Het raadsel van de blauwe zalf

De stand van de medische wetenschap in Nederlands-Indië

Meestal zie je op foto´s wat je ziet, en blijft het daarbij. Soms echter moet  je echter wel drie keer kijken om te weten wat wordt afgebeeld, en kom je tot de ontdekking dat schijn bedriegt…

Artsen met blauwe zalf (foto G.M. van der Molen)

Door Bert Immerzeel

De foto werd me ooit toegezonden met het bijschrift: ´mijn ouwe heer in een karretje in Medan, zo rond 1936´. Zo veel wist ik dus. En ook wist ik dat de man een dokter was. Maar verder? Die enorme pot blauwe zalf onder zijn linkerhand? Wat is dat eigenlijk, blauwe zalf?

Enig zoeken op het internet helpt ons hier uit de brand: blauwe zalf, officieel kwikzalf geheten, was een veel gebruikt middel tegen schurft en allerlei andere huidaandoeningen. Het bestond uit een mengsel van varkensreuzel en kwik. Omdat het al eeuwenlang in de markt was, werd de werkzaamheid ´uitgebreid´ tot de bestrijding van allerlei andere kwalen zoals syfilis. Ook werd het, net als Coca Cola tegenwoordig, aanbevolen voor het losdraaien van vaste bouten en moeren.

De Oosthoek Encyclopedie van 1916 beschrijft het als volgt:  “Kwikzalf, – een blauwachtig-grijze zalf, die verkregen wordt door 30 delen kwik te wrijven onder 5 delen wolvet totdat het kwik hier zóó fijn in verdeeld is, dat men geen metaalbolletjes meer ziet. Daarna worden 65 delen benzoëreuzel toegevoegd. Heet in de volksmond blauwe zalf, blauwe boter, hoofdpommade, familiezalf, ruiterzalf.”

Reclame voor blauwe zalf

De genoemde samenstelling, 30 delen kwik en 5 delen wolvet, daar was veel om te doen. Hier lag een enorm terrein braak voor allerlei kwakzalvers die het niet zo nauw namen met de ingrediënten en hoeveelheden. Zo schreef een correspondent van het Orgaan van den Apothekersbond in 1919: “Gaarne wil ik mijn hart weer eens luchten. Ik heb een hoop nieuws waarop ik den aandacht van het hoofdbestuur wil vestigen. Laat ik beginnen met te zeggen dat tegenwoordig iedereen zich gerechtigd en bevoegd acht om medicamenten af te leveren. En op welk een manier. Jan fuselier, Chinezen en meer dergelijke pientere lui leggen zich niet alleen toe op het afleveren van patent-geneesmiddelen, neen, zij schromen niet om zelfs geneesmiddelen te bereiden en die voor aan flinke prijs aan de man te brengen. Ter illustratie het volgende. Te Toeloeng Agoeng woont een gewezen militair – de man verkeert in een doorlopende staat van dronkenschap – en heeft daar een ´drogistzaak´. Zo maakt hij kwikzalf, in de volksmond blauwe zalf geheten, uit een mengsel van doewa sendok lampenzwart en vaselin quantum sufficit sampe itam. Belieft men nog peultjes.”

De Indische Courant schreef nog in 1938: “Vervalsing van medicijnen is in hoge mate onsympathiek, omdat het hier gaat om zieke mensen en mensenlevens. Onlangs werden te Palembang kininetabletten verkocht, in uiterlijk en verpakking geheel gelijk aan de Bandoengsche, doch deze tabletten bevatten praktisch geen kinine. Ook de zogenaamde vitaminetabletten bevatten slechts een minimale hoeveelheid vitaminehoudend poeder, zodat een beri-beri-lijder er volstrekt geen baat bij vindt. Rozenolie komt sterk vervalst op de markt, cocaine, Dermatol, jodoform, kajoepoetiolie, blauwe zalf – dit zijn slechts enkele uit de lange lijst medicijnen, die steeds aan vervalsing onderhevig zijn.”

Voortuitgang

De gezondheidszorg in Nederlands-Indië was aanvankelijk slechts voorbehouden aan het KNIL. In het begin van de 19de eeuw ontstond echter ook, naast een vaccinatiedienst, een burgerlijke geneeskundige dienst. Initiatieven om de lokale bevolking te helpen met de zogenaamde ´dokter djawa´-scholen en inlandse vroedvrouwenopleidingen hadden slechts matig succes. De inlandse bevolking bleef veelal gewoontetrouw een beroep doen op de lokale kruidendokter, de doekoen.

Vanaf de 20ste eeuw – en met de intrede van de zogenaamde ethische politiek – geraakte de gezondheidszorg in een stroomversnelling. Ongetwijfeld zal de toestroom van Europese burgers uit het moederland daartoe hebben bijgedragen. De verbetering van de gezondheid van de inheemsen was door ontwikkelingen op het gebied van hygiëne en vaccinatie vooral van preventieve aard. Wat de curatieve zorg betreft, de ziekenhuizen waren vooral categoriaal ingedeeld: militaire ziekenhuizen (in 1934: 61), burgerlijke hospitalen in de grote steden (64), gesubsidieerde privé-klinieken (vnl. die van de missie en zending, 139) en tenslotte ongesubsidieerde privé-klinieken (233). Tot deze laatste behoorden die van de ondernemingen.

Gemeente Ziekenhuis te Medan

Het moge duidelijk zijn dat het overgrote deel van de inheemse bevolking niet of nauwelijks toegang had tot de curatieve gezondheidszorg. De omvang daarvan (Indië had in 1930 een bevolking van 60,7 miljoen zielen waarvan 59,1 miljoen Inlanders) en de geografische beperkingen maakten dit op zich al onhaalbaar. De doekoen was onmisbaar.

Een en ander betekent dat de rol van zinkzalf (´blauwe zalf´) als volksmiddel nog lang niet was uitgespeeld. En dat gold ook voor soortgelijke middelen als kastorolie, Karlsbader zout, chinine, thymol, laudanum, karbolzuur, jodium en groene zeep. Het waren overigens niet alleen de dokters djawa die deze middelen veel gebruikten, maar ook de minder geoutilleerde privé-klinieken. De artsen daar vielen maar al te graag terug op het gebruik van deze middelen; voor gecompliceerde kwetsuren en aandoeningen konden patiënten immers worden doorgestuurd naar een publiek burgerhospitaal.

Van der Molen

Terug naar de foto. Wie was de dokter in ´het karretje´ met de enorme pot blauwe zalf? En wie zat naast hem? Enig zoeken in het krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek geeft ons het antwoord. Het waren de artsen L. van der Molen en H. Heinemann, beiden verbonden aan de privé-kliniek van de tabaksonderneming Senembah in het bij Medan gelegen Tandjong Morawa.

Van Van der Molen weten we dat hij als arts werkzaam was geweest bij het Gemeente Ziekenhuis in Medan, maar op 1 januari 1938 een overstap maakte naar de privé-kliniek die geleid werd door Heinemann. Het was een zo op het eerste gezicht minder logische carriere-switch. Het Gemeente Ziekenhuis had wel 150 bedden, de kliniek in Tandjong Morawa misschien maar twintig. Misschien heeft meegespeeld dat hij nu naast Heinemann de tweede arts was, en niet meer één van de velen? We weten het niet.

Ziekenzaal kliniek Tandjong Morawa

Hoe het ook zij, vier maanden later zit hij samen met Heinemann in een rijtuig, met aan zijn linkerzijde een enorme pot blauwe zalf. Het was 5 mei 1938, de grote feestdag, de hari besar in Medan. Herdacht werd, dat de grondlegger van de tabakscultuur in Deli, Jacob Nienhuys (1836-1928), 75 jaar tevoren in het Delische voet aan wal had gezet. Het programma omvatte onder meer, naast toespraken van hoogwaardigheidsbekleders, kranslegging bij de Nienhuys-fontein (een gedenkteken opgericht in 1915) en het Wilhelmus, een soort historische optocht en na afloop – voor de Europeanen – zang en dans in Hotel De Boer en de sociëteit.

Over de optocht schreef de Sumatra Post de volgende dag:

dr. Van der Molen met een pot blauwe zalf

“Wie heeft niet eens, in een slapeloze nacht, geluisterd naar het voorbijgaan van een ossenkar, met dat melancholieke geluid van traag gekraak in rythmeloos staccato? De ossenkarren met hun dommelige sapi’s en hun dito voerlieden nemen een zeer aparte plaats in de moderne cultures in, misschien, alle moderne vaart en alle motoren ten spijt, een nog belangrijker plaats dan vroeger, namelijk een min of meer ideële: zij binden het verleden aan het heden. Zoals ze gisteren knarsten, knarsten ze 75 jaar geleden ook; met een eindeloos geduld en een wijsheid, die niet van het Westen komt, sjokken zij de decenniën door: wat rijst voor de voerman, wat gras voor de sapi, en langzaam aan, dan breekt het lijntje niet. De voerman, de koe en de kar hebben alle drie zo hun eigen opvatting van tempo. De ossenkar, ónze ossenkar, was numeriek sterk vertegenwoordigd in de optocht. (…) Maar voor wij het nu verder over dien optocht hebben, moeten we vertellen, dat er meerdere heren met fraaie snorren waren. Een heer met een ringbaard zat op een biekje,  verschillende heren met prachtige puntsnorren reden in de optocht mede. Achter de ossenkarren krioelde het van ´klein goed´. Dat er nog zoveel buggy´s e.d. in Deli zijn! Daar was de Kanariepiet, een vehikel om er een liedje op te maken; daar was de bendy met de vrolijke doktoren Heinemann en Van der Molen van de Senembah, waar een fabelachtig grote pot met blauwe zalf uitstak, daar was ´Asahanner´ zwaar gewond op een draagbaar, lebberend aan een fles melk, daar was de heer Meyer, oudplanter van Goenoeng Pamela, die zich op zijn kar bij zijn antieke grammofoon even senang gevoerde als in zijn tweede run theater, daar waren wagens en bendies, behangen met bierflessen, waaruit jolige planterskoppen gluurden en menige kwinkslag zijn weg naar de nontonners vond.”

Het raadsel lijkt hiermee wel opgelost. Dat de pot blauwe zalf werd meegedragen in een historische optocht geeft aan, dat het geneesmiddel op dat moment op zijn retour was. Het wondermiddel zou plaatsmaken voor zorgverstrekking geschoeid op moderner leest.

 

 

Bronnen
Oosthoek Encyclopedie, 1916
Preanger Bode, 27 december 1919
Indische Courant, 1938
Sumatra Post, 6 mei 1938
Gemeente Medan, 1909-1934, uitgave van de Gemeente Medan
H.W.M. Hüsken-Nillissen en D. de Moulin, De Dienst der Volksgezondheid in Nederlandsch-Indië; een terugblik. In: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 30 december 1986.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

24 reacties op Het raadsel van de blauwe zalf

  1. Jan A. Somers zegt:

    “op meer moderne leest.” Dat werd later Salvarsan. Niet alleen tegen syfilis. In onze mobiele polikliniek kwamen we veel trachoom tegen, vooral bij kinderen, Die kregen ook Salvarsaninjecties. Vergeet niet dat in die tijd (1946) er nog geen antibiotica waren.

  2. R. Rottier zegt:

    Over medische zaken gesproken: is er iemand die me iets kan vertellen over de toediening van kinine op Sumatra (Tandjong Morawa) in de jaren twintig van de vorige eeuw. Men kreeg het preventief, maar hoe vaak en in welke vorm? Kregen ook zwangere vrouwen kinine? Ik zou er graag meer over weten..

    • Jan A. Somers zegt:

      Probeer Google met zoekterm: toediening van kinine op Sumatra (Tandjong Morawa)

      • R. Rottier zegt:

        Dank voor de reactie. Uiteraard ben ik ook heel veel op google aan het zoeken geweest, maar ik vind helaas geen antwoord op mijn vragen. Het boek over de Senembah Maatschappij heb ik in bezit, maar daarin gaat het om toediening van kinine aan de arbeiders. Misschien zijn mijn vragen te specifiek, maar het gaat mij op de toediening van kinine aan de Europeanen / Nederlanders en hun gezinnen. Vloeibaar of in pilvorm? Elke dag of 1X per week of …? Doseringen? Zwangere vrouwen? Wie weet er iets van? Alvast dank!!

      • buitenzorg zegt:

        Ria,
        Uit de Sumatra Post, 14 juli 1919
        ´Nadelen der prophylactische chininetoediening tegen malaria.
        In een goed gedocumenteerd artikel in de Berliner Klinische Wochenschrlft van 26 Mei zet Zondek de nadelen uiteen, verbonden aan het gebruik van chinine als voorbehoedmiddel tegen malaria. Weliswaar wordt daardoor het aantal „manifeste” malaria-gevallen tot het kleinst mogelijke aantal beperkt, maar dat neemt niet weg dat er een zeer bedenkelijke keerzijde is bij de prophylactische chinine-toediening tegen malaria. Niet de infectie met malaria-plasmodiën, maar in vele gevallen slechts het „manifest” worden dezer infectie wordt door de regelmatige toediening van chinine voorkomen. De gunstiger werking der chinine-toediening is dan ook van zeer tijdelijken aard. Zoodra er mede opgehouden wordt — zooals dat uit den aard der zaak vaak met verlofgangers en naar huis terugkeerende troepen het geval is — gaat bij velen de „latente” malaria over in een „manifeste”, welke tot overmaat van ramp in de overgroote meerderheid der gevallen nu verder „chinine-resistent” blijkt en pas na een doelmatige salvarsaan- behandeling wijkt. Ook allerlei infectie-ziekten, in het bijzonder typhus en bovendien jaargetijde- en klimaatwisseling, en ook verwondingen blijken bij de „activeering” van de in het bloed achtergebleven malaria-plasmodiën der ondanks langdurig voortgezet prophylactisch chininegebruik aan latente malaria lijdende soldaten een rol te kunnen spelen. De zoo manifest geworden malaria is steeds van een zeer gecompliceerd en uitermate chronisch karakter. Bovendien is het verloop ervan vaak atypisch en zijn recidieven schering en inslag. De reusachtige toeneming van het aantal plasmodiendragers over de geheele wereld behoeft na de jarenlange veldtochten in malaria-haarden als Roemenië e. d. dan ook geen verwondering meer te baren. Het juichen over de gunstige resultaten der prophylactische chinine-toediening is bovendien wel min of meer voorbarig gebleken.´

        Dit, en ook andere artikelen te vinden op Delpher, geven aanleding te veronderstellen dat de medische wetenschap in de jaren 20 niet zo te spreken was over profylactische toediening van kinine. Niet alleen – zoals hier werd betoogd – werd alleen het aantal manifeste malaria-uitingen bestreden maar bleven latente malariahaarden intakt, maar ook had het middel een schadelijke werking op de maagwand. Het gebruik van kinine als voorbehoedsmiddel werd in de tropen alleen aangeraden als de gebruiker een sterke maag had. Het lijkt me niet aannemelijk dat in Tandjong Morawa kinine profylactisch werd gebruikt, alhoewel we het natuurlijk niet zeker weten.

        Kinine werd natuurlijk wél gebruikt ter genezing van malaria, dus achteraf.

        Hopelijk is dit een antwoord op je vraag.

      • buitenzorg zegt:

        En nog een artikel, uit het Bataviaasch Nieuwsblad, 3 maart 1927:

        “Uit een voordracht van prof. H.M. Neeb te Buitenzorg. Wat is malaria?
        Onder malaria wordt verstaan, aldus prof. Neeb, een bloedinfectie van mensch of dier met een der verschillende malariakiemen, welke door den steek van verschillende, besmette malariamuskieten op mensch of dier worden ingeënt. De eerste malariaparasieten werden op 6 November 1880 door den Franschman Lavéran in Algiers ontdekt en zijn echte bloed- of celparasieten die in de roode bloedlichaampjes hun volledige ontwikkeling doormaken. Ronald Ross, een Engelsch officier van gezondheid, ontdekte in 1898 in Britsch-Indië,dat de overbrenging van malaria op vogels door muskieten plaats vond, terwijl een jaar later door hem hetzelfde kon worden geconstateerd voor de malaria bij den mensch.
        Kort daarop decreteerde de Italiaan Grassi de naar hem genoemde „wet”, dat uitsluitend anopheles-muskieten de malaria op den mensch overbrengen: geen malaria zonder anopheles-muskieten. Men onderscheidt twee ontwikkelingsphasen der malariaparasieten, een in den mensch, de z.g.n. ongeslachtelijke en een in de muskiet, de geslachtelijke ontwikkeling.(…)

        Bestrijding der malaria.
        Men heeft preventieve middelen voor de voorkoming van malaria en repressieve voor de uitbroeiing daarvan. Allereerst is noodig een grondige kennis van de heerschende klimatologische factoren, benevens terrein- en anophelinenstudie. Dan is er een agressief optreden tegen de muskieten zelf mogelijk door uitrooking (pyretrumpoeder, zwavel, tabaksbladeren, elaytongas), bespuiting (lysoloplossingen), wegvanging (stofzuiger, watten met petroleum).
        In Deli ving men ze wel met karbouwen! Deze werden daartoe ’s nachts gestald in hutten, waar de muskieten door een vernuftige constructie wel in, maar niet uit konden. De vangst van één nacht bedroeg wel 1500 per karbouw. Varkens vormen ook een groote attractie voor de muskieten; in Nederland constateerde men, dat de malaria zich sterk uitbreidde, toen de varkens in grooten getale geslacht werden.
        Voorts past men toe het aanleggen van kostbare assaineeringswerken, demping en opspuiting van vischvijvers, welke maatregelen tegen het vormen van broedplaatsen gericht zijn. Ook doodt men de larven in het waterdoor bedekking daarvan met chemische middelen, in Holland door fijn verdeeld parafine, in Amerika door het strooien van Parijsch groen (een poeder vermengd met straatstof) uit vliegmachines; door petroleum en ruwe olie.
        Verder heeft men bepaalde soorten vischjes die fel op de larven zijn, in Indië de ikan gaboes, in Amerika de ´top feeder minnow´.
        Daarnaast heeft men defensieve middelen ter bescherming van de massa, zooals muskieten-gaas in ziekenhuizen, gevangenissen kazernes en arbeidersloodsen.
        Ter individueele beveiliging: maskers, handschoenen, klamboes etc. Voorts chemische middelen als quassiatinctuur, euqalyptus-, kruidnagel-, cajoepoeti-, sereholie, perubalsum, muskitine, branden van harsen en de vaak gevaarlijke Japansche muskietenkaarsjes (knoflookgeur!) Tenslotte heeft men nog de vernietiging van de malaria-parasieten in het menschelijk lichaam door prophylactische kinineverstrekking.
        Aan het einde van zijn met groote aandacht gevolgde lezing stond prof. Neeb nog stil bij Zwartwaterkoorts, een acute ziekte, gepaard gaande met koorts, geelzucht benevens bloedwateren en als regel optredende bij daarvoor door langdurige malaria voorbeschikte personen.”

      • Jan A. Somers zegt:

        Prachtig zoekwerk!!!

    • ælle zegt:

      Wat ik grappig vind is het feit dat wanneer men de ziekte onder de leden heeft binnen 4 tot 15 dagen de mug zelf besmet kan worden en dán weer het volgende slachtoffer kan infecteren.
      Frans legerarts, C.L.A. Laveran, 7de Nobelprijs winnaar voor Fysiologie, ontdekte Plasmodium op 6 november 1880 in een militair ziekenhuis in Constantine, Algerije.

      Mijn geliefde Opa P. heb ik niet bewust gekend, omdat hij aan longontsteking bezweek nádat zijn eigen huisarts de ‘symptomen’ abusievelijk aan malaria had toegeschreven. Hoge koorts, spierpijn etc.

      Ik haat muggen!

    • ælle zegt:

      Literatuur op de vraag of kinine (chinine) invloed heeft op zwangerschap en foetus.

      1. L.L. v.d. Burg (1887) De geneesheer in N – I dlII blz. 151
      2. G.W. Kiewiet de Jonge (1908) Voordrachten over tropische ziekten van O-I archipel, dl 1 , blz. 160
      3. C.D. de Langen en Lichtenstein (1933) Leerboek der tropische geneeskunde 3edruk, blz. 81
      4. W. Kouwenaar , P.B. van Steenis en Ch. W. F. Winckel (1951) Leerboek der tropische geneeskunde , blz. 115

      Redactie NTVG. nl

  3. Ria Rottier zegt:

    Geweldige reacties, waarmee ik verder kan. Mijn vader kreeg als kind (geb 1921 Tandjong Morawa) profylactisch kinine toegediend! Hij verloor hierdoor later een (groot) deel van zijn gezichtsvermogen, althans dat was de diagnose van de specialist.

    • Jan A. Somers zegt:

      Maar kinine is ook geen lieverdje! Gelukkig hebben ze nu ander spul, ook profylactisch.

      • R Geenen zegt:

        @@Gelukkig hebben ze nu ander spul, ook profylactisch.@@
        Kan wel waar zijn, maar ook negatief effect?

      • Jan A. Somers zegt:

        “maar ook negatief effect?” Uiteraard, Elke stof heeft een aantal werkingen. Eentje ervan (de sterkste) noemen we geneesmiddel. De andere noemen we bijwerkingen. Ik ben blij met mijn pillen (elke dag zeven!), blijf ik nog even in leven.

      • R Geenen zegt:

        @@De andere noemen we bijwerkingen. @@
        Positieve of negatieve? Hoe dan ook, succes.

      • Jan A. Somers zegt:

        Voorbeeld: Voor mijn hartfalen slik ik digoxine. Hartstikke giftig! 0,125 mg per dag. Werkt goed bij mij, maar moet beslist geen dubbele hoeveelheid slikken. Ook slik ik acenocoumarol. Familie van coumarine, pijlgif! Slik je te weinig, kan je een hart/herseninfarct krijgen. Slik je te veel > hersen/maagbloeding (of dood). Vandaar dat ik onder controle sta van de trombosedienst, Om de paar weken moet ik me zelf prikken voor een INR-bepaling. Op basis daarvan krijg ik voor de komende weken een aangepaste dosering. Zo houd ik me op mijn ouwe dag bezig. Advies van de cardioloog: In leven zien te blijven met je pillen, en weten waar de spoedeisende hulp is. Dat laatste hoeft voor mij niet meer, ik ga rechtstreeks naar de eerste harthulp. Dat weten de ambulancemensen ook al. Blij dat het in Nederland goed is geregeld. Binnen mijn verzekering!

      • e.m. zegt:

        @ Ik ben blij met mijn pillen (elke dag zeven!), blijf ik nog even in leven.@

        — Slechts zeven? Ons Zeeuwe blieve zuunig! Ben naast mijn bloedruk- en cholestrolverlager nog steeds op zoek naar een medicijn tegen ‘heimwee naar Walcheren’. Ben er bijna 60 jaar weg; rond m’n 10e naar het midden van het land verhuisd.

        Gelukkig stuitte ik verleden zondag in Museum Sophiahof voor 12, 50 euro op het boek ‘Molukkers in Zeeland 1951 – 2009’. De tekst aan de binnenkant van het voorblad (een stencil-kopie) wil ik u niet onthouden:

        “”Een volledige uitrusting voor een voetbalelftal, een stringbas en diverse andere sport- en muziekattributen worden door de Vlissingse bevolking aangeboden aan de in Vlissingen tijdelijk verblijf houden Ambonezen. Vlissingen, 9 Mei 1951. Namens de Vlissingse bevolking Het comité, [volgen maar liefst 6 handtekeningen met zegel e.m.]””

        – Dan kom je toch een beetje thuis, nietwaar. Alhoewel, 9 mei 1951 was ik pas 9 maanden met nog een maandje geduld voor de boeg voor mijn eigen grote zeereis. Van dat laatste niets van meegekregen. Ook niet van de vertroetelende verpleegsters die mij na een maand varen -van horen zeggen- met een melkdieet twee pond zwaarder in Rotterdam lieten aanmeren. Ben wat dat betreft en later tot op de dag van vandaag Nederland en Nederlanders in vele opzichten dankbaar, maar Walcheren boven 😀 .

      • Jan A. Somers zegt:

        “Namens de Vlissingse bevolking” Ja, maar daar wonen dan ook geen Hollanders. Hebben we in 1946 ondervonden.
        Wij gaan elk jaar een keer naar Walcheren. De laatste keer met de trein naar Middelburg, met de bus naar Veere, met de veerboot naar Kamperland (ons laatste vakantieverblijf voor zo’n 25 jaar). Terug naar Middelburg, overstappen op de bus naar Vlissingen en met de trein weer terug. Om het andere jaar alleen Middelburg en Vlissingen. Daar de overleden familie bezoeken, een beetje snoeiwerk, boterham eten op ons bankje bij het ereveld van de Commonwealth War Graves, Half rondje boulevard. Vorig jaar trein naar Bergen op Zoom, bus langs Tholen, Flipland, Oude Tonge (groot ereveld watersnood 1953), Zierikzee (plasje doen), Burgh Haamstede, Middelburg, naar huis met de trein. Elke keer komen we kapot weer thuis, maar tevreden dat het toch nog steeds lukt.

      • e.m. zegt:

        @Elke keer komen we kapot weer thuis,@
        — Daar kan ik me inderdaad wel wat bij voorstellen.

        Hee, zonnig Kamperland … op 21 augustus jl. voor het eerst aangedaan als haven van vertrek voor een 2 ½ uur durende rondvaart op de Oosterschelde. Naar het noord-oosten varen, met een korte bocht twee keer onder de Zeelandbrug door, op naar Zierikzee en weer terug.

        Wat een water, wat een ruimte, wat een rust, wat een genot. Maar op één punt wat minder, want via de automatische informatieverstrekking, vernam ik als na-oorlogs zondagskind dat de Oosterschelde op sommige plaatsen wel 50 meter diep is en laat men nu net daar WO II-ammunitie gedumpt te hebben(!). Dus let op, de mosselen en oesters zijn zwaar bewapend.

      • R Geenen zegt:

        @@Wat een water, wat een ruimte, wat een rust, wat een genot. @@
        In de jaren 60 mocht ik Van Ommeren als werktuigkundige vertegenwoordigen bij de proefvaart van de tanker, 78000 ton, de ss Avedrecht met zijn ruim 16000 pk. Drie dagen proefvaart en kalibreren van o.a. de instrumenten in de Zeeuwse wateren. Daar werd al ontdekt, dat er door Stork-Werkspoor een foutieve berekening werd gemaakt wat betreft de turbine aangedreven voedingswaterpompen naar de stoomketels. Brachten te weinig vermogen op. Na 8 maanden vaart alle 3 vervangen.

    • Nog familie van Eddy Rotiter uit Palembang?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s