De claims van ‘andijvielucht’ (II)

Japanse uitkering (JU) aan burger-geïnterneerden, op basis van het Yoshida-Stikker protocol (claim 4)

“Resumerend heeft de Indische gemeenschap tot op de dag van vandaag zeven claims open staan jegens de Nederlandse overheid en twee jegens banken en verzekeringsmaatschappijen.” Aldus de belangrijkste conclusie in het boek ‘Opgevangen in andijvielucht’ van Griselda Molemans. In dit artikel bespreken we claim nummer 4, gebaseerd op de Japanse uitkeringen aan burger-geïnterneerden op basis van het Yoshida-Stikkerprotocol.

Het Bureau Japanse Uitkeringen, Hooftskade 1, Den Haag

Het Bureau Japanse Uitkeringen, Hooftskade 1, Den Haag

De vredesbesprekingen in San Francisco in 1951 hadden niets vastgelegd over een schadevergoeding aan ex-burgergeinterneerden. De Japanse premier Yoshida had de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker slechts toegezegd tot een schadevergoedingsregeling te willen komen ten behoeve van ´bepaalde groepen individuen, wegens in de kampen ondergaan buitensporig leed´. De hierop volgende jaren moest door besprekingen tussen de Nederlandse en de Japanse regering nog de hoogte van het bedrag worden vastgesteld en de wijze van uitkeren.

Na enige tijd kwamen de partijen overeen dat een lump sum het beste zou zijn, ware het niet, dat de Japanners daar nog regelmatig op terugkwamen. Ze waren niet overtuigd van de omvang van het leed en wilden daarvoor bewijzen op casusniveau.
De Nederlanders wilden hier aanvankelijk niet in mee gaan, maar legden uiteindelijk tóch – op aandringen van de Amerikanen – drie kamprapporten en vijftig individuele persoonsrapporten op tafel.  

De mate van de schuld

In 1955 liet Minister Luns nog aan de Nederlandse ambassadeur O. Reuchlin in Tokio weten dat bij het niet-realiseren van de Yoshida-Stikker overeenkomst sprake zou zijn van negatieve consequenties voor de Nederlands-Japanse betrekkingen. Reuchlin antwoordde hierop echter “dat de bevreesdheid aan Japanse zijde voor deze consequenties niet te hoog moest worden aangeslagen.”

Jhr. Otto Reuchlin

Jhr. Otto Reuchlin

In oktober van dat jaar werd onderhandeld tussen vertegenwoordigers van de Japanse regering onder leiding van Teraoka en – van Nederlandse zijde – de (zelf geïnterneerd geweest zijnde) jurist G.E. Baron van Ittersum, de historicus L.G.M. Jaquet en Reuchlin. In het verslag van deze bijeenkomsten werd vermeld dat “gedurende de gehele bespreking telkens weer naar voren treedt, dat de Japanners beogen hun aansprakelijkheid te beperken door het gebeurde als min of meer normale consequenties van een oorlog voor te stellen.” Teraoka liet hierop weten “dat de Japanse regering weliswaar schuld erkende, het ging hier echter om de mate van die schuld”, vooral ook om het eigen Ministerie van Financiën te overtuigen.

Twee maanden later bleek dat dat Ministerie helemáál niet was overtuigd. In plaats van de gevraagde 27,5 miljoen werd een laatste bod gedaan van 10 miljoen dollar. Den Haag verzocht hierop aan de Amerikanen om diplomatieke druk uit te oefenen, echter tevergeefs.
Begin maart 1956 zag Nederland zich gedwongen het bod te accepteren. Van Japanse zijde werd nog geëist dat met de overeenkomst nóch de Nederlandse regering nóch Nederlandse staatsburgers later enige nieuwe claims zouden indienen. Het protocol, ondertekend door Reuchlin en de Japanse minister van buitenlandse zaken Mamoru Shigemitzu, trad in werking op 1 juni 1956.

Uitvoering

De uitvoering van de regeling viel toe aan de Directie Overgangszaken Indonesië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiertoe werd een speciaal bureau opgericht, het Bureau Japanse Uitkeringen. De chef van de Directie Overgangszaken werd bijgestaan door een commissie van drie ex-geïnterneerden.

De criteria voor toekenning waren iets ruimer dan die van de vergelijkbare regeling voor ex-krijgsgevangenen: er moest sprake zijn geweest van zes maanden internering in een ‘erkend’ interneringskamp of gevangenis wegens ‘feiten met een politieke achtergrond’,  overlijden tijdens de internering (ook als deze korter dan zes maanden had geduurd), of mishandelingen waarbij betrokkene blijvend in zijn gezondheid was geschaad. Ook nabestaanden konden een beroep doen op de regeling.

Op basis van de eerste schattingen met betrekking tot het aantal te verwachte toekenningen werd bepaald dat de uitkering fl. 385,- zou bedragen. In het Yoshida Stikker protocol was vastgelegd dat Japan de 10 miljoen dollar in vijf jaarlijkse termijnen zou betalen. Om belanghebbenden niet te laten wachten besloot de Nederlandse overheid de regeling te voorfinancieren. Na de laatste transactie door Japan in 1960 kon worden vastgesteld dat de totale geldsom in Nederlands courant fl. 37.883.935,62 had bedragen.

Belanghebbenden werden door middel van advertenties in de dagbladen en verenigingsorganen opgeroepen zich te melden bij het Bureau Japanse Uitkeringen. Zij kregen vervolgens vragenlijsten ter invulling toegezonden, aan de hand waarvan de aanspraken werden beoordeeld.

Verificatie

Hollerith machine

Hollerith machine

De belangrijkste verificatiebron was een samengestelde geinterneerdenlijst. Het Nederlandse Rode Kruis stelde het Bureau een 40-tal geinterneerdenlijsten ter beschikking, waarvan de 69.225 namen werden omgezet in ponskaarten. Met behulp van een Hollerith machine werden alle namen in alfabetische volgorde op één lange lijst gezet. Vervolgens werd deze lijst in losse bladen verdeeld, welke werden per beginletter werden gebundeld en gebonden in boeken.
Als bijvoorbeeld een aanvraag was ingediend door mevrouw D. Cremer-Pietersen, geboren 1908, kon in meteen het boek behorende bij de letter C worden vastgesteld dat deze mevrouw in het Kramat-kamp had gezeten. Conform de bevindingen werd betaald middels postcheque of per giro- op post- of bankrekening, en werd het aanvraagnummer, vermeld op het aanvraagformulier, met de hand bijgeschreven in het desbetreffende boek.

Werd door aanvragers een interneringsoord genoemd dat niet op de lijst stond, moesten bewijzen (zoals getuigenverklaringen) worden overlegd. De Commissie Japanse Uitkeringen breidde zo in de loop van haar werkzaamheden de lijst van ‘erkende’  kampen en gevangenissen uit tot een 120-tal. Enkele tientallen andere genoemde oorden viel buiten de regeling.

Voorlopig eindrapport

Bekendmaking JU in dagbladpers

Bekendmaking JU in dagbladpers

In september 1960, op een moment dat nog slechts enkele honderden aanvragen  niet waren afgedaan en de werkzaamheden van het Bureau als vrijwel afgerond werden beschouwd, en werd in een voorlopig eindrapport de balans opgemaakt.
Op dat moment bleek dat ca. 15% van de personen genoemd op de Rode Kruislijst geen aanvraag had ingediend (in totaal 10.700 personen). De overigen, ca. 58.525, hadden dat dus wél gedaan.
Verder bleek dat 90.800 aanvragen waren toegewezen, en 9.082 aanvragen waren afgewezen. We mogen hieruit afleiden dat 32.275 aanvragen waren toegewezen op grond van andere verificatiebronnen dan de Rode Kruislijst.
Omdat minder aanvragen waren ingediend dan eerder geschat (ca. 95.000), werd aan de erkenden een nabetaling gedaan van fl. 30,-. De einduitkering bedroeg dus fl. 415,- per ex-burgergeïnterneerde.
Van de 37,8 miljoen was per 1 september 1960 nog 248 duizend in kas, genoeg voor ca. 600 uitbetalingen (0,7% van totaal).

De regeling werd nimmer gesloten. Evenals die van de regeling voor ex-krijgsgevangenen op basis van artikel 16 van het Vredesverdrag met Japan, werd de uitvoering later overgedragen aan Binnenlandse Zaken, en kwam uiteindelijk terecht bij de Stichting Administratie Indische Pensioenen. In het verslagjaar 2012 van deze Stichting werden nog 13 aanvragen ingediend voor een uitkering krachtens de JU. Slechts twee daarvan werden toegewezen. In de meeste gevallen blijkt dat betrokkenen zijn vergeten dat zij in de jaren ´50 al een aanvraag hebben ingediend.
Alhoewel ná september 1960, voor zover bekend, geen sprake meer is geweest van een alomvattende verslaglegging (een écht eindrapport was immers niet mogelijk omdat de regeling niet werd gesloten), mag worden aangenomen dat de op dat moment nog resterende gelden zijn aangewend voor nog niet afgedane en later ingediende aanvragen.

De ‘claim’  

De omslag van het boek 'Opgevangen in andijvielucht'

De omslag van het boek ‘Opgevangen in andijvielucht’

In haar boek Opgevangen in andijvielucht verwijt Griselda Molemans dat er geen sprake is van ‘transparantie’ over de feitelijke uitbetaling van deze compensatie, “aangezien er geen vastlegging van het aantal uitkeringen aan burgergeïnterneerden is geweest.”
Met het voorlopig eindverslag van het Bureau Japanse Uitkeringen uit 1960 is verantwoording afgelegd over de uitgave van ca. 99,3% van het totaalbedrag. Het is juist dat het totale aantal rechthebbenden nadien nooit op jaarbasis is vastgesteld, het betreft echter te verwaarlozen aantallen en bedragen. Een jaar ná het voorlopig eindrapport moet het saldo mogelijk niet meer dan 100 duizend gulden hebben bedragen. We zouden het totale aantal uitkeringen krachtens deze regeling op ca. 91.000 à 92.000 kunnen schatten. Hoe veel het er ook precies zijn geweest, het moet voor onmogelijk worden gehouden dat er geld ‘over’ is van de de Japan afgedragen 37,8 miljoen gulden.
De twijfels van mevrouw Molemans lijken vooral te zijn gevoed door het feit dat zij geen onderscheid heeft aangebracht tussen de regeling voor ex-krijgsgevangenen en de hier besproken regeling voor ex-burgergeïnterneerden. De door haar uitgevoerde berekeningen leiden dan ook tot de verkeerde conclusies.
In concreto, haar vaststelling dat in 1962 (?) nog 1,1 miljoen niet was uitgekeerd, is onjuist. Het betrof hier gelden bestemd voor ex-krijgsgevangenen (zie het vorige artikel). Het door haar in dit hoofdstuk besproken hulpfonds had eveneens betrekking op krijgsgevangenen.

Naast het door haar genoemde gebrek aan transparantie, verwijt de schrijfster de overheid onvoldoende kenbaarheid aan de regeling te hebben gegeven: “Ook van deze compensatieregeling is vast komen te staan dat veel rechthebbenden er nooit van op de hoogte zijn geweest.”  Het motief? Molemans suggereert dat de overheid een deel van het Japanse geld in eigen zak heeft gestoken.
Met bovenstaande lijkt mij voldoende aangetoond dat ook deze beschuldiging op niets is gebaseerd. Het is zeker niet onmogelijk dat velen niet van de regeling hebben geweten. Het Bureau Japanse Uitkeringen stelde immers zelf in 1960 al vast dat ca.  15% van de op de Rode Kruislijsten genoemde personen geen aanvraag had ingediend. De overheid had echter geen motief om geen ruchtbaarheid te geven aan de regeling. Toen werd vastgesteld dat minder aanvragen werden ingediend dan vooraf ingeschat, werden nabetalingen verricht met een totaal van ca. 2,7 miljoen, en werd slechts een gering restbedrag gereserveerd voor latere betalingen.

Mevrouw Molemans verzoekt op haar website degenen die alsnog bij de SAIP een aanvraag voor een Japanse uitkering willen indienen, zich ook bij háár te melden om haar claim te ondersteunen. Misschien is het goed ook deze ‘claim’ nog eens tegen het daglicht te houden.

 

Bronnen:
– Protocol between the government of The Kingdom of the Netherlands and the government of Japan relating to settlement of the problem concerning certain types of private claims of Netherlands nationals. Signed at Tokyo, on 13 March 1956.
– Stukken met betrekking tot de totstandkoming van het Yoshida Stikker protocol. SAIP, inventarisnummer 197, 199.
– Cijfermatige overzichten van Japanse uitkeringen aan ex-burgergeinterneerden ten behoeve van de voortgang van de werkzaamheden van Bureau JU, 1956-1958. SAIP.
– Verslag aangaande de werkzaamheden verbonden aan de verdeling van de door Japan ten behoeve van de gewezen burgergeinterneerden in Azië beschikbaar gestelde fondsen, alsmede van de daarbij opgedane bevindingen. Den Haag, door mr. K. Mantel. Den Haag, 8 september 1960. NIOD.
– Jaarverslag SAIP, 2012.

 

x

Dit bericht werd geplaatst in 6. Onderzoek, Aanspraken en Verwerking en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

19 reacties op De claims van ‘andijvielucht’ (II)

  1. H.A.Naberman zegt:

    Ik ben benieuwd naar de reactie van mevrouw Griselda Molemans…..

  2. glemmens1940 zegt:

    Ook ik ben zeer benieuwd hoe Mevrouw Molemans zal reageren. Die uitkeringen hadden mijn ouders zo naar uitgekeken maar helaas zijn ze beiden nu al langgeleden overleden – was dat niet de reden van de Japanse vertraging – wachten tot iedereen dood zou zijn ??
    Het ergste van de hele Japanse houding in deze is dat ten eerste de Japanse regering en de Keizer nog steeds niet – sorry gezegd hebben. En ten tweede dat ze hun kinderen en kleinkinderen nog steeds niets vertellen over de geschiednis van de tweede wereldoorlog en het afschuwelijke afslachten van de bevolking in Nederlands Indie.

    Slamat,

    Gerard

    • Ed Vos zegt:

      De Japanners hebben niet gewacht tot iedereen dood is, de laatste transactie vond plaats in 1960.
      Daarnaast: om belanghebbenden niet te laten wachten besloot de Nederlandse overheid de regeling te voorfinancieren.

      Voorts dragen de opmerkingen van Bert slechts bij tot een verdieping van onze ( mijn )beperkte) inzicht, maar geven geen aanknopingspunten voor nieuw kabinets-beleid.

      Al met al is het van belang te weten welke claims nog kans van slagen hebben en met slogans als morele verplichting, morele verantwoordelijkheid kan men echt niet bij het kabinet aankomen want dan komt er slechts een ijskonijn uit de hoge hoed en voelt de indo zich weer Eeuwig Verneukt..

  3. hansvschaik zegt:

    ik wil dit wel blijven volgen

  4. Het gaat hierboven over : “burger-geïnterneerden” tijdens de Tweede Wereld Oorlog door de Japanners……. Ik wou graag een (klein) vraagje stellen of voor INDONESISCHE burger-geïnterneerden die door het NICA regime ( van Mook) van Makasser naar Seroei (Papoea) werden verbannen en aldaar gedurende twee jaren (1946-1948) geinterneerd waren mischien ook een soort financieele vergoeding (schadevergoedingsregeling) bestaat..

  5. Peter van den Broek zegt:

    Heer Immerzeel, hartelijk dank voor Uw onvermoeibare werk

    Het startpunt is natuurlijk de vaststelling van het aantal burgergeinterneerden. Ik citeer

    Dr. D. van Velden heeft achterin haar proefschrift ‘De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’ (Groningen 1963) het beschikbare cijfermateriaal bij elkaar gebracht. Op basis van dit materiaal geeft L. de Jong in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 11b, pag. 348 en 359, de volgende cijfers:

    Java: 80.000 Nederlandse geïnterneerden
    Sumatra: 12.000 Nederlandse geïnterneerden
    Grote Oost: 3.900 Nederlandse geïnterneerden
    Borneo: 500 geïnterneerden
    Totaal: 96.400 geïnterneerden.

    De door Van Velden verzamelde gegevens zijn hoogstwaarschijnlijk niet volledig, vandaar dat De Jong het verstandig achtte ervan uit te gaan dat er circa 100.000 geïnterneerden zijn geweest (pag. 754). H.L. Zwitzer komt in zijn boek ‘Mannen van 10 jaar en ouder’ (Franeker 1995) op basis van het aantal naoorlogse claims van ex-geïnterneerden op een Japanse uitkering tot eenzelfde schatting (pag. 82). Het aantal van 100.000 Nederlandse burgergeïnterneerden lijkt daarmee de meest betrouwbare schatting te zijn.

    Ik citeer Heer Immerzeel: Nederlandse Rode Kruis stelde het Bureau een 40-tal geinterneerdenlijsten ter beschikking, waarvan de 69.225 namen werden omgezet in ponskaarten. (…)
    Verder bleek dat 90.800 aanvragen waren toegewezen, en 9.082 aanvragen waren afgewezen. We mogen hieruit afleiden dat 32.275 (sic!!!) aanvragen waren toegewezen op grond van andere verificatiebronnen dan de Rode Kruislijsten.
    Omdat minder aanvragen waren ingediend dan eerder geschat (ca. 95.000), werd aan de erkenden een nabetaling gedaan van fl. 30,-. De einduitkering bedroeg dus fl. 415,- per ex-burgergeïnterneerde.

    Ik reken even snel uit mijn hoofd en de berekening van dhr Immerzeel kan best kloppen.

    Wat overblijft is het niet verklaard verschil tussen de 100.000 geinterneerden van dhr L. de Jong en de 90.800 toegewezen aanvragen voor deze regeling. Hier kan een claim uitvloeien voor Mevr. Molemans maar dan moet ze wel angeven wie die overblijvenden zijn more or less. Er zitten wel veel schattingen in om tot een overbugbaar en verklaarbaar verschil te komen.

    • buitenzorg zegt:

      Het blijft natuurlijk een beetje nattevingerwerk, maar toch, het verschil is verklaarbaar:
      Ik schatte het aantal mogelijke ontvangers op 91.000 à 92.000. De cijfers van De Jong c.s. zijn ook niet meer dan een schatting.
      Laten we aannemen dat er tenminste 8000 verschil tussen deze cijfers ligt.
      Drie mogelijke verklaringen:
      1. Inmiddels is een aantal betrokkenen overleden, zonder dat nabestaanden behoefte gevoelden een aanvraag in te dienen. Let wel, er was inmiddels al weer tien jaar verstreken;
      2. Een aantal betrokkenen heeft nooit weet gehad van de regeling. De krant niet gelezen, geen lid van een vereniging, televisie had men nog niet, woonachtig in USA, Nieuw-Guinea etc.
      3. Een onbekend aantal heeft om verschillende redenen geen beroep willen doen op de regeling. Dit verschijnsel wordt in deze discussies vaak vergeten, maar is wel degelijk van belang.

      • Jan A. Somers zegt:

        Zitten die verschillen deels niet in die verschrikkelijke nullen? Door de een naar boven afgerond, door de ander naar beneden?
        Touwen/Groen, ‘Tussen Banzai en Bersiap (1996), heeft ook gedetailleerde cijfers, van o.a. RAPWI. In het archief van RIOD (nu NIOD). Ik dacht dat er een RAPWI-getal was van 204.050 door RAPWI te verzorgen personen. Maar ik ken het werkingsgebied niet en de details van de registraties.

  6. Peter van den Broek zegt:

    In het verhaal van dhr Buitenzorg wordt al enigszins aangegeven het verschil tussen zijn cijfers en dat vananderen
    – buitengesloten worden degenen die KORTER dan zes maanden in het kamp waren geinterneerd.. who the hell was that, dus als je binnen 1 dag dood bent gegaan dan krijgen je nabestaanden geen vergoeding of niet soms!!!!
    – er moest sprake zijn geweest van zes maanden internering in een ‘ERKEND’ interneringskamp, dus was je kamp niet erkend (door welke bureaukraat danook) dan had je geen recht op vergoeding: naast de Binnen- en Buitenkampers hebben we nu ook Niet-erkende of niet-gecertificeerde kampers
    – en statistisch gezien maakt het wel uit wanneer geteld wordt, want gebeurt dat aan het begin van de internering of aan het eind dat maakt wel een verschil.

    Al met al is het uitkeringspercentage, afhankelijk van het startpunt wel hoog, tussen de 92 en 97%. Iedereen kan nog claimen en dan hebben de mensen van SAIP ook wat te doen., nou ja het wordt bijna een soort bezigheidstherapie

    Misschien kunnen we verder gaan met claim 4 zodat we dat op een aannemelijke manier kunnen afsluiten en de conclusie kunnen trekken voor claim 3 en 4 . Daarn kan het echte vuurwerk beginnen over de Indonesische Herstelbetalingen.

    • buitenzorg zegt:

      Goed lezen heer Van den Broek 😉
      Ook werd toegekend bij “overlijden tijdens de internering (ook als deze korter dan zes maanden had geduurd)”.

      Wat die erkende kampen betreft: da´s altijd arbitrair gebleven. Zo vielen bijvoorbeeld de werkkampen voor jonge Indo´s in 1944/45 erbuiten, en ook allerlei huisvestingsoorden (‘opvangkampen’) voor onbehuisde Indische families.

      Dit was claim 4. Ik ga ze niet allemaal behandelen (mijn lezers zullen in slaap vallen), maar ééntje kan nog wel.

      • Jan A. Somers zegt:

        Mijn Kenpeitai-tijd duurde (dacht ik) zo’n vier/vijf maanden! Gelukkig niet overleden binnen zes maanden! Kan ik mijn medereageerders nog bezighouden.

      • buitenzorg zegt:

        Volhouden, Jan!

      • Jan A. Somers zegt:

        Mijn cardioloog zei: In leven zien te blijven met je pillen, en je weet waar de spoedeisende hulp is.
        Mijn neuroloog is nog met mij bezig. Heeft al gezegd: wat ik ook vind, reken niet op herstel.
        Samenvattend voor de toekomst: met atriumfibrilleren achter de rollator. Andijvie (is in de reclame) halen bij de Jumbo.

      • Henk ANTHONIJSZ zegt:

        Ja, Buitenzorg. Je kent mijn geval: In het kamp Goenoenghaloe gezeten.
        -is een WUV-erkend kamp, daarom verkreeg ik een WUV-erkenning
        -is een niet erkend JU- kamp, aanvraag tot 4-maal toe afgewezen. Eerste aanvraag al in 1975. Laatste aanvraag in 2011.
        Ben nu 88 en vraag mij nog steeds af: waarom die verschillen? Goenoenghaloe had geen omheining. Je kon zo het kamp verlaten. Er was wel elke ochtend appel.
        Een kamergenoot van me liep na een maand dat hij er was weg, terug naar Bandoeng waar hij woonde. Thuis werd hij opgepakt en hij kwam in de gevangenis in Glodok terecht.
        Triest, je wordt er verdrietig van..

        .

      • buitenzorg zegt:

        Ja heer Anthonijsz, ik ken uw geval.

        De beoordelaars van de SAIP hebben geen last van voortschrijdend inzicht, en beperken zich bij de beoordeling van de aanvragen nog steeds tot toetsing aan de lijst van het Bureau Japanse Uitkeringen uit 1960. Da´s vreemd.

        De Uitkeringsraad (Wet uitkering vervolgingsslachtoffers, Wuv) vond in de jaren ´70 dat de werkkampen wél vrijheidsberovende aspecten droegen en dat een verblijf aldaar dus tot erkenning in het kader van de Wuv moest leiden. Ook in het kader van de Wet uitkering burger-oorlogsslachtoffers werden de werkkampen tot vallend onder de wet gerekend.

        Dat Wuv- en Wubo standpunt werd nooit teruggekoppeld naar de SAIP/JU. Zo van: we weten nu méér, en het zou aardig zijn als jullie niet moeilijk doen en jullie beleid veranderen.

        Evenmin werd ooit overwogen om erkenningen in het kader van de Wuv (ook als het wél erkende kampen betrof) ambtshalve nog een keer te toetsen in het kader van de JU, met andere woorden: als iemand bij de Wuv werd erkend, nog even te kijken of hij ooit bij de JU een aanvraag had ingediend en, indien niet, of hij daar alsnog op een uitkering kon rekenen. (de 415 gulden)

        Dit laatste kan overigens nog steeds. Gewoon het bestand van in betaling zijnde Wuv-klanten combineren met JU-gegevens. Ik weet niet of daar veel uitkomt (ik denk het niet, maar het gaat om het principe, nietwaar?), maar dat is te achterhalen met een steekproef. Kunnen ze een leuk projectje van maken bij SVB en SAIP.

        Ik hoop dat het Indisch Platform meeleest… misschien kunnen ze hier iets mee.

  7. Henk ANTHONIJSZ zegt:

    Mevrouw Molemans,
    Heeft u mijn reactie en die van Buitenzorg gelezen? Hoe denkt U hierover?

    • buitenzorg zegt:

      Dit lijkt me geen zaak voor mevrouw Molemans. Mevrouw Molemans wil claimen en voor de rechter slepen.
      Dit is meer een kwestie van een nette dringende brief, begeleid door een paar goede gesprekken, namens de Indische gemeenschap. En dat kan deze week al.

      • Jan A. Somers zegt:

        Ja, volgens mij. Het is een bestuurlijke knoop die ontward moet worden. Niks rechter, die is altijd pas op het eind aan zet. Met de nodige heisa waar iedereen boos gaat doen.

  8. Ælle zegt:

    Bij een jaarabonnement van de Moesson krijgt U de dvd Opgevangen in andijvielucht cadeau!
    http://www.moesson.nl/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s