‘De Japanse vlag was voor mij symbool van het kwaad’

Joost van Bodegom

Joost van Bodegom

Voor Joost van Bodegom begon de oorlog pas echt na 15 augustus 1945. Als jongen zat hij met zijn moeder, broer en zusje in diverse jappenkampen. Maar de werkelijkheid drong niet tot hem door. ‘Pas veel later haalde het verleden mij in. De Japanse vlag werd het symbool van het kwaad.’

Door Jurre Van den Berg 

‘Ik ben geboren op 7  juni 1936 in Pematang Siantar, Sumatra. Mijn vader, een bosbouwer, kwam in 1927 naar Indië. Daar ontmoette hij mijn moeder, ook een Nederlandse. In 1940 mocht hij met zijn gezin met verlof naar Holland. Maar in Suez moest ons schip omkeren, omdat in Europa de oorlog was uitgebroken.

Terug in Indië moest mijn vader in dienst. Na de Japanse bezetting in 1942 verdween hij naar Thailand, waar hij als dwangarbeider aan de Birma-spoorweg moest werken. Dat overleefde hij maar net; hij werd voor dood achtergelaten.  

Wij – mijn moeder, mijn broer, mijn zusje en ik – belandden eind 1942 in het jappenkamp Galoehan. Eerst ging het nog wel. We zaten met drie moeders en negen kinderen in een kamer van zes bij zes, we leden geen honger. Het kampleven bestond voor ons uit spelletjes doen. Krijgertje, tikkertje, in bomen klimmen. Ik maakte bootjes van stukjes hout die ik liet drijven in het open riool van de badruimte. Met elastiek jaagden we op libellen, we haalden krekels uit hun holen, groeven mierenleeuwtjes uit. En we knikkerden eindeloos. Indisch knikkeren, daar is Hollands knikkeren maar primitief bij.

Optimisme

Eind februari 1944 werden we op transport gezet naar Banjoebiroe 10, een oude gevangenis. Een ramp. Hoge muren. Geen uitzicht. Toen het kamp te vol raakte, stak mijn moeder als eerste haar vinger op. ‘Alles beter dan dit’, zei ze.

We kwamen 500  meter verderop terecht in Banjoebiroe 11. Een verademing. Over de bamboeschutting zagen we de berg Telemojo. Dat uitzicht was vrijheid. Op de flanken van de berg, waar onze moeders hout hakten, brandden op een ochtend de letters V en W Vrijheid Wilhelmina. Ik heb lang gedacht dat ik het me had ingebeeld. Tot ik het voorval jaren later teruglas in het dagboek van een kampgenoot.

We wisten dat het oorlog was. De Jap – dat was de vijand. Je kon afgeranseld worden als je betrapt werd op smokkelen onder de schutting. Maar als kind onttrek je je aan de realiteit. Later besefte ik pas wat de vrouwen moeten hebben doorstaan. We sliepen met honderd mensen op britsen in een oude paardenstal. Zieke en dreinende baby’s, ruziënde moeders. De kampen waren slangenkuilen. De standenmaatschappij zette zich binnen gewoon voort. Gelukkig was mijn moeder het optimisme zelf. ‘Het is een keer afgelopen’, zei ze. ‘Dan gaan we naar Holland. En bij grootvader op zolder staan stoom-locomotieven.’ Dat vooruitzicht hield mij op de been.

Passieve vernietiging

In januari 1945 moesten de 10-jarige jongens – onder wie mijn broer – naar het jongenskamp. Zo was ik als 8-jarig jochie plotseling een van de oudste mannen in het kamp. Ik werd kampomroeper. Met Wardje riep ik het eten om. Een grote verantwoordelijkheid. Een voorrecht ook. Je kon de laatste aangebrande rijst uit de tonnen schrapen. Of een restje suiker, als dat er was. De haren van de jutezak zeefde je er wel uit.

Jongenskamp op Java, 1945.

Jongenskamp op Java, 1945.

Je kunt de jappenkampen niet vergelijken met de Europese vernietigingskampen, maar er werd passieve vernietiging toegepast. Er was steeds minder te eten, er waren steeds minder medicijnen. Er braken ziekten uit. Als de oorlog een half jaar langer had geduurd, waren we als ratten gestorven.

Van de bommen op Hiroshima en Nagasaki wisten wij niets. Pas op 24 augustus 1945, negen dagen na de capitulatie van Japan, hoorden wij van de bevrijding. Wardje zei: ‘Joost, je kunt smokkelen.’ Ik haalde de lege broodzak en ruilde die onder de schutting voor een ei. Mijn moeder schrok zich rot dat een jap erbij stond te lachen. Overal werden ineens kippetjes gebraden. Pas ’s avonds werden we bij elkaar geroepen en vertelde de commandant dat de oorlog voorbij was.

Toch was de bevrijding voor ons niet meteen een bevrijding. Soekarno had op 17 augustus de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. Opstandelingen waren uit op wraak. Vanaf de heuvels beschoten ze ons kamp. We konden niet weg. De Bersiap-periode was chaotisch, fysiek dreigender dan de oorlogstijd. Opeens waren de rollen omgekeerd en moesten de Japanners ons beschermen.

In september kregen we een brief van vader. Wegwezen uit Java, schreef hij. In grote vrachtwagens werden we naar Samarang gebracht. Daar namen we de boot naar Sri Lanka, waar we vader terugzagen. April 1946 scheepten we in op de Kleine Ruys. Met tweeduizend mensen voeren we naar Holland. Ik heb de hele reis op het puntje van de boeg gezeten. Ik keek naar meezwemmende dolfijnen en vliegende vissen en dacht aan de treinen bij grootvader op zolder.

Op 3 mei 1946 kwamen we aan in IJmuiden. De ambulance die ons naar Huis ter Heide bracht, stopte bij mijn grootouders voor de deur. We renden het grindpad op en zeiden: ‘Dag grootvader, dag grootmoeder, waar zijn de treinen?’ Binnen de kortste keren zaten we op zolder.

Spel

Met mijn vader ging het moeizaam. Hij sprak nooit over zijn tijd in Thailand. Pas na zijn dood in 1968 – drie maanden na zijn pensionering –  totaal kapot vertelde mijn moeder dat hij elke nacht nachtmerries had gehad.

Zelf had ik weinig last van de oorlog. Ik ben ook nooit op onbegrip gestuit. Mijn eerste meester in Huis ter Heide had in Indië gezeten. Die begreep mij. In mijn studententijd hadden we bij het corps zelfs een quasi-koloniaal clubje. Eén keer per jaar organiseerden we een reünie met palmbomen en loslopende kippen. Indië, dat was spel.

Veel anderen die in een jappenkamp hadden gezeten, verging het moeizamer, begreep ik later. ‘Jullie hadden het tenminste niet koud’, kregen ze te horen. Een koekje van eigen deeg, vonden sommigen het zelfs, dat die koloniale Nederlanders als koelies waren behandeld. Er werd weinig over Indië gesproken. Dat was niet opportuun, want dan zou het ook moeten gaan over de voor Nederland onwelgevallige perioden van voor en na de Japanse bezetting.

´Waarom zit die Japanse vlag mij zo dwars?´

´Waarom zit die Japanse vlag mij zo dwars?´

Pas veel later, in 1982 ik was inmiddels burgemeester van Opsterland haalde het verleden mij in. Bij hotel De Herder in Beesterzwaag hing opeens een gigantische Japanse vlag uit het raam. Er zat een kraker in het pand. Ik reed erlangs en dacht: die vlag moet weg. In het dorp woonde een vrouw die haar vader in Birma had verloren en haar moeder in Banjoebiroe. ’s Avonds belde ik de politie: haal dat ding weg.

Later volgden nog twee vlagincidenten. Bij de opening van een Toyota-garage in Ureterp hing er een Japanse vlag over het spreekgestoelte. Ik raakte van de kaart. Kort daarop nog eens, toen mijn dochter thuiskwam met een roze truitje met een crèmekleurig vlak met daarin een roze bol. Ik werd pissig. Die vlag was het symbool van het kwaad.

Ik vroeg me af: waarom zit die vlag mij zo dwars? Ik wilde opeens alles van de oorlog weten. Tijdens een vakantie op Schiermonnikoog noteerde ik steekwoorden: dit ga ik uitzoeken. Ik begon met het overtikken van de brieven die vader ons had gestuurd. Daarna beschreef ik mijn eigen herinneringen en begon verwoed te verzamelen.

Thuiskomen

In 1985 ging ik voor het eerst naar de Indië-herdenking in Den Haag. Ik zocht contact met andere Opsterlanders die in een jappenkamp hadden gezeten en belandde in het circuit van organisaties die zich bezighielden met Indië.

In 1986 ging ik voor het eerst terug. Alleen, drie weken, in de regentijd in november. Mijn vrouw zei: houd een dagboek bij waarin je niet alleen beschrijft wat je ziet, maar ook wat je voelt. Ik vond bijna alles terug. De huizen waar we woonden, de gevangenis in Banjoebiroe, het graf van ons buurmeisje dat was overleden aan difterie. Banjoebiroe 11 was veranderd in een sawa, maar de berg was er nog. Het voelde als thuiskomen.

Door mijn zoektocht naar het Indische verleden kwam ik erachter hoe beestachtig wij Nederlanders er hadden huisgehouden. De slavenhandel door de VOC. De wreedheden op de plantages. De politionele acties na de oorlog. Het bloedbad van Rawagede. Ik realiseerde me dat we eerst ons eigen nest moesten opruimen voordat we over anderen konden oordelen.

De aanstichters van de oorlog zal ik nooit vergeven. Toch ging ik in 2001 met een lotgenotenreis naar Japan, op zoek naar verzoening. In Nagasaki heb ik de humane Japanners die ik heb meegemaakt een saluut gebracht. De soldaten die spontaan met ons begonnen te puzzelen. De kampcommandant van Galoehan, van wie we ons papegaaitje mochten houden. Majoor Kido en zijn manschappen die ons na de oorlog beschermden tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Vanuit het hotel aan de baai van Beppu zag ik de zon opkomen. Eindelijk kon ik zeggen: met die rijzende zon is niets mis.’

x

Dit artikel verscheen eerder in De Volkskrant, 30 april 2015.

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

43 reacties op ‘De Japanse vlag was voor mij symbool van het kwaad’

  1. jeany zegt:

    Dit verhaal heeft diepe indruk op mij gemaakt, een groot en sterk mens kan wat hem en zijn fam. is overkomen op deze manier afsluiten diep respect.

  2. Beste heer van Bodengom, ook ik zat in de gevangenis van Banjoe Biroe 10, ruim 2 jaar. Ik heb een website http://www.dutch-east-indies.com Een paar dagen geleden ontving ik foto’s van BB 10 zoals het er nu uitziet. Prachtig. Groeten uit Tilburg, Elizabeth van Kampen

  3. R.F.Ploegaert. zegt:

    Beste heer van Bodegom,

    ik heb nooit in een gevangenis of zoiets gezeten, maar wat maakt dit verhaal een diepe indruk op mij,maar uit alles blijkt weer dat een echt,, goed,, hart je werkelijk sterk maakt. Dank voor dit verhaal.

  4. Adrie Vandersterre zegt:

    Wie kan mij helpen. Mijn moeder en vader zijn overleden, en wij hebben nooit over het kampleven gepraat. Nu will ik weten in wel kam mijn moeder en ik hebben gezeten, ik geloof in Surabaya. Na de oorlog zijn wij naar Bandung verhuisd.Is er ergens een instantie die all namen hebben behouden van de kampbewoners? Bij voorbaat dank.

    • Bill Zitman zegt:

      Adrie – je zou bij japanseburgerkampen.nl kunnen beginnen. Van sommige kampen daarin vermeld zijn ook naamlijsten beschikbaar.
      Ik denk dat hier ook een paar medelezers alreeds voor je aan het zoeken zijn. Was ‘Vandersterre’ toen de naam waaronder je ouders in het kamp zaten of was deze naam na de oorlog, voor emigratie redenen, aan elkaar geregen?
      Java Post heeft ook een ‘Op Zoek’ site….

      • Adrie Vandersterre zegt:

        Hartelijk bedankt Bill. Ja de naam heb ik bij elkaar gevoegd maar was indertijd Van Det Sterre. Ik zal op de sites gaan die je hebt genoemd.

  5. RLMertens zegt:

    ‘door mijn zoektocht naar het mijn Indisch verleden….de politionele acties….eerst onze eigen nest moest opruimen etc.’ Dat was wat ik ook vond over 1945-1949. Een oorlog na een wereldoorlog!
    Een schande!

  6. Indrukwekkend verhaal, met grote belangstelling gelezen. Zou als leidraad kunnen dienen voor hedendaagse lessen geschiedenis en maatschappijleer.
    In het stuk komt ook de terugreis naar Holland aan de orde. Heb hierover een blog geschreven waarin veel persoonsnamen van een reis met de SS Ranchi in 1950. Misschien wel bekenden van lezers van de Java Post. Zie http://patmcast.blogspot.com/2015/04/en-we-noemen-haar-rachita.html

  7. Patrice zegt:

    Zelf heb ik de oorlog niet meegemaakt, mijn familie van vaders kant daar integen wel. Mijn oma, vader en tante hebben in Tjideng gezeten. Mijn Opa vocht op de Java zee en is later ook krijgsgevangene geweest. Ook voor mijn vader heeft de Japanse vlag nog steeds het effect van een rode lap op een dolle stier. Door de verhalen van mijn vader en oma over de oorlog in Indonesie en over de onmenselijke kamp commadant Sonee (misschien verkeerd geschreven) wekt ook die vlag bij mij een heel naar gevoel op. En uit respect naar mijn vader en wat de familie heeft meegemaakt en hoe dit alles hen geestelijk en lichamelijk heeft getekend treed ik alles wat Japans is met grote voorzichtigheid tegemoed of ga het uit de weg. Toch heb ik uw verhaal met veel belangstelling gelezen, en vind het knap dat u op zoek bent gegaan naar vergeving. Ik als 2e generatie heb daar meer moeite mee.
    Dank u voor uw verhaal

  8. Cor Derksen zegt:

    Mooi verslag…ik weet niets van die periode..(verdrongen ???)..ik heb ondertussen de Japanners geaccepteerd ..maar ben heel blij dat ik in Nederland woon..erg blij !!

  9. De Japanse vlag symbool van het kwaad
    De aanhef van het artikel schiet mijn schild van bescherming voorbij en raakt meteen een snaar van vroeger. Ik ben totaal niet met haat, maar juist met liefde opgevoed. Met veel liefde. Voor mensen, voor het leven, voor de natuur en alles wat ons omringt en waarvan te genieten valt. Ik stam uit 1955, dus heb zelf nooit een voet in een Jappenkamp gezet. Maar plaatsvervangend zie ik mijn moeder meteen rillen van de Japanse vlag. De invloed van de omstandigheden in die tijd op mijn leven is onmiskenbaar, omdat ik stam van mijn moeder (Jopie Tax, uit 1922) die zo sterk door die periode in haar leven gevormd werd. Voorin haar jappenkampschrift, waarin ze teksten opschreef die haar troost en steun boden en dat ze blijkbaar steeds goed wist te verbergen – schreef zij:
    ‘Het zijn niet de omstandigheden in het leven die een mens gelukkig maken, maar hoe je omgaat met die omstandigheden.‘
    Die wijze woorden werden haar levensmotto en vormen ook het mijne. Overvloeiend van liefde probeerde zij in mijn jeugd met man en macht haar weerzin tegen de Jap en alles wat Japans was, uit ons zicht te houden. In elk geval gaf zij daar nooit uit zichzelf of openlijk lucht aan. Toch was ik mij daar zeer van bewust. Dat zij door de gebeurtenissen in voormalig Nederlands-Indië zo jong al geen vader en moeder meer had wist ik al. Dat zij daar mijn vader had ontmoet, wisten we natuurlijk ook. Onschuldig, romantisch ogende tropische kiekjes sierden de muur van hun slaapkamer, gebroederlijk naast de tokeh. Zij vertelde graag hoe heerlijk haar jeugd en leven vroeger in die zo bijzondere contreien geweest was. Maar dat zij als oudste oorlogswees met haar broertjes en zusjes naar Nederland moest vluchten, werd me pas gaandeweg duidelijk. Door kleinere, dagelijkse dingen merkte ik ook wel dat sommige zaken bij ons anders dan anders waren. Bepaald eten kwam nooit bij ons op tafel, omdat dat negatieve associaties bij haar opriep. Rijsttafel en kroepoek natuurlijk weer wel, omdat dat alleen maar lekker en fijn was. Toen de ons tot dan toe onbekende neefjes en nichtjes in 1965 alsnog naar Nederland kwamen, was dat vooral een belevenis. Ik was ervan onder de indruk dat zij helemaal niks hadden in hun tijdelijke vakantiehuisje in de bossen. Tegen de tijd dat ik als puber mateloos gefascineerd raakte en alles wat los en vast zat daarover las, begon ik mijn moeder te bestoken met vragen. Toen zij in het jappenkamp zat, was zij de leeftijd van spelen met knikkers, krekels en houten bootjes ver voorbij. Na een tijd trad zij als vervangende moeder op en verzorgde haar eigen verzwakkende moeder tot die vlak voor de bevrijding overleed. Als 16-jarige wilde ik weten wat die andere woorden toch betekenden: kikkeren en koffieklop. En of het écht waar was dat ze slakken moest eten? Antwoorden wilde ze eigenlijk niet, mondjesmaat kregen haar antwoorden vage contouren. Via een tante wist ik er achter te komen wat dat vreemde woord kikkeren toch betekende. Jeroen Brouwers kwam niet lang daarna op mijn pad. Tot dan las ik boeken die zij me aanraadde, vooral over tempo doeloe, van Annemie Macgillavry , Maria Dermout en Hella Haasse.
    Ik ben absoluut niet opgevoed met haat tegen Duitsers, het woord mof zal je mij ook nooit horen gebruiken. Terwijl mijn vader wel voor de Arbeidseinsatz onderdook, een van mijn tantes een Joodse pleegzus bleek te zijn en een oom in het verzet actief was. Maar ik heb wel moeten leren om Japanners in plaats van Jappen of ‘de jap’ te zeggen. Naar een Japanse film zal ik niet gaan, een Japans boek niet snel lezen. Omdat ik nu eenmaal bij die taal meteen mijn moeders vertrokken gezicht voor me zie.
    Niet toevallig was ik ruim tien jaar actief op een plek waar politieke vluchtelingen opgevangen en verder geholpen werden. Vele jaren later bleek dat toch niet genoeg. Mijn fascinatie met voormalig Nederlands-Indië en de impact van alle gebeurtenissen daar op de levens van mensen (aan meerdere kanten van het spectrum) moest ik omzetten in iets anders. Omdat ik mezelf inmiddels ontwikkeld had tot kinderboekenschrijver besloot ik om hierover te gaan schrijven. Voor kinderen van de generatie na mij, kinderen van nu. Omdat ik hen graag op een speelse manier iets meegeef over deze zo belangrijke periode in onze geschiedenis, schreef ik er twee kinderboeken over en ontwikkelde een schatkist met Indisch erfgoed voor basisschoolleerlingen. Nadrukkelijk bedoeld om een ruimer zicht te krijgen op die periode en de invloed daarvan. Verder kijkend dan naar de oorlog en de invloed daarvan. Wie hier meer over wil weten, kan daarvoor bij het Indisch Herinneringscentrum terecht.
    Meneer van Bodegom, ik vind dat u een pracht voorbeeld bent voor veel mensen. Niets menselijks is ons vreemd. Daarom blijven wij eerder hangen in oude, al lang niet meer kloppende emoties en associaties. Het getuigt van moed en kracht om daarop persoonlijk te reflecteren, zodat bijgesteld kan worden en daarmee recht gedaan wordt aan de generatie mensen van daarna, plús aan degenen die in tijden van oorlog altijd nog mens voor andere mensen bleven. Ook al heetten zij officieel ‘de vijand’. Het geschrevene in het artikel is van historische betekenis. Ik ben ervan overtuigd dat de wereld er beter uit zou zien als velen zo zouden kunnen omgaan met hun vroegere vijandsbeeld. Ik wil u dan ook uitdrukkelijk bedanken voor uw bijzondere betoog.
    Joke de Jonge
    5 mei 2015
    Ps: namens mijn moeder doet het mij goed dat vanavond in ‘Andere tijden’ een van de drie portretjes over bevrijding op 15 augustus 1945 gedateerd is.

    • joost van bodegom zegt:

      Beste Joke,
      Dank voor bijzondere reactie. Daar heb ik wat aan. Veel invoelender dan sommige vreemde uit hun verband gerukte losse flodders die de stukken in deze rubriek plegen te begeleiden. Wellicht via internet een nader contact. Daar kan wat mij betreft Buitenzorg voor zorgen door je dit bericht te sturen. Dank je Bert, Joost.

  10. van den Broek zegt:

    Sommige Indischen hebben blijkbaar niet door of willen uit onverschilligheid niet weten wat de betekenis van de Japanse (al dan niet oorlog) vlag is voor degenen die de oorlog in indie aan den lijfe hebben ondervondent.

    Een paar jaar geleden ging ik met mijn mijn moeder, die zowel Buiten- als Binnenkamper was , op educatief bezoek bij de tentoonstelling “Het verhaal van Indie” in ons aller Bronbeek. In de hoofdzaal was een ruimte ingericht op een hellend vlak, die leidde naar een grote Japanse vlag . Aangezien er in de vloer voorwerpen waren uitgestald , moest een bezoeker zich buigen om de tentoongestelde dingen zoals 3 volkomen nutteloze samoeraizwaarden, te bekijken.

    De zeer geachte Heer BoKeller, kenner bij uitstek van de doldwaze en komische dwalingen van Het indisch HerinneringsCentrum, demonstreerde mij dat de mensen zodoende , ook mijn meer dan 80-jarige moeder het delicate genoegen weer konden smaken, al buigend naar de Japanse vlag te lopen, l’historie se repète Ik twijfelde of de tentoonstellingsmakers begrepen hadden dat een hersenpan niet alleen pan maar ook meer is dan hetlouter bijelkaarhouden van de oren.

    Ik wilde tekst en uitleg vragen aan deze would-be 2de generatiegenoten en toog naar de Pasar Malam. , waar zij de tentoonstelling presenteerden. Het verbaasde mij niet , nou ja, dat er geen vragen gesteld mochten worden na de lezing, dus ik zette door en toog naar de stand van het HerinneringsCentrum. Daar ontspon zich een hooglopende en geanimeerde discussie met in eerste instantie toch wel onzinnigbegaafden, die naar het bleek de samenstellers waren. De meest koddige vraag vond ik wel, wat voor oplossingen ik zou hebben voor het wel erg brisante probleem, dat zij NU ook onderkenden.. Mijn oplossing lag meer in de richting van de schop tegen de kont. Later heb ik begrepen dat de Directeur sich anoniem verschool achter een toeschouwer om niks van de toch wel leerzame discussie te missen.

    Het verwondert mij nog steeds hoe deze 2de generatiejongeren het begrip Hormat op hun wijze interpreteren. Het was voor mij een teleurstelling dat in de richting van het Herinneringscentrum niks is ondernomen. Zulke dingen leiden niet tot discussies bij Indischen, misschien hebben zij teveel ontzag voor dat dikke bestuur.

    De Japanse vlag is één ding. Mijn moeder van meer dan 80 jaar te kakken zetten is een andere zaak, wat ik Het indisch herinneringscentrum niet zal vergeven.
    Maar er is iets structureels, iets maniakaal, bijna ziekelijk bij Het Centrum. Het stripboek “De Terugkeer” is daarvan en ander sprekend en witte dus koloniale voorbeeld.

    • Jan A. Somers zegt:

      Ja, als je dit meemaakt, zet je meteen vragen bij alle tentoonstellingen over het verleden. Maar ik heb er zelf ook moeite mee. Ik kan bijvoorbeeld een aardig verhaal schrijven over een voorval uit de bersiaptijd. Heel goed leesbaar voor eigentijdse mensen. Je kunt zelfs met je vingertje wijzen naar stoute mensen. Maar dat verhaal klopt niet. Dat verhaal is namelijk alleen maar een keurige tijdlijn met feiten. Maar ik kan de chaos niet vertellen, en dat is het belangrijkste. En in die chaos doen mensen wel eens vreemde dingen die ze normaliter niet zouden doen. Vandaar dat ik het boek van Meelhuijsen over Soerabaja zo compleet vind: opgeschreven chaos blijft chaos. Vandaar dat dat boek onleesbaar is.

  11. van den Broek zegt:

    Datzelfde heb ik bij het lezen van het boek “Macaber Soerabaja 1945 – De Werfstraatgevangenis” door Richard L.Klaessen. Het boek doet chaotisch aan met fotokopie van foto’s en zo , het beschrijft danook een chaotische tijd.

    Toch denk ik dat het de taak van een historicus is, die heeft er tenslotte voor geleerd om structuur in de chaos te brengen, een soort gestructureerde chaos, om deze toch begrijpelijk en inzichtelijk te maken.Hetzelfde gebeurt bij verkeer, het doet chaotisch aan maar bij nadere bestudering volgen de auto’s wel bepaalde (verkeersregels). Ook de bersiaptijd heeft zo zijn logica, van dichtbij voor degenen die het mee hebben gemaakt was het een chaos, maar laat nu een buitenstaander van afstand naar kijken en misschien komt deze tot nieuwe inzichten. Dat lijkt me wel een uitdaging, als ik meer tijd had.

  12. H.J. Legemaate zegt:

    Het nest bevuilen of het nest opschonen. That is the question!

  13. van den Broek zegt:

    Ik dacht dat het was: To be, or not to be- that is the question: Whether it’s nobler in the mind to suffer
    Met die one-liners heb ik wel veel moeite want ik begrijp meestal niet wat ze betekenen , een one-liner, gezien de lengtemoeilijk te vatten. Bovenstaand vermelding vind ik typisch Nederlands , gelijk een waardeoordeel vellen: bevuilen/opschonen. is dat soms de bedoeling van de geschiedenis? dan zijn we wel snel klaar. Geschiedenis is volgens H.L. Legemaate gedegradeerd tot een opinie

    • H.J. Legemaate zegt:

      Slechts korte tijd woonden wij in de Charlotte de Bourbonstraat om vervolgens naar de Stadhouderslaan nummer 21 (thans jalan Kelud) te verhuizen. Eerst hier beginnen mijn herinneringen, zoals het verkennen van de omgeving van de wijk Sawahan: de kali Greges, de hondenrenbaan, de racebaan, de tramremise en de Fröbelschool van de Don Bosco Stichting met de ‘gevleugelde’ nonnen. Daarnaast komen herinneringen naar boven aan het zwembad ‘Tegalsari’, Toendjoengan, Simpang(plein) en Kaliasin met winkels als ‘Whiteaway’, ‘Aurora’, ‘Hellendoorn’, ‘Toko Nam’, ‘Tjijoda’, ‘Onderling Belang’ en ‘Toko Piet’. Verder nog het gemeentelijk ziekenhuis C.B.Z., de amko’s, met de baboe mee naar de pasar of naar haar woninkje in de nabij gelegen kampong, de waroeng djongkok op de hoek van onze straat met roedjak manis of kolak voor de prijs van 1 of 2 cent, ès lilin (twee voor één cent); de roep van de straatventer: ‘Tengteng, djahé, permen, kwatjiii…’, de kaki lima, de pikoelan², vliegers aan glastouw, het avondrondje in pyjama, de bandjirs in de regentijd, paardrijden in vakantieoorden als Sarangan, Tosari of Batoe e.a. Misschien de mooiste tijd van mijn jeugd, maar daarvan zal ik mij toen niet bewust zijn geweest. Ik vind het boeiend de nabloei van een (voor ons) positief stukje Tempo Doeloe te hebben meegemaakt. Anno sekarang denkt men er genuanceerder over, hoewel ettelijke Indonesiërs Tempo Dahulu soms ‘Tempo Normal’ noemen.

      Scherper in het geheugen ligt de periode 1940/1941 toen Nederland inmiddels in oorlog was en de dreiging van Japan merkbaar werd. Als overlevende van het op 30 juli 1941 door de Duitse onderzeeboot ‘U-371’ nabij het eiland Madeira getorpedeerde ss. Sitoebondo van de Rotterdamsche Lloyd verbleef mijn oom Jan Legemaate, na een tijdelijk verblijf te Liverpool, enige maanden bij ons in afwachting van een nieuwe plaatsing als hoofdmachinist. Reeds eerder verbleef hij enige tijd bij ons, vermoedelijk van midden december 1940 tot begin maart 1941. Zijn vrouw en vier kinderen bevonden zich in bezet Nederland. In die periode was de Koninklijke Marine volledig gemobiliseerd en kwam mijn vader weinig thuis. Waarschijnlijk is dit dan ook mede de reden dat ik mij deze oom beter voor de geest kan halen dan mijn eigen vader. Het is aangrijpend om uit bewaard gebleven brieven te kunnen concluderen dat zij zich over elkaar zorgen maakten vanwege het ontstane oorlogsgeweld. Beiden hebben de wereldstrijd niet overleefd.

      Het zal rond 22 februari 1942 zijn geweest toen een met goud behangen officier de Stadhouderslaan inreed, aldus de getuigenis van de echtgenote van de tien dagen later erbarmelijk omgekomen oppermonteur K. Langendoen. Met begrijpelijke belangstelling volgde zij en enkele buurtgenoten de man, een aalmoezenier zoals al werd vermoed. ‘Oh God, hij stopt bij Joke!’ Uiteraard zal ik de reactie van mijn moeder op het bericht dat mijn vader als vermist was opgegeven nimmer vergeten. Ik huilde omdat zij huilde maar kon slechts gissen naar wat het woord ‘vermist’ inhield. Het verlies was op dat moment en in de daarop volgende jaren voor mij waarschijnlijk niet meetbaar. Immers kwamen ook elders nog weinig vaders thuis.

      Reeds medio maart 1942 (Japanse jaartelling 2602) werden de nodige verboden en verordeningen uitgevaardigd. Er werd voor de Jap – al dan niet na een leerzaam pak slaag – veel gebogen; de scholen en andere openbare gelegenheden werden gesloten; de klok ging 1½ uur vooruit; de inlanders mochten niet meer voor de Orang Belanda werken; banktegoeden werden bevroren; salarissen niet uitbetaald; diefstal op hardvochtige wijze bestraft; er moest tegen betaling worden geregistreerd en werd een avondklok ingesteld. In de hierna volgende periode werden de door de Japanse bezetters uitgevaardigde verordeningen nog sterk uitgebreid.
      Met uitzondering van krijgsgevangen militairen werd aan Indo-Europeanen de mogelijkheid geboden te opteren voor een Aziatisch nakomelingschap, hetgeen betekende dat zij eventueel buiten de kampen konden blijven. De problemen bleken er later niet minder ernstig om.

      Ingrijpend voor ons was het bevel om op korte termijn ons huis aan de Stadhouderslaan te ontruimen ten behoeve van Japanse militairen. Gelukkig mochten wij wat huisraad en barang meenemen. Korte tijd betrokken wij een kleine bovenwoning aan de Kanginanweg nr 63 (jl Kanginan), om medio mei 1942 te verhuizen naar de Cannalaan 26 (jl Kusumabangsa), schuin achter de marine-kazerne Goebeng en het nabij gelegen station met het toen bijna verlaten rangeerterrein als speelplek.

      Aan het andere einde van de Cannalaan lag het Jaar¬marktterrein (T.H.R./ Taman Remaja), door de Jap in gebruik genomen als krijgsgevangenkamp. Hetzelfde was gebeurd met de dichterbij gelegen HBS. Bijna iedere ochtend heen en ’s avonds weer terug passeerden open vrachtwagens met in de laagwandige laadbakken dicht bij elkaar staande en elkaar vasthoudende krijgsgevangenen. Zij werden gedwongen datgene te herstellen wat eerder door onze eigen mensen kort vóór de komst van de Jap in het havengebied werd vernield.

      Inmiddels hadden de zich vervelende Nederlandse jongens een soort knokploegen gevormd en zich bewapend met houten geweren, houten zwaarden, speren en katapults. Het laatste wapen zelfs in de vorm van een zelf geconstrueerd mobiel houten kanon met vierkante loop. Wij hadden voldoende materiaal om de gehele weg overdwars te barricaderen door het plaatsen van houten schotten, mede ter afscherming van de op ons gemikte rondvliegende stenen. In het ‘gevecht’ tegen de groep met de van de werpsport afkomstige speren (Melatiweg of Katjapiringweg?) bleven deze speren gelukkig ongebruikt. Het ging ons eigenlijk meer om bravoure en tijdverdrijf dan om wat anders. Een ieder voelde zich alweer eensgezind als wij ons tegen zonsondergang op het midden-gazon van de Canna-laan opstelden om de van het werk terugkerende krijgsgevangenen een eresaluut te bren¬gen, compleet met hoornsignaal door trompetter Henk van de Leelie. Dit alles onder de ogen van de Japanse wacht aan de achterzijde van de Goebeng-kazerne en de meerijdende Japanse bewakers. Nimmer kregen wij hier problemen door. Mogelijk meende de Jap dat het eerbetoon de overwinnaars gold. Immers was in hun ogen een krijgsgevangene eerloos.

      Aangrijpender waren de meestal nachtelijke transporten van arriverende of vertrekkende krijgsgevangenen. Verwaarloosde, armzalige, vermoeid voort schuifelende en in mijn visie zwaar vernederde mannen. Opgegroeid in een maatschappij waarin de Belanda het voor het zeggen had, heeft dit op mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. Hier werd duidelijk bewezen dat rassen-haat geen eenrichtingsverkeer kent.

      Het was streng verboden contact te zoeken met de passerende gevangenen. Uiteraard vermoedden zij spiedende ogen achter de gesloten louvre-luiken en trachtten zij via opschriften op hun rugzak (of wat hier op leek) ons te laten weten hoe hun naam was. Dit in de hoop dat hun aankomst of vertrek aan familie zou worden doorgegeven, hetgeen inderdaad ook wel eens succes had. Pas ver na de oorlog zou ons blijken dat het genoemde Jaarmarktterrein vanaf medio maart 1943 diende als doorgangskamp voor de als dwangarbeiders behandelde krijgsgevangenen op weg naar de Grote Oost voor de aanleg van vliegvelden op Flores en de Molukken. Van de bijna 6300 hierbij betrokken Nederlanders en Britten hebben ruim 1800 mannen onder de meest erbarmelijke omstandigheden het leven gelaten.

      Etc. etc.

      Ik meen derhalve het recht te hebben ‘een opinie’ er op na te houden.

      • rob beckman lapre zegt:

        Ma,mijn jongere broer Fer (net een jaar oud)en ik namen op het Jaarmarktterrein afscheid van Pa( Henri Pierre Beckman Lapre).Niet vermoedend dat hij 7 maanden daarna op het eiland Haroekoe zou overlijden.Zijn jongere broer (Jan Beckman Lapre) zou(in Flores)drie maanden eerder in krijgsgevangenschap overlijden.De tekst “onder de meest erbarmelijke omstandigheden het leven laten”spreekt mij bijzonder aan.

  14. van den Broek zegt:

    Ik ontzeg niemand een mening. Iedereen heeft recht op zijn mening, maar niet op zijn eigen feiten.

    Feiten dienen ook hier het vertrekpunt te vormen voor de discussie over de Bersiaptijd althans dhr Somers en mijn persoon halen een paar boeken, egodocumenten, over deze periode aan. Plots komt die one-liner van dhr. Legemaate zomaar uit de lucht- en vooral ledige vallen. En U weet, ledigheid is des duivels oorkussen.

    Dhr Legemaate komt daarna met een wel lang uitgevallen one-liner. Hij meent DERHALVE!!!!! het recht te hebben op ‘een opinie’!!!!! over het Japanse terreurbewind in WOII.
    Weliswaar is deze opmerking interessant maar doet hier helemaal niet ter zake, is irrelevant. We praten hier toch over de Bersiaptijd of heb ik in die tussentijd iets van de discussie gemist?

    Stemmen worden geteld maar meningen, ook die van dhr. Legemaate, worden op hun ter zake doende en kundige argumenten gewogen In een discussie dienen feiten van meningen gescheiden te worden. Ik spreek zijn feiten danook niet tegen.

    Sommigen zoals dhr Legemaate hebben de oorlog meegemaakt, ervaring dus deskundig, en DERHALVE het recht op een opinie hebbend . Impliciet menen deze derhalve-ervaringsdeskundigen, dat degenen die dat niet meemaakten zoals ik, geen recht kunnen laten gelden op een mening . Het is wel een gevolgtrekking die ik volledig voor eigenrekening neem.

  15. H.J. Legemaate zegt:

    Laat ik nu denken dat ik op een site voor Nederlands-Indische verhalen ben terecht gekomen…..
    Einde discussie.

  16. van den Broek zegt:

    Kijk op 0:57 . Een paar jaar geleden liep mijn nu 85-jarige moeder (binnen- en buitenkamper) al bukkend om vitrines in de vloer te bekijken. Van een ander gezichtspunt bekijkend liep zij al buigend naar die rode bol die de Japanse vlag voorstelt. Zij had een soort back to the future-gevoel.

    ik had op de PMB/TTF een hoog lopende discussie met de tentoonstellingsmakers op de HIH-stand , tijdens de voorlezing haden zij er keurig voor gezorgd dat er geen vragenuurtje was ingepland. Dit was hun manier om mijn moeder in de zeik te drukken, geen excuses niks.
    De voorzitter is er wel trots op dat hij op deze manier de onwetendheid wil bestrijden. Ik ben helemaal niet verbaasd dat dhr. BoKeller en ik de enigen zijn die zich er druk om maken.

    Hopelijk ben ik op 15 Augustus op de Herdenking, dan zal ik hem er persoonlijk op aanspreken, ik heb mijn moeder plechtig belooft niet al te kwaad te worden., ik zal mijn sabel maar thuis laten.

    • Jan A. Somers zegt:

      Eigenlijk wel jammer van al dat moois wat ze daar in Arnhem hebben. Weten ze eigenlijk wel wat ze daarmee willen doen? Die tentoonstelling is één grote brok duur design, wie heeft eigenlijk die vitrines in de vloer uitgevonden? Kan heer van den Broek een doorbraak bereiken? Die spullen daar zijn toch van ons allemaal?

      • Peter van den Broek zegt:

        ….Kan heer van den Broek een doorbraak bereiken……?
        Ik heb wel eens op de Pasar een levendige discussie gevoerd met tentoonstellingsmakers van “Het Verhaal van Indie” waarom toch mijn moeder, een kampkind en dochter van een KNIL- sergeant die in het kamp crepeerde , buiten haar medeweten, zo hoognodig en bewust gestuurd door die makers weer voor de Japanse vlag boog , toonbeeld van het ultieme kwaad en sadism. Althans het buigen voor de Japanse vlag en de keizer wordt in elk zichzich als geschiedenis aanprijzend boek (zie de alombekende foto op de voorplaat van Jeroen Brouwers’ boek Bezonken Rood), voorgesteld als duidelijke vernedering voor en van de blanke bevolking. Ik heb van het Indisch HerinneringsCentrum IHC nooit een antwoord gekregen op mijn toch wel redelijke en begrijpelijke vraag.

        Ik heb op blogs uitgelegd dat de Strip “De Terugkeer” uitgave van het IHC, een vertekend en raciaal beeld geeft van de Indische werkelijkheid. Ik maak aannemelijk dat deze strip niets met Geschiedenis althans met de Indische werkelijkheid van doen heeft en meer de mythevorming, het Indisch vooroordeel in Nederland bevestigt. Het toppunt van bevooroordeeld-zijn werd gegeven door één van de samenstellers van de strip. Op een vraag uit de zaal waarom in de bewuste strip als hoofdpersoon niet een Indo was gekozen, gaf deze het onvergetelijk en antwoord van een onbenul , dat hij dat omgekeerde discriminatie vond. Dit tekent wel de bekrompen tijdsgeest die rondwaart bij en culturele armoede van het IHC

        Ik probeerde tevergeefs vragen te stellen op de door het IHC georganiseerde lezingen. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het IHC zo welwillend is ruimte te geven aan mensen die een andere kijk op de Indische werkelijkheid dwz Geschiedenis hebben.

        Desalniettemin ga ik bij de eerste gelegenheid weer bij het IHC voorbij onder het mom van Mens-Erger-Je-Niet. Wel onder begeleiding van een deskundige gids, een heuse ervaringsdeskundige, voorzover ze die niet volledig ausradiert hebben, dwz ontslagen. Ik speel dan het pedagogisch verantwoord en onderhoudende spel: zoek de verschillen tussen de Indische werkelijkheid en de de presentatie van het IHC. Is wel vermoeiend want de verschillen zijn niet te tellen, maar wel leerzaam.

        Gezien het bovenstaande en mijn verblijf buiten het Nederlandse territorium ben ik niet de aangewezen persoon om na precies 71 jaar een doorbraak te forceren in de Indische Herinnering. Ik ben weliswaar lid tot nadere opzegging van Pajong, de vrienden van het IHC, maar misschien klinkt het wat raar: Peter van den Broek, vriend van het IHC.

      • Jan A. Somers zegt:

        Ja, ik weet niet wat ik van het IHC moet denken. Terwijl ze zoveel moois in huis hebben. Hun beide voorgangers in Den Haag zijn ook al ter ziele. Ik zag nog in Het Gebaar een uitkering:
        40 Stichting Het Indisch Huis ontvangt een bijdrage voor de realisatie van ‘Het Indisch Document’. Dit is een project met 21 deelprojecten. Deze projecten zijn gericht op zowel de eerste als de tweede als de derde generatie. De volgende projecten worden toegewezen:
        Indische Stijlkamers: vijf kamers die in Indische stijl worden in gericht. In iedere kamer zal een andere tijd worden weergegeven.
        Virtueel Indisch Huis: de ontsluiting van de Indische documenten via de website van Het Indisch Huis.
        Blauwdruk: het aanmoedigen van jongeren om de Indische geschiedenis te onderzoeken.
        Indospectrum/Indisch Huis Award: een jaarlijks terugkerend festival
        en een prijsuitreiking. 1.198.000,00 307/2004
        Waar is dit geld voor gebruikt? Wat heeft de Indische gemeenschap in Nederland hiermee gedaan? Heeft de Indische gemeenschap dat al aan de minister gevraagd?
        Had die Indische gemeenschap überhaupt wel een mening?

  17. P.Pinchetti zegt:

    Ik kan me volledig inleven met de herrinneringen van dhr. van Bodegom. Zelf heb ik ook nare herrinneringen uit mijn periode als opgroeiende peuter in kamp Tawangsari te Lawang welke na de overgave van Japan werd overgenomen door de TRI (tentara republiek Indonesia) de zgn. merdeka strijders. Tijdens het Japanse beleid heb ik een klap van een geweerkolf op mijn achterhoofd gehad omdat ik een schildwacht passeerde zonder te buigen, dat was verplicht, maar als kind denk je daar niet aan. Gelukkig voor mij was er ook een gëinterneerde Indonesische arts (Nederlands gezind) Dr. Samatini die mijn gebarsten schedel met lappen stof van een jurk heeft ingepakt waarna het na een tijd weer herstelde, alhoewel ik daarvaan een scheef gegroeid achterhoofd heb overgehouden. Deze blijvende nare herrinnering laat mij ook nooit meer los, maar zal er toch mee moeten leven. Ook het verplicht toezien van executie`s (onthoofding etc.) blijft gegrift in je geheugen, maar goed het zij eenmaal zo. Ik moet wel toegeven dat ik geen haat heb tegen de huidige nieuwe Japanse generatie, uiteindelijk heeft deze totaal niets te maken met die vorige generatie en kan ze daarvoor ook niet aansprakelijk worden gesteld, dat is volgens mijn gevoelens eerlijk en terecht.

    • Jan A. Somers zegt:

      “Ik moet wel toegeven dat ik geen haat heb ” Zo is het ook met mij. In mijn werk heb ik ook Japanners meegemaakt om mee samen te werken, was geen probleem. En direct na de bevrijding van Soerabaja kregen wij in het Leger des Heilshospitaal een Japanse gevangene toegewezen om ons te helpen bij het sorteren van geneesmiddelen met Japanse opschriften. Ik kan me wel voorstellen dat er nog vele ‘ervaringsdeskundigen’ zijn die dat hun hele verdere leven nog met zich mee dragen. Meer moeite heb ik met de jongere generatie waarvan er enkelen zijn die nog een hekel aan Japanners hebben. Maar niets zelf hebben meegemaakt. Ik zou me schamen als ik die ellende aan mijn kinderen zou hebben doorgegeven. Ik zou dan zeggen: leef je eigen leven, en laat je niet leven.

      • P.Pinchetti zegt:

        Ben helemaal mee eens met je opinie, het zou toch ook te gek zijn om de huidige generatie Hollanders evenzo voor alle ontoelaatbare daden die de V.O.C. in Nederlands Indië verricht heeft, daarvoor aansprakelijk te stellen als medeplichtigen. ik heb toendertijd ook mijn vader verloren die met de Junyo Maru mee ten onder is gegaan, moet je daarvoor dan de Engelse generatie verandwoordelijk stellen omdat de commandant van de Trade Wind evenzo Engels was?, is toch absurd.

  18. RLMertens zegt:

    @ PPinchetti; Zou de Nederlandse vlag ook een symbool van haat zijn, voor een Indonesiër? Voor ‘die zogenaamde merdeka strijders’?

    • P.Pinchetti zegt:

      Ik denk dat de huidige generatie Indonesiërs (vooral de jeugd) zich daar totaal niet druk om maakt. Dit heb ik persoonlijk ervaren bij mijn eerste bezoek aan Surabaya in 2010 (na ruim 56 jr.), en ook wederom in 2015. Overal zijn de mensen die je tegenkomt erg vriendelijk en hartelijk, vooral als ze te weten komen dat je daar geboren bent en uit Holland komt. Ook zijn ze erg gastvrij. Ik heb wel gemerkt dat ze eerst “de kat uit de boom kijken”, maar als je zelf geen arrogante houding vertoond en hun met respect en vriendelijkheid tegemoet treedt gaan alle deuren open, onvoorstelbaar ! Ik heb daar ook nog kennissen ontmoet van de ALRI (Indonesische Marine) welke ik in mijn dienstperiode Kon.Marine in Den Helder opgeleid heb voor de artillerie van de oorlogsschepen die zij van onze Marine hebben overgenomen, ze waren na al die jaren erg gastvrij en nodigden me uit voor kennismaking met hun familie die mij erg hartelijk verwelkomden bij hun thuis. Waar ik ook geweest ben, ik heb niets van haat gemerkt tegen Hollandse/Nederlandse mensen.

      • Jan A. Somers zegt:

        Als je begint met te zeggen dat je in Surabaya bent geboren is alles OK. Als je met een Amerikaan kennis maakt vertelt hij meteen in welke staat hij is geboren. Door iets persoonlijks te vertellen schep je meteen vertrouwdheid.

      • RLMertens zegt:

        PPinchetti; ‘die (Jappen) vlag moest weg’, was de conclusie van burgemeester van
        Bodegom, die als kind ca. 3,5 jaar in een Jappenkamp heeft gevangen gezeten. Voor hem was het een symbool van het kwaad. – Wat te denken hoe inlanders dachten over de Nederlandse vlag, na 3 eeuwen Nederlandse kolonisatie? In je eigen geboorteland een 2e rang burger te zijn. Altijd de mindere/onderschikt te zijn aan vreemden. Voor de koelie’s en de toekangs al eeuwen geen andere keus en dus een gelatenheid met hun voorbestemming. Voor ene mas Djon, docent letterkunde, die niet in dienst wilde treden van het Nederlandse Indische gouvernement, zat er dan niet anders op om dan maar anno 1938 naar het buitenland te vertrekken. Hij werd docent Indonesische letterkunde aan de Academie van vreemde talen in Tokyo. Onze aanwezigheid aldaar werd meer gewaardeerd dan door de Nederlandse overheersers in onze geboorteland, aldus zijn echtgenote. In alle vrijheid konden wij hier de rood witte vlag hijsen terwijl het in ons vaderland toen nog verboden was. In 1942 vergezelde hij de Japanse troepen bij de landing te Banten(West Java) en was getuige van de ineenstorting van Indië. Hij stond vervolgens op 17 augustus 1945 in het gezelschap toen Soekarno de proclamatie uitsprak en het rood wit werd ontvouwd; eindelijk merdeka! (note; mas Djon, voormalig secretaris van de Indonesische delegatie 1949 in Nederland, 1951 Indonesische ambassadeur in Japan)

    • RLMertens zegt:

      @Somers; ‘dat je in Soerabaja bent geboren’ – Juist in die stad werd in sept.1945 de driekleur gehesen. Dat als ‘een rode lap’ op de woedende menigte werkte. En mi. de bloedige bersiap periode inluidde, die aan zovele onschuldigen het leven kostten.
      Dan tenslotte op 27 december 1949 te Batavia eindigend met het strijken van de driekleur. Beschamend begeleid door het het gefluit en gejoel van honderd duizenden Indonesiërs! ‘Daar werd niets groots verricht’ aldus de conclusie van JAA van Doorn, historicus, Indië veteraan in zijn boek De laatste eeuw van Indië.
      Over deze historische feiten heb ik met (vooral) generatie genoten aldaar openhartig gesproken. We gingen uiteen als vrienden, als lotgenoten, als…. bloedverwanten!

      • Jan A. Somers zegt:

        Ja, en op 12 augustus werd hun in Saigon de onafhankelijkheid verleend, met heel hartelijke bedankjes en heel diepe buigingen. En hapjes en drankjes. En op 14 augustus een nog groter ritueel in Batavia, samen met de hoogste Japanse legerleiding toegejuicht, zwaaiend met rood/witte vlaggen. Wel van een ander design dan bij merdeka. Twee maanden later werden in Soerabaja de Japanners in de Boeboetangevangenis vermoord. Vier jaar later lovende woorden van de Indonesische regering bij de soevereiniteitsoverdracht in Amsterdam.’ t Kan verkeren. Maat dat wisten we al van Brederode.

      • RLMertens zegt:

        @Somers; ‘ hen in Saigon de onafhankelijkheid verleend’- Boeng speelde handig in met (verliezend) grootmacht Japan mee.(hij kon toch niet anders). Van meer importantie voor hem was de eerder (!) door Japan toegezegde onafhankelijkheid. Want in die Japanse periode werd zijn leiderschap op het volk verstevigd. En het volk aaneen gesmeed voor het ideaal; merdeka. In die periode zag men hoe de jeugd groepen met bravoure marcheerden; ‘antjoerkanlah moesoeh kita. Belanda djoegah’ etc. Het hel volk werd gemobiliseerd. Japan was de katalysator voor merdeka.
        Ooit eens een gezegde van een Japanse ex officier op tv. gehoord. Op een vraag van een Nederlandse journalist voor spijtbetuiging, aangaande gepleegde leed tijdens de oorlog antwoordde deze;’wij hebben zelfs een wereldoorlog moeten verliezen om geheel Azië te bevrijden van het Westerse imperialisme’. Over design gesproken.

  19. Peter van den Broek zegt:

    Het laatste, 14 Augustus werd in Nederland als propaganda verkocht. Indonesië als Japans maaksel. Na de slag bij Surabaya ging deze mythe niet meer op en moest een andere mythe gevonden worden. Na de erkenning werd gemakshalve ook de Gehele Bersiap niet alleen in de doofpot maar ook in de vergetelhoek gestopt. Daarom herdenken wij NIET die 3.500 doden en een tig 10.000 vermisten op 15 Augustus Die doofpot herdenk ik wel op 15 Augustus. Na de Bersiap werd een treurspel afgespeeld dat meer dan 5.000 Nederlandse jongens het leven heeft gekost. Die afrekening is nog niet gemaakt en is ook onderdeel van Het Indisch Monument als tegenhanger of imitatie van Het Nationaal Monument op de Dam

    • RLMertens zegt:

      @PetervandenBroek; ‘als propaganda verkocht’ – Inderdaad. Om met een militaire macht zgn. ‘orde en rust’ te brengen. En juist hierdoor- geen merdeka-desnoods bersiap (ellende) te laten ontketenen! Ten koste van al diegenen( vrouwen en kinderen/ouderen) die onbeschermd buiten de beschermde kampen verbleven. De Britten hebben zelfs hiervoor gewaarschuwd!
      De 15 Augustus herdenking moet vooral Japan als vijand beeld blijvend behouden. Om die(inderdaad!) doofpot bersiap ellende te verdoezelen. Ik herdenk op die dag eveneens vooral die doofpot/bersiap slachtoffers! Echter met als ‘vijand/schuld beeld’ het Nederlands naoorlogse politiek beleid door de kabinetten olv. Beel en Drees sr.!

    • Jan A. Somers zegt:

      “als propaganda verkocht” Dat klopt helemaal. Prachtige foto’s (ook nu in Nederland nog te zien in de archieven, moet je wel naar zoeken). Het hele Koningsplein vol op 14 augustus. Helemaal rood/wit gekleurd (geen banen maar bolletjes). Aangeplakte kranten vol dankbaarheid aan de Japanse keizer. Gek, die propaganda is volgens mij nooit in Nederland terecht gekomen, in Nederland praktisch onbekend. Waar kan ik die propaganda in Nederland vinden?

      • Peter van den Broek zegt:

        Dhr Somers wordt op zijn wenken bediend en dan te bedenken dat ik er niet bij was en alleen maar Atheneum-A met Geschiedenis heb.

        Perscommuniqué van de Nederlandse regering van 30 september 1945

        …….de Britten hebben besloten hun activiteiten als bezettingsmacht op Java voorlopig te beperken tot de steden Batavia en Soerabaja. …..a) is op dat moment nog niet bereid de hem eigenlijk ten deel vallende rol van machthebber over te nemen.
        De moeilijkheid, waarin men aldus is geraakt, verklaart b) vermoedelijk de neiging, die volgens persberichten bij sommige Britsche instanties zou bestaan, om het zgn. Soekarno-bewind als de de-facto-Regeering te erkennen en ons over te halen daarmede besprekingen te voeren.
        De Nederlandsche Regeering kan hier niet op ingaan. Soekarno heeft er zich toe geleend …..WERKTUIG en MARIONET DER JAPANNERS te zijn, waarvoor hij met een hooge Japansche keizerlijke onderscheiding is beloond. Deze c) fascistisch georiënteerde man heeft stelselmatig haat gepredikt tegen de Geallieerden (een van zijn slogans was: … „Amerika zal worden weggevaagd, het Engelsche Rijk zal worden opengebroken met een breekijzer”). Met deze figuur die zekere demagogische gave moge hebben, doch die bewezen heeft een ontstellend opportunist te zijn in de keuze zijner middelen, kunnen zich d) vertegenwoordigers van het wettig gezag niet om de conferentietafel zetten.
        Al hetgeen de laatste dagen in verband met de ontwikkeling der gebeurtenissen in Nederlandsch-Indië gezegd en gedaan is, zal de Nederlandsche Regeering niet afbrengen van e) het weloverwogen beleid, zoals dit o.m. is uitgestippeld in de welbekende rede van H.M. de Koningin van 7 December 1942 (we leven toen in1945) , waarin volledig deelgenootschap van Nederlandsch-Indië in het Koninkrijk en zelfstandigheid in inwendige aangelegenheden in uitzicht zijn gesteld. Dit was de lijn en dit blijft de lijn. De Regeering heeft hieraan thans niets toe te voegen.”
        “Wij, het Indonesische volk, verklaren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Zaken betreffende de overdracht van de macht etc., zullen ordelijk en in zo kort mogelijke tijd worden geregeld.”
        (Geciteerd uit:Officiële bescheiden betreffende de Nederlands- Indonesische betrekkingen 1945-1950, Bd. 1. Den Haag 1971, blz. 198-199).

        Ik herinner me nog dat plakkaat waarbij ir. Sukarno met Hitler werd vergeleken. Dat ging er als haring met wittebrood bij de Nederlanders in. Een vergelijking met Anton Mussert (NSBer) lag niet voor de hand, die was een blanke Nederlander, had Ned.-Indie bezocht en werd 2, ik herhaal twee keer door de GG op visite ontvangen. Hij was geen landverrader, hij werd dacht ik niet voor collaboratie ter dood veroordeeld, wel voor hulpverlening aan de vijand. Anton Mussert was het vleesgeworden kwaad, Hitler daarentegen was nog voor kort een bevriend staatshoofd.

        De vraag is op basis waarvan Nederland het perscommunique vrijgaf. Misschien was het afkomstig van Van der Plas die met de HMS Cumberland meeliftte en op 15 september naar Priok kwam en daar de Hr. Ms. Tromp ontmoette?bVan Mook kwam pas op 2 Oktober in Batavia aan.

        Meestal is propaganda een mengsel van duimzuigen en sprookjes vertellen, gericht op het gefundenes Volksempfinden und Fressen..

  20. Peter van den Broek zegt:

    Ik kom terug op het Indisch Herinneringen Centrum. ik heb wel een verborgen lijst van tentoonstellingen die het IHC georganiseerd wel zou kunnen organiseren

    1) Indonesiers -Indische Nederlanders Buiten het kamp 1942 -1945
    Een verhelderende kijk op deze periode vanuit Indonesisch en Indisch standpunt, vele Nederlanders zaten toch in het kamp
    2) Het einde van de oorlog, Bersiap en de onafhankelijkheidsstrijd 1945-1949 : een Indische standpuntbepaling op de onafhankelijkheidsstrijd Bersiap – 17 Augustus – Agressie en politionele acties – Nieuw Guinea
    3) Indische Nederlanders : de uittocht uit het Paradijs naar het Vaderland 1945-1962, een waar gebeurd verhaal
    4) Indische Nederlanders, Nederlanders en de Molukkers: de gijzelingen en het drama -de erfenis
    5) Het Indisch Monument.een confrontatie

    Zo kan eenieder wel een lijstje met tentoonstellingen voor het IHC maken.

    Het zijn toch min of meer brandende onderwerpen waaraan men zich niet zo snel aan gaat wil branden. Toch is het uit geschiedkundig oogpunt van belang het Canon te beschrijven voor de Indische Geschiedenis . Kan er eindelijk éénstemming over gediscussieerd worden. Ik denk niet dat de huidige generatie van bestuursleden daar de tijd of moed heeft om die tentoonstellingen te organiseren. Ik verwacht meer van tweede generatiegenoten , die trappelend staan te wachten om het roer over te nemen en op koers gaan. Probleem hierbij is dat bestuursleden door coöptatie worden benoemd, het risico is dat er niets verandert, wel zal d belangstelling voor het Indisch centrum afnemen. Blijft over het vraagstuk van de legitimiteit van het Indisch Centrum Centrum, dan waag ik me wel op het hellend vlak.

  21. Peter van den Broek zegt:

    N.B. Haring met wittebrood werd op 3 Oktober aan de bewoners van Leiden tijdens de viering van Leidens Ontzet uitgereikt. . Het verwijst naar het einde van het Spaanse beleg van de stad op 3 oktober 1574, waarbij de bevrijders, de Watergeuzen, de stad binnen voeren om haringen en wit brood uit te delen aan de overgeblevene Leidenaren. Mijn herinneringen gaan terug naar Zweeds wittebrood. Het brood was hagelwit,e kon in het brood knijpen maar dat veerde weer mooi terug.De smaak kan ik me niet meer herinneren maar wie herinnert zich geen smaak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s