Onverklaarbare geluiden drongen ons Jappenkamp binnen

70 Jaar Politionele Acties

Deze week zeventig jaar geleden startte Nederland met de Eerste Politionele actie, een poging om de Indonesische republiek met geweld te vernietigen. Onderhandelingen over een vreedzame overgang waren vooral mislukt door de Nederlandse onderschatting van de aanhang van de nationalisten, blijkt uit de memoires van Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink.

Hetty en Wim Wertheim, Zuid-Sumatra, 1931

Door Anne-Ruth Wertheim

15 augustus 1945
Niet kunnen slapen. Ik besef nu dat honger gek kan maken. Midden in de nacht komt Saar op onze kollong (brits) en zegt ‘’t is vrede!’ ‘Toe, schei uit’, we kennen die praatjes nu wel.

17 augustus 1945
Ineens van alles dubbele porties. Ongelooflijk! Er hangt wat in de lucht. ‘s Avonds ontzaglijk veel lawaai buiten het kamp. Of er kermis is. En telkens harde stemmen door de loudspeakers. Wat zou dat zijn? ‘Och, het is een inlands feest’, zeggen mijn kampgenoten. Nee, inlandse feesten zijn over het algemeen naar ons idee juist erg stil. Ik wil horen wat er gezegd wordt. Ben ’s avonds naar het gedèk (de omheining) gegaan en heb lang staan luisteren, maar het was toch te ver, ik kon het niet verstaan. Maar dat er iets bijzonders aan de gang is, geloof ik vast.

Dit zijn dagboekfragmenten van mijn moeder uit het kamp ADEK, waarin ze samen met mij en mijn zus en broertje verbleef. Het kamp was gebouwd voor koelies, arbeiders die waren geworven voor de tabaksplantages op Sumatra. We waren daar met 2.500 vrouwen en kinderen opgesloten, per zaal zo’n honderd. Op de houten britsen langs de wanden had ieder een slaapplaats van vijftig centimeter breed. De laatste maanden in ADEK waren zwaar. Op 31 juli 1945 moesten we zeven uur in de tropenzon staan, omdat Indonesische bewakers waren ontsnapt in kleren van onze kampgenoten. De Japanners sloegen de opgepakte Indonesiërs voor onze ogen tot bloedens toe om uit hen te krijgen met wie van ons zij die kleren hadden geruild voor eten – en dat lukte uiteindelijk. Hadden we toen maar geweten dat onze bevrijding zo dichtbij was.

Wat mijn moeder in haar dagboek beschrijft, is intrigerend. Ze verstond, sprak en schreef uitstekend Indonesisch maar kon de woorden uit de luidsprekers niet verstaan. Toch voelde ze instinctief aan dat er een historische gebeurtenis plaatsvond: om tien uur die ochtend van de zeventiende augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, stonden Soekarno en Hatta met een groepje medestanders op de voorgalerij van het huis waar Soekarno na zijn jarenlange gevangenschap en verbanning was komen te wonen, vlakbij het ADEK-kamp. In de voortuin was een bamboestok geplant met daaraan een rood-witte vlag – het verboden symbool van de onafhankelijkheid – die de nacht tevoren haastig in elkaar was genaaid. Soekarno las met Hatta aan zijn zijde een korte verklaring voor van een papiertje. De festiviteiten zouden tot diep in de avond duren.

Het dagboek van onze moeder gaat verder:

22 augustus 1945
We horen dat we nog een poos in de kampen moeten blijven. Onze commandante wilde de Hollandse vlag hijsen, maar dat mocht niet. ‘De bevolking is niet te vertrouwen’, wordt er gezegd. Hoe stiller we ons houden, hoe beter. Is dat nu vrede? En waar blijven onze mannen? Leven ze nog?

30 augustus 1945
Eindelijk berichten van het Rode Kruis. Goddank, Wim leeft! Maar de man van Ans is dood, ook die van Mia, ook die van Judith. Oh, wat een ontzetting allemaal. (…) Hoe kunnen we nu feestvieren? En we moeten in het kamp blijven. Onder bescherming van de Japanners (…) ze zijn plotseling van vijand tot beschermer en vriend geworden.

31 augustus 1945
We lezen in een Maleise krant, die eindelijk is binnengekomen, dat Soekarno en Hatta op 17 augustus een Indonesische Republiek hebben uitgeroepen. De meesten van ons maken zich alleen maar boos of vrolijk over dit ‘belachelijk gedoe’: ‘Straks zullen onze mannen daar wel gauw een einde aan maken’, zeggen ze. Dát was dus de stem door de loudspeakers op die avond van de 17de augustus geweest. Dát was dus het ‘inlandse feest’ waaraan geen aandacht werd geschonken!  

Mijn ouders waren in de jaren dertig om economische redenen naar Indië gegaan. De economische crisis in Nederland had gemaakt dat de kolonie nog een van de weinige plekken was waar je als net-afgestudeerde jonge man een baan kon vinden. Ze aanvaardden in eerste instantie de koloniale verhoudingen als een gegeven, zo blijkt uit hun memoires en dagboeken. Ze verkeerden weliswaar in Nederland in progressieve kringen, ze maakten bijvoorbeeld samen muziek bij het gouden jubileum van de promotie van Aletta Jacobs in 1929, maar ook daar was men nog overtuigd van de redelijkheid van de blanke overheersing over de gekleurde volkeren. Op de boot naar Indië werden ze geïndoctrineerd door terugkerende verlofgangers die hen waarschuwden voor stelende Indonesische bedienden en hen op het hart drukten vooral afstand te bewaren. Toen ze bij aankomst in Tandjoeng Priok, de haven van Batavia, verwelkomd werden door een oude oom die daar getrouwd was met een Indo-Europese, betrapte mijn moeder zich erop dat ze heel even had gehoopt dat hun nieuwe bootvrienden het gezelschap van getinte neven en nichten niet hadden opgemerkt.

Een landraad in de jaren ´30

Op hun eerste standplaats op Zuid-Sumatra zorgde hun onbevangen houding tegenover de Indonesiërs en de Indo-Europeanen echter al snel voor pijnlijke botsingen met de rassenmuren en nam hun twijfel toe. Mijn vader werkte voor de landraad voor de berechting van Indonesiërs. Zijn groeiende verontrusting over de verschillen tussen deze landraden en de rechtbanken waarvoor de Europeanen moesten verschijnen, besprak hij met mijn moeder die ook juriste was. Hun ogen werden verder geopend toen mijn vader in 1936 hoogleraar werd aan de Rechtshogeschool van Batavia. Ze kregen te maken met Indonesische intellectuelen die sympathieën koesterden voor de onafhankelijkheidsbeweging. Bij ons thuis ontvingen ze elke veertien dagen een tiental Indonesische studenten en mijn vader zei tegen mijn moeder: ‘De goede studenten zijn vrijwel allemaal nationalist!’

Mijn moeder werd lid van de ‘Hutspotclub’, een vrouwenclub die gemeenschappelijke maaltijden organiseerde. In het bestuur waren de drie ‘rassen’– Indonesiërs, Chinezen en Europeanen – gelijkelijk vertegenwoordigd en tijdens de maaltijden moest men zoveel mogelijk ‘dooreengehutst’ plaatsnemen. Aanvankelijk vonden de Europese vrouwen het vanzelfsprekend dat de avonden geleid werden door een Hollandse, maar toen ‘van oosterse zijde’ gevraagd was dit bij toerbeurt te doen, gaf men daar tenslotte aan toe.

Mijn vader werd in 1941 benoemd in de Commissie-Visman, die bestond uit drie Nederlanders, drie Indonesiërs en een Chinees, die zich moest bezighouden met staatsrechtelijke hervormingen in de verre toekomst, na de bevrijding van het moederland in Europa. ‘De Indonesische leden zijn handelbaar’, concludeert hij in zijn memoires. ‘Anders zouden zij niet in de commissie zijn benoemd. Het zijn stuk voor stuk bekwame mensen. Maar geen mensen die een scherp standpunt innemen. Dit hebben zij in de koloniale bureaucratie geleerd.’ Het uiteindelijke rapport inventariseert de wensen die leefden bij de verschillende bevolkingsgroepen over de toekomstige staatsinrichting van Indonesië. Alle wensen? Nee, de opvatting ‘Indië los van Holland’ werd niet vermeld. Mijn vader schrijft daarover na de oorlog: ‘De criticus van 1946 denkt met schaamte aan een in 1941 geplaatste handtekening.’

Los van elkaar zijn mijn ouders pas in de kampen tot de conclusie gekomen dat het Indonesische volk recht had op onafhankelijkheid, zo hebben zij altijd benadrukt. Allereerst speelden hun eigen ervaringen met vernedering, racisme, onrecht en honger in de Japanse kampen een rol. Zij wilden dat anderen niet aandoen. Daarnaast scherpten de kampen hun geest. Ze lazen boeken die door gevangenen het kamp mee ingenomen waren en onderling werden geruild en discussieerden met hun medegevangenen. Onder hen leerde mijn vader vooral veel van de socialisten Bernard van Tijn en Jaap de Haas, die beiden de Indonesische onafhankelijkheid aanhingen.

De eerste had hij leren kennen als secretaris van de Commissie-Visman en de tweede had als kinderarts belangrijk werk gedaan voor de gezondheidszorg in Indië. Ook sprak hij met de toen nog linkse Jacques de Kadt, die ervan overtuigd was dat Indonesië na afloop van de oorlog onafhankelijk zou worden. Mijn vaders twijfel of Indonesiërs nu al in staat waren een staat te besturen, wuifde De Kadt zelfverzekerd weg: ‘Och, misschien zullen ze het niet zo goed doen, maar wat zou dat? In Zuid-Amerika zijn er heel wat republieken waar de zaken niet al te best gaan – maar het zijn toch onafhankelijke staten.’

Half september 1945 kwamen mijn vader en zijn goede vriend Jaap de Haas tot de conclusie: ‘Onder de Nederlanders heerst de vaste overtuiging dat de Indonesische republiek niets anders is dan een Japans maaksel om de geallieerden, en in het bijzonder ons Hollanders, dwars te zitten. Maar wij zijn er allebei van overtuigd dat de situatie veel gecompliceerder is. De republiek was door Soekarno en Hatta, op aandrang van een groep jonge nationalisten, al enkele dagen na de capitulatie geproclameerd, juist om tegenover de geallieerden de schijn van Japanse machinaties te vermijden. Wel waren er enkele hooggeplaatste Japanse militairen geweest die uit sympathie voor het Indonesische onafhankelijkheidsstreven bij de proclamatie enige clandestiene steun hadden verleend – maar daarmee was de republiek nog geen Japanse creatie!’

Op 30 augustus 1945 liepen mijn vader en een vriend weg uit hun kamp bij Bandoeng en ze reisden met de trein naar Batavia. Later vertelde hij altijd glunderend dat zoiets in warrige tijden helemaal niet moeilijk is, ze waren gewoon de poort uitgelopen en de Japanners hadden het nakijken gehad. Ze richtten in allerijl het Bataviase Rode Kruis op en achterhaalden waar hun vrouwen en kinderen zaten. Op 9 september zag ik hem opeens bij ADEK aankomen op een gammele fiets, je hoorde de trappers kraken. Hij had een korte broek aan, wat je nu een T-shirt zou noemen en slippers aan zijn blote voeten en we herkenden elkaar meteen. Al gauw mochten wij zelfs om de beurt een weekend bij hem logeren in het huis van de Chinese vrienden waar hij gastvrij onderdak had gekregen in hun garage. Niet lang daarna vond mijn vader voor ons gezin een tijdelijke woning aan de Javaweg. Ons eigen huis was tot en met de elektriciteitsdraden leeggeroofd. Er was intussen ook contact gelegd met onze familie in Holland, die natuurlijk ontzettend blij was dat wij de oorlog hadden overleefd.

Over zijn eerste indrukken in Batavia schrijft mijn vader in zijn memoires: ‘Het stadsbeeld van Batavia was in de drieëneenhalf jaar dat ik opgesloten was geweest nogal veranderd. Maar in de eerste weken van september waren het meest opvallend de antikoloniale opschriften, aangebracht op muren en trams, meestal in het Engels. Zij waren duidelijk bedoeld om, wanneer geallieerde troepen zouden landen, deze duidelijk te maken dat herstel van de koloniale verhoudingen door het Indonesische volk niet gewenst werd.’

Sjahrir, Soekarno en Hatta

Half november 1945 had mijn vader een bespreking met de persoonlijke afgezant van de Nederlandse minister van Overzeese Gebiedsdelen, waarin hij ervoor pleitte contact te leggen met Soetan Sjahrir, de aanstaande premier van de Republiek Indonesië. ‘Ik zet uiteen dat met het aan het bewind komen van het kabinet-Sjahrir een unieke gelegenheid is geschapen voor onderhandelingen, en dat Nederland deze kans met beide handen moet aangrijpen’, schrijft hij in zijn memoires. ‘Ik betoog waarom de facto erkenning van de Republiek mijns inziens politiek onvermijdelijk is. Ik dring erop aan, dat men Sjahrir, nog vóór zijn kabinet aanstaande zondag (25 november) met het republikeins vertegenwoordigend lichaam wordt geconfronteerd, vérgaande tegemoetkomingen op politiek gebied in het vooruitzicht zal stellen, teneinde zijn positie tegenover terroristen en extremisten te versterken. Dit zal niet makkelijk vallen, daar in deze novembermaand persoonlijke contacten tussen Nederlanders en Indonesiërs vrijwel onmogelijk zijn geworden.’ Mijn vader krijgt de opdracht te proberen contact op te nemen met Sjahrir.

Op een warme novembermiddag speelde ik met mijn zus en broertje aan de achterkant van ons huis in Jakarta. De aarde was warm en vochtig en heel geschikt om er een groot kasteel van te bouwen. We lieten steentjes die ridders voorstelden heen en weer rennen en schreeuwden lekker hard naar elkaar. Plotseling kwam onze moeder naar buiten lopen. Ze fluisterde ons toe dat er een Indonesiër op bezoek zou komen en omdat niemand dat mocht weten, zou hij zijn auto in de achtertuin parkeren. Beduusd zaten we op de stoep van de galerij en vroegen ons af of ons kasteel gespaard zou blijven. Een zwarte auto kwam met grote vaart de oprijlaan inrijden, maakte een scherpe bocht naar links de achtertuin in en… stopte vlak voor ons kasteel. Soetan Sjahrir stapte uit en werd snel mee naar binnen genomen.

De non-conformistische intellectueel Sjahrir had een grote aanhang onder jongeren. Hij was een linkse socialist en antifascist die altijd had geweigerd om met de Japanners samen te werken en daardoor was hij voor de Nederlandse autoriteiten de enige aanvaardbare gesprekspartner aan nationalistische kant. Hij had kort in Nederland gestudeerd, waar hij bevriend raakte met socialisten als Jef Last, Sal Tas en Jacques de Kadt, die niets moesten hebben van de sociaal-democratische SDAP die bevolkt werd door ‘champagne drinkende hypocrieten’. Hij kreeg een relatie met Maria, de vrouw van Tas, en zij volgde hem naar Indonesië waar de geliefden een islamitisch huwelijk sloten. Hand in hand liepen ze door Medan, allebei in traditionele kleding. Dat was meer dan de blanke Nederlanders aan konden en Maria werd na vijf weken op de boot naar Nederland gezet. Het stel zou elkaar pas na de Tweede Wereldoorlog weer zien.

Sjahrir werd kort daarop vanwege zijn nationalistische redevoeringen geïnterneerd in het beruchte strafkamp Boven-Digoel op Nieuw-Guinea, dat met opzet midden in het ondoordringbare oerwoud was gebouwd, waar het wemelde van de malariamuggen, en daarna jarenlang verbannen naar de afgelegen Banda-eilanden, van waaruit hij lange, literaire brieven schreef aan Maria. Al op 21 februari 1936 getuigde hij daarin van zijn vooruitziende blik:

‘Van één ding ben ik zeker: dat deze koloniale regering en, meer nog, de koloniserende Nederlanders er eens spijt van zullen hebben dat ze nooit een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment aan bewuste, culturele politiek voor de Indonesische bevolking hebben gedacht! Ik voor mij ben ervan overtuigd dat deze kortzichtigheid, deze befaamde Hollandse ‘degelijkheid’ en het gemis aan verbeelding en durf zich van nu af aan zullen gaan wreken. (…) Tenslotte zullen ze natuurlijk die richting toch op moeten, maar dan zal het ook wel te laat zijn. Als banneling kan ik alleen maar zeggen: we zullen zien.’

Sjahrir was ook kritisch over de onafhankelijkheidsbeweging zelf. De pure nationalisten hadden volgens hem een gebrek aan ‘open-mindness en ze moeten zich bevrijden van achterdocht, haat en hun minderwaardigheidscomplex’. Pas dan kon er gelijkwaardigheid ontstaan. Al snel zag hij de opkomst van het fascisme als de grootste bedreiging van de wereldvrede. In 1938 stelde hij in een open brief dat ‘op het moment dat de oorlog in de Pacific komt, de volksbeweging zal moeten samenwerken om het land te verdedigen’. Om dit te bereiken moest de Nederlandse autoriteit een deel van de macht overdragen aan de volksbeweging. Ze moest de beweging als een gelijkwaardige bondgenoot beschouwen.
Sjahrir en mijn vader hadden verschillende gemeenschappelijke vrienden en kennissen en het gesprek verliep voorspoedig.

Mijn vader schrijft over dit bezoek: ‘Wij lopen door naar mijn werkkamer. De staatsman, nu premier, blijkt in wat ik hem vertel hogelijk geïnteresseerd. Hij kan uiteraard op geen van de vragen definitief antwoorden zonder zijn kabinet te raadplegen. Maar zijn reactie is niet bij voorbaat negatief, en hij wijst de mogelijkheid van onderhandelingen niet a priori af. Het gesprek, dat meer dan een uur duurt, komt op de terreur, waarmee ik door mijn Rode Kruiswerk in nauwe aanraking kom. Sjahrir toont zich ontsteld door wat ik hem vertel – had van de omvang van het verschijnsel geen idee. Mijn contact met Sjahrir was, vooral voor hem, niet ongevaarlijk. Nog op 21 november was een aanslag gepleegd op Moh. Roem, een gewezen student van mij en medewerker van Sjahrir, misschien door extremistische elementen die tegen onderhandelingen met de Nederlanders waren; Roem was toen ternauwernood aan de dood ontsnapt.’

De volgende ochtend volgt echter de domper. Hij schrijft daarover: ‘De volgende ochtend vroeg klim ik op de fiets en rijd naar het paleis, om verslag uit te brengen. In twee woorden moet ik de inhoud van een gesprek van een uur weergeven. Enigszins uit het veld geslagen voldoe ik aan het verzoek maar veel geloof in mijn zending heb ik niet meer.’ Na nog wat blijken van onverschilligheid van de kant van de Nederlandse gezagsdragers, stelt mijn vader teleurgesteld vast dat zij zijn medewerking bij het uitvoeren van hun politiek kennelijk niet meer nodig hebben. ‘Zo eindigde mijn eerste en laatste politieke missie.’ Begin 1946 keerden we terug naar Nederland.

Het contact tussen Sjahrir en de Nederlandse autoriteiten is echter gelegd. Moeizame gesprekken en onderhandelingen volgen. In de brochure Nederland op den Tweesprong verzucht mijn vader: ‘En zo maakt de regering het Sjahrir telkens weer haast onmogelijk om zijn oppositie duidelijk te maken dat het toch zin heeft met de Hollanders te onderhandelen. Is men in bepaalde kringen nog steeds huiverig voor de socialist Sjahrir? Beseft men dan nog steeds niet, dat als Sjahrir wegvalt, er niets in de Indonesische maatschappij overblijft, waarmee men als Hollander zaken kan doen?’

Uiteindelijk leidden de gesprekken op 15 november 1946 tot de overeenkomst van Linggadjati, waarbij Nederland beloofde het gezag van de republiek over Java, Madoera en Sumatra te erkennen, waarbij de republiek onderdeel zou worden van de Verenigde Staten van Indonesië, die onderdeel zouden worden van de Nederlands-Indonesische Unie, onder leiding van de Nederlandse koning. Het compromis was vanaf het begin aan beide zijden omstreden en op 20 juli 1947 zegde Nederland het verdrag op. Een dag later startte de zogenaamde eerste politionele actie, waarmee de afscheiding van Indonesië daadwerkelijk ontaardde in een oorlog.
x
x
Gebruikte literatuur
Rudolf Mrázek: Sjahrir: Politics and Exile in Indonesia (1994)
Wim Wertheim en Hetty Wertheim-Gijse Weenink: Vier wendingen in ons bestaan, Indië verloren, Indonesië geboren (1991)
W.F.Wertheim: Nederland op den Tweesprong: Tragedie van den aan traditie gebonden mensch (1946)
W.F. Wertheim: Indonesië, van vorstenrijk tot neo-kolonie (1978)
Sutan Sjahrir: Indonesische Overpeinzingen, Amsterdam (1966)
Anne-Ruth Wertheim: De Gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java (1994)
x

De oorspronkelijke versie van dit artikel – met andere illustraties – verscheen in De Groene, op 18 augustus 2017.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

34 reacties op Onverklaarbare geluiden drongen ons Jappenkamp binnen

  1. Koos van der Wal zegt:

    Zijn deze brieven ook in boekvorm te verkrijgen zoals brieven en dagboek van Gon Bossevain?

  2. August Pijma zegt:

    Weer heerlijk genoten van een prachtig stuk geschiedenis.
    Hartelijk bedankt voor het geschiedenis onderwijs.
    Door de Javapost leer ik iedere keer mijn eigen geshiedeis.

  3. August Pijma zegt:

    Soetan Sharir heeft een boek geschreven tijdens zijn ballingschap, het boek heet ” Overpeinzingen”.

    • Ælle zegt:

      Rudolf Mrázek schreef “Sjahrir, Politics and Exile in Indonesia”
      ISBN 087727-713-3
      Southeast Asia Program: SEAP, 180 Uris Hall
      Cornell University, Ithaca, New York, 1994
      Dit boek zou ik ook willen bezitten om gelezen te worden.

  4. Dominicus van den Bergh zegt:

    Waarom wordt het woord Jappenkamp in allerhande geschriften steeds weer gebruikt? In Nederland spraken wij toch ook niet over moffenkampen maar over concentratiekampen. Trouwens taalkundig klopt het evenmin. Een Jappenkamp betekent een kamp vol Jappaners evenals een padvinderskamp een kamp vol padvinders betekent.

    • JPF Barneveld Binkhuijsen zegt:

      Omdat voor diegenen die er 31/2 jaar de gast van de tenno heika waren nu eenmaal dat de gangbare aanduiding is. Zij hebben meer recht van spreken dan de een of andere neerlandicus van achter zijn buro.

    • A.J.F. Geraerts zegt:

      het gezegde jappenkamp komt n.m.m.voor naar een kamp waarvan de JAP het zeggenschap heeft en kan doen wat hij wil o.a de mensen aftuigen als hij zin heeft zonder enig overleg dus het kamp behoord aan hen

  5. R.L. Mertens zegt:

    ‘En Maria werd na 5 weken op de boot naar Holland gezet’- Zo maar, omdat zij getrouwd was met Sjahrir? En inlandse kleding droeg? Las ooit, dat haar vertrek naar Indië werd bemoeilijkt door de
    Indische autoriteiten. ‘Linggadjati overeenkomst’ – De Verenigde Staten van Indonesië zullen omvatten het geheele (!) grondgebied van Nederlandsch Indië etc. Dus inclusief Nieuw Guinea!
    Het is Nederland, die deze overeenkomst saboteerde met allerlei aankleedpunten etc…..om tot een gewapend treffen te komen. ( Drees sr.; onze jongens zijn toch niet voor niets naar Indië gekomen …)

  6. Robert Fermin zegt:

    Wat kunnen wij nog veel van elkaar leren, Jammer dat het tot onze dood niet meer te herhalen is. Het is goed al deze verhalen vast te zetten voor die, die er nooit van geweten hebben.

  7. joost van bodegom zegt:

    Mooi werk Anne Ruth! Kan mee in de lijn van de werkgroep HIG : Herschrijf Indische Geschiedenis. Hoogste tijd om alle onzin uit de Nederlandse geschiedenisboeken te verwijderen. Eens komt die dag….

  8. van den Broek van een andere generatie zegt:

    Opmerkelijk dat in het oorspronkelijke artikel verschenen in de Groene groenehttps://www.groene.nl/artikel/onverklaarbare-geluiden-drongen-ons-jappenkamp-binnen
    een foto staat van de landraad uit 1910. De foto geeft eigenlijk beter weer en zegt meer hoe de koloniale verhoudingen waren. Het waren de Hollanders, de rechters in overdrachtelijke zin, die het voor het zeggen hadden en die verhoudingen hebben zich in de koloniale tijd (tempo doeloe waar het goed toeven was voor de koloniale minderheid) eigenlijk nooit gewijzigd.

    Prof. Wertheim is niet een eenling, een roepend in de woestijn

    E.e.a. wordt ook bevestigd in een curieus boekje wat ik ooit geschonken kreeg van een goede vriend, die mijn belangstelling voor Indie kent: Indie onder dictatuur (1946!!!!) van Prof.dr. C. Gerretson, Buitengewoon Rijkshoogleraar in de constitutionele Geschiedenis van het koninkrijk . Daarin maakt hij korte , zeer korte metten met de regeringsverklaring van december 1942 (o.a. RondeTafelConferentie RTC) waarbij minister Logemann en niet alleen hij deze Verklaring doet voorstellen als een persoonlijke daarom bindende belofte van de Koningin.

    Weinig vleiend noemt Prof. Gerretson dit staatsstuk leugenachtige retoriek der gemeenplaatsen. Van een Koninklijke belofte inzake de reorganisatie van het Koninkrijk is geen sprake , omdat de Koningin geen belofte KAN doen en ook geen belofte gemaakt heeft. En dat de bewering van de minister “dat het Nederlandse Volk met het Koninklijk woord ernst pleegt te maken” elke grond mist, omdat onze constitutie voor “Koninklijke” woorden in politieke zin geen plaats biedt. Dat zegt dus een constitutionalist…….

    Maar nu terug naar Wertheim, het artikel is het waard om dieper op in te gaan. het geeft toch een opmerkelijk en sprekend tijdbeeld.

    Wat mij vooral in het oog springt zijn zijn woorden: “wat deze koloniale regering en, meer nog, de koloniserende Nederlanders er eens spijt van zullen hebben dat ze nooit een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment aan bewuste, culturele politiek voor de Indonesische bevolking hebben gedacht!”
    Een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven aangepast aan de moderne, veranderde wereldstructuur en “koloniserende Nederlander” Dat gaat toch wel in de richting van een plausibele verklaring van het Nederlands optreden in de kolonie en dat kort na de oorlog, die andere oorlog.

  9. buitenzorg zegt:

    Heer Van den Broek, de foto heb ik juist gewijzigd om zo waarheidsgetrouw mogelijk te zijn. Wertheim was verbonden aan een landraad op Sumatra in de jaren ´30, – dít is een foto van Borneo, jaren ´30. De door De Groene gebruikte foto was van 20 jaar daarvóór. Of het beeld dat díe foto weergeeft (de op de grond zittende, gebogen, en natuurlijk schuldig bevonden, inlander) de koloniale verhoudingen (van wanneeer?) beter weergeeft, – ik weet het niet. Ik denk echter dat het beter is de inhoud van een artikel zo veel mogelijk te illustreren door gebruikmaking van foto´s van het moment zélf, en niet die van een ander tijdperk. Wat we hier proberen te doen, het reconstrueren van de geschiedenis van Indië, is op zich al lastig genoeg.

  10. van den Broek van een andere generatie zegt:

    Aan dhr Buitenzorg. De landraad op zich was een juridisch gedrocht passend in het koloniaal tijdperk. De landraad die toch recht diende te spreken over de Nederlandse onderdanen, dwz Indonesiers waarvan aan het hoofd een Vz en ik dacht ook de griffier stonden. Die waren wel in Nederlandse stijl opgegroeide juristen, professionals die wel wisten hoe het recht dus ook het Adatrecht in elkaar stak i.t.t. de Inlandse leden van de landsraad. Ik had eigenlijk als voorbeeld in gedachten het Landsraadproces tegen ir. Sukarno in de dertiger jaren van de vorige Eeuw. Dan gaat het mij niet om de Reconstructie maar om een getrouwe weergave van de verhoudingen, zo mooi uitgedrukt in de oorspronkelijke foto, zie bijvoorbeeld de kleding van de landraadsleden,hun plaats aan en rondom de tafel en hun houding op de foto. Dat is wel tekenend en beeldend.

    • buitenzorg zegt:

      De meeste foto´s die ik ken van de landsraden stammen uit de periode rond de eeuwwisseling. Alle met op de grond gezeten inlanders voor een tafel waarachter de Nederlandse rechter. Hoe de opstelling was in de jaren ´30, weet ik niet. Bij gebrek aan kennis op dit punt, geef ik er daarom de voorkeur aan voorzichtig te blijven.
      Het onderwerp ´landraden´ komt hier vast nog wel een keer terug…

      • Jan A. Somers zegt:

        De rechtsregeling in Indië was volledig geënt op de diversiteit in rechtsbehoeften van bevolkingsgroepen zoals aangegeven in de Indische Staatsregeling. Natuurlijk is moord moord, en diefstal diefstal. Maar rechtsbehoeften buiten het strafrecht zijn in het dagelijks leven minstens zo belangrijk. Ingewikkeld (die samenleving was dan ook ingewikkeld) systeem, maar ik vind het heel doelmatig en rechtsmatig, de grondslagen voor wetgeving. Met een goede controle op de lagere rechters door het Hooggerechtshof: “Aanmerkingen”. Zie de recente (2015) dissertatie van Kees Briët. Weliswaar bejaard, maar aan dat toezicht is daarna weinig veranderd. Er is heel veel literatuur over, maar als je niet leest weet je ook weinig tot niets. En dan kom je natuurlijk tot vreemde uitspraken die nergens op slaan.. Leesbaar en tamelijk volledig is A. Neijtzell de Wilde, De rechtsbedeeling der Indische bevolkingsgroepen in ontwikkeling en verwikkeling, 16 October 1931.
        Van belang is de basis: In Indië werd recht gesproken “in naam der Koningin” of “niet in naam der Koningin”. Die regel ‘in naam van’ bestaat niet meer in het Nederlands recht, ik zou niet weten hoe of ik dat nu voor het oude Indië zou moeten definiëren. En toch was dat een belangrijk verschil, de Koningin kon niet verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld adatrecht of priesterrecht. Wat wel van belang was voor diverse bevolkingsgroepen, dat was hun recht! Op deze basis is het systeem van de Indische rechtbanken gefundeerd.
        En Prof. Gerretson! De petroleumfaculteit! Leuk beschreven door (ik dacht) Fasseur.
        “op de grond zittende,” Ja, in Nederland is dat andersom. De zittende en staande magistratuur. Opstaan bij binnenkomst van de rechtbank. Na vriendelijke toestemming van de president mag het volk (en de gedaagde) weer gaan zitten. En de officier van justitie spreekt staand. En op dat moment is de gedaagde niet schuldig bevonden. Als mijn moeder met baboe Soep de belandja besprak, zat zij op de grond en mijn moeder op haar stoel. Niks schuldig.

      • Jan A. Somers zegt:

        Voor de volledigheid: IS Art.130. Overal waar de Inlandsche bevolking niet is gelaten in het genot harer eigene rechtspleging, wordt in Nederlandsch-Indië recht gesproken in naam des Konings.
        Art.131. (2). b. de Inlanders, de Vreemde Oosterlingen (…) voor zooverre de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften dit eischen, hetzij aan de voor Europeanen geldende bepalingen, voor zooveel noodig gewijzigd, hetzij met de Europeanen aan gemeenschappelijke voorschriften onderworpen, terwijl overigens de onder hen geldende, met hunne godsdiensten en gewoonten samenhangende rechtsregelen worden geëerbiedigd, waarvan echter mag worden afgeweken, wanneer het algemeen belang of de bij hen gebleken maatschappelijke behoeften zulks vorderen.
        (4). Inlanders en Vreemde Oosterlingen zijn bevoegd om, voor zooverre zij niet reeds met de Europeanen aan gemeenschappelijke voorschriften zijn onderworpen, zich in het algemeen of voor eene bepaalde rechtshandeling te onderwerpen aan niet op hen toepasselijke voorschriften van het burgerlijk en handelsrecht der Europeanen. (…)

      • R.L. Mertens zegt:

        @JASomers; ‘rechtsregeling was volledig geënt op de diversiteit etc.’ – Opmerkelijk was het dat in de Indische gevangenissen voornamelijk inlanders zaten. Opgeborgen werden in naam der koningin.

      • Jan A. Somers zegt:

        Als de bevolking voor het merendeel bestaat uit Inlanders (met grote I!) kan je verwachten dat er veel meer Inlanders gevangen zitten dan Europeanen. Bovendien zullen de meeste Inlanders gevangen zitten niet in naam der Koningin. Die Europeanen zaten vooral in Struiswijk, Batavia en Werfstraat, Soerabaja. In de andere grote plaatsen ken ik de gevangenissen niet, Gezien de door u vertoonde kennis over aantallen gevangenen in uw reactie kent u die wel.

      • R.L. Mertens zegt:

        @JASomers; ‘meer inlanders in het gevang etc.’ – Om veroordeeld te worden tot lijfstraffen(rotan slagen) en/of dwangarbeid(ketting beren) Dwangarbeid/lijfstraffen niet voor Europeanen( die kregen gevangenis straffen) want dat schade het blanke imago!
        Doodstraf gold nog steeds. (In Nederland in 1870 afgeschaft) In de ‘ koloniale periode’ is nog geen één Europeaan tot de doodstraf veroordeeld! Bij de opstand in 1927 werden 27(vanwege het jaartal?) tot de galg veroordeeld.
        Rechtsregeling was inderdaad geënt op diversiteit. Wel in één richting. In naam des Konings.

      • Jan A. Somers zegt:

        “27(vanwege het jaartal?) tot de galg veroordeeld.” 11 zijn vrijgesproken. Het huidige Indonesië vindt die doodstraf wel handig. Onder president Soeharto was dat wel makkelijk, ben je die lui tenminste kwijt, op een rechtmatige basis.

  11. Walter Schwager zegt:

    Mooi stuk geschiedenis maar verdrietig in de uitkomst. Later komt dan nog het stompzinnige besluit van de Nederlandse regering om Nieuw-Guinea te behouden, wat leidt tot verdere, nodeloze verslechtering van de relaties met de R.I.

  12. Mooi verhaal,
    Hoe triest dat de geschiedenis niet op andere wijze zich kon ontplooien. Maar het is aan de andere kant niet verbazendwekkend, dat de Nederlandsche bevolking, opgesloten voor over drie jaar, en dus volkomen geisoleerd van wat er elders op de wereld geschiedde , een wereld in beroering, geen besef hadden van de nieuwe realiteit. Een van de veranderingen was het algemene begrip van goed en slecht, progressief en conservatief. Mensen met een breeder inzicht over onze samenleving, zijn er altijd geweest, maar zijn ook altijd in de minderheid. Mensen die jaren later bereidt zijn te erkennen dat hun opvattingen in het verleden fout waren, zijn ook in de minderheid.
    Een groot probleem is dat wij bijna allemaal in weerklankskamers leven.
    Wij lezen en horen alleen maar opinies waarmee wij het eens zijn, en dan alleen maar in de taal, die wij het gemakkelijkst lezen of begrijpen. En dan zijn wij stom verbaasd als andere mensen er anders over denken en geweld gebruiken. Uiteindelijk is macht recht.
    Mijn ouders leerden in Nederlandsch Indie een bittere les, en gingen na de oorlog terug naar Zuid Afrika, dat bij vergelijking met Indie, vanuit dit gezichtspunt, achterlijk was. Er was geen landraad bijvoorbeeld. Maar na de verkiezing van 1948 werd het hun duidelijk dat de geschiedenis dat zich toen in Indie ontplooide, zich ook kon herhalen in Zuid Afrika, en in 1951 gingen wij er vandoor. Mijn ouders waren geen groote lichten, zoals Wertheim, maar zij waren ook niet stom en hadden hun les geleerd.

    • van den Broek van een andere generatie zegt:

      Gedane zaken zo ook en vooral in de geschiedenis nemen geen keer. Dat de Nederlandse bevolking in de kampen geen weet had wat er BUITEN het KAMP zich in de oorlog (WO2) afspeelde, kan haar niet aangerekend worden.
      Maar dat excuus geldt natuurlijk niet voor de Ned.Indische regering in ballingschap in Australië noch voor de Nederlands regering in ballingschap in Londen. In het bijzonder de landvoogd van Mook, toch een kind van Indie, treft een zeer grote verantwoordelijkheid.

      Dat de Japanners de Indonesiërs hebben opgehitst (beïnvloed), dat de Amerikanen de capitulatie voortijdig hebben afgedwongen en niet eerst Ned. Indie hebben bevrijd, dat de Britten hun bondgenootschap hebben verzuimd, dat de internationale stemming (dekolonisatie) tegen Nederland was, dat zijn allemaal omstandigheden, die niet door Nederland beïnvloedt konden worden.

      Waar het op aankomt is wat de Nederlandse Staat wel ondernomen heeft, op wat anticipeerde zij met haar beleid. Welke strategie heeft haar handelen bepaald, dat leidde tot een koloniale oorlog, tot de dood van meer dan 5.000 Nederlandse soldaten en uiteindelijk de soevereiniteitsoverdracht in 1949?
      Alle historische gebeurtenissen zijn toch te herleiden tot een strijd om beginselen, waarbij het krachtigste beginsel overwint , in wezen het beginsel van het Recht en de Gerechtigheid overwint, tenminste in een positivistische zienswijze . Dus niet de Macht, in deze koloniale contact de uitoefening van Geweld. Ook Geweld heeft een legitimiteitsbeginstl.

  13. Adrianus Schrauwen zegt:

    Excellent article, ik waande me weer terug in die spannende Tijd in Batavia 1945-1946.

  14. van den Broek van een andere generatie zegt:

    Het verhaal over Prof. Wertheim zegt mij dat hij ondanks jaren in het Jappenkamp (U weet wel wat dat betekent) heel snel na de oorlog doorhad dat de verhoudingen zich in Ned. Indie volledig veranderden. Hij kon nog korte tijd als adviseur dienst doen, maar aangezien zijn mening tegen de Nederlandse publieke opinie inging, werd hij aan de kant geschoven en het werk overgelaten aan de echte deskundige zoal de Lt-GG van Mook die meer dan 3 jaar buiten Indie verbleef verstookt van elk contact, tezamen met een Gen. Spoor die ook niet veel van de toestand begreep, ondanks dat hij hoofd inlichtingendienst was in de oorlog. Het dieptepunt punt van deskundigheid en het toppunt van onnozelheid waren wel de Nederlandse politici die wel dachten dat vanuit Londen en later vanuit het verre Nederland de in no-time Orde en Rust hersteld kon worden. Dit was de Nederlandse startpositie.

    Daarbij vergeleken was het veto om te onderhandelen met de collaborateur ir. Soekarno, die later de eerste president werd van de Republikeins of beter gezegd de VSI een banaliteit. Gedane zaken nemen geen keer.

    • R.L. Mertens zegt:

      @vandenBroek.veag; ‘ prof. Wertheim heel snel doorhad etc.’ – Wijlen mijn vader
      ( Sumatra;Pakan Baroe) verhaalde mij, dat al in de begin jaren van zijn krijgsgevangenschap, na gedane arbeid, gediscussieerd/ afgevraagd werd wat zich daar buiten de kawat/ prikkeldraad afspeelde. Vooral met betrekking/terugblik tot de eerloze/vernederende overgave bij de Japanse inval, waren er enkelen, die het einde van Indië voorspelden. Velen wilden daar niet over praten. Mi. zijn het juist die velen, die dachten/meenden dat het niet zo’n vaart zal lopen. En na oorlog zich meteen waanden in
      en Indië-vervolg. Zo ook ons regering. ‘Even een bloedspoor trekken(als voorheen) en de zaak is geklaard’, aldus een planter in een tv.doc. Voorheen Nederlands Indië. Toen we in dec.1949 aan boord stapten naar Holland en het schip van de kade afdreef mompelde mijn vader; ‘we zijn er uit getrapt’. Mi. ook de trauma van de 1e generatie, die in Holland aankwam; en zweeg.

      • Jan A. Somers zegt:

        ” ‘we zijn er uit getrapt’ ” Ja, op zo’n manier houd je er een trauma aan over. Die jammer genoeg aan de volgende generaties werd doorgegeven. Daar ben je zelf verantwoordelijk voor! Ik vind dat je daar je nakomelingen niet mee mag opzadelen. Mijn ouders zijn al hun spaarcenten kwijtgeraakt. Dat was zwaar, maar zij hebben het niet doorgegeven. Ook zij begonnen gewoon opnieuw, met niks. Ik vond mijn vertrek in 1946 spannend, een toekomst tegemoet. Met het spelen van het Wilhelmus als prachtig accent.

      • R.L. Mertens zegt:

        @JASomers; ‘nakomelingen niet mag opzadelen etc.’ _ De herinnering aan de uitspraak van mijn vader heeft mij juist doen overtuigen van zijn terechte conclusie over het debacle van Indië. Het toenmalig beleid heeft juist een trauma bezorgd aan al die ‘koloniale adepten’. Al dat gedraai/ ontkenningen over oa. oorlogsmisdaden etc. dat nu na al die jaren openbaarheid wordt. JAAvanDoorn; De laatste eeuw van Indië;
        ‘de strekking valt niet te ontkennen: de dekolonisatie liep voor Nederland uit op een fiasco. De speciale positie die men voor de Nederlandse belangen had weten te bedingen, ging 7 jaren na de overdracht geheel verloren(Nw.Guinea). Daar werd niets groots verricht’.(!)

      • Jan A. Somers zegt:

        Ach ja, mijn (klein)kinderen hebben het goed gehad in Indonesië. Hebben er geen trauma aan overgehouden. Alleen was de Werfstraatgevangenis weg, en stond er nog steeds een mooi bord bij de voormalige Simpangclub. Dat is nu ook de geschiedenis van Indonesië. En ik ben altijd druk geweest in Nederland met mijn carrière. Mijn geschiedenis staat gewoon in de boekenkast. Hoef ik die niet mee te zeulen in mijn rugzakje. In mijn tijd bestond het PTSS nog niet. Bij het wegvaren vond ik het Wilhelmus mooi, maar we moesten meteen weer aan het werk. Op weg naar mijn toekomst! Spannend! En mijn ouders begonnen weer vanaf nul. Te druk om trauma’s te krijgen.

      • van den Broek van een andere generatie zegt:

        Bij trauma’s van repatrianten gaat het erom hoe en wanneer je als repatriant uit Indie/Indonesië werd getrapt. Of er bij deze toch wel traumatische ervaring (al dan niet onder begeleiding van het Wilhelmus, die van het Dietsen bloed, den Vaderland getrouwen) er dan verschil is tussen totoks en Indischen is bij het lezen van het boek van de totok Ineke van Geest “Migrant in het Vaderland” mij niet meer zo duidelijk.

        Ik wil niet persoonlijk worden maar wat mij wel in de loop der tijden is opgevallen (geen statistische waarneming) dat na de repatriëring de zgn Indische intelligentia of elite dwz zij die een vooraanstaande koloniale positie hadden in de Ned.-Indie zich nauwelijks tot niet om het lot van de Indischen in het algemeen in Nederland hebben aangetrokken. Het is eigenlijk aan een zoon van een kleine Boeng te danken, Tjalie Robinson, dat Indischen überhaupt in Nederland e.o. bestaan. Maar dat is mijn indruk.

        Dat deze elite zich niet met het Indisch belang bezig hield wordt vaak afgedaan met het excuus dat zij daarvoor geen tijd hadden, zij dienden zich te richten op de carrière. Dat zij met niets begonnen, kan ik mij best indenken, maar geloof ik niet, ze brengen toch altijd wat intellectuele ook culturele bagage. daarnaast beschikten zij wel over de instrumenten (afkomst, opleiding, contacten etc.) om zich in de Nederlandse samenleving zonder veel moeite (dus ook zonder trauma’s) staande te houden

        Opmerkelijk is toch dat Indische schrijvers van het slag Marion Bloem, Adriaan van Dis, Alfred Birney , Ernst Jansz etc. veelal uit gezinnen van de kleine Boeng komen, die zijn echt met niks begonnen. Ik denk en het is een schrale troost dat kinderen van de kleine Boeng, grosso modo het meest gebaat waren met de repatriëring, bij hen lijkt mij de sociale mobiliteit het grootst.

        Wat het doorgeven betreft, heb ik het niet getroffen. Als ik met mijn zoon over Indisch begint, dan antwoordt hij: Peter, dat Indisch-zijn is jouw probleem. Beschouw ik best als een compliment.

  15. A.J.F. Geraerts zegt:

    ja allen die indonesie moesten verlaten hadden hun hebben en houden kwijt geraakt en in nederland niets terug gekregen.Ik was pas 6 maanden getrouwd mijn vrouw was is positie ik zat bij de algemene politie bij het Velddetachement te Grissee was als enige nederlander die was overgebleven kon nergens heen maar er kwam een oplossing ik kon met 3 rangen lager naar Nw-Guinea heen.Daar mijn leven en die van mijn vrouw niet meer veilig was had ik die kans aangenomen.Met 60 gulden per maand geen vet pot een kilo uien 40 gulden. in 1954 kreeg ik mijn rang terug met 170 gulden,later kwam de B.L.L.G.en kreeg ik ineens meer guldens,hoewel arm was het leven in Ned.Nieuw Guinea hard maar vrij iedere dag zon het was alleen jammer dat de leidende functionarissen corrupt waren en vrienden systeem op na hielden. op 9 juni 1957 vertrok ik met vrouw naar nederland.In Nederland vestigde ik in Limburg Maastricht waar ik tot op heden woon.Ben tevreden met wat ik nu door het werken bereikt heb

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s