Parels uit de gordel van Smaragd

Veel interesse was er niet voor, maar opeens brengen ze tonnen op. Oude schilderijen uit Nederlands-Indië blijken een onverwachte erfenis van het koloniaal verleden. Het Zeeuws Veilinghuis brengt ze onder de hamer.

Door Karolien Knols

En toen ging de Balinese danseres van Willem Dooyewaard, getaxeerd op 15- tot 20 duizend euro, weg voor een recordbedrag van 220 duizend euro. De vrouw die het had ingebracht bij het Zeeuws Veilinghuis kon het niet geloven: het olieverfschilderij dat van haar vader was geweest, dat ze vroeger zo beangstigend vond en dat jaren zonder lijst in een kast had gelegen – zo veel geld. Dat was nadat de veilingmeester een schilderij van de Belgische kunstenaar Adrien-Jean Le Mayeur de Merprès (1880-1958) had afgeslagen op 470 duizend euro. En een Willem Hofker (1902-1981) op 6 ton.

Willem Gerard Hofker: Bali, 1939.

Willem Gerard Hofker: Bali, 1939.

Aan het einde van die middag, 11 december 2013, knalden de kurken aan de Herengracht in Middelburg: bij de halfjaarlijkse veiling van schilderijen uit voormalig Nederlands-Indië werd in twee uur tijd met honderd schilderijen 2 miljoen euro omgezet.

Een paar maanden later is de euforie bij directeur René de Visser (38) nog steeds niet gezakt. Hij is bezig met de voorbereiding van de volgende ‘Indische’ veiling en hij zegt het maar meteen: er zitten weer een paar parels bij. Er is werk van Dooyewaard, Hofker en Le Mayeur. Van Theo Meier, de Paul Gauguin van Bali, die nog in opdracht van de Indonesische president Soekarno heeft geschilderd.  

Afgelopen week stond er een afstammeling van Abraham Salm op de stoep. Hij had twee schilderijen bij zich van de 19de-eeuwse koopman in Surabaya die als amateurschilder landschappen in Java had vereeuwigd. Kunsthistorisch was het misschien niet het interessantste, maar toch: View on the Solo River, getaxeerd op 20 duizend euro, zou wel eens voor meer geld kunnen weggaan. ’19de-eeuwse Indische schilderijen’, zegt De Visser, ‘kom je bijna niet meer tegen.’

Klein en gespecialiseerd

Willem Dooyewaard (1892-1980): Balinese danseres

Willem Dooyewaard (1892-1980): Balinese danseres

Hoe een klein veilinghuis groot kan worden met kunst die in Nederland slechts in kleine kring wordt gewaardeerd. Het verhaal begint in 2006, als René de Visser uit de boedel van een 90-jarig echtpaar een schilderij van de Chinese kunstenaar Lee Man Fong krijgt aangeboden. Er waren al eens eerder ‘Breitnerachtige’ Indonesische landschappen voorbij gekomen in zijn veiling, maar geen ervan was zo gedurfd als dit werk.

Visser – begonnen op de hogere zeevaartschool, gestudeerd aan de TU in Eindhoven, en bij het Zeeuws Veilinghuis aangenomen ‘om de boel wat efficiënter te managen’ – neemt zich voor zich een half jaar lang te verdiepen in kunst uit voormalig Nederlands-Indië.

Hij leest eens wat, struint het net af, legt contacten met kenners en dan gebeurt het: op de veiling gaat het schilderij weg voor 125 duizend euro. Het is het hoogste bedrag dat in zijn huis tot dan toe voor één kavel is geboden, en hij denkt: ‘Daar moeten we maar eens iets mee gaan doen.’

Hij zet advertenties waarin hij aankondigt op zoek te zijn naar Indische schilderijen, vliegt naar Indonesië om met potentiële klanten te spreken. In 2007 veilt hij vijftien Indische schilderijen en elk jaar worden het er meer. In 2011 voelt hij: nu hebben we het echt in handen.

Bij de recentste veiling, in december, gaan in Middelburg meer dan honderd schilderijen onder de hamer. Concurrenten Sotheby’s en Christie’s hebben het nakijken: steeds vaker kiezen aanbrengers van dit werk voor De Visser. ‘We zijn klein en gespecialiseerd, en bovendien: het nieuws dat een Dooyewaard of een Hofker hier voor zoveel geld worden geveild, verspreidt zich snel.’

Indische kunst

Rijstvelden en dorpstaferelen, vulkanen met sluierbewolking, palmbomen en de zee, badende vrouwen, offerende en dansende vrouwen: vanaf de tweede helft van de 19de eeuw worden ze ontelbaar vaak vastgelegd door Europese en Indonesische kunstenaars.

In de 19de eeuw zijn dat overwegend amateurschilders: Nederlanders in overheidsdienst en tekendocenten. Met Raden Saleh, een Javaanse prins opgeleid aan de Rijksacademie in Nederland, verandert dat. Hij wordt de grondlegger van de romantische Indonesische schilderkunst.

Als in de jaren tien van de vorige eeuw de Duitse arts Gregor Krause documentaire foto’s begint te maken van het leven op het eiland Bali, een boek wordt uitgebracht Bali 1912 en er een bejubelde tentoonstelling van zijn werk in de Amsterdamse kunstenaarssocieteit Arti et Amicitiae wordt georganiseerd, komt een stroom kunstenaars vanuit Europa op gang.

Leo Eland: sawah landschap

Leo Eland: sawah landschap

Isaac Israels, Willem Witsen, Rudolf Bonnet en Walter Spies in de jaren twintig, Auke Sonnega, Willem Gerard Hofker, Le Mayeur in de jaren dertig: allen reizen oostwaarts, nieuwsgierig naar de door Krause vastgelegde ongeschonden natuur en primitieve levensstijl. Hun stijl varieert van impressionisme tot nieuwe zakelijkheid en van Jugendstil tot kubisme.

Gianni Orsini, een kenner, kan er smakelijk over vertellen: hoe de vrije seksuele moraal op Bali veel homoseksuele kunstenaars aantrok, Walter Spies er in de jaren dertig grootheden als Charlie Chaplin in zijn huis ontving, hoe hij met Rudolf Bonnet de kunstenaarsvereniging Pita Maha oprichtte om de inlandse kunst te beschermen en verder te ontwikkelen.

President Soekarno begon eind jaren veertig met het verzamelen van Indische kunst – enige druk op de makers om de werken te schenken werd daarbij niet geschuwd. Honderden tekeningen en schilderijen bevat de collectie. ‘Het meeste bevindt zich nog in de presidentiële paleizen in Jakarta en Bogor, ongeklimatiseerd, de ramen open, het is doodzonde.’

Groot geld

En nu wordt soortgelijk werk verzameld door steenrijke Indonesische Chinezen in Jakarta en Singapore. Het zijn captains of industry die sinds de jaren negentig zijn begonnen met het terugkopen van hun ‘eigen’ kunstgeschiedenis – de verzameling van Soekarno als voorbeeld.

Rudolf Bonnet: Melasti, Bali, 1977

Rudolf Bonnet: Melasti, Bali, 1977

Mooie verhalen heeft René de Visser over hen. De vrouw van 26 die ooit voor 500 euro drie zwartwit foto’s kocht van Adrien-Jean Le Mayeur en zijn vrouw Ni Pollok en het jaar daarna 90 duizend euro bood voor een schilderij van Isaac Israels. De Visser: ‘Belangrijke les: onderschat ogenschijnlijk kleine klanten nooit.’ Of de Indonesische die een vuilniszak vroeg om de door haar gekochte Lee Man Fong in te vervoeren en de man die vorig jaar namens een verzamelaar kwam bieden op een Hofker: ‘Niet in pak, zoals we hier van veilingpubliek gewend zijn. Hij had een lange paardenstaart, droeg een spijkerbroek en witte Nike Airs. Je zag de rest van de zaal denken: wat is dit voor een man?’

Sinds Orsini co-auteur is van boeken over Hofker en tijdgenoot Gerard Pieter Adolfs, gaan de deuren van veel miljardairs voor hem open. In Jakarta bezocht hij onlangs een onroerend goedmagnaat, ‘een kleine, bescheiden man die me een kopje thee aanbood in een van de zalen van zijn paleis: van plafond tot vloer vol gehangen met topwerken uit dit segment. Naast hem woonde een verzamelaar die een van de allermooiste Hofkers bezit die ik ooit heb gezien.’

Of er nooit een Nederlander biedt op het Indische werk? ‘Het gebeurt wel,’ zegt René de Visser, ‘maar bij topstukken hebben Nederlanders geen kans.’ Ook Gianni Orsini weet: 90 procent van wat hier op de markt komt, verdwijnt naar Indonesië. ‘Veel Indische kunst wordt hier zoetsappig gevonden. Kitsch. In de behoudende Nederlands-Indische koloniale samenleving schilderde men nog steeds in romantische stijl toen hier het kubisme in zwang raakte. Er waren wel modernisten, maar die worden minder gewaardeerd door Indonesische verzamelaars.’

De Visser: ‘De aanbrengers van de schilderijen zijn overwegend kinderen of kleinkinderen van de Nederlandse upperclass die Nederlands-Indië heeft verlaten. Directeuren van Shell, planters, hoge KNIL-officieren. In veel families is die koloniale periode een zwarte vlek waaraan ze niet meer herinnerd willen worden. Ouders of grootouders hebben in jappenkampen gezeten in de oorlog, of zijn het land uitgezet na de onafhankelijkheid.’

Een paar weken geleden kreeg De Visser bezoek van iemand die na een televisieuitzending over Hofker dacht: die heb ik volgens mij ook aan de muur hangen. ‘Die man had geen idee dat het werk zo veel waard was. Hij wist alleen dat zijn vader met de kunstenaar in een kamp had gezeten.’

Verliefd

Zelf heeft hij al die jaren één keer gedacht: dit schilderij zou ik willen hebben. ‘Een portret van een Javaans meisje, geschilderd door de Italiaan Romualdo Locatelli.’ Hij weet nog: het kwam op een vrijdagmiddag om vijf uur binnen, zijn medewerkers waren al naar huis. Hij heeft de deur op slot gedaan en zeker vijftien minuten naar het doek gestaard. Verliefd? ‘Ja, een beetje wel. Het is zo virtuoos geschilderd dat het lijkt alsof ze elk moment haar ogen kan opslaan.’

Het schilderij werd niet verkocht, en ging terug naar de eigenaren. Dat was nadat De Visser er voor privégebruik een reproductie van had gemaakt. Het Indische meisje met de parel, zoals hij haar noemt, kijkt hem nu elke dag vanaf de schoorsteen aan.

Dit artikel verscheen eerder in De Volkskrant, 4 juni 2014

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Parels uit de gordel van Smaragd

  1. Indisch4ever zegt:

    Onlangs was er een schilderij van Raden Saleh, bij Tussen Kunst en Kitsch.
    de schatting was 50.000 euro marktwaarde
    http://indisch4ever.nu/2015/05/12/13-mei-tussen-kunst-en-kitsch

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s