Juridisch afgedwongen excuses

Rawagedeh, Zuid-Celebes en de Nederlandse terughoudendheid

In de zomer van 2013 bood Nederland voor het eerst in de geschiedenis officieel excuses aan voor misdaden begaan tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië (1945-1949). Indonesische slachtoffers hadden de Nederlandse regering hiertoe gedwongen door middel van twee civiele rechtszaken. Het bewandelen van de juridische weg verschafte aan hen een stem in het land van de daders en gaf ze een kans hun rechten op te eisen. Maar de juridische benadering van het spreken over historisch onrecht kan ook keerzijden hebben. Het beperkt namelijk het publieke debat tot nauw omlijnde gevallen die binnen de parameters van de juridische bewijsvoering vallen. Bovendien zorgt het feit dat excuses juridisch afgedwongen moeten worden ervoor dat de kans op verzoening – het doel van de excuses – aanmerkelijk vermindert. De juridisering van het spreken over historische excuses is daarmee een tweesnijdend zwaard.

Ambassadeur Tjeerd de Zwaan in 2011 tijdens zijn bezoek aan Balongsari (Rawagedeh) om aldaar excuses aan te bieden. (ANP)

Ambassadeur Tjeerd de Zwaan in 2011 tijdens zijn
bezoek aan Balongsari (Rawagedeh) om aldaar
excuses aan te bieden. (ANP)

Door Bart Luttikhuis

Op 30 augustus 2013 trad minister-president Mark Rutte aan voor zijn gebruikelijke wekelijkse persconferentie. De regering had juist die week aangekondigd dat Nederland op korte termijn excuses zou gaan aanbieden voor standrechtelijke executies die tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd door Nederlandse militairen begaan waren. Rutte kreeg de vraag voorgelegd of deze excuses een breuk met het verleden betekenden. Hij was stellig in zijn ontkenning. Hij benadrukte daarbij meermaals dat de Nederlandse excuses slechts een aantal specifieke gevallen betroffen. Nederland bood geen excuses aan voor de oorlog als zodanig, laat staan voor het koloniale verleden in het algemeen.[1] Een kleine twee weken later, op 12 september, sprak de Nederlandse ambassadeur in Jakarta, Tjeerd de Zwaan, de volgende excuses uit:

De Nederlandse regering is zich ervan bewust dat zij een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor Indonesische weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies zoals begaan door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes en Rawahgedeh. Namens de Nederlandse regering bied ik excuses aan voor deze excessen.[2]  

De reden en achtergrond van deze Nederlandse excuses voor ‘excessen’ in Indonesië zijn een schoolvoorbeeld van de complicaties die de toenemende juridisering van het herinnerings- en excuusdiscours met zich meebrengt.[3] Aan de ene kant waren de excuses een direct gevolg van twee civiele rechtszaken waarin de Nederlandse staat gedwongen werd verantwoordelijkheid te erkennen. Maar anderzijds is het ook de angst voor juridische gevolgen die ertoe leidde dat de Nederlandse excuses met vele voorbehouden gepaard gingen.

In deze bijdrage betoog ik dat de juridisering van het spreken over historische excuses een tweesnijdend zwaard is. Het stuk opent met een kort overzicht van de ontwikkelingen rondom de rechtszaken die in de afgelopen jaren plaatsvonden over Rawagedeh en Zuid-Celebes. Vervolgens toon ik aan dat de huidige houding van de Nederlandse regering bouwt op een lange politieke traditie van gericht ‘vergeten’, gebaseerd op een denken in termen van politieke opportuniteit. Het artikel sluit af met een reflectie op het nut en de nadelen van het juridisch afdwingen van excuses.

Rawagedeh, Zuid-Celebes en de juridisch afgedwongen excuses

Het berucht geworden bloedbad in het West-Javaanse dorp Rawagedeh vond plaats op 9 december 1947. Nederlandse dienstplichtige militairen trokken het dorp binnen op zoek naar wapens en Indonesische strijders. Toen ze niet vonden wat ze zochten werd een groot deel van de mannelijke bevolking geëxecuteerd. Nederlandse bronnen spreken van 150 slachtoffers, Indonesische bronnen van meer dan 430.[4] Dit bloedbad trok ook tijdens de oorlog al de aandacht. Het ‘Committee of Good Offices on the Indonesian Question’ van de Verenigde Naties deed onderzoek naar de zaak en concludeerde dat de actie ‘deliberate and ruthless’ was geweest. De Nederlandse autoriteiten deden zelf ook onderzoek waaruit bleek dat er zeer waarschijnlijk strafbare feiten waren gepleegd, maar besloten al snel dat vervolging van de verantwoordelijken niet opportuun was.[5]

De recente geschiedenis van het geval Rawagedeh begon in 2007 met de oprichting van de stichting Comité Nederlandse Ereschulden door activisten Jeffrey Pondaag en Batara Hutagalung. Namens negen nog levende weduwes en één mannelijke overlevende van het bloedbad, bijgestaan door advocate Liesbeth Zegveld, klaagden zij in 2008 de Nederlandse staat aan in een civiele procedure, om zo de aansprakelijkheid van de staat voor de executies vast te stellen. De staat beriep zich erop dat de verjaringstermijn voor deze misdaden reeds lang verstreken was, maar in zijn vonnis van 14 september 2011 verwierp de rechtbank dit argument. Gezien de ernst van de gepleegde feiten en omdat de staat van meet af aan op de hoogte was geweest van de misdaden maar zelf geen juridische actie had ondernomen besloot de rechter dat toepassing van verjaring in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank veroordeelde de staat tot het vereffenen van de geleden schade.[6]

De schadevergoeding die de staat en de eisers vervolgens overeenkwamen viel bescheiden uit: 20.000 euro per weduwe. Zoals advocate Liesbeth Zegveld echter onlangs aangaf was financiële compensatie niet het hoofddoel van de rechtszaak geweest. De overgebleven weduwen – één weduwe en de mannelijke overlevende waren inmiddels al overleden – hadden als onderdeel van de juridische genoegdoening door de staat juist expliciet om excuses gevraagd.[7] Op 9 december 2011, 64 jaar na het bloedbad, reisde daarom de ambassadeur naar het dorp Balongsari (het voormalige Rawagedeh) om namens de Nederlandse staat excuses aan te bieden ‘voor de tragedie, die op 9 december 1947 in Rawagede plaatsvond’.[8]

Geïnspireerd door het succes kondigde advocate Zegveld in mei 2012 aan dat zij en haar medestanders de staat ook aansprakelijk wilden stellen voor de wreedheden begaan op Zuid-Celebes (nu: Zuid-Sulawesi). Namens tien weduwen van slachtoffers werd de staat opnieuw aangeklaagd.[9] De campagne van het Depot Speciale Troepen onder leiding van kapitein Raymond Westerling op Zuid-Celebes tussen december 1946 en februari 1947 behoort tot de meest beruchte ‘excessen’ in het Nederlands-Indonesisch conflict, waarbij minimaal enkele duizenden (burger)slachtoffers vielen. Dorpen in de regio werden één voor één ‘gezuiverd’ door middel van intimidatie, mishandeling, en grote aantallen standrechtelijke executies. Tegen het einde van de campagne werden er zelfs, bij wijze van intimiderend voorbeeld, criminelen geëxecuteerd die daarvoor uit de plaatselijke gevangenissen werden gehaald.[10]

De zaak Zuid-Celebes eindigde uiteindelijk niet voor de rechter, omdat de Nederlandse staat al voor die tijd besloot de weduwen op gelijke voet te compenseren als de slachtoffers uit Rawagedeh. In augustus 2013 verklaarde de regering bovendien dat nu ook algemene excuses gemaakt zouden worden

voor ‘excessen’ bij ‘standrechtelijke executies’ (zie boven) en dat voortaan weduwes en overlevenden van gevallen vergelijkbaar met Rawagedeh en Zuid-Celebes zich zonder tussenkomst van de rechter tot de Nederlandse regering konden richten. De staat heeft sindsdien nog enkele gevallen in behandeling genomen, hoewel advocate Zegveld bij verschillende gelegenheden de overheid ook nu weer ervan beschuldigde te traag te werken en overdreven zware eisen aan de bewijsvoering van de weduwen te stellen. In december 2013 en mei 2014 stapte zij daarom opnieuw naar de rechter.[11] De saga van claims, rechtszaken, compensaties en excuses lijkt nog niet tot een einde gekomen.

Als we de ontwikkeling sinds het begin van de Rawagedeh-rechtszaak in 2008 overzien valt allereerst op dat de Nederlandse overheid geenszins uit eigen beweging overging tot het uiten van excuses, en dat deze excuses in eerste instantie niet erg ruimhartig uitvielen. Excuses moesten worden afgedwongen door de eisen van slachtoffergroepen via rechterlijke weg aan de staat op te dringen. De juridisering van het excuus-discours heeft er dus toe geleid dat de slachtoffers stem en agency konden krijgen in het land van de daders. De vraag kan natuurlijk gesteld worden wat de waarde is van excuses als deze afgedwongen en niet vrijwillig zijn. Maar opvallend genoeg, in het geval van de Rawagedeh-rechtszaak, werden de excuses van de Nederlandse overheid desondanks relatief goed ontvangen, zowel in Indonesië als door de vertegenwoordigers van de slachtoffers in Nederland.[12]

In de latere kwestie van de algemene excuses naar aanleiding van de Zuid-Celebes-rechtszaak was dit echter veel minder het geval. Zowel de nabestaanden als ook verschillende Indonesische politici uitten in de weken na de excuusceremonie van 12 september 2013 hun ongenoegen.[13] Eén van de redenen voor deze slechtere ontvangst zou natuurlijk kunnen zijn dat met iedere opeenvolgende keer de kracht en waarde van excuses minder wordt. Advocate Zegveld gaf daarnaast bij een lezing in Amsterdam op 7 mei 2014 als alternatieve verklaring dat tijd en plaats van de excuses verkeerd gekozen waren.[14] In tegenstelling tot de excuses aan de weduwen van Rawagedeh was de ambassadeur deze keer niet naar Zuid-Celebes afgereisd maar sprak hij de excuses uit op de ambassade te Jakarta. Bovendien werd niet de jaarlijkse herdenkingsdag op Zuid-Celebes zelf (11 december) als geschikt moment gekozen, maar werden de excuses zo snel mogelijk na het besluit uitgesproken. Het lijkt op zijn minst aannemelijk dat de regering de zaak afgehandeld wilde hebben voordat minister-president Rutte in november 2013 voor een handelsbezoek naar Indonesië afreisde.

De suggestie van politisering van de excuses was daarmee onontkoombaar. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de nadruk die Rutte legde op de inperking van de excuses – wel voor specifieke gevallen van standrechtelijke executies maar niet voor de oorlog als zodanig – meegewogen heeft in de minder positieve ontvangst. Nederland wilde hiermee voorkomen dat het kwetsbaar werd voor verdergaande juridische consequenties. Maar de expliciete nadruk op de restrictie vestigde ook de aandacht op alles waarvoor geen excuses werden aangeboden en waarover Nederland het dus niet wilde hebben.[15] Met andere woorden: de juridisering van het verantwoordelijkheidsdiscours deed de performatieve kracht van de excuses afnemen. De potentieel effectieve verzoenings-act werd tenietgedaan door de realisering dat deze juridisch afgedwongen en daarom nauw omlijnd was.

‘Vergeten’: de politieke inopportuniteit van erkenning

In de voorbije jaren heeft de Nederlandse regering zich in de herinneringspolitiek dus eerder reactief dan proactief opgesteld. Excuses waren de uitkomst van kleine en telkens met moeite bewerkstelligde stapjes. Grotere stappen werden om politieke redenen niet genomen. Het verwondert daarom evenmin dat een omvangrijk onderzoek naar het geweld tijdens de oorlog, voorgesteld door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies, in januari 2013 door het ministerie van Buitenlandse Zaken van de hand gewezen werd. De minister beriep zich erop dat in Indonesië weinig politiek enthousiasme was voor een dergelijk onderzoek, wat het kabinet een ‘wezenlijk gegeven’ vond ‘in een periode waarin Nederland en Indonesië gezamenlijk werken aan een toekomstgerichte agenda’.[16]

De huidige regeringen volgen met deze koers een gevestigd patroon. Het vaak gehoorde verwijt dat de oorlog van 1945-1949 in de publieke en politieke herinnering van Nederland grotendeels is ‘vergeten’ is namelijk onnauwkeurig. Een zekere bekendheid met deze oorlog en zijn problematische aspecten is in werkelijkheid wijdverbreid. Het probleem is echter dat voor velen deze gebeurtenissen geen deel uitmaken van het master narrative over de Nederlandse geschiedenis. De Nederlandse naoorlogse geschiedenis is herhaaldelijk door kleinere en grotere schandalen opgeschrikt, waarin het Nederlandse militaire handelen in Indonesië aan de kaak werd gesteld.[17] Telkens leverden dergelijke onthullingen kortstondig rumoer en verontwaardiging op, waarna politici zich gedwongen zagen te reageren. Maar telkens werd ook uiteindelijk van politieke kant gekozen om niet tot juridische stappen over te gaan.

Al ten tijde van het conflict zelf was er in binnen- en buitenland publieke aandacht voor ‘excessen’ zoals in Rawagedeh en op Zuid-Celebes. Meestal gingen de Nederlandse of Nederlands-Indische autoriteiten pas tot onderzoek over zodra er sprake was van zulke publiciteit en daarmee risico op reputatieschade.[18] In het geval van Rawagedeh bijvoorbeeld concludeerde generaal Simon Spoor in een brief aan de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Indië dat de bevelvoerend majoor weliswaar strafrechtelijk aansprakelijk was, maar dat er toch beter geen vervolging ingesteld kon worden. Dat zou het geval dramatischer doen lijken dan het daadwerkelijk was, en bovendien zou een veroordeling bij de Krijgsraad de betreffende officier onherroepelijk zijn verdere carrière kosten. De procureurgeneraal was het met de legercommandant eens: ‘Nu blijkbaar iedere vreemde inmenging en belangstelling is verdwenen zou ik de voorkeur geven aan deponeering’.[19]

Ook naar ‘de affaire Zuid-Celebes’ werd onderzoek ingesteld. In 1949 werden op aandringen van de Tweede Kamer twee juristen, C. van Rij en W.J.H. Stam, naar Indonesië gestuurd voor onderzoek. Hun zeer kritische rapport werd uiteindelijk in 1954 afgerond en aan de verantwoordelijke ministers gestuurd.[20] In de tussentijd had Nederland echter de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië ondertekend, in het kader waarvan beide strijdende partijen amnestiewetten hadden afgekondigd. Hoewel deze wet aan Nederlandse kant officieel een uitzondering maakte voor misdrijven die waren begaan ‘anders dan in het verband van hetgeen noodzakelijk is in een eerlijke ofwel openlijke dan wel guerrillastrijd’, werd de amnestie in de praktijk zeer breed opgevat.[21] Mede daarom verdween het rapport Van Rij/ Stam al snel in een la, zonder dat er juridische consequenties aan verbonden werden. De ministerraad achtte het niet opportuun het rapport door te sturen naar de Tweede Kamer.[22]

De eerste keer in de naoorlogse geschiedenis dat de herinnering aan de Nederlands-Indonesische oorlog op grotere schaal doorbrak was in 1969. In een uitzending van het VARA-programma Achter Het Nieuws vertelde veteraan Joop Hueting openhartig over wreedheden waaraan hij zelf medeplichtig was geweest. De uitzending leidde tot een grote publieke discussie, die uiteindelijk tot gevolg had dat de regering een ambtelijk onderzoek in opdracht gaf. Het resulterende rapport, de Excessennota, werd ongeveer drie maanden later opgeleverd en bevatte naast een behandeling van de ‘Zuid-Celebesaffaire’ een overzicht van 76 (mogelijke) ‘excessen’ die in de korte onderzoekstijd in de Nederlandse archieven gevonden waren.[23] De opstellers van de nota suggereerden in hun oorspronkelijke concepttekst dat het archiefmateriaal waarschijnlijk verre van volledig was. De representativiteit was daarom niet te beoordelen. Maar minister-president Piet de Jong veranderde deze passage en concludeerde daarmee dat uit de nota ‘een voldoende indruk over de aard en omvang van de excessen’ naar voren kwam.[24]

In het Kamerdebat over de Excessennota pleitten enkele linkse oppositiepartijen voor een grondiger historisch onderzoek, maar de liberaalconfessionele coalitiepartijen stemden tegen. Er werd op gewezen dat een dergelijk onderzoek grievend zou zijn voor de betrokken militairen en dat het de precaire relatie met Indonesië kon verstoren.[25] Verder legde de minister-president aan de kamer uit dat de regering besloten had om niet over te gaan tot vervolging van verantwoordelijken. Volgens de minister-president zou de ‘rechtvaardige rechtsbedeling’ in gedrang komen:

[E]en […] vervolgingsbeleid afhankelijk van een toevallig beschikbaar zijn van een voldoende compleet dossier en het toepasselijk zijn van een enkele nog niet door de verjaring achterhaalde wettelijke bepaling [is] willekeurig.[26]

Het is opmerkelijk dat ditzelfde argument niet overtuigend werd geacht zolang het ging over oorlogsmisdaden uit de Tweede Wereldoorlog, ten minste wanneer ze begaan waren door de vijand. In dezelfde periode was namelijk een wet in voorbereiding die de verjaringstermijnen ophief voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, welke in 1971 werd aangenomen. Maar de formulering van de wet was zo gekozen dat misdaden begaan door Nederlanders in Indonesië er niet onder vielen. Teveel tijd was namelijk verstreken om een eerlijk proces te kunnen waarborgen, en bovendien kon in het geval van deze misdaden geen van de mogelijke doelen van vervolging – vergelding of het voorkomen van toekomstige misdaden – na zo lange tijd nog effectief verwezenlijkt worden. Waarom deze beide argumenten niet golden ten aanzien van misdaden uit de Tweede Wereldoorlog bleef in het midden.[27]

Ruim twee decennia later, in 1995, kwam de Nederlandse verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdaden opnieuw op de agenda. In augustus 1995 zou koningin Beatrix op staatsbezoek naar Indonesië gaan. Discussie laaide allereerst op rond de vraag of zij op 17 augustus aanwezig mocht zijn bij de viering van de Indonesische onafhankelijkheid in Jakarta. Na een lawine van kritische stemmen werd haar bezoek enige dagen uitgesteld. Daarnaast ontspon zich een debat over de vraag of het bezoek van Beatrix aangegrepen moest worden om officieel excuses te maken voor de Nederlandse kolonisatie en voor de Nederlandse rol in de dekolonisatieoorlog. In dit debat bleven de politiek verantwoordelijken opvallend stil, maar bij de tafelrede die de koningin op 21 augustus uitsprak ten overstaan van president Soeharto bleek dat ‘excuses’ duidelijk een stap te ver waren. In plaats daarvan koos zij een omfloerste formulering die expliciete uitspraken over verantwoordelijkheid omzeilde:

De scheiding tussen onze landen is […] een langdurig proces geworden, dat veel pijn en bittere strijd heeft gekost. Wanneer wij terugblikken op deze tijd, die nu bijna vijftig jaar achter ons ligt, stemt het ons bijzonder droevig dat zovelen in deze strijd zijn omgekomen of er een leven lang de littekens van hebben moeten dragen.[28]

Rond dezelfde tijd kwam ook het bloedbad van Rawagedeh weer in de publiciteit. RTL4 zond een reportage uit waarin overlevenden, nabestaanden en veteranen werden geïnterviewd. Onder politieke druk begon daarop het Openbaar Ministerie een oriënterend onderzoek om te beoordelen of vervolging van de verantwoordelijken nog zinvol en mogelijk was. Op 5 september rapporteerde de minister van Justitie dat vervolging weinig kans van slagen zou hebben. De toenmalige minister-president had al bij de behandeling van de Excessennota in 1969 aangegeven dat misdaden uit de Nederlands-Indonesische oorlog niet meer vervolgd zouden worden, waardoor volgens de minister een hernieuwde poging onherroepelijk op een niet-ontvankelijkheidsverklaring moest uitlopen. De eerdere beslissing om verder onderzoek achterwege te laten werd dus nu reden om de zaak opnieuw te laten rusten.[29]

Ook sinds 1995 hebben Nederlandse vertegenwoordigers het consequent vermeden om het woord ‘excuses’ in de mond te nemen. Tijdens een bezoek aan Indonesië in 2005 was minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot wel aanwezig bij de jaarlijkse viering van de onafhankelijkheidsproclamatie op 17 augustus. Aan de vooravond sprak hij enkele Indonesische vertegenwoordigers toe, waarbij hij zei dat Nederland zich tijden de Indonesische dekolonisatie ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had bevonden. Bot betuigde daarom ‘diepe spijt’ voor het leed dat Indonesiërs was aangedaan. Maar de minister ontweek de formulering dat Nederland 1945 ‘erkende’ als het begin van de Indonesische onafhankelijkheid en hij vermeed angstvallig de term ‘excuses’.[30]

Het is kortom geenszins verrassend dat de Nederlandse regering ook in de afgelopen jaren slechts schoorvoetend iedere volgende stap richting algemene(re) excuses nam. Met deze houding staan de recente regeringen in een lange traditie, waarin de politieke en morele waarde van het accepteren van verantwoordelijkheid voor het koloniale verleden ondergeschikt wordt gemaakt aan het vermijden of verhinderen van juridische consequenties.

Juridisch afgedwongen excuses: een tweesnijdend zwaard

De Rawagedeh- en Zuid-Celebes-zaken zijn door verschillende auteurs geïnterpreteerd in het kader van het wereldwijd toegenomen belang van het mensenrechtendiscours. In haar analyse van de naoorlogse Indonesische omgang met de moordpartijen op Zuid-Celebes schrijft bijvoorbeeld Katharine McGregor dat de hedendaagse publieke sensibiliteit voor mensenrechtenschendingen ervoor gezorgd heeft dat wreedheden zoals op Zuid-Celebes niet langer algemeen geïnterpreteerd worden als onderdeel van nationale geschiedverhalen, maar in toenemende mate in termen van individueel slachtofferschap.[31] Chris Lorenz benadrukt daarentegen juist dat het mensenrechten-perspectief maar zeer beperkt succes had. In zijn artikel over de Rawagedeh-rechtszaak betoogt hij: ‘[W]e can conclude that the Dutch “coping” with the massacre of Rawagede has shown at best a very strategic way of handling human rights’.[32]

De conclusies van McGregor en Lorenz spreken elkaar niet noodzakelijkerwijze tegen: McGregor geeft aan dat de activisten en de vertegenwoordigers van de slachtoffers het mensenrechtendiscours aangrepen om hun ervaringen voor het voetlicht te brengen, terwijl Lorenz de nadruk legt op het handelen van Nederlandse autoriteiten die al het mogelijke deden om de toepasbaarheid van het mensenrechtenperspectief te beperken. Wat in ieder geval vastgesteld kan worden is dat er voor het eerst een juridische weg openstond, die ervoor gezorgd heeft dat de slachtoffers gehoord werden in het land van de daders. Dit geldt overigens niet alleen voor Nederland maar ook voor andere voormalige koloniale machten, getuige bijvoorbeeld de recente rechtszaken in Groot-Brittannië rondom een bloedbad in Batang Kali (Maleisië) en over de compensatieclaims van Keniaanse slachtoffers van marteling.[33] In al deze zaken konden slachtoffergroepen hun stem laten horen door middel van een beroep op geschonden (mensen)rechten. Via juridische weg dwongen zij overheid en maatschappij van de voormalige kolonisator om na te denken over schuld en verantwoordelijkheid.

Maar wat de ontwikkeling van de afgelopen jaren eveneens toont, is dat de juridische benadering zijn keerzijden heeft. Ten eerste heeft deze ervoor gezorgd dat de aandacht vooral uitgaat naar een klein aantal heel specifieke ‘excessen’. De suggestie wordt gewekt dat gewelddadige ‘excessen’ een uitzondering waren, begaan door een kleine ‘ontspoorde’ minderheid. Wat daarmee onderbelicht dreigt te blijven, in ieder geval in de politieke discussie, is de mate waarin extreme geweldpleging deel van de systematiek van het conflict uitmaakte.[34] Bovendien zorgt de juridische benadering ervoor dat we vooral gevoelig zijn voor een bepaald soort gebeurtenis, namelijk directe geweldpleging met duidelijk aanwijsbare individuele slachtoffers en daders. Maar zoals in het historisch onderzoek over andere dekolonisatieconflicten – Maleisië, Kenia, Algerije[35] – overtuigend is aangetoond, waren indirecte (maar daarom niet minder ingrijpende) vormen van geweld evenzeer onderdeel van het conflict. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verbranden of bombarderen van kampongs, het meer of minder routinematig executeren van gevangenen, of om het vernietigen van voedselvoorraden om deze de ‘vijand’ te onthouden. De gevolgen van dergelijke vormen van geweld zijn in het geval van Nederlands-Indië nog vrijwel volledig onbekend, omdat ze meestal buiten het blikveld van onderzoek naar ‘excessen’ vallen.[36]

Een tweede keerzijde is dat de drempel om tot ruimhartige excuses over te gaan verhoogd wordt juist doordat het discours van verantwoordelijkheid in de juridische sfeer getrokken wordt. In conceptuele zin wordt wel onderscheid gemaakt tussen enerzijds schuld (een juridisch begrip) en anderzijds verantwoordelijkheid (een morele en politieke categorie).[37] Maar politici zijn huiveriger voor een dergelijk onderscheid, omdat zij vrezen dat erkenning van verantwoordelijkheid voor het aangedane leed kan leiden tot oncontroleerbare juridische consequenties. Zoals Tweede Kamerlid Han ten Broeke (VVD) het uitdrukte: ‘[D]e doos van Pandora wordt geopend als we excuses gaan maken voor allerlei fouten uit het verleden’.[38]

Het bewandelen van de juridische weg tot excuses is dus een tweesnijdend zwaard. Aan de ene kant biedt het slachtoffergroepen de mogelijkheid om gehoord te worden en hun rechten op te eisen. Maar aan de andere kant beperkt deze methode het publieke debat tot nauw omlijnde ‘geweldsexcessen’ en kan het bredere excuses in de weg staan. Dit verklaart ook waarom de in september 2013 door Nederland aangeboden excuses uiteindelijk als een herinneringspolitieke mislukking moeten worden gezien. Mede door de toelichting die minister-president Rutte gaf, namelijk dat de excuses niet golden voor de oorlog als zodanig of voor andere koloniale misdaden, werd het Nederlandse gebaar door politici en activisten in Indonesië eerder ervaren als kleinzerig en krenterig dan als ruimhartig.[39] Het juridisch afgedwongen karakter diskwalificeerde de excuses als een onverdeeld aanvaarbare poging tot verzoening.

 

 

Bart Luttikhuis (1985) is postdoctoraal onderzoeker aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv-knaw) te Leiden. Hij is gespecialiseerd in de laatkoloniale geschiedenis en de dekolonisatie van Indonesië. Momenteel is hij verbonden aan het project ‘Nederlandse militaire operaties in Indonesië, 1945-1950’. Recente publicaties: Bart Luttikhuis en A. Dirk Moses (eds.), Colonial Counterinsurgency and Mass Violence: The Dutch Empire in Indonesia (Abingdon 2014); Bart Luttikhuis, ‘Negotiating Modernity: Europeanness in Late Colonial Indonesia, 1910-1942’ (PhD European University Institute 2014); Bart Luttikhuis, ‘Beyond Race: Constructions of “Europeanness” in Late-Colonial Legal Practice in the Dutch East Indies”, European Review of History / Revue européenne d’histoire 20:6 (2013) 539-538. E-mail: luttikhuis@kitlv.nl.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in:  Low Countries Historical Review | Volume 129-4 (2014) | pp. 92-105

[1] Persconferentie 30 augustus 2013. http://www. rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/ mediateksten/2013/08/30/persconferentie-naministerraad-30-augustus-2013.html (17 mei 2014).
[2] Toespraak ambassadeur De Zwaan, Jakarta, 12 september 2013. http://www. rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/ toespraken/2013/09/12/toespraak-vanambassadeur-tjeerd-de-zwaan-jakartaerasmushuis.html (15 mei 2014). ‘Rawagedeh’ wordt soms ook als ‘Rawagede’ of ‘Rawahgedeh’ geschreven. Ik gebruik hier, behalve in directe citaten, de spelling ‘Rawagedeh’.
[3] Vergelijk Chris Lorenz, ‘Can a Criminal Event in the Past disappear in a Garbage Bin in the Present?: Dutch Colonial Memory and Human Rights: The Case of Rawagedeh’, in: Marek Tamm (ed.), Afterlife of Events: Perspectives of Mnemohistory (verwacht Basingstoke 2015).
[4] Harm Scholtens, Rawagedeh, 9 december 1947, een nieuwe Nederlandse versie? (Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen 2007); Joeri Boom, ‘Archiefmap 1304. Nieuw bewijs van massaexecutie in Indonesië’, De Groene Amsterdammer, 8 oktober 2008.
[5] Archief Verenigde Naties, Security Council, Report of the Rawagedeh observation team, S/AC.10/85, 12 januari 1948; Rechtbank ’s-Gravenhage, 14 september 2011 (voortaan: Rawagedeh-uitspraak). http://uitspraken. rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBSG R:2011:BS8793 (21 mei 2014).
[6] Rawagedeh-uitspraak, §4.7-4.19; Wouter Veraart, ‘Uitzondering of precedent? De historische dubbelzinnigheid van de Rawagede-uitspraak’, Ars Aequi (april 2012) 251-259.
[7] Liesbeth Zegveld, Lezing in de serie Roads to justice, 7 mei 2014, http://www.niod.nl/en/roadsjustice/apologies-and-dutch-east-indies (21 mei 2014). Zie ook: Katharine McGregor, ‘From National Sacrifice to Compensation Claims: Changing Indonesian Representations of the Westerling Massacres in South Sulawesi, 1946- 47’, in: Bart Luttikhuis en A. Dirk Moses (eds.), Colonial Counterinsurgency and Mass Violence: The Dutch Empire in Indonesia (Abingdon 2014) 282- 307, aldaar 300.
[8] Toespraak ambassadeur De Zwaan, Balongsari, 9 december 2011, http://indonesie.nlambassade. org/binaries/content/documents/postenweb/i/ indonesie/nederlandse-ambassade-in-jakarta/ administration/leading-pages/nieuws/2012/ toespraak-ambassadeur/toespraak-ambassadeur/ minbuza%3Afiles/bz103852-toespraak-cdprawagedeh-9-december-2011.pdf-copy (21 mei 2014).
[9] ‘Familie eist schadevergoeding bloedbad ZuidSulawesi’, De Volkskrant, 7 mei 2012.
[10] Willem IJzereef, De Zuid-Celebes affaire (Dieren 1984); Jaap de Moor, Westerling’s oorlog, Indonesië 1945-1950. De geschiedenis van de commando’s en parachutisten in Nederlands-Indië 1945-1950 (Amsterdam 1999) 128-159.
[11] ‘Weduwen Sulawesi vragen rechter schadevergoeding’, NRC Handelsblad, 27 december 2013; ‘“Sympathieke” regeling levert stokoude weduwen nog niets op’, NRC Handelsblad, 22 mei 2014.
[12] ‘Belanda harus bayar ganti rugi korban Rawagede’, Kompas, 15 september 2012; ‘Belanda akhirnya meminta maaf’, Kompas, 9 december 2012.
[13] Muhammad Yuanda Zara, Lezing Roads to Justice, Amsterdam, 7 mei 2014: http://www.niod.nl/en/ roads-justice/apologies-and-dutch-east-indies (21 mei 2014); McGregor, ‘From National Sacrifice’, 301-302.
[14] Zegveld, Lezing Roads to Justice, Amsterdam, 7 mei 2014.
[15] Zie bijvoorbeeld de discussie over het al of niet erkennen door Nederland van 17 augustus 1945, de dag van de onafhankelijkheidsproclamatie: ‘Government told to Refuse Dutch Apology over Mass Killings in 1945-1949’, Jakarta Post, 4 september 2013; ‘Permintaan maaf belanda karena tekanan dunia’, Infoindo, 12 december 2011, http://www.infoindo.com/20111212140752-readpermintaan-maaf-belanda-karena-tekanan-dunia (21 mei 2014). Ik dank Anda Zara dat hij mij op deze bronnen wees.
[16] Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie aan de Tweede Kamer, 14 januari 2013: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst- 26049-75.pdf (17 mei 2014).
[17] Stef Scagliola, ‘Cleo’s “Unfinished Business”: Coming to Terms with Dutch War Crimes in Indonesia’s War of Independence’, in: Luttikhuis en Moses (eds.), Colonial Counterinsurgency, 240- 260; Paul Bijl, ‘Colonial Memory and Forgetting in the Netherlands and Indonesia’, ibidem, 261-281; Iris van Ooijen en Ilse Raaijmakers, ‘Competitive or Multidirectional Memory?: The Interaction between Postwar and Postcolonial Memory in the Netherlands’, ibidem, 308-328.
[18] Rémy Limpach, ‘Business as Usual: Dutch Mass Violence in the Indonesian War of Independence 1945-49’, in: Luttikhuis en Moses (eds.), Colonial Counterinsurgency, 64-90; Peter Romijn, ‘Learning on “the Job”: Dutch War Volunteers entering the Indonesian War of Independence, 1945-46’, ibidem, 91-110.
[19] Geciteerd in: Rawagedeh-uitspraak, §2.7-2.8.
[20] Limpach, ‘Business as Usual’, 66-67.
[21] Stef Scagliola, Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking (Amsterdam 2002) 127-128, 156, 179.
[22] Ibidem, 138.
[23] De excessennota. Nota betreffende het archiefonderzoek naar de gegevens omtrent excessen in Indonesië begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945-1950 (Den Haag 1995) 41-59, 62-119.
[24] Scagliola, Last, 138-157.
[25] Ibidem, 158-170.
[26] Handelingen Tweede Kamer, 1968-1969, 3614.
[27] Ruth A. Kok, Statutory Limitations in International Criminal Law (Den Haag 2007) 155-159; Lorenz, ‘Can a Criminal Event’.
[28] ‘Koningin Beatrix laat in tafelrede excuses over late erkenning onafhankelijkheid achterwege’, Trouw, 2 augustus 1995.
[29] Rawagedeh-uitspraak, §2.14-2.15; vergelijk Vincent J.H. Houben, ‘A Torn Soul: The Dutch Public Discussion on the Colonial Past in 1995’, Indonesia 63 (april 1997) 47-66.
[30] Raymond van den Boogaard, ‘Minister Bot lost “Unfinished Business” op’, NRC Handelsblad, 17 augustus 2005.
[31] McGregor, ‘From National Sacrifice’, 295-303; vergelijk ook Daniel Levy en Natan Sznaider, Human Rights and Memory (Pennsylvania 2010) 103-121.
[32] Lorenz, ‘Can a Criminal Event’. Zie ook: Veraart, ‘Uitzondering’.
[33] Huw Bennet, ‘Soldiers in the Court Room: The British Army’s Part in the Kenya Emergency under the Legal Spotlight’, The Journal of Imperial and Commonwealth History 39:5 (december 2011) 717- 730; Richard Norton-Taylor, ‘Batang Kali Massacre ruling Clears Way for UK Supreme Court Appeal’, Guardian, 19 maart 2014. Vergelijk over Frankrijk: Raphaëlle Branche, ‘The State, the Historians and the Algerian War in French Memory, 1991-2004’, in: H. Jones, K. Ostberg en N. Randeraad (eds.), History on Trial: The Public Use of Contemporary History in Europe since 1989 (Manchester 2007) 159-173.
[34] Vergelijk Branche, ‘The State’, 164-167.
[35] Caroline Elkins, Imperial Reckoning: The Untold Story of Britain’s Gulag in Kenya (New York 2005); Huw Bennet, ‘“A Very Salutary Effect”: The Counter-Terror Strategy in the Early Malayan Emergency, June 1948 to December 1949’, Journal of Strategic Studies 32:3 (2009) 415-444; Stephan Malinowski, ‘Modernisierungskriege. Militärische Gewalt und koloniale Modernisierung im Algerienkrieg (1954-1962)’, Archiv für Sozialgeschichte 48 (2008) 213-248. Meer algemeen: Christian Gerlach, Extremely Violent Societies: Mass Violence in the Twentieth-Century World (Cambridge 2010) 11-14, 271-273.
[36] Het enige onderzoek dat meer oog heeft voor routinematig kleinschalig geweld: J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld (herdruk; Amsterdam 2012). Enkele anekdotische indicaties voor voedselverbrandingen: Scagliola, Last, 63, 68.
[37] Levy en Sznaider, Human Rights, 111. Voor een enigszins andere interpretatie zie Ed Jonker in dit forum.
[38] Emilie van Outeren, ‘Breeduit sorry zeggen is nog een stap te ver’, NRC Handelsblad, 20 augustus 2013.
[39] Zara, Lezing Roads to Justice, Amsterdam, 7 mei 2014; Michel Maas, ‘“17 augustus 1945” wacht op erkenning?’: http://weblogs.nos.nl/zuidoostazie/2013/09/10/17-augustus-1945-wacht-operkenning (21 mei 2014).

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

28 reacties op Juridisch afgedwongen excuses

  1. Ælle zegt:

    Verzoening, verzoening, APA verzoening?
    Zo waren we niet getrouwd! Het was oorlog!
    Therefore:
    ~ The quickest way to end a war is to lose it.
    Eric Blair

  2. Soedibyo zegt:

    Verzoening is al eerder, voor het excuus wordt aangeboden. Verzoening in het Indonesisch is “rujuk”,
    Indonesia en Nederland waren niet getrouwd, maar je kunt een familie oprichten bij gewoon samen leven, dat is practischer. Maar helaas, het wordt een oorlog. Zelfs na 27 December 1949 verwacht men op een normale verhouding, Nederlanders, Totoks en Indos, namen de moeite om aan de waarden aan te passen, zo dat ze een aandeel mogen hebben aan de opbouw van een welvarend Indonesia.
    Maar de politieke leiding had een andere mening, geen rekening houden met de internationele politiek, en crieerde een nieuw conflict situatie.
    Commentaar van een van de Indonesische minister (binnenland?), die excuses worden aangeboden in het belang van Nederland. Misschien verzoening en “ihlas” (pak Soerya Nederlandse vertaling svp) gebaar als het bezoek van Koningin Beatrix op 17 Augustus 1995 kan gebeuren i.p.v. op 21 Augustus.

    • Surya Atmadja zegt:

      Soedibyo zegt:
      9 september 2015 om 4:34 pm
      Misschien verzoening en “ihlas” (pak Soerya Nederlandse vertaling svp) gebaar als het bezoek van Koningin Beatrix op 17 Augustus 1995 kan gebeuren i.p.v. op 21 Augustus.
      ————————————————————————————————–
      Verzoening is saling me-ma’af-kan ( elkaar vergeven ).

      Ichlas (oude spelling) of ikhlas : dat je het echt meent (met je hart en”ziel”).
      Rujuk is terug bij elkaar komen , vaak gebruik in vaak een andere context .
      Voor echtgenoten die uit elkaar zijn gaan weer rujuk .
      Bij Nederlands Indonesische relatie/betrekking is er geen sprake van gelijkwaardige partnerschap ( zoals man en vrouw).
      Sorry mijn B.I is ook al verouderd .
      Verhaal over afgeketste bezoek van Beatrix, ik was toevallig in Monas( Koningsplein) op 17-08-1995 samen met njonja en jr .
      Toen we langsliepen tussen mijn bangsa hoorde ik , Blanda , Blanda .
      Toen zeide ik permisi, asalmualaikum , nou dat vonden ze prachtig dat een toeris Blanda ( ge-upgrade dese) bisa bicara Indonesia met logat Betawi ook nog.
      Dus bijna iedereen wil op de foto, niet met mij maar met mijn njonja en jr .

      Het heeft toen bij sommige Indonesiers (generatie van mijn ouders) soms kwade opmerkingen gegeven(belediging ).
      Mijn vader van 1915 zegt alleen verbaasd en verdrietig te zijn .

      PS: In een site las ik over ene meneer S….. die alumni bij de KMA was geweest.
      Kebetulan Pak ?

      • Soedibyo zegt:

        Pak Surya, dank u voor uw hulp. Wat betreft een zekere S alumni KMA, als het een Nederlands-site en het gaat over tempo-dulu Nedrlands Indie – Indonesia, best mogelijk. Trouwens van al mijn collegas alumni KMA ben ik de enige die nog actief blijf. Wassalam.
        Ps. Maaf lambat reaksi.

    • Bill Zitman zegt:

      @Soedibyo – “Misschien verzoening en “ihlas” (pak Soerya Nederlandse vertaling svp) enz.”
      Ik denk dat je “al-ikhlas” bedoeld, wat volgens uw Koran “oprechtheid” betekent.
      Zelf, als een vrijdenker (atheïst) heb ik daar natuurlijk mijn eigen mening over, maar ik denk dat het niet eerlijk is om pak Surya hierin te betrekken. Hij heeft al genoeg “jihad” te verduren op deze site.

      • Soedibyo zegt:

        @Bill Zitman – Wat bdoelt u met “volgens uw Koran”. Er zijn Korans in mijn huis, maar ik noem ze nooit mijn Koran. Als ik naar de betekenis van een Indonesisch woord ga zoeken, raadpleeg ik de “kamus bahasa Indonesia”, of Google Indonesia, nooit de Koran. Pak Bill ik vraag Pak Surya om een gewone vertaling van het woord ihlas, niet om mijn positie in de commentaar te verdedigen of versterken. Ik weet de actieviteiten van Pak Surya in “Indische Forums”, en ik waardeer dat, “angkat topi”. Ik denk niet dat Pak Surya zijn activiteiten als “jihad” beschouwd, he enjoys it. Salam.

      • Bill Zitman zegt:

        @Pak Soedibyo – Anda tepat di kedua isu – saya seharusnya tidak ikut campur. Itu adalah kesalahanpahaman. Van uw (mis)spelling herkende ik het woord niet en connected het met iets dat ik wel wist, maar nog steeds de juiste vertaling. Maaf ya.
        En met ‘jihad’ wees ik naar een paar andere ‘vervolgers’ op deze site – tapi pak Surya dan saya juga baik-baik saja. Salam hangat.

  3. Ælle zegt:

    Rujuk, rujuk, Apakah rujuk?
    Wij zijn er toch allemaal uit gesodemieterd!
    En we gingen met plezier ervandaan. Veel van mijn famileleden spraken
    ook bewust nooit meer Bahasa Indonesia. Ik heb ’t nog tevergeefs geprobeerd.

  4. August Pijma zegt:

    De Indonesisch regering moet zich ook verontschuldigen voor het moorden van Hollandse vrouwen en kinderen in de kampen en Indos buiten de kampen. Dan pas is er verzoening.

    • Ælle zegt:

      Waar August Pijma op doelde;
      Vier niet te missen passages uit een brief van Mw Van D. vanuit Bandoeng, gedateerd 21 Sept 1946, verstuurd naar Holland aan een goede bekende die op tijd vertrokken was met haar zoon Okke.
      ~ O, ’t was of mijn hart stilstond, ik zag die dodenmars al. Ik bad God om uitkomst, o wat konden we toen bidden!! Alles wat Engels was en Rapwi plus Rode Kruis trok weg, en wij werden overgedragen aan de “republiek”. De meest tragische tonelen speelden zich af. Huilend vielen we elkaar om de hals, voelden vaag, wat er ging gebeuren. Enfin, toen kregen we de geregelde arrestaties van eerst alle mannen, toen de grote jongens, die bijna allemaal gekruisigd werden. Ze bleven gelukkig niet zo lang hangen, tot ze dood gingen. Maar het bestuur (v.S., de jonge P., en S. zijn na vele martelingen onthoofd. Meisjes werden ’s nachts weggehaald zogenaamd verdacht van Nica spionage, of zoiets, maar ze werden gedwongen om “zich te geven” onder bedreiging, dat ze anders onthoofd zouden worden. O wat een tijd was dat!

      Na de eerste schietpartij te Magelang eind October 1945 zijn de gebeurtenissen wel erg op en achter elkaar gekomen. 1 November werden we door 300 bamboe-roentjiengkerels naar de gevangenis gebracht. Eerst M., mijn man, en mijn zwager, de mannen, en later wij. Even te voren hebben ze in diezelfde gevangenis meneer B., N., H. en twee jongens met bamboe-roentjiengs beestachtig afgemaakt. Gelukkig heeft mijn man daar geen getuige van hoeven te zijn, want de lijken (ze leefden nog) werden op elkaar gestapeld op een kleine grobak en de kerkopan (de weg vóór de gevangenis) afgereden. Dames, die van Kawarassan kwamen, zoals tante M, mevr. v.d.B. enz. hebben dit vreselijke schouwspel nog moeten zien. Later zijn H. en N. nog terecht gekomen, we weten alleen niet hoe, maar ze waren zeker nog niet dood. N. moet nu ergens in een lugubere gevangenis zitten.

      Voor deze slechte elementen is het, dat Nederland z’n mannetjes stuurt, want de werkelijke intellectuelen onder de Javanen moeten zich wel schamen over zoveel schandelijks en vuils dat er toen bedreven is. Ik las net van die staking in Amsterdam, wat een klein begrip van de toestanden hier hebben ze dan toch, die stakers. Bandoeng stroomt nu vol Indonesiërs, blij en tevreden, dat ze nu ook van die bescher­ming mogen genieten, want ook de rustige Javaan of Soendanees veroordeelt de extremisten. –

      Maar ’t zwaard van Damocles hing boven ons hoofd. Telkens werd het volk opgezweept, o eens zouden we er weer achter draaien, dat wisten we en namen onze maatregelen. Dat gebeurde in Maart. Ook al op een zeer onbeschaafde Nippon manier met schoppen en dreigementen, o ze hebben goede leermeester gehad in het Nippon tuig. Van onze van nature zo beschaafde Javaan is niet veel over in zo’n soldatenpakje, want dan zijn het echte Nipponners hoor! –

      • Ælle zegt:

        Mevrouw Van D. schreef dat zij net las van die staking in Amsterdam, ‘wat een klein begrip van de toestanden hier hebben ze dan toch, die stakers’.
        Wie waren de stakers?
        Het begon met de doodgeschoten Peter Dobbelaar toen hij demonstreerde tegen de uitzending van Nederlandse troepen naar de opstandige kolonie Indonesië.
        Historici Marius van Melle en Niels Wisman schrijven gezamelijk de tekst, hamerend op de standaardformule ‘opstandige kolonie’.
        ~ Op zaterdagavond 21 september 1946 is in de omgeving van de Nieuwendijk en de Kalverstraat veel publiek op de been. Dat is de gebruikelijke uitgaansdrukte, maar er hangt ook iets in de lucht. De Communistische Partij van Nederland (CPN) heeft opgeroepen om te protesteren tegen de uitzending van Nederlandse militairen naar Indonesië. Maar het gemeentebestuur gaf geen toestemming en er is veel politie op de been.
        Teksten dateren uit (winter) februari 2005
        ~ In Het Parool van maandag 23 september (1946) lezen we wat er is gebeurd: “Bij het verspreiden van personen die Zaterdagavond op den Haarlemmerdijk te Amsterdam wilden demonstreren tegen de uitzending van troepen naar Indonesië, is een 41-jarige burger dusdanig door een kogel getroffen, dat hij in het Wilhelmina-gasthuis overleed. Vermoedelijk werd het bewuste schot gelost door een lid van de militaire politie”. Later die week weet De Waarheid te melden dat het gaat om Petrus Dobbelaar. Ook over de precieze toedracht van het incident worden geleidelijk meer details bekend. In het oploopje dat ten westen van de Nieuwendijk ontstond, bevond zich ook een militair die pamfletten uitdeelde en daarmee niet alleen onrust zaaide, maar ook de krijgstucht tartte. Hij werd aangehouden door de gemeentepolitie, daarbij gehinderd door boze omstanders. De agenten kregen assistentie van de marechaussee, die snel ter plaatse is. Op het moment dat de gemeentepolitie de arrestant wil overdragen aan de militaire politie wordt er geschoten en raakt een omstander ernstig gewond. Een opgetrommelde ambulance brengt hem naar het ziekenhuis, maar bij aankomst blijkt hij al dood te zijn. Deze schietpartij is het ernstigste incident van die avond, maar niet het enige. Er zijn veel harde klappen gevallen. Met de sabel en de gummistok. En in de Kalverstraat bij de Heiligeweg heeft de politie een man in zijn hiel geschoten. Dát ontkent korpschef Kaasjager niet.

        “De maat is vol!” schrijft De Waarheid op 23 september. “Op zaterdag 21 september is door de militaire politie met scherp op een groep militairen en burgers geschoten, die van hun democratisch recht gebruik maakten om tegen hun uitzending naar Indonesië en tegen de koloniale oorlog te demonstreren.” Dus proclameert de CPN nu openlijk een algemene staking voor de volgende dag. En met succes: op dinsdag de 24ste is Amsterdam zwaar ontregeld. De staking begint bij het GVB en breidt zich uit over onder andere ADM, Werkspoor, NDSM, Fokker, Draka en de Stadsreiniging. Op het Waterlooplein wordt overdag een grote bijeenkomst belegd en ’s avonds komen volgens de organisatoren 10.000 mensen bijeen in de Apollohal. Vooral op het Waterlooplein is de sfeer grimmig: de communist Henk Gortzak beschrijft later in zijn herinneringen hoe hij gewelddadige confrontaties op het nippertje heeft kunnen vermijden.

        ~ Die zelfde avond vertrekt het eerste volgeladen troepenschip, de Boissevain, vanaf de Javakade naar de opstandige kolonie. De koloniale oorlog die de CPN in 1946 voorziet, komt er in 1947 inderdaad, al spreekt de regering liever van ‘politionele acties’.

        ~ “De maat is vol!” schrijft De Waarheid op 23 september. “Op zaterdag 21 september is door de militaire politie met scherp op een groep militairen en burgers geschoten, die van hun democratisch recht gebruik maakten om tegen hun uitzending naar Indonesië en tegen de koloniale oorlog te demonstreren.” Dus proclameert de CPN nu openlijk een algemene staking voor de volgende dag. En met succes: op dinsdag de 24ste is Amsterdam zwaar ontregeld. De staking begint bij het GVB en breidt zich uit over onder andere ADM, Werkspoor, NDSM, Fokker, Draka en de Stadsreiniging. Op het Waterlooplein wordt overdag een grote bijeenkomst belegd en ’s avonds komen volgens de organisatoren 10.000 mensen bijeen in de Apollohal. Vooral op het Waterlooplein is de sfeer grimmig: de communist Henk Gortzak (timmerman wordt in 1946 voornaamste communistenleider) beschrijft later in zijn herinneringen hoe hij gewelddadige confrontaties op het nippertje heeft kunnen vermijden.
        ~ Helpen doet het allemaal weinig. Die zelfde avond vertrekt het eerste volgeladen troepenschip, de Boissevain, vanaf de Javakade naar de opstandige kolonie. De koloniale oorlog die de CPN in 1946 voorziet, komt er in 1947 inderdaad, al spreekt de regering liever van ‘politionele acties’.
        ~ De regeringsgetrouwe PvdA-krant Het Vrije Volk maakt in eerste instantie weinig woorden vuil aan het incident: een man die niet naar de politie wilde luisteren “is dodelijk gewond”, door wie blijft onvermeld. In ieder geval niet door de gemeentepolitie, bezweert premier Beel. De marechaussee dan, zoals ooggetuigen meldden? De commandant ontkent krachtig, en gewillig trekt Het Parool zijn eerdere bericht in. Dus moet er wel een gewone burger geschoten hebben! Wat de plek betreft: de meeste kranten noemen de Haarlemmerdijk, maar De Waarheid heeft het later óók over “de dode op de Nieuwendijk”. De waarheid ligt dan ook in het midden, leert ons het ‘generaal rapport’ van het Hoofdbureau van Politie over 21 september 1946: het gebeurde in de Haarlemmerstraat, die de Haarlemmerdijk verbindt met de Nieuwendijk. Ditzelfde rapport leert ook wie er schoot: “20.30 uur. In de Haarlemmerstraat heeft een demonstratie van plm. 500 personen plaats gehad tegen de uitzending van militairen naar Indonesië. Eén militair is daarbij aangehouden en aan de marechaussee overgegeven. Bij deze overbrenging heeft één der marechaussees een schot uit zijn pistool gelost, met het gevolg dat er een man werd gewond. Deze man, genaamd Petrus Dobbelaar, geboren Amsterdam 13-9-1896, gewoond hebbende Waddenweg 49 huis, is door de GG&GD naar het Binnen-Gasthuis vervoerd, alwaar Dr. De Nortier de dood constateerde.”
        ~ In de geschiedschrijving heeft het schot in de Haarlemmerstraat maar een zeer bescheiden plaats gekregen. Het is vooral gememoreerd als een gewelddadig incident, zoals er in het woelige eerste jaar na de oorlog zoveel zijn geweest. Maar in de herinnering van hen die in deze jaren betrokken zijn geweest bij het verzet tegen de troepenzendingen naar Indonesië is de dode van de Haarlemmerstraat blijven voortleven als martelaar van de antikoloniale strijd.

        In Indonesië worden ze onschuldig vermoord, terwijl in Nederland er helden worden geboren. Hahahahaha

      • Ælle zegt:

        Ondanks dat de Koningin in haar radiotoespraken en proclamaties vaak aandacht besteedde aan Nederlands-Indië, verscheen er in verband met de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 geen proclamatie van Wilhelmina. Ook na de proclamatie van Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 waarbij hun “Republik Indonesia” uitroepen werd, heeft Koningin Wilhelmina niet tot de bevolking van Nederlands-Indië gesproken.

        Zij zijn ’t die een een excuus.verdienen!

      • van Santen zegt:

        Nou Aelle, ik zou toch liever even naar het verhaal van die Mevrouw van D. uit Bandoeng willen luisteren dan in plaats daarvan die communistisch veroorzaakte relletjes in Amsterdam. Mevrouw van D. beschrijft hier namelijk een stukje Ned.-Indische
        geschiedenis van jewelste. Goede lectuur voor al die pro-Indonesia aanhang vandaag de dag aanwezig op Javapost. Vooral die ene zin “Voor deze slechte elementen is het, dat Nederland z’n mannetjes stuurt” moet eens meer naar voren gebracht worden !
        Verder: “Bandoeng stroomt nu vol Indonesiërs, blij en tevreden, dat ze nu ook van die bescher­ming mogen genieten, want ook de rustige Javaan of Soendanees veroordeelt de extremisten” zou ook wel tot verlichting der anti-Blandah/pro-Indonesia geesten mogen leiden.

      • Jan A. Somers zegt:

        “verscheen er in verband met de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 geen proclamatie van Wilhelmina.” Op 5 mei 1945 overigens ook niet (heb ik begrepen, ik was uiteraard niet in Nederland).

  5. van den Broek zegt:

    @ August Pijma citaat
    De Indonesisch regering moet zich ook verontschuldigen voor het moorden van Hollandse vrouwen en kinderen in de kampen en Indos buiten de kampen.

    Indo’s buiten de kampen – Hollandse vrouwen en kinderen in de kampen: IndoHollands?????
    Als er met zo’n koloniale blik naar de werkelijkheid wordt gekeken, wat dien ik dan te geloven, daargelaten wat voor verantwoordelijkheid de Indonesische regering heeft voor de moorden. Op zo’n manier creëert August Pijma wel begrip en dat in 2015.

  6. Peter van den Broek zegt:

    Kan Aelle mij uitleggen dat in de Brief van Mevr. Van D (??) uit Bandoeng gedateerd 21/09/1946 dat mevr. Van D.(??) net las over de staking op 21/09/1946 . Is mevr van D. Helderziende of zijn de data verkeerd gecopieerd??? En dat er mensen aan het verhaal conclusies verbinden is helemaal van de zotte. Begrijpelijk schrijven is één, begrijpelijk lezen is een totaal andere zaak.

    • Ælle zegt:

      Ik moest even nadenken waarover Peter van den Broek mij tekst en uitleg vroeg een klein anderhalf uurtje geleden (Lang, bijna een week, over na moeten denken, Peter?) aangaande de data betreffende de staking.
      Mijn uitleg is kort. Er bestond in die tijd reeds telegrafie, telefonie en bovenal radio, hoop ik. In Nederland werd door Philips geëxperimenteerd met uitzendingen naar de oost met een zender in Eindhoven. Op 11 maart 1927, dat is bijna 20 jaar eerder, werden de eerste signalen daar opgevangen. Op 1 juni van dat jaar sprak de koningin via deze zender tot het volk in Nederlands Indië. ’t Tijdsverschil Holland en Nederlands Indië was toen 8 uur. Genoeg ruimte voor mevrouw Van D. om een up-to-date informant te zijn geweest.
      Mijn moeder vertelde dat ze in de oorlog ook altijd aan de buis gekluisterd zat om het nieuws te horen. Zo wist ze ook dat mijn Vader en de hele bemanning een bommenaanval op hun schip in Tjilatjap hadden overleefd. De nieuwslezer hield er weliswaar de spanning in, zei ze.

  7. Peter van den Broek zegt:

    Aelle , reken even uit. zaterdagavond 21 September in Nederland is zondagochtend, 8 uur later in Ned. indie, dus 22 September . Dus Mevr. Van D. , anoniem of volledig verzonnen, gaat terug naar de toekomst. dat is normaal denken.

    Ik wil alleen maar zeggen dat ooggetuigen, ervaringsdeskundigen op dienen te passen wat ze zeggen of schrijven, willen ze geloofwaardig zijn.
    Ik ben van Aelle nog een verklaring schuldig, als ze ueberhaupt begrijpt wat ik bedoel.

    In het verhaal van mevr. van D. zitten gebeurtenissen tussen waar ik toch mijn vraagtekens zet alhoewel ik niet erbij aanwezig was: ……..alles wat Engels was, RAPWi en Rode Kruis, …….klopt dat?

    Vergeef me Aelle dat ik nu pas reageer,

    • Ælle zegt:

      Of ik überhaupt (wat haat ik deze stomme 60s uitdrukking) begrijp wat je bedoelt?! Een bedoel is een varken.
      Gedateerd 21 september ’46 wil niet zeggen dat ze die brief à la minute heeft gepost. ’t Zou kunnen dat ze er dagen aan heeft zitten schrijven. Of is dit volgens jou eveneens onmogelijk?
      Maar, wat is dan je probleem? Ik zou de zoon van Norel hier natuurlijk wel over kunnen informeren.
      Zelf reageerde je toch ook 6 dagen later. Soedah basi, zeggen wij, net als ouwe rijst.

      • Ælle zegt:

        Voorlopig kan ik even niet aan de pc. Ik heb zometeen een afspraak lopen.
        Later…

      • Peter van den Broek zegt:

        Nee mevr. Aelle, wat stom is dat U het verhaal van Mevr. van D. verhaspelt met uw eigen verzinsels en daarmee zet U niet alleen mij maar ook de anderen op een verkeerd spoor Na de zoveelste blunder zet U wel Uw geloofwaardigheid of wat daarvan over is op het spel. En dan gaat U ook nog eens draaien en dan wordt het nog erger als dat nog mogelijk is.
        Het positieve is dat Boeroeng mij op het spoor brengt van die site van Dhr Norel en daar kan ik de oorspronkelijke versie van Mevr. van D. lezen, dat had U ook kunnen vertellen. dan klinkt het verhaal toch iets anders, toch wat warrig maar authentiek. Op die site zijn verhalen van zgn Buitenkampers te lezen en dat interesseer mij. Dat ga ik lezen.

        ik heb zo een afspraak en daarna neem ik de auto naar huis, nog maar 900 Km.

      • Ælle zegt:

        Zoon Norel is vanmorgen helaas niet te bereiken. Heb ik dit ook al verhaspeld en verzonnen?

  8. Indisch4ever zegt:

    @ Peter,
    Die brief is gepubliceerd op de website van Okke Norel. Mevrouw van D schreef de brief aan zijn moeder. Okke Norel was vroeger actief in de beweging van buitenkampkinderen en tot aan zijn dood verzorgde hij op het internet Indisch nieuws.
    Ik heb ooit nog gemaild met hem en hij is integer.
    http://old.buitenkampkinderen.nl/GESCHIEDENISpersoonlijkIK1.htm
    http://indisch4ever.nu/2005/07/11/okke_norel/

    Mevrouw van D . zal het wel over andere stakingen gehad hebben voor 21 september 1946.

  9. Surya Atmadja zegt:

    *En wij leefden van het meubilair en bijna alle andere zaken die mijn moeder verkocht om aan eten te komen.

    *We hadden het niet slecht in het laatste jaar van de oorlog. Voldoende vitamines van de Japanse kers.
    *Nee we hadden het niet slecht. Altijd wel een soepkom, u kent ze wel van de Chinees, met rijst. En, volgens mijn herinnering, met iets als een blaadje sla. En soms ook wel met een visje, formaat guppie, wel bijna zo groot als mijn pink. Nee we hadden het niet slecht.
    ====================================================================
    Nee, we hadden het niet slecht (tot 3x toe).
    Waarschijnlijk omdat : moeder nog iets te verkopen had .

    Hoe zit het met de mensen die “niks”hebben, hoe moeten ze het overleven ?

    • Ælle zegt:

      Als mijn Moeder haar verhaal niet verhaspeld of verzonnen heeft dan at ze alleen vissenkoppen en daon katoek die aan de straatkant was geplant. Ze wees altijd met haar kelingking (pink) als ze duidelijk wilde maken hoe mager ze was tijdens de hongersnood in Batavia waar ze met haar ouders vanuit Billiton was verhuisd. Ook verzonnen.

  10. Jan A. Somers zegt:

    Afgedwongen excuus? Dat herinner ik me nog van heel vroeger op het schoolplein van de broederschool in Soerabaja. Bij het knokken riep de jongen bovenop je: Maak excuus! En het jongetje onder: Excuus! Juridisch niet zo sterk, maar het werkte kennelijk wel. Daarna gewoon weer verder met knikkeren.

  11. Ælle zegt:

    Ik begin na het lezen van twee Australische krantenberichten nu pas te beseffen waarom mijn Opa, zijn jongste dochter en pasgeboren kleinzoon waren overleden.
    De hongersnood had zieke Opa en zwangere tante Anna zodanig afgezwakt dat ze ’t ongeveer gelijktijdig alledrie niet hebben kunnen overleven.

    Krant #1, Morning Bulletin Rockhampton Queensland (afk. Qld.) van 8 october ’45 schrijft:
    Famine Threat

    Java is threatened with a famine. Stocks of rice and food for the European population has been secured only till the end of the month.
    The Japanese have hidden (verborgen rijst) 135,000 tons of rice, while the natives (inlandse bevolking) are driving their cattle into the hills.

    Krant #2, The Advertiser, Adelaide S(outh) A(ustralia), monday 22 october 1945 schrijft:
    Famine threat in Java
    “Tragic” Hold up of ships in Australia

    Famine will ravish Java by the middle of December unless the Dutch East Indies mercantile fleet, now tied up in Australian ports, is soon back in commission, stated Dr F.E. van Hoogstraten, Director of economics for the NEI Government, who has been in australia to arrange relief supplies for Java, on his arrival from Brisbane yesterday.
    He declared that 35,000 tons of food, textiles and medicines were awaiting shipment on Australian wharfs.
    After the wonderful cooperation that had been given in the procuring of supplies by the Australian Government and in view of the distress in java, it was tragic that the solution had not been found to the dispute.
    The 14 ships tied up in Australia comprised practically the whole of the KPM Indies insular fleet. all vessels had worked for the Allies during the war and especially for the Australian army.
    Dr van Hoogstraten blamed the Communists for the refusal of the Australian waterside workers to load the Dutch ships. Great help, he said, had been obtained from the US Army which had sold the Dutch Government surplus stocks of food and textiles at Finschhafen, Hollandia and Biak.
    Eight ships had been allotted to lift the stocks which were being loaded by american soldiers. the first vessel was due to rech Batavia by Monday and three more by November 5.

    Heel triest om dit alles achteraf te moeten lezen. Nergens heb ik eerder over de ware/niet verzonnen oorzaak van de hongersnood die het leven van mijn familie, die ik nooit heb mogen ontmoeten, en die van de duizenden/miljoenen mensen op Java heeft beroofd. ik hoop dat uit deze geschiedenis meer details te voorschijn komen om erven te leren.

    Helaas was ’t te laat voor Opa P, tante Anna en mijn onbekend neefje.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s