Nederland runde eeuwenlang een drugskartel (en betaalde er zijn oorlogen mee)

Nederland verdiende als kolonisator niet alleen geld met specerijen, maar ook met opium. Daarmee betaalde het zijn koloniale oorlogen. In de Maand van de Verzwegen Geschiedenis betoogt Ewald Vanvugt dat ook dát in de geschiedenisboeken moet komen.

Drie opiumschuivers [TM-10012183]

Door Ewald Vanvugt

Tijdens onderzoek in een bibliotheek op Bali deed ik twee historische ontdekkingen die nauw met elkaar zijn verknoopt: dat de Nederlandse overheid in Oost-Indië gedurende eeuwen op grote schaal in opium handelde; en het haast onvoorstelbare feit dat de overheid met de winst van deze handel de koloniale veroverings- en bezettingslegers financierde. Het verrassendst was het feit dat alle moderne boeken zwijgen over de Nederlandse opiumhandel in Azië.

Uit de bibliotheek op Bali bracht ik in 1984 deze basiskennis mee: in de VOC-tijd en onder koning Willem I handhaafde de overheid het monopolie op de opiumhandel in Oost-Indië steeds strikter en in een steeds groter gebied. De winst op opium was namelijk de voornaamste bron van contant geld voor soldij van militairen en ambtenaren.

De Nederlandse geschiedenisboeken vermeldden over dit alles niets. Bij navraag onder bevriende geleerden wisten ook zij hierover niets. Hoogst verbaasd heb ik vervolgens om allerlei redenen met grote haast de Nederlandse opiumgeschiedenis geschreven, vooral om niet langer een van de weinigen te hoeven zijn die deze verschrikkelijke geschiedenis van opium en oorlog nog kende. 

Hoe ik op Bali terechtkwam

Ik was in eerste instantie op Bali om een boek te schrijven over de bloedige Nederlandse verovering van het eiland in 1906. Ik huurde met mijn gezin een huis aan zee. Onze huisbaas, Pak Kompyang, was doof aan één oor, een overblijfsel van een verhoor door Nederlandse militairen in 1946. In een mengelmoes van Engels, Indonesisch en Nederlands praatten we over het land, de geschiedenis, de kolonisatie.

Hij vertelde me dat in Singaraja een bibliotheek stond die al in de koloniale tijd werd geroemd als de beste Nederlandse bibliotheek buiten Java. Op een volmaakte dag bracht Kompyangs chauffeur ons door de heuvels naar Singaraja. Het naambord, de tuin en het gebouw van de Kirtya Liefrinck-van der Tuuk-bibliotheek waren groter dan verwacht en goed onderhouden. Het voornaamste bezit: een grote verzameling antieke Balinese boeken, geschreven op palmblad.

‘Bijdragen’, 1854

De vriendelijke bibliothecaris sprak uitsluitend Indonesisch, een taal waarin ik net kon groeten en bedanken. Hij bracht me naar een bijgebouw met de Nederlandse boekerij. Een wand was deels gevuld met het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, vanaf 1860 verschenen in Batavia. Een andere wand stond vol Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië.

Hier zat ik in 1983 aan een lange tafel in het midden van een aangenaam koele en ruime kamer, de wanden bestonden uit kasten vol boeken – tussen openstaande ramen en deuren met uitzicht op de tropische lucht. Totaal passief zat ik tussen de volle boekenkasten. Waar te beginnen?

Er woei een bries door de kamer. Eindelijk nam ik een boek uit de kast: deel 1 van de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Neêrlandsch-Indië (1853). De kartonnen band was vergeeld en bespikkeld met wormgaatjes waarvan sommige tot diep in het boekblok waren doorgedrongen.

In de inhoudsopgave sprong meteen een artikel van 140 bladzijden over de opiumhandel in Nederlandsch-Indië in het oog. Het oudste drukwerk in de bibliotheek dat ik als eerste oppakte, bevatte een uitvoerige studie  van 250 jaar Nederlandse opiumhandel, vanaf de vroege VOC-tijd tot onder de koning.

Ik had gehoopt in de bibliotheek meer over de verovering van Bali door Nederland te weten te komen, maar stuitte op de opiumhandel door de Nederlandse staat. Een heel andere, veel invloedrijkere geschiedenis.

Het verborgen belang

Het hield me weken bezig. In de bibliotheek betekende alleen al het lezen van de inhoudsopgaven van de negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse tijdschriften een stoomcursus door de studies van vijf generaties wetenschappers, ambtenaren, militairen en andere experts van Oost-Indië. In elke bestudeerde periode – vanaf 1600 tot 1940 – was opium een veelbesproken onderwerp.

Terug in Nederland verdiepte ik me verder in de oorlog op Bali. De koloniale marine was in de negentiende eeuw bij de noordkust van Java vaak in gevecht met schepen van het toen nog zelfstandige Bali. Niet langer de bondgenoot die vanaf de zeventiende eeuw een stroom mensen in slavernij aan Batavia had geleverd, was Bali nu voor de Nederlandse overheid een knooppunt van handel in wapens en opium.

De strijd om de verovering van Bali kostte in 1906 honderden Balinezen het leven. Het drama wordt jaarlijks op 20 september met officiële bijeenkomsten en aandacht in de pers herdacht. In Nederland is dit drama – zoals voor meer koloniale geschiedenis geldt – compleet vergeten.

Het raadsel was: wat bewoog de Nederlandse overheid om Bali te veroveren? Volgens de toeristische gidsen wilde de koloniale overheid de grenzen afbakenen en het traditionele recht van de Balinezen om gestrande schepen te plunderen afschaffen. Maar er speelde duidelijk een verborgen belang: opium.

Zo kwamen de twee geschiedenissen samen.

De koloniale bibliotheken in Nederland bevatten overvloedige bewijzen van de sleutelrol van het opium in de geschiedenis van Nederlands-Indië én van de samenhang van de staatsopiumhandel en de voortgaande veroveringen in de buitengewesten.

Kritiek hierop was niet welkom, las ik ook. De hoofdredacteur van het Bataviaasch Nieuwsblad, J.F. Scheltema, verloor zijn baan en positie in de samenleving door zijn kritiek op de opiumpolitiek.

In 1902 schreef hij:  ‘Het lag geheel in de lijn der opiumpolitiek die als het eerste dat onder het gezag der Nederlandsche vlag te Kota Radja in Atjeh nodig was, niet een kerk deed verrijzen of een school of enige andere instelling van openbaar nut, maar een opiumkit! Het geld gaat boven de beteugeling der volkszonden en daarom hebben wij tweehonderd jaar lang de neiging tot amfioengenot  bij de bevolking van Java en Madoera (en in de gehele archipel) laten wortelschieten en aangekweekt.’

In de vulkamer van de opiumfabriek te Batavia worden de tubes in houten doosje verpakt, Java, 1936. [TM-10012175]

Een boek over de opiumhandel

De vondsten over de opiumhandel lagen in openbare bronnen voor het grijpen. Maar langzaam drong het tot me door dat ik als eerste in mijn eeuw een overzicht van 350 jaar Nederlandse opiumhandel in Azië had ontdekt.

In overleg met mijn uitgever – Stefan Landshoff (1950-2000) van In de Knipscheer – begon ik aan een boek over de Nederlandse opiumhandel in Azië. In de bibliotheken van het Tropeninstituut, de Universiteit van Amsterdam en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden toetste ik de op Bali ontdekte opiumgeschiedenis aan recente boeken.

En groot was mijn verbazing dat in de vele boeken en publicaties die in Nederland na 1950 over Oost-Indië waren verschenen, de lucratieve opiumhandel in Azië soms vluchtig werd genoemd, maar verder werd doodgezwegen. Het zwijgen wist het verleden uit te wissen alsof het nooit gebeurde.

Wat Nederland precies deed

Want wat was die geschiedenis? Al in de beginjaren van de VOC in de zeventiende eeuw namen VOC-kapiteins vanuit Turkije, Perzië en vooral India kisten opium mee naar het oosten. Uitsluitend voor de handel, nooit voor eigen gebruik. Een belangrijk deel werd gebruikt als betaalmiddel voor specerijen elders in Azië, bijvoorbeeld voor zwarte peper in Cochin in India.

Al in 1613 vervoerde de VOC zo’n 200 ponden amfioen naar de Molukken. Nadat Cornelis Speelman in 1677 grote delen van Midden-Java had veroverd, eigende de VOC zich daar het alleenrecht op de import van opium toe. Chinese pachters kochten het, om die op hun beurt aan de consument te verkopen.

Deze relatie zou twee eeuwen standhouden. Zowel de Nederlandse overheid als de pachters verdienden kapitalen aan de kleinverbruikers. De opiumbaten leverden direct kasgeld op waarmee soldaten en klerken werden betaald.

In de opiumfabriek te Batavia worden de tubes in houten doosje verpakt, Java, 1936. [TM-10012174]

Een financieel fundament

Maar ook nadat de VOC in 1800 van het toneel verdween, bleef de opiumhandel een belangrijke bron van inkomsten. In 1826 besliste koning Willem I dat de twee jaar eerder opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) met ingang van 1 januari 1827 voor drie jaar het monopolie op de verkoop van opium voor Java en Madoera kreeg.

Tussen 1825 en 1833 was de totale nettowinst van de NHM ongeveer zes miljoen gulden, waarvan de helft werd verdiend met de opiumhandel. De groeiende rijkdom en macht van de Chinese pachters waren voor de Nederlandse overheid een groot probleem.

In 1894 begon Nederland daarom een proef, voorlopig uitsluitend op het eiland Madoera, met de Dienst der Opiumregie. Met deze dienst breidde de overheid het staatsmonopolie op de handel in opium voor het eerst uit tot de detailhandel. De overheid ging zelf leren ruwe opium te zuiveren en te koken naar de smaak van de plaatselijke gebruikers. Op het landgoed Struiswijk in de wijk Meester Cornelis bij Batavia opende het gouvernement een fabriek waar het ruwe opium van staatswege werd bereid tot rookopium.

Verpakt in degelijk gewaarmerkte tubes en kuipjes zou de staatsopium gemakkelijk zijn te onderscheiden van smokkelopium. Ambtenaren met een vast salaris gingen dit wettig opium nu in officiële opiumverkoopplaatsen rechtstreeks aan de gebruikers verkopen. Vanaf de inkoop in Turkije of India tot de verkoop aan de Madoerese schuiver beheerste de overheid nu de gehele commerciële keten, en maakte ze zo de grootst mogelijke winst.

Een opiumfabriek voor de massa

De proef met de Dienst der Opiumregie werd een financieel succes. In 1904 bouwde de overheid in de Bataviase wijk Kramat (Weltevreden) een omvangrijke gouvernementsopiumfabriek, compleet met spoorlijn naar de haven om de wagons vol kisten met in bladeren verpakte ballen opium aan te voeren.

Jaarlijks importeerde de Nederlandsch-Indische overheid nu ruim honderd ton ruwe opium die in de staatsfabriek werd verwerkt tot ruim zeventig ton rookopium. Deze tjandoe bracht een van de grootste en best ingerichte industrieën naar Batavia. De overheid verkocht het gedurende de laatste halve eeuw in Nederlandsch-Indië (1890-1942) via een uitgebreid fijnmazig web van officiële opiumverkoopkantoren.

Het wordt nog opvallender: met het geld financierde Nederland de koloniale veroverings- en bezettingslegers. De Nederlandse Handel-Maatschappij stond toe dat officieren van het leger opium smokkelden, waarna zij een deel van de opbrengsten mochten houden. Veel inheemse huursoldaten gaven hun soldij zelfs terug in ruil voor opium, hun geliefde arbeidersdrug.

De tubemakerij van de opiumfabriek te Weltevreden, Java, datum onbekend. [TM-10012268]

Een verzwegen geschiedenis

Maar dat moest nog opgeschreven worden. In de roes van de wellust van het willen weten verzette ik in de winter van 1984-1985 werk voor twee jaar. Ik wilde onder meer bewijzen dat de overheid en de pers in Nederland en Nederlands-Indië vóór 1942 openlijk en veelvuldig berichtten over de opiumhandel van de overheid, maar dat dezelfde overheid en pers in de postkoloniale tijd dit onderwerp spoorloos lieten verdwijnen. Het was bijna niet te geloven, maar in de hele koloniale geschiedenis bleek een vergeten personage een sleutelrol te hebben gespeeld.

Het raadsel werd steeds groter: waarom hielden na 1950 alle historici dit onderwerp voor gezien? Verbaasd en gejaagd schreef ik, aangemoedigd door mijn uitgever,  een boek van 425 pagina’s tekst en 36 pagina’s illustraties, Wettig opium.

Deels draaide mijn werklust ook op de immense verbazing over de ontwikkeling van de verkoopmethoden. En ik ervoer een nieuwe brandstof voor mijn schrijfmotivatie, door de kennis dat de overheid draaide op opiumwinsten: verontwaardiging!

Verontwaardiging over de nalatigheid van de beroepshistorici – met in hun voetspoor het hele peloton van publicisten en schoolboekenmakers – die al minstens sinds 1950 over deze feiten vrijwel niets meldden. Wettig opium bestaat uit citaten uit openbare bronnen ter ondersteuning van de stelling dat de hoogleraren hun taak verzaakten door de geschiedenis, die voor het grijpen lag, niet op te pakken.

Een veelzeggend zinnetje

Het boek baarde enig opzien en in 1992 werd het aangewezen als beginpunt van ‘hernieuwde kennis van de nationale opiumhandel in Nederland.’

Maar in 2002, toen werd herdacht dat de Vereenigde Oost-Indische Compagnie 400 jaar eerder werd opgericht, verzweeg het jubileumboek De kleurrijke wereld van de VOC weer ouderwets deftig de hele VOC-opiumhandel.

Twee eeuwen staan samengevat in het zinnetje: ‘De Compagnie exporteerde uit Bengalen toen ook opium, het verdovende middel dat gretig gekocht werd in de Indonesische archipel.’ Niets over de overheidsinkomsten, tussen alle handelswaar komt opium in het register niet voor.

Ook in de eenentwintigste eeuw is bij nationale jubileumboeken over koloniale ondernemingen veel verzwijgen de enige manier om de schijn van een feeststemming op te houden.

x

x
Dit artikel verscheen eerder in De Correspondent, 26 oktober 2017

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

20 reacties op Nederland runde eeuwenlang een drugskartel (en betaalde er zijn oorlogen mee)

  1. Ron zegt:

    Voortreffelijk boek. “Wettig Opium” heb ik destijds gretig “in een avond” uitgelezen.

  2. Dominicus van den Bergh zegt:

    Nederland was niet de enige natie. Ook Engeland deed dit op grote schaal vanuit India naar China. Ik dacht zelfs dat de z.g. bokseropstand hier een gevolg van is. Er zijn diverse opiumoorlogen gevoerd om het de Cinezen door de strot te duwen.

  3. j.w.hoegen. zegt:

    een oud verhaal , niets nieuws .

    • constant•ino zegt:

      Waar hadden we dit verhaal volgens u dan eerder kunnen lezen?

    • mijn overleden man (duitser) wist dit allang, gebruikte deze gegevens als hij weer werd aangevallen i.v.m. dingen die de duitsers toen deden, (zijn weerwoord was dat nederland ook bloed aan zijn handen had, helaas werd op scholen niets verteld van de koloniale onderdrukking en hun handel in Opium. echt nederlands om met hun vinger op andere landen te wijzen n niet naar hun eigen geschiedenis

  4. Ziska Kountul-Loth zegt:

    In Indonesia weet iedereen van
    de opium schuivers de Chinezen die in de Ombilin steenkool mijn werken die dat deden. Nee Nederland was in Indonesia niet beter als in Suriname. In Suriname heten ze slaven en in Indonesia koelie, maar het werk was het zelfde.
    Verstuurd vanaf mijn iPhone

  5. fbikker zegt:

    Opgewarmd verhaal.

  6. Wal Suparmo zegt:

    Ik geloof dat de eens rijkste man ter wereld de zo genaamde suikter magnaat OEI TIONG HAM rijk is gworden niet door zijn suikert pabrieken alleen , maar ook door DE MONOPOLIE die hij heeft gekregen van de Nederlands( Nederlands Indische) Regering, in het verhandelen of opiun onder de Chinesen. Een andere rijke inheemse persoon is TASIRIPIN die ook de monopoli had gekregen..Beiden zijn van Semarang..

    • willem Tenwolde zegt:

      klopt. Altijd gedacht dat Oei Tiong Ham moest wel het grootste wereld concern in die tijd geworden zijn door drugs handel.
      Ze waren notabelen in Semarang. Weet ik van mijn oma

    • Wal Suparmo zegt:

      De originele bedoeling van het Hollandse kolonialisme is niet leen maar DEVIDE ET EMPERA , maar ook o.a. om de Inlanders mentaal kapot temaken met opium en zo doende om hun gemakkelijker onder de knie ter hebben.Wat al 200 jaar gebeurt is. Maar door de intelectueele en politieke ontwikkelingen in in wereld en in Euroa, kwam onder de Hollandse politicie het idee van de ETHISCH POLIKTIEK. Met voorloper i o.a, Mr VAN DEVENTER cs Die de Ned.Indie kolonial politek totaal had veranderd maar al telaat want toen kwan de WWII.

  7. H.I.R. Hinzler zegt:

    die geschiedenis van opium en opiummonopolies was toch al lang bekend……

  8. Ch.F. van Fraassen zegt:

    Dat Ewald van Vugt verrast was door het feit dat de VOC en later het gouvernement in Nederlands-Indië een belangrijke rol speelde in de opiumhandel ligt aan zijn gebrekkige kennis van de geschiedenis. Openbare bronnen over de geschiedenis van de opiumhandel en de rol van het VOC en het gouvernement daarin zijn rijkelijk aanwezig. Hij zou al heel wat wijzer zijn geworden als hij, om te beginnen, er de 2e druk van de Encyclopedie van Nederlandsch-Indië, deel III (1919) onder het lemma Opium op had nageslagen (p. 155-167).

    • R.L. Mertens zegt:

      @Ch.F.vanFraassen; ‘Encyclopadie van Nederlandsch-Indië III-1919’ – Uit 1919! Dan had iedereen(?) moeten hebben geleerd/gelezen aangaande de opium handel? Staat daar ook vermeld; de opium inkomsten, die als financiering gold voor de oorlogen/pacificaties etc. in de Oost? Dat die opium inkomsten meer waren dan welke Indisch handel dan ook?
      Mijn geschiedenis kennis; dat de Chinezen verslaafde opium schuivers waren. en dat de overheid daar als een ‘hoeder waakte om uitspattingen te voorkomen’!

      • Ch.F. van Fraassen zegt:

        De 2e druk van de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, 4 delen, 4 supplementen, 2 afleveringen Aanvullingen en Wijzigingen, dateert uit de jaren 1917-1939. Dat hele set heb ik ooit voor 400 gulden aangeschaft bij De Slegte. Van die aankoop heb ik nooit spijt gehad. De banden bevatten ontzettend veel essentiële gegevens over Nederlands-Indië, en wie het een en ander over het verleden wil weten, zal er toch niet aan ontkomen af ten toe oudere boekwerken te raadplegen.
        Men kan niet zeggen dat de opium-inkomsten de financiering waren voor het ageren van het Indisch leger. De acties van het Indisch leger werden gefinancierd uit de middelen van het Indisch gouvernement, en de inkomsten van de opiumregie maakten deel uit van de middelen van het gouvernement. Er was echter geen directe relatie tussen inkomsten uit de opiumregie en de bekostiging van het Indisch leger.
        De inkomsten uit de opiumregie waren ook niet de belangrijkste inkomsten van het gouvernement. Nemen we als steekproef het jaar 1890, dan zien we In de Koloniale Verslagen dat voor dat jaar de inkomsten van het Indisch gouvernement werden begroot op ƒ 128,1 miljoen, waaronder ƒ 17,6 uit de opium, terwijl de uitgaven van het gouvernement werden begroot op ƒ 140, 5 miljoen, waaronder ƒ 29 miljoen voor het Indisch leger.

      • RLMertens zegt:

        @CH>FvanFraassen; ‘jaar inkomsten etc.’ – Hoe is het in onderdelen? Opium
        niet de belangrijkste?
        Of helemaal niet onderverdeeld? Om het te verzwijgen?

    • Jan A. Somers zegt:

      “Encyclopedie van Nederlandsch-Indië, deel III (1919) onder het lemma Opium” En daar niet alleen in. Die uitgave is overigens alleen in goede bibliotheken in te zien. Maar ook in de nu nog steeds te koop zijnde: G.F.E. Gonggryp, Geïllustreerde Encyclopædie van Nederlandsch-Indië. 1934, heruitgave 1992. Ik heb die indertijd bij Donner in Rotterdam gekocht. Dat is mijn standaardboek voor van alles en nog wat.
      “die als financiering gold voor de oorlogen/pacificaties” Normaal toch? Alle zaken die uit belastinginkomsten moeten worden betaald, zoals bijvoorbeeld onderwijs,. wegenbouw, volksgezondheid, krijgsmacht? In Nederland uit accijnzen op tabak, alcohol enz. ook niet zulke leuke producten! In welke geschiedenisboekjes kunt u dat vinden? En opium is nu over praktisch de hele wereld in de ban, en hun afgeleiden, de opiaten, onder strenge controle. Nu in Nederland de georganiseerde misdaad zich meester heeft gemaakt van de wietproductie, wordt er gezocht naar oplossingen voor dat probleem. In Indië was voorheen de opiumproductie en -handel in handen van Chinese kongsi’s die nogal hardhandig bezig waren. Plus een volksgezondheidsprobleem. Vandaar dat die zaak moest worden aangepakt. (onderdeel van de pacificatie). Na de oorlog waren die kongsi’s weer helemaal terug. Bij mijn ambulanceritten in de Chinese wijk in Soerabaja, over de Rode Brug, heel wat ellende gezien. Al die opiumkitten waren er weer. Toen de Brits-Indische militairen er nog waren, reden die mee, met stengun. Na die tijd moesten we het zonder begeleiding doen. Die Chinese bendes waren zo hardhandig dat de twee opiumjagers van de Gouvernements Marine (Valk en Arend) niet alleen de snelste schepen waren, maar ook de enige die bewapend waren met een kanon. Mijn vader moest naderhand met de Arend ook illegale Japanse vissers achter de broek te zitten. Die konden nog sneller varen, maar met de betere Nederlandse kennis van de vaarwegen konden die meestal de pas worden afgesneden.
      Uit Wikisage: “Er werd een levendige smokkelhandel in opium bedreven en toen Nederlandse kruisboten een Chinees vaartuig met smokkelwaar in beslag wilden nemen kwamen de Chinezen feitelijk in verzet en wierpen zij versterkingen op. (…) Te Kedondong werden zij door een bende Chinezen verraderlijk overvallen; een detachement infanterie kwam te hulp; maar weldra werd het garnizoen aldaar ingesloten en moest zich verweren tegen een grote macht.”
      De opium was niet het enige probleem met de Chinezen, ook de productie van zout, dat met woekerwinsten aan de bevolking werd verkocht. De zoutregie was al in 1813 door Raffles ingevoerd. In 1931 is de zoutregie samengevoegd met de opiumregie onder de naam ‘de opium- en zoutregie’. Zelf vind ik het systeem met accijnzen veel gemakkelijker voor de staat.
      Leuk, nu nog in Nederland: Maanzaad of blauwmaanzaad is het zaad van de slaapbol (Papaver somniferum). In Zeeland is er een grote productie van Maanzaad en onder strenge controle de farmaceutische industrie. De naam slaapbol is/was populair onder moeders met huilerige kinderen, lekker sappelen op een slaapbol. Konden de ouders ook eens uitslapen.

  9. Ron Geenen zegt:

    Costatering: Dit nieuwe bericht is van Javapost.com maar in mijn Outlook box zie ik dat het een email is van WordPress.com . Bestaat Javapost.com? Zou het misschien Javapost.nl zijn?
    Vreemde zaak!

  10. George zegt:

    Niets nieuws onder de zon de naam VOC zegt het al: Het Voortvarende Opium Cartel. De NHM staat voor Niemand Handelt meer.

    • Jan A. Somers zegt:

      De NHM, in de volksmond de factorij, was toch een gewone handelsbank net als ABNAMRO (de opvolger van de factorij) of ING of welke bank dan ook? Die NHM zat vroeger gewoon in het beleggingspakket van uw pensioenfonds, daar had u geen problemen mee. Nu opgevolgd door o.a. ABNAMRO. En de VOC was toch de baarmoeder van de staat Indonesië, met haar huidige hoofdstad?

  11. joost van bodegom zegt:

    voor sommigen oud, voor anderen nieuw, maar het kan niet genoeg verteld worden….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s