De moord op Groeneboom (II)

In 1929 werd in Oost-Java, in de buurt van Banjoewangi, een Nederlandse employé van een koffie-onderneming omgebracht. De moord, aanvankelijk lijkend op een simpel geval van mata gelap, kreeg gedurende de lange procesgang steeds meer aandacht. Door de uitgebreide berichtgeving in de pers groeide “de zaak Groeneboom” uit tot een kwestie van nationaal belang. Om de sociale onrust te beteugelen werd uiteindelijk de Volksraad ingeschakeld.
Wie was Groeneboom, en waarom werd hij vermoord?

Kampong te Glenmore, waar Groeneboom werd begraven. Op de achtergrond de Goenoeng Raoeng (1927)

Kampong te Glenmore, waar Groeneboom werd begraven. Op de achtergrond de Goenoeng Raoeng (1927)

Terwijl de politie nog nauwelijks begonnen was met een onderzoek, verschenen in de pers al de eerste analyses over mogelijke oorzaken. Het was merkwaardig genoeg een correspondent van de toch tamelijk conservatieve Preanger Bode die een kritisch geluid lied horen over het arbeidsstelsel. Naast het feit dat Groeneboom veel te onervaren was om op een dergelijke gevaarlijke post te worden geplaatst, was sprake geweest van onrechtvaardigheden in de betaling van het taakloon:   

“Een andere ernstige fout is de aanvaarding van een betalingssysteem, dat erop neerkomt dat wie geen werk aflevert dat voldoende verzorgd is, niet althans een déél ontvangt van hetgeen hij aan loon krijgen zou, indien het werk naar den eis voltooid zou zijn, maar in het geheel niets. Dat is een funest systeem, dat nog veel te veel in zwang is, en waaraan Groeneboom zich hield als aan iets vanzelfsprekends; het was hem nu eenmaal zo geleerd.
Toen hij de taak van zijn voorgangers overnam, was door deze driemaal geweigerd, werk dat door de latere moordenaars verricht was, te `ontvangen´. Groeneboom weigerde eveneens. De kerels kregen daardoor gedurende vijf weken geen betaling voor hetgeen zij, weliswaar onvoldoende, hadden verricht. Javaansche koelies zouden wellicht mokkend zich er bij neergelegd hebben. Maar Madoereezen zijn nu eenmaal een ander slag van mensen; een leven telt voor hen weinig, – de piso blati verschaft hun recht. De moordenaars lieten zich erover uit: zij zijn nu tenminste betaald, wel niet in geld, maar dan toch in bloed van de toean moeda.
Wij hebben door bestuursambtenaren en administrateurs dit betalingsysteem horen veroordelen. Laat, zo werd gezegd, dan tenminste een deel, de helft of desnoods een kwart van het loon voor het goed voltooide werk betaald worden en jaag de koelie van de onderneming weg, – maar betaal in ieder geval!
Maar er zijn ondernemingen, waar de employés eenvoudig verboden wordt, die betere betalingsmethode toe te passen, en voor de meesten hunner is het een geschreven of ongeschreven wet, dat betaling voor niet naar de eis afgeleverde arbeid uitgesloten behoort te zijn. Wij vernamen van administrateurs, die, indien zij dan toch een deel van het loon laten betalen – met gelijktijdig wegjagen van de koelie van de onderneming dit in de boeken moeten weg moffelen, opdat de directies het niet zullen ontdekken.
De employé, die in deze omstandigheden werk van de koelies moet ontvangen, is als een buffer; bij heeft een positie tussen hamer en aambeeld: eenerzijds het gevaar van ontslag wegens niet opvolgen van bevelen van bovenaf, anderzijds dat van weerwraak – op hém – van de koelies, die betaling eisen voor hun werk, al voldeed dit dan ook niet. Hij wordt het kind van de rekening. Zijn leven wordt door de prentah’s der ver af tronende directie bedreigd; hij is het die het risico draagt.”

Bijkomende risicofactor, vervolgde de Preanger Bode, was het schandelijk tekort aan politie-agenten in deze streek.

“Dit is de moraal van de droeve historie. Groeneboom is gevallen als slachtoffer van moordenaars, – maar toch ook als slachtoffer van zijn plicht in het raam van een stelsel, dat niet deugt. Het is te hopen, dat dit nu eens voldoende scherp zal worden beseft om met het onredelijk systeem, waar het nog gehandhaafd wordt, radicaal te doen breken. En om de regering te doen besluiten tot beter politionele verzorging van het voor de planter zo gevaarlijke gewest.”

Standpunten in de pers

De Sumatra Post nam het bericht zonder enig commentaar over. Deze krant, met Medan als vestigingsplaats, zou de berichtgeving over de kwestie – zij het steeds in kopievorm – verder op de voet volgen, wetende dat zijn lezers uit kringen van de Deli Planters Vereniging (DPV) en de Algemene Vereniging van Rubberplanters (AVROS) meevoelden met hun Javaanse collega´s.
De progressieve Locomotief ondersteunde de aanklacht van de Preanger Bode. Het Nieuws van den Dag schreef daarentegen dat een moord een moord is, en dat men niet onverwijlde conclusies mocht trekken.
Vanaf maart 1929 werd de berichtgeving over het gebeuren gedomineerd door de in Soerabaja gevestigde dagbladen het Soerabaijasch Handelsblad en de Indische Courant. Om zijn lezers beter te kunnen informeren, zond dit laatste blad een speciale verslaggever naar de Oosthoek.
In zijn eerste artikel liet deze correspondent weten dat de moord waarschijnlijk niet te wijten was aan een verkeerde betalingswijze, maar aan een samenloop van omstandigheden. De onderneming Paal IV was nét opgezet en er moest zuinigheid worden betracht. Het borongan-systeem (taakloon) was niet ongewoon. En tenslotte, de Madoerese koelies die vijf weken loon noch voorschot hadden ontvangen, kregen geen eten meer van de Chinese waronghouder. Alles tesamen maakte dat deze koelies zich lieten gaan en Groeneboom om het leven brachten.

Klachten van de planters

De moord op Groeneboom was niet de eerste aanslag geweest op een cultuur-employé. Het was echter wél de druppel die de emmer deed overlopen. Op 28 april 1929 werd in Djember een vergadering belegd door de Cultuurbond, waarbij een verhandeling werd gegeven over “De veiligheid van de cultuuremployé”.
Goede statistieken m.b.t. Java ontbraken, maar in ieder geval – zo constateerde waarnemend voorzitter Mol van de Bond, was sprake geweest van zeven dodelijke aanslagen in de laatste tien jaar, naast meerdere aanslagen met niet-dodelijke afloop.
“De meeste dezer gevallen werden toegeschreven aan gebrek aan taalkennis, ontactisch optreden enz. van den employé. Aannemend, dat dit het geval is, dan mag dat geen voortgang hebben, en moeten er middelen zijn om dit tegen te gaan.”
De aanwezige Bondsleden droegen verschillende oplossingen aan: ander personeel, betere bewapening en snelrecht, maar kwamen niet tot een eensluidend oordeel. Wat dit snelrecht betreft, in juni werd al door de Indische Courant gewezen dat er geen schot zat in deze zaak. Waarop duurde het zo lang voor deze voor het gerecht kwam?
“ ’t Is ronduit schandelijk, dat de behandeling van zaken als deze, welke zo snel mogelijk dienen te worden berecht, vertraagd wordt door het ondeskundig gepruts van niet voor hun taak berekende ambtenaren!”

Aanslagen op cultuuremployés op Sumatra´s Oostkust, 1925-1928.

Aanslagen op cultuuremployés op Sumatra´s Oostkust, 1925-1928.

Op 24 mei stuurden de planters van Sumatra´s Oostkust een rekest aan Batavia waarin werd aangedrongen op maatregelen. Het stuk, bedoeld “om uiting te geven aan datgene, wat onder de planters ter Oostkust onrust verwekte, en om aan het gevoel van onveiligheid, dat steeds levendiger werd, tegemoet te komen”, ging vergezeld van allerlei voorbeelden van op Sumatra gepleegde aanslagen.

Een eerste studie van de Arbeidsinspectie viel slecht bij de DPV en AVROS. In september liet men ‘Batavia’ weten dat het onzin was te veronderstellen dat een groot deel der aanslagen was toe te schrijven aan een ‘snauwsysteem’ of ‘welig tierend handtastelijk optreden’ van de kant van de planters. Op Oost-Java – zo schreven zij – waren de aanslagen evenmin veroorzaakt door ruwe bejegening van het werkvolk. Nee, “ondergetekenden menen, dat er feiten zijn, welke erop wijzen, dat de verklaring moet blijven worden gezocht in de door politieke invloeden verslechterde geest onder de arbeiders, aan de uitingen waarvan alleen het hoofd kan worden geboden door volledige samenwerking tusschen de Overheid in al haar geledingen eenerzijds en de ondernemers anderzijds.”
De Arbeidsinspectie reageerde hierop door haar medewerker de heer Pastor naar Oost-Java te zenden om ook dáár onderzoek te verrichten.

Het onderzoek naar de moord op Groeneboom

Terwijl Batavia op zoek ging naar de oorzaken van de toename van aanslagen, lag in Banjoewangi nog steeds de zaak Groeneboom op tafel. Echt opschieten deed het onderzoek niet, en de pers kon niet anders dan af en toe informeren of er nog nieuwe feiten bekend waren.
In juli vernam het Soerabajasch Handelsblad ‘uit betrouwbare bron’ dat “met vrij grote mate van zekerheid kan worden gezegd, dat roof de reden van de afschuwelijke moord is geweest. Zoals men zich herinneren zal, beweerden de twee moordenaars, dat zij door wijlen den heer Groeneboom waren mishandeld en dit de aanleiding tot hun misdaad was geweest. Men heeft reeds het bewijs, dat op den avond van den moord een der schurken zijn vrouw een bankbiljet van f 10 heeft cadeau gedaan. Omdat volgens de administrateur Groeneboom van plan was een auto te kopen, en het geld daarvoor, ongeveer f 2000, thuis niet veilig achtende, steeds bij zich droeg, zou het inderdaad niet vreemd zijn indien het bankbiljet van de roof afkomstig blijkt.”

Eerder meldde de pers dat sprake was geweest van een portefeuille met f 1200, nú bleek dus dat sprake was van maar liefst f 2000. En de 24-jarige Groeneboom zou al dat geld (voor de inlanders gelijk aan tien jaarsalarissen) steeds bij zich hebben gehad omdat hij een auto wilde kopen? Wat zegt dit over de beoordeling van een conflict over de betaling van een minder goed afgeleverde taak? En over de strafmaat voor de moord?
De rechtzitting was gelukkig aanstaande. De lezers zouden het antwoord snel weten.

Het vervolg, de rechtzitting, leest u HIER.

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op De moord op Groeneboom (II)

  1. HenkAnthonijsz (1926) zegt:

    In het jaar 1929 2000,00 gulden in je portefeuille ? Ongelooflijk! Ik meen dat je in die jaren al met een halve cent op de pasar terecht kon.Met een “gobang” (munt van 2 1/2 cent) was je de “koning te rijk”.

  2. RLMertens zegt:

    Glenmore, zo is de naam van een nicht die daar geboren werd. Glemmie is haar roepnaam. Altijd een mooie naam gevonden. Echter …van waar die naam? Engelse planter? Wie weet het.
    Ook nog…wat een fantatische foto. Zo sfeervol. Zo her/ken ik het ook uit kampong Temangoengan in Ambarawa. Ik ruik het….mijn geboorte land!
    note; op dit moment is er in Eye, Amsterdam een expositie ‘Sluimerend vuur’; Een collage van ‘home movies’ uit Indië 1900-1940 verpakt in muziek, met citaten uit brieven van oa Walraven, Annie Salomons. Over de blanke elite, de Indo’s, Chinezen en de Inlanders.(zie het detail; hoe een inlander naar een blanke kijkt!) De feesten, pekara’s etc.En dat alles nb.door een Hongaar!;Péter Forgács(Boedapest 1950) 300 filmminuten! Dus 5 uren!! (Een 8 tal schermen, mi.ietwat te veel van het goede!) Echter, een must!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s