar de oorzaken der zeeramp van 14 Mei j.l. waardoor in de nabijheid van Tandjoeng Priok honderden mensenlevens verloren gingen; b. naar de reddingsmiddelen die aanwezig waren on de wijze waarop daarvan gebruik is gemaakt; c. naar de maatregelen, welke door de Indische Regering worden beraamd om in den vervolge zulke rampen naar krachten te voorkomen, en in elk geval de gevolgen daarvan te verzachten?”

Dat onderzoek kwám er. De Minister antwoordde enkele maanden later:

“Ten vervolge op de beantwoording van de vraag van den heer Van Kol, betreffende het instellen van een onderzoek in verband met de zeeramp nabij Tandjoeng Priok op 14 Mei 1908, heeft de Minister van Koloniën, de heer Idenburg, medegedeeld, dat uit een onderzoek, dat reeds onafhankelijk van de vraag was ingesteld, het volgende is gebleken;
De oorzaken van de zeeramp. Sinds mensenheugenis trekken jaarlijks tegen de tijd der padisnit grote scharen inlanders, mannen, vrouwen en kinderen, naar de uitgestrekte rijstlanden, gelegen in de afdelingen Meester Cornelis en Krawang.
Omdat de reis daarheen over land, voor zover die mogelijk is, bezwaarlijk en kostbaar is, kiest verreweg het merendeel dier lieden sinds jaar en dag de kortere weg over zee. Zij zakken daartoe met kleine prauwtjes de rivieren af, die om en bij Batavia in zee uitmonden, stappen te Batavia dan wel te Tandjong-Priok in grotere zeeprauwen over en steken in zee langs het oude havenkanaal of een der kreken ten oosten van Tandjong-Priok. Ten einde te kunnen profiteren van den landwind, wordt eerst tegen 9 of 10 uur in de avond zee gekozen.
De prauwen, gebezigd voor het vervoer der padisnijders, zijn voldoende zeewaardig; het zijn vaartuigen, welke herhaaldelijk hetzelfde traject afleggen, beladen met handelsgoederen en marktgangers.
Jaren en jaren achtereen geschiedde het vervoer der padisnijders op deze wijze zonder ongeval, zodat door de inlandse bestuursambtenaren geen bijzondere aandacht werd geschonken aan die algemene jaarlijkse exodus of controle werd geoefend op de grootte van de lading.
In de nacht van woensdag 13 op donderdag 14 mei j.l. stak een 27-tal prauwen in zee, vertrekkende van 3 of meer punten aan de kust, waarop zich, naar zeer globale schatting, 1500 inlanders bevonden. Hoeveel passagiers elke prauw aan boord had, is niet met zekerheid op te geven. Uit de mededelingen van prauwvoerders en geredden kan evenwel worden afgeleid, dat het aantal varieerde tussen 30 en meer dan 100 personen, terwijl ook gemeld wordt, dat op een pleisterplaats passagiers, zonder zich te bekommeren om overlading, van de ene prauw in de andere overgingen, ten einde plaats te nemen in het vaartuig waar familie of kennissen zich bevonden.
Volgens het verhaal van verschillende uit één prauw afkomstige geredden zeilde hun prauw tot ongeveer 10 uur ’s avonds en ging toen ten anker, daar de wind ging liggen. Men zeilde om 12 uur ongeveer verder en werd twee uur later overvallen door een stormvlaag, gepaard met een hevige slagregen, terwijl het zo donker was, dat men geen hand voor ogen kon zien. Men bevond zich toen ongeveer op de hoogte van Sembilngan en Pondokdoewa, voor de hoek van Krawang, p. m. 3 à 4 uur zeilen ten oosten van Tandjong-Priok, dus niet in de onmiddellijk nabijheid daarvan. Personen, die die nacht te Priok vertoefden, verklaarden zelden zulk noodweer te hebben bijgewoond.
De prauw, waarvan hier sprake is, liep vol water en sloeg om. Een gelijk lot trof 8 andere prauwen; van twee daarvan, afkomstig van Krawang, werden alle opvarenden gered. De zes overige waren afkomstig van Batavia, een daarvan was beladen met goederen en had slechts een gering aantal mensen aan boord. Het juiste aantal slachtoffers is niet op te geven, doch voor zover is op te maken uit de rapporten en verhoren, zouden er zijn omgekomen van de afdeling Batavia 47, Meester-Cornelis 263, totaal 310 personen. Een volgende morgen, donderdag 14 Mei, des morgens te 6 uur, was het gebeurde bekend bij de hoofden, wier standplaats in de onmiddellijke nabijheid van de plaats des onheils is gelegen, ressorterende onder het district Bekassi. Met een aantal prauwen zijn zij er dadelijk op uitgegaan om te redden, wat nog te redden viel.
Zij gaven echter aan de autoriteiten te Tandjong-Priok, waar stoomboten aanwezig waren, die voor het reddingswerk nuttiger waren dan inlandse vaartuigen, geen kennis van het ongeval, waarschijnlijk wegens de betrekkelijk groten afstand daarheen en de moeilijke communicatie langs de noordkust. Evenzo verzuimde een inlandse ambtenaar te Batavia dondermorgen, toen enige geredde personen naar binnen gebracht werden en hij daarvan proces-verbaal opmaakte, onmiddellijk de assistent-resident van Batavia kennis te geven dat een zeeramp had plaats gehad, hetgeen daaruit is te verklaren, dat de berichten toen luidden, dat in de nabijheid van Tjilintjing een prauw met 50 à 60 mensen zou zijn vergaan, van wie de hoger vermelden gered en de overigen vermoedelijk omgekomen zouden zijn. Evenzo kreeg de assistent-resident van Batavia uit berichten, welke hem die avond toevallig ter ore kwamen, de indruk, dat er slechts één prauw was vergaan en dat het te laat was om nog hulp te verlenen. Ten gevolge van een en ander is de gehele omvang van de ramp eerst geleidelijk en te laat ter kennis der autoriteiten gekomen.

De reddingmiddelen. De te Tandjong-Priok voorhanden reddingmiddelen, zijn volgens de havenmeester te Batavia ruimschoots voldoende; doch onder de sub A vermelde omstandigheden is er geen gebruik van gemaakt. Daar uit de inlichtingen, welke de minister ontving, niet blijkt, waaruit die reddingmiddelen bestaan, zijn de gouverneur-generaal daarover nadere inlichtingen gevraagd.

Maatregelen voor de toekomst. Ten einde in het vervolg zulke rampen naar krachten te voorkomen en in elk geval de gevolgen daarvan te verzachten, zijn bevelen gegeven om toezicht te houden op de lading van de prauwen, welke elke woensdagnacht zee kiezen, om goederen en pasargangers over te brengen naar de plaatsen aan de kust van Bekasi en Krawang, en is aan een inlands ambtenaar last gegeven om bij, elke afvaart van Tandjong-Priok tegenwoordig te zijn, ten einde te voorkomen, dat door prauwvoerders te veel passagiers worden ingenomen. Voorts zijn aan Europese en inlandse ambtenaren schriftelijke instructies verstrekt hoe te handelen, wanneer hun de tijding bereikt van een ramp op zee, terwijl voor meer telefonische verbinding van ambtenaren is gezorgd. Ook hebben particulieren, onder wie de prauwen varen en de Paketvaartmaatschappij, verklaard dat in voorkomende gevallen op hun hulp kan worden gerekend. Overigens is nog de vraag in overweging in hoeverre verbetering van de communicatie te land in de bedoelde streek langs de noordkust van Java mogelijk is.”

Aldus Minister Idenburg. Voor zover wij weten heeft zich nadien in de nabijheid van Tandjoeng Priok geen ramp van gelijke omvang voorgedaan. Eerst in 1934 zou een soortgelijke gebeurtenis plaatsvinden in de Straat van Madoera. Of daarbij lering werd getrokken uit de aanbevelingen van de Minister vertelt het verhaal niet…

x

Bronnen
Algemeen Handelsblad, 28 juni 1908
Bataviaasch Nieuwsblad, 18 mei 1908
Het Nieuws van den Dag voor Nederlands-Indië, 14 – 18 mei 1908, 15 oktober 1908

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

3 reacties op ´Het waren slechts inlanders´

  1. J.Michiel Alma zegt:

    Altijd goed als en dat zulke verhalen uit de geschiedenis worden opgedoken . Ter lering …..

  2. Boudewijn van Oort zegt:

    Een ontroerend verhaal.

  3. Ron van der Burgh zegt:

    Plaatsvervangende schaamte ……

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s