Een vuil oorlogje op Bali

Nederlandse gezagsdragers runden Bali na de oorlog als hun particuliere koninkrijkje. Een vernietigend officieel rapport over corruptie en intimidatie werd weggewerkt. Net als de man die het schreef, blijkt uit recent ontdekte documenten.

Door Anne-Lot Hoek

14 maart 1948. Het is bijna middernacht als de handgranaat naar binnen vliegt. Theo van Meerwijk, hoofd van de militaire politie op Bali, springt in een reflex op vanachter zijn bureau en duikt naar buiten. Als hij even later asgrauw en trillend op zijn benen naar het gat in de cementen vloer staart, dat de granaat heeft geslagen, rinkelt zijn telefoon.

Nederlandse militairen op Bali

Nederlandse militairen op Bali

Kapitein Treffers, hoofd van de militaire inlichtingendienst (MID) op Bali, wil weten „wat er in godsnaam is gebeurd”. Tien minuten later verschijnt Treffers in persoon met vier man, en arresteert Van Meerwijk. De 31-jarige sergeant-majoor „stond verward in zijn onderkleding met een pistool in zijn hand”, zou Treffers later verklaren. „Aangezien hij nog wel eens met zijn dronken kop een vuurwapen had afgeschoten, meende ik dat hij vast weer een rare streek had uitgehaald.” Mogelijk heeft Van Meerwijk „zelf een hand in de kwestie” gehad, aldus Treffers.
Van Meerwijk wordt vastgezet. De psychiater die hem tijdens zijn zestien dagen cel onderzoekt constateert een ‘paranoïde psychose’. „Patiënt denkt dat ieder zich tegen hem samenspant.”   

Niet lang na de aanslag stuurt generaal Spoor, commandant van de 140.000 Nederlandse militairen in Nederlands-Indië, een officier van Batavia naar Bali. Hij moet grondig onderzoek doen naar vermeende ‘wantoestanden’, waarover Van Meerwijk inmiddels heeft gerapporteerd. Het onderzoek begint in oktober 1948 en zou tot eind december duren. Het dossier – getuigenverhoren, verklaringen en het proces-verbaal dat het eindverslag vormt – leest als een duistere thriller. Het maakt aannemelijk dat de militaire en burgerlijke autoriteiten op Bali corruptie, diefstal en handel in gestolen goederen mogelijk maakten en toedekten. En ook dat Treffers’ militaire inlichtingendienst op grote schaal gevangenen martelde.

Toch volgde geen enkele maatregel tegen het militair-civiele establishment op Bali. De officier die het onderzoek verrichtte en het proces-verbaal schreef, werd op een zijspoor gerangeerd. Een jaar later, in 1949, zou Nederland de Indonesische onafhankelijkheid erkennen. Het omvangrijke dossier vol onverkwikkelijks uit de jaren daarvoor verdween – letterlijk – in een la bij Defensie. Sinds 2006 lag het onopgemerkt in het Nationaal Archief in Den Haag.

Eerdere onderzoeken richtten zich op zogenoemde ‘geweldsexcessen’ in Indonesië. Dit dossier laat juist goed zien – en dat is nog lang niet door historici uitgezocht – hoe geweld en intimidatie het karakter van het koloniale systeem kenmerkten.

In maart 1946 landden zo’n tweeduizend Nederlandse militairen van het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) met Britse landingsvaartuigen op Bali. Met een ceremonie waarbij Japanse officieren hun samoeraizwaarden inleverden, namen de Nederlanders het gezag na drieënhalf jaar Japanse bezetting terug. Op veel verzet van de hindoeïstische bevolking werd niet gerekend, maar toch ontbrandde ook op Bali al snel de onafhankelijkheidsstrijd, waarbij Nederlandse militairen het vrijheidsstreven met veel geweld de kop in probeerden te drukken.

Zoals elders was ook op Bali een klein contingent van het Korps Militaire Politie/Koninklijke Marechaussee aanwezig, herkenbaar aan de witte helm, bekend als de ‘kalkemmer’. Hun taak was het opsporen van kleinere en grotere strafbare feiten onder militairen, van diefstal tot desertie. Sergeant-majoor Theodorus van Meerwijk, een Amsterdamse oorlogsvrijwilliger en betrokken bij het verzet, was sinds 1947 MP-commandant in Denpasar.

Schot in de lucht

Nederlandse militairen en plaatselijke bevolking

Nederlandse militairen en plaatselijke bevolking

Een maand na de aanslag schrijft Van Meerwijk zijn hoogste chef, de commandant van het MP-korps in Batavia, dat Nederlandse gezagsdragers op Bali en het naburige eiland Lombok zich inlaten met zwarthandel, afpersing en smokkel. En dat hij bij zijn onderzoek wordt tegengewerkt door het troepencommando. „Er werd daar vanuit gegaan dat het KNIL 300 jaar geen MP gekend had, en het nu ook niet nodig was.”

Als Van Meerwijk twee MP’s naar Singaradja (in het noorden van Bali) stuurt om betrouwbare tips over corruptie na te trekken, wordt het duo door de troepencommandant op Bali, majoor König, teruggeroepen. Een collega waarschuwt hem daarop voorzichtig te zijn; anders kon het wel eens „verkeerd” met hem aflopen.

Van Meerwijk krijgt inlichtingen dat ook op Lombok staatsgeld wordt verduisterd en fraude gepleegd. Maar de auditeur militair – officier van justitie voor de krijgsraad op Bali – laat hem weten geen onderzoek in te stellen, omdat anders „heel Lombok en half Bali in de rechten zou worden betrokken en deze zaak zich niet alleen uitstrekte tot het mindere personeel”.

Met lede ogen ziet Van Meerwijk aan hoe troepencommandant König bevoegdheden van zijn mensen inperkt. Of ze worden overgeplaatst. Bij zijn directe chef, die op Celebes kantoor houdt, krijgt hij geen gehoor. „Door al deze tegenwerking werd ik zenuwachtig”, zal hij later verklaren. Dan raakte hij „wel eens dronken of loste in een driftbui een schot in de lucht”.

Vlak voor het handgranaatincident kreeg Van Meerwijk ook nog een zedenzaak aan zijn broek. Hij werd ervan beschuldigd een vrouw uit Thailand te hebben verkracht. Daar blijkt – na onderzoek – geen grond voor te bestaan. Het verbaast hem dat die zaak werd opgeblazen. Want volgens Van Meerwijk was het juist de MID die zich schuldig maakte aan geweld. Gevangenen worden tijdens verhoren mishandeld: „elektrificeren, branden met kruitstaafjes, gebogen over een kookplaat waardoor de geslachtsdelen schroeien” en ook worden „tijdens acties gemaakte gevangenen met gespleten bamboe op hun rug afgeranseld in het bijzijn van officieren”.

Dwarskijker

In Batavia wordt Van Meerwijks noodkreet gegrond bevonden. Als in Surabaya, waar hij inmiddels naartoe is overgebracht, door twee artsen wordt vastgesteld dat er aan zijn geestelijke toestand niets mankeert, is de maat voor Batavia vol. „Men probeerde Van Meerwijk als dwarskijker weg te krijgen”, noteert de commandant van het MP-korps. Generaal Spoor stemt in met een onderzoek.

Sjoert Kuikenga (1913-1995)

Sjoert Kuikenga (1913-1995)

Op 9 oktober 1948 landt kapitein Sjoert Kuikenga op het vliegveld van Denpasar. De 35-jarige Amsterdammer is sinds 1935 als beroepsmilitair in Nederlands-Indië, waar hij trouwde met de Nederlands-Indische Alma de Lang. Na de Japanse inval in 1942 was hij als krijgsgevangene geïnterneerd in verschillende kampen op Java. Het kost geen moeite om de boomlange Kuikenga – hij was bijna twee meter – op foto’s uit die tijd te herkennen, marcherend aan het hoofd van een troep witgehelmde MP’s. Direct na de bevrijding werd hij weer onder de wapenen geroepen, en eind 1946 overgeplaatst naar de militaire politie.

In Denpasar neemt Kuikenga zijn intrek in het koloniale Bali Hotel. Daar ontmoet hij zijn assistent, sergeant William Wijnhamer. De komende drie maanden, tot 20 december 1948, zullen zij tientallen betrokkenen horen in verschillende zaken. Wijnhamer ontfermt zich over het vermoedelijk grootste dossier: de smokkelhandel en corruptie in Singaradja. Kuikenga houdt zich bezig met verhoren in Denpasar en zaken als verduistering van legermateriaal.

Uit zijn dienstverslagen aan Batavia wordt duidelijk dat hij en zijn assistent in een intimiderend spiegelpaleis zijn beland. Zo meldt Kuikenga dat „de gekste en meest luttele gevallen” op Lombok zeer nauwkeurig werden uitgezocht, terwijl zaken van meerdere betekenis „ogenschijnlijk geheel in de doofpot zijn gestopt”.

Overal waar Kuikenga en zijn assistent gaan, worden ze geschaduwd, schrijft hij naar zijn baas. Veel betrokkenen zwijgen uit angst voor het hoofd van de MID, kapitein Treffers. Voor en nadat ze bij Kuikenga verschijnen, moeten ze bij Treffers komen. Het blijft niet bij intimidatie. Op het MID-kantoor in Singaradja wordt iemand doodziek na het drinken van een kop koffie op Wijnhamers kamer. Kuikenga aan Batavia: „Vermoedelijke poging tot vergiftiging van Wijnhamer. Wordt nader onderzocht.”

Toen rechter F. Vermeulen begin 1948 op Bali arriveerde, kreeg hij „al zo’n gevoel van geheimzinnigheid over zich”, zegt hij. De president van de krijgsraad in Denpasar is als een van de weinigen zeer open tegen Kuikenga en is niet verbaasd over diens observaties. Ambtenaren probeerden invloed op zijn vonnissen uit te oefenen, de MP werd belemmerd in het uitvoeren van haar taak en de Staatspolitie (lokale politie) in Singaradja was corrupt. „Ernstige feiten” konden zo ongestraft gepleegd worden, en de MID van Treffers zat daarbij „overal met zijn neus in en maakt het vaak te bont”, aldus Vermeulen.

Bali_sept 46_gedode-extremisten_2

Gedode Indonesiërs

Een voorbeeld is een zedenzaak waarbij zeven minderjarige Balinese meisjes – verdacht van betrokkenheid bij het verzet – aangifte deden van verkrachting door Nederlandse militairen tijdens hun verhoor. Treffers had de zaak aan de MP moeten overdragen voor een officieel politie-onderzoek, maar loste het zelf op door de verdachten een paar weken vast te zetten. Vermeulen lijkt wel begrip te hebben voor justitie, die zaken waarin Nederlandse militairen betrokken waren, leek te zijn „vergeten”. Het verzet beging zoveel misdaden – vooral tegen pro-Hollandse Balinezen dat justitie „minder ernstige feiten” uit tijdgebrek terzijde schoof.

Ook was het onmogelijk burgerverdachten zoals politiebeambten „knijp” te zetten: de gevangenissen waren overvol. Om die reden was bijvoorbeeld een zaak met 96 verdachte verzetsstrijders in slechts vijf dagen met vele doodstraffen afgedaan, waarbij de beklaagden – „vreemd” genoeg, aldus Vermeulen – niet door een verdediger waren bijgestaan.

Koninkrijkje

Intussen ontdekt Kuikenga’s assistent Wijnhamer dat sergeant Van Eyden, afdelingschef van de inlichtingendienst in Singaradja, méér doet dan spionnen runnen en smokkelaars vangen. Hij profiteert ook zelf van de smokkel. Hij is de spin in een web van Chinese handelaren, Balinezen en corrupte politie- en douanebeambten. Volgens verschillende getuigen zou Van Eyden Noord-Bali als zijn particuliere koninkrijkje bestieren. In beslag genomen goederen, zoals koffie en suiker, werden met grote winst doorverkocht. Zowel binnen als buiten Bali. Inspecteurs van de Staatspolitie kochten koffie, kippen, varkens en eieren voor bodemprijzen op, en verkochten ze buiten Bali, waarbij Nederlandse ambtenaren een oogje toe zouden knijpen. Daarnaast getuigden meerdere onderofficieren over sabotage: wapens en munitie werden, als het uitkwam, tegen betaling ‘uitgeleend’ aan Indonesische verzetsstrijders. Volgens een verhoorde luitenant wist „praktisch iedere ingezetene” dat er „ongelofelijk veel gesmokkeld werd” en waren de politie en de legerleiding daar ook van op de hoogte. Ook Treffers, zijn directe superieur, wist dat „Van Eyden weleens iets te ver ging”, maar „door de (moeilijke) politieke omstandigheden” was een sterke man als Van Eyden daar nu eenmaal nodig.

Van Eyden moet zich onkwetsbaar hebben gevoeld. Op borrels en partijen gaf hij graag hoog op van zijn vergaarde rijkdom. Toch leek het bijna niemand te interesseren hoe hij daaraan gekomen was. Het moet hard zijn aangekomen toen een nieuw aangestelde officier de sergeant zijn macht uiteindelijk ontnam en de opdracht gaf dat Van Eyden naar Nederland terug moest. Een dag na die aanzegging sneuvelde de betreffende officier echter onder vreemde omstandigheden.

Kat-en-muisspel

Om de zaak rond te krijgen moeten Kuikenga en Wijnhamer ook ‘burgers’, zoals ambtenaren en politie kunnen verhoren. Maar daar loopt het onderzoek vast, want resident Boon, de hoogste civiele bestuurder op Bali en Lombok, ziet dat niet zitten. Na een kat-en-muisspel tussen Boon en Kuikenga en een aarzelend hoofd van justitie in Batavia die geen verantwoordelijkheid durft te nemen, wordt officier van justitie J. Kruythof met de kwestie opgezadeld. Die besluit ten slotte: geen toestemming.

Nederlandse militairen op Bali

Nederlandse militairen op Bali

Tegelijkertijd probeert de resident Kuikenga via Batavia het werk onmogelijk te maken. In een rechtstreeks aan generaal Spoor gerichte brief maakt Boon ernstige bezwaren tegen het onderzoek. „Het is absoluut ontoelaatbaar op grond van allerlei losse geruchten actie te nemen en in het wilde weg personen te horen”, aldus Boon. Het optreden van Kuikenga zou kunnen leiden tot „verwarring en verstoring van lopende politieonderzoeken en het in de wereld helpen van gevaarlijke geruchten die tot gezagsondermijning leiden”, waarbij de resident zich zorgen maakte over „diverse te goeder naam en faam bekend staande personen” die „een corrupte rol wordt toebedeeld”.

Hoewel Kuikenga de betrokkenheid van het militair-civiele establishment niet hard krijgt, schrijft hij na drie maanden onderzoek een proces-verbaal. Uit zijn 36 pagina’s komt het beeld naar voren van een legerleiding die eigen regels hanteert en onvoldoende toezicht heeft op de troepen „waardoor het mogelijk werd dat goederen uit legerdumps konden worden gehaald, dat personeel deelnam aan smokkelhandel, verduistering van distributiegoederen, het buiten hun soldij ontvangen van andere inkomsten, het verkopen van staatsgoederen en het verrichten van diensten niet behorende tot hun functie”.

De inlichtingendienst was daarbij oppermachtig omdat troepencommandant König „de MID als zijn politieapparaat” beschouwde terwijl de MP van zowel König als Treffers weinig medewerking kreeg in het uitoefenen van haar taak. Ook concludeert Kuikenga dat ambtenaren betrokken zijn bij zwarthandel op Lombok en acht hij het horen van burgers „dringend noodzakelijk” om de zaak in Singaradja rond te krijgen.

Geheime brief

Op 20 december 1948 vliegen Kuikenga en zijn assistent terug naar Batavia. Hoe het afloopt, wordt niet duidelijk uit het opmerkelijke dossier dat Defensie in 2006 aan het Nationaal Archief overdroeg en dat sindsdien openbaar is. Een jaar later maakt Kruythof korte metten met Kuikenga’s bevindingen. In een geheime brief aan justitie in Batavia meldt hij dat Kuikenga zich had gebaseerd op het rapport van een „overspannen sergeant-majoor, die in een zedenzaak verwikkeld was” en zich kennelijk uit „eigen moeilijkheden poogde te redden” – de zaak-Van Meerwijk en de handgranaat.

Als het echt zo’n bende op Bali en Lombok zou zijn geweest, dan hadden Kuikenga en Wijnhamer „toch stellig een massa belangrijke en concrete feiten” moeten ontdekken, schrijft Kruythof. Van de ontmaskering van „een groots schandaal” was dan ook volstrekt geen sprake. Sterker nog: de koffiesmokkel – een verwijzing naar de Singaradja-zaak die aan de Staatspolitie was overgedragen – was inmiddels volledig berecht. Er waren „tweehonderd getuigen gehoord” en „van enige medeplichtigheid van militairen en politie was niets gebleken”, aldus Kruythof. „Alleen tegen een kamponghoofd is naar ik meen een zaak aanhangig gemaakt.”

Wie het hardst naar Batavia schreeuwde, werd blijkbaar het best gehoord, want het onderzoek naar de ‘wantoestanden’ van Kuikenga leidde niet tot een grootscheepse schoonmaak onder de autoriteiten op Bali en Lombok. Inmiddels was het ook al 1949, generaal Spoor was overleden en eind dat jaar erkende Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië. Terwijl op Bali hard werd afgerekend met mensen die als spion of tolk met de Nederlanders hadden gecollaboreerd, werden de meeste KNIL-militairen naar Nederland gerepatrieerd. Hoe kon dit onderzoek zolang onder het stof verdwijnen? „Het was een wilde tijd”, reflecteert een verhoorde luitenant op de chaotische toestanden na de landing op Bali. De aandacht lag bij de bestrijding van het verzet, niet bij de interne aangelegenheden van het leger zelf. Veel ondervraagde militairen vonden dat toen logisch, dat hoort nu eenmaal bij een oorlog. Maar bijna zeventig jaar later is dat een dun excuus om ons te blijven richten op ‘ontsporingen van geweld’ in plaats van op het gewelddadige karakter en de onderdrukking die inherent waren aan onze vuile oorlog.

EPILOOG

Sjoert Kuikenga met zijn dochter

Sjoert Kuikenga met zijn dochter

De mooie, minder mooie, trieste en… uiteindelijk bittere ervaringen van een reserveofficier – dat was de titel die Kuikenga in 1995 meegaf aan zijn (ongepubliceerde) memoires, die zich nu in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bevinden. Daarin schrijft hij maar zeer kort over zijn gefnuikte onderzoek op Bali. Toch is het moeilijk om geen verband te zien tussen het onderzoek in de laatste jaren van zijn militaire loopbaan en het gevoel van miskenning over betuigde „loyaliteit aan het Vaderland”, dat hem vervolgens in zijn „hemd heeft laten staan”.
Overigens kreeg hij al sinds 1942 geen salaris meer betaald en hij ontving geen Indisch pensioen. Kuikenga, die in 1949 met zijn gezin naar Nederland kwam, was al zijn bezittingen in Indië kwijtgeraakt en moest „van een wachtgeld van fl. 156,66 per maand zien rond te komen.”
Defensie riep hem nog twee keer als reserveofficier op, maar bleek hem zonder zijn medeweten tot luitenant te hebben gedegradeerd, waardoor hij dienst weigerde. Op brieven die hij naar Defensie stuurde over zijn behandeling, kreeg hij geen reactie, wat hij als „goedwillend Nederlands onderdaan” die „voor zijn land absoluut zijn plichten is nagekomen” als een enorme belediging opvatte. „Dat men mij niet eens een fatsoenlijk antwoord waardig acht, wijst er wellicht op dat mijn verrichtingen in de ogen van de overheid onvoldoende zijn geweest.”
Volgens zijn dochter, Wieneke Stolp, die als baby en peuter op foto’s uit hun Indische jaren is te zien, had haar vader „geestelijk een enorme klap” gekregen. Maar ze is verrast als ze over haar vaders onderzoek op Bali hoort. Daarover zou hij nooit hebben gesproken. Ze twijfelt echter geen seconde aan zijn bevindingen. „Mijn vader was zeer perfectionistisch en plichtsgetrouw”, zegt ze.
De behandeling in Nederland na zoveel trouwe dienstjaren en krijgsgevangenschap was voor hem dan ook onverteerbaar, zegt ze. „Het was een kwestie van eer. Als er ooit weer oorlog kwam, wilde hij niets meer doen voor dit land.”

x

x

Anne-Lot Hoek

Anne-Lot Hoek

Historica Anne-Lot Hoek werkt aan een boek over de dekolonisatie van Bali, dat zowel de Nederlandse als Balinese perspectieven behandelt. Zij wil graag in contact komen met mensen die zelf op Bali hebben verbleven (als militair, burger of in een andere hoedanigheid) gedurende de dekolonisatie (of vlak daarvoor of daarna) en die daarover willen vertellen. Haar e-mail: annelot@annelothoek.com

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad, zaterdag 15 november 2014. Het is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl) en het Lira Auteursfonds.

 

Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

22 reacties op Een vuil oorlogje op Bali

  1. H.H. Boldingh zegt:

    Er is al genoeg literatuur en boeken hierover waarom weer een nieuw boek?

    • Ed Vos zegt:

      Over de Onafhankelijkheidstrijd op Bali ken ik geen boek. Daarvoor zul je toch naar Bali moeten afreizen en er een boek over schrijven.
      Historica Anne-Lot Hoek treedt wel in de voetsporen van Marjolein in van Pagee.
      Niet dat ik het belangrijk vind, maar is Anne-Lot van Indische afkomst (of indo) want van dat front geen nieuws behalve het oude met de geur van andijvie.
      Overigens wil Anne-Lot ook in kontakt komen met personen die in de Gadja Merah (die zaten ook op Bali en Lombok) hebben gezeten (of met hun nazaten). Ik bezit wel enige foto’s van mijn vader en zijn onderdeel, maar veel erover vertellen kan ik niet.

      • P. Vermaes zegt:

        @Ed Vos, Uw vader heeft zoals u zelf schreef in de Gadjah Merah gediend; enkele ooms van mij ook. De pacificatie van Lombok en Bali, daar heeft het corps een gedenkboek over geschreven, dat zou Anne-Lot zeker moeten lezen. Maar ze zou ook het openbare KNIL-archief in Zoetermeer kunnen bezoeken. Het KNIL is niet altijd even fijnzinnig opgetreden: krijgsgevangenen werden niet van harte geinterneerd, liever op de vlucht in de rug geschoten. Nog minder fijngevoelig, een pelopor de boom in sturen om klappers te plukken en uit de kruin knallen.

      • Jan A. Somers zegt:

        ” treedt wel in de voetsporen van Marjolein in van Pagee.” Ik dacht het niet, maar daarvoor weet ik te weinig van Mw. van Pagee af. Volgens wat ik er hier van heb kunnen lezen gaat het om een vuil zaakje binnen een groep mensen van het KNIL, en geen zaak met betrekking tot de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd op Bali. Daarover heb ik ook nooit iets gelezen, maar ja, ik heb zoveel niet gelezen, en dat zal me ook niet meer lukken. Wel interessant dat alles wel is opgeschreven, je moet alleen nog zoeken in de archieven. Dat soort mensen wordt niet zo aardig aangeduid als archiefmuis. In het NA in Den Haag zijn kilometers 🙂 boekenplank met niet bestudeerde stukken.

      • Ed Vos zegt:

        Pak Jan, zoals gewoonlijk ben ik met mijn gedachten weer een paar stappen te snel.
        Historica Anne-Lot Hoek werkt aan een boek over de dekolonisatie van Bali, dat zowel de Nederlandse als Balinese perspectieven behandelt. Zij wil graag in contact komen met mensen die zelf op Bali hebben verbleven (als militair, burger of in een andere hoedanigheid) gedurende de dekolonisatie (of vlak daarvoor of daarna) en die daarover willen vertellen. Haar e-mail: annelot@annelothoek.com

        @Hr Vermaes

        http://home.online.nl/ed.vos/gadja-merah/gadja_demobilisatie.htm

      • P. Vermaes zegt:

        @Ed Vos, met het algemeen stamboeknummer (121018) kan iedereen in het KNIL-archief het bijbehorende stamblad inzien. Het document dat in uw bezit is geeft veel informatie (uw vader heeft in ieder geval alle Gadjah Merah-acties beleefd), maar het stamblad geeft veel meer.

    • Ælle zegt:

      Er is al genoeg literatuur en boeken hierover waarom weer een nieuw boek?

      Over Bali heb ik juist nog nooit iets gelezen of zelfs het geringste vernomen. Net als het dessert als laatste wordt geserveerd komen we nu eindelijk iets te weten.
      Dank u wel, mevrouw Hoek.

      • Ed Vos zegt:

        Indien je over het verzet (1945-1949) tegen de Nederlanders op Bali wilt lezen, dan moet je een Indonesisch boek aanschaffen. Een bekend verzetsstrijder is I Gusti Ngurah Rai.die tijdens de politionele acties tegen het Nederlandse leger vocht.

        Voorts zou je in Google dit moeten intikken
        pemberontakan bali
        Sejarah Revolusi Kemerdekaan (1945-1949) Daerah Bali

      • H.H. Boldingh zegt:

        Nu typ maar via Google Bali Lombok Brigade voor naslagwerk.

      • P. Vermaes zegt:

        @Ed Vos, Pak Surya, ‘k heb met interesse het artikel van Anne-Lot Hoek van 13 nov 2013 gelezen. Daaruit dit fragment i.v.m. Jappen. Destrée: “In een brief aan zijn ouders schreef hij: ‘Tabanan, 8 oktober 1946: Laatst was er een gevecht met de extremisten, vijftig kilometer hier vandaan. Acht Balinezen lieten er het leven en vier Jappen.”

        Op 8 oktober 1946 streden er nog Jappen mee in de gelederen van de Indonesiërs, waarschijnlijk om geavanceerd wapentuig te bedienen. Ergens had ik gelezen dat onze strijdmacht pamfletten uitwierp speciaal voor de Jappen, waarin stond dat zij zonder vorm van proces zouden worden geliquideerd.
        De overdracht van de Japanners aan de Britten zou gebeuren op het eiland Sumbawa, maar dat hebben de Indonesische land- en zeestrijdkrachten verzorgd; niet de Nederlandse.

      • Jan A. Somers zegt:

        En ik denk dat er in het NA al heel veel ligt te wachten op ijverige lezertjes van Javapost.

  2. Ben zegt:

    Dit is wat ik bedoel en er is nog zoveel meer.

    • Jan Westra zegt:

      Mijn vader heeft ook gediend als officier bij het KNIL en de Gadla Merah na 3 1/2 jaar krijgsgevangene op de Birma-Siam spoorweg. En was ook bij de landing op Bali op 2 maart 1946 en was daar tot eind october 1946. Het was oorlog en het waren moeilijke dagen voor iedereen. Het is jammer dat er alleen de wandaden van een enkeling worden aangehaald alsof iedereen daaraan schuldig was. En alsof derhalve alle acties van de Gadja Merah dus een zgn “vuil oorlogje” waren. Mijn vader heeft daar zeer zeker niet aan meegedaan.

  3. Ælle zegt:

    Waren de Japanners dan niet op Bali geweest om er hun misdadig gezag uit tevoeren? Alleen de Belanda’s? Ik weet niets, maar wil ’t nu wel weten.

  4. joost van bodegom zegt:

    Hoop dat de grote bonkardagen steeds vaker voor zullen komen. Niet om te veroordelen maar om eindelijk eens
    te weten wat er is gebeurd. Wie zijn verleden verwaarloost breekt het huis af waarin hij woont.

  5. Ælle zegt:

    Volgende maand exact (16 dec. 1863) werd in Madrid 151 jaar geleden George Santayana geboren. Zijn aforisme (kort en bondige uitspraak) is vaak vertaald uit het oorspronkelijke Engels waarin hij schreef. “Those who cannot remember the past are condemned to repeat it”, vertaald in het Pools en weeral in ’t Engels in Auschwitz met een draai eraan gegeven , The one who does not remember history is bound to live through it again.
    Ik moet dus nog heel wat inhalen aan geschiedenislessen. Niet bepaald mijn gave.

    • Ed Vos zegt:

      Het heeft niet alleen te maken met geschiedenis en de les die u daarvan kunt leren, oorlogen zijn er nog steeds, maar ook met persoonlijke situaties en personen in uw leven waarmee u geconfronteerd wordt.
      Het is als het ware karma, u moet er geheel mee klaar zijn, doorleefd of doorvoeld hebben. Zo niet dan treedt herhalingsgedrag op..

      Een persoon kan bvb voortdurend in dezelfde situatie geraken,
      Een vrouw bvb die met dezelfde type man in aanraking komen die haar aantrekt: die drinkt en haar slaat..
      Patroon herkenning is hierbij geboden. Uiteindelijk blijkt dat zij voortdurend haar gedrag uit een vroegere gebeurtenis herhaalt. Een vader die voortdurend dronken thuiskomt, zijn vrouw slaat en een klein meisje dat voortdurend probeert het gedrag van haar vader te veranderen, maar vaak vergeefs.

      Een kritisch zelfonderzoek is ook goed en dat geldt vooral de Indische gemeenschap die voortdurend als een mantra dezelfde slogans herhaalt en op dezelfde wijze reageert: reactief, en niet pro-actief, zichzelf probeert te bewijzen, etc etc, alsof zij de lessen uit het koloniaal verleden nog niet heeft verteerd.
      Op vrijwel alle Indische websites kunt u daarvan de voorbeelden zien.

  6. Ælle zegt:

    Wat eeuwen geleden voorafging.
    Luitenant ter zee eerste klasse L.F. van Hoogehuizen, commandant van Zr. Ms. schoener Kameleon werd bij (1ste expeditie gesneuveld) deze aanval dodelijk en luitenant ter zee tweede klasse C.A. Vreede, commandant van het landingsdetachement,
    Officeren die sneuvelden tijdens de (2de) tweede expeditie naar Bali waren: J.J.A. Wichers, tweede luitenant der infanterie (†8 juni 1848 te Boenkoelan), J.C. Uhlenbeck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), C.S. Uhlenbeck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), H.J. van der Wijck, eerste luitenant der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), G.J. Donleben, kapitein der infanterie (†9 juni 1848 voor Djaga Raga), M.L. Dostal, kapitein der infanterie (†15 juni 1848 voor Djaga Raga – voor de vijand door uitputting bezweken, kort na het stormenderhand nemen der redoute nummer 4, waarbij hij de voorste was en door zijn moed de bewondering had opgewekt.
    Officieren die sneuvelden tijdens (3de) derde expeditie naar Bali waren: P. van Swieten, eerste luitenant der infanterie (†15 april 1848 voor Djaga Raga), P.T. Prager, tweede luitenant der infanterie (†15 april 1849 voor Djaga Raga), C. Derens, tweede luitenant der infanterie (†15 april 1849 voor Djaga Raga), J.C. Munter, eerste luitenant der infanterie (†4 mei 1849 op het hospitaalschip Geertruida Maria voor Bali – ten gevolge van een de 15de april voor Djaga Raga verkregen wond), J.W.H. Sindikus, eerste luitenant der infanterie (†24 mei 1849 te Padang Cove op mars van Padany Cove naar Kasoemba – door vermoeiienis en uitputting bij het oprukken tegen de vijand bezweken), A.V. Michiels, generaal-majoor titulair (†25 mei 1849 te Padang Cove om 11 uur ’s avonds – te Kasoemab om ongeveer getroffen door een kogel die het rechterbeen verbrijzelde en daarna vervoerd naar Padang Cove en daarna na de amputatie overleden om 11 uur ’s avonds) en J. Vorstenbos, kapitein der infanterie (†1juni 1849 op het hospitaalschip Geertruida Maria ter rede van Laboean-Amok, Bali – na de 15de april tevoren door een kogel te zijn gewond).
    De 4de expeditie onder Majoor (later Kolonel) D.L. de Brabant. De Nederlandse troepen hadden 2 doden en 12 zwaargewonden (waaronder luitenant Hamakers)
    Bronvermelding
    1846. Nederlandse koloniën. Algemeen Handelsblad. (06-10-1846)
    1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indë. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.
    1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
    1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.

  7. buitenzorg zegt:

    Zojuist heb ik aan dit artikel nog een stuk tekst toegevoegd. Het NRC was vergeten in de electronische versie de ‘epiloog’ toe te voegen – niet het minst belangrijke deel! De schrijfster, Anne-Lot Hoek, mailde me vanuit Jakarta met de vraag om, “als het niet teveel moeite was”, haar verhaal te completeren.
    Met verontschuldigingen van mijn kant, mede namens het NRC dan maar… 😉

  8. Peter van den Broek zegt:

    Ewald Vanvugt besteedt in zijn boek „Het dubbele Gezicht van de koloniaal“ wat hoofdstukken aan aan de pacificatie van Bali ,
    Hfdst 12 „Maar wat doe jij, Nederlander, op ons veld van eer?De verovering van Bali in 1946“.

    Jaarlijks wordt op Bali de slag bij Marga of Poepoetan Margarana op 20/11/1946, morgen dus, herdacht . Het was de grootste veldslag op Bali tijdens de onafhankelijkheidsoorlog waarbij 96 opstandelingen werden gedood. Aan Nederlandse kant vielen 2 zwaargewonden. De opstandelingen stonden olv Ngurah Rai. Hij werd na de onafhankelijkheid uitgeroepen tot één van Indonesie’s 87 helden. Het internationaal vliegveld van Bali heet naar hem. Bij Margarana zijn in totaal 1.371 gesneeuvelden begraven , onderwie 19 vrouwen en 11 Japanners.

    Vanvught laat het verhaal van de slag gloedvol vertellen door iemand de militaire opvolger werd van Ngurah Rai .. Hij begint zijn verhaal over de de Japanners die roofden vrouwen uit de dessa die als prostituées (troostmeisjes) bij de troepen werden ingezet en ze pakten mensen op die als dwangarbeiders (romoesja’s) naar Birma en Celebes stuurden. Dus dit gebeurde niet alleen op Java.
    In maart 1946 landde de afdeling van de opgelapte KNIL op Bali , het was de Gadja Merah, de rode of Geile Olifant, officieel de Y-brigade, die kwam rechtstreeks uit de Spoorwegen van Birma.
    De veldslag bij Marga werd beslist door een Nederlandse luchtaanval. Een kleine Pipercub wierp bommen uit, naar later blijkt waren het gewone handgranaten, want bommen lijken iets te zwaar voor een Pipercub die hfdzakelijk voor verkenningsvluchten werd ingezet..

    Vanvught heeft geput uit de archieven bij de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf. Verdere informatie dient beschikbaar te zijn bij Centraal Archiefdepot van Mindef.
    Vanvugt heeft wel meer over Bali geschreven, zoals de Val van Bali

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s