‘Alleen de wind is als vroeger´

Instructies voor evacuatie met een troepenschip

Uit Het Dagblad, Batavia, 15 februari 1946:

“Hoe zullen wij het straks aan boord hebben?”: het is een vraag die allen, die voornemens zijn te evacueren of te repatriëren, in meerdere of mindere mate bezig houdt.
Om nu te grote teleurstellingen van hen die het beeld van een vooroorlogse zeereis nog voor ogen hebben te voorkomen, en anderzijds de verhalen van pessimisten over gruwelijke ontberingen aan boord tot de ware proporties terug te brengen, meent het Centraal Evacuatiebureau goed te doen, ten behoeve van alle belanghebbenden, een korte beschouwing te geven over de schepen waarmee de evacuatie plaatsvindt.

Evacuees a/b van de Klipfontein, bij aankomst in Amsterdam, augustus 1946.

Evacuees a/b van de Klipfontein, bij aankomst in Amsterdam, augustus 1946.

Voorop staat, dat de ter beschikking gestelde vervoersgelegenheid uitsluitend bestaat uit troepenschepen. Aangezien er geen gelegenheid is geweest de troepenschepen geschikter te maken voor het evacuatievervoer, betekent dit dat de evacuees en repatriërenden — met uitzondering van ernstig zieken, die kunnen reizen met het speciaal voor ziekenvervoer ingerichte m.s. „Oranje” ongeveer dezelfde ervaring zullen moeten ondergaan als in de afgelopen jaren miljoenen geallieerde soldaten Om het onze reizigers, en vooral de vrouwen en kinderen onder hen, op deze drijvende kazernes iets ruimer te geven, wordt voor evacuatie slechts een gedeelte van de capaciteit der schepen benut.   

Inrichting van de schepen

De inrichting van de troepenschepen is verschillend naar gelang zij zijn verbouwd door het British Ministry of War Transport (B.M.T.W.), of door het Amerikaanse departement van oorlog. De passagiersschepen van den Rotterdamsche Lloyd, de Stoomvaart Mij. Nederland, en de K.P.M., zoals de Sibajak, Johan van Oldenbarnevelt, Boissevain, Ruys, Indrapoera, Nieuw-Holland, Johan de Witt en Tegelberg zijn omgebouwd door het B.M.T.W.. Aan boord van deze schepen wordt geslapen in hangmatten en op matrassen op de grond. Elke morgen moeten de hangmatten worden opgeruimd. Het nachtverblijf dient namelijk tevens tot dagverblijf, waar ook de maaltijden worden gebruikt.

De door het Amerikaanse ministerie van oorlog ingerichte schepen zijn de Tjisedane van de Java China Japan Lijn (J.C.J.L.) en de hier welbekende vrachtschepen als de Kota Baroe, de Kota Agoeng, de Tabinta, Japara, Weltevreden en ook schepen als de Klipfontein, Boschfontein, Sommelsdijk, Sloterdijk. De slaapgelegenheid wordt gevormd door ‘standees’, een raam van stalen buizen waartussen zeildoek is gespannen.
Deze standees zijn dikwijls tot vijf boven elkaar in de ruimen opgesteld. In verband met het feit, dat niet de volle capaciteit wordt benut, zal deze vijfde verdieping op de evacuatieschepen vaak onbezet zijn. Maaltijden worden in een afzonderlijke, speciaal daartoe ingerichte ruimte gebruikt.

Alleen de wind is als vroeger

De toiletten en wasplaatsen zijn, meer in het bijzonder op de voor het Amerikaanse vervoer ingerichte schepen, naar ons idee weinig vrij. Zowel de toiletten als de douches en wasbakken zijn ondergebracht in een ruimte zondere enige afscheiding. Ook hieruit zal het duidelijk zijn, dat de mannen en vrouwen afzonderlijk moeten worden ondergebracht en dat het derhalve niet mogelijk is, om gezinnen bij elkaar op het schip te huisvesten. Echtgenoten wordt dan ook aangeraden hun handbagage gesplitst te houden.
Op alle schepen is nog enige accommodatie in de vorm van hutten of dormitories aanwezig. Het reizen in deze accommodatie is uiteraard aangenamer dan op de bovenbeschreven wijze, temeer waar de maaltijden dan genuttigd worden in de eetzaal. Wie voor deze betere accommodatie in aanmerking komen, wordt uitsluitend beslist door de heren doktoren, aangewezen voor het betrokken schip, op het ogenblik van embarkement.
De dekstoelen zijn op troepenschepen helaas onbekend, alleen de frisse zeewind is nog even opwekkend als vroeger; salonaccommodatie en algemene inrichting zijn op alle schepen verschillend. Eveneens de rantsoenering van de watervoorraad. Hiermede kan men het dus meer of minder gunstig treffen. Van de gelegenheid om kleren te wassen moet men zich vooral niet te veel voorstellen.
De voeding is eenvoudig doch goed.

Geen tijd voor bloemenhulde

Brief m.b.t. evacuatie gezagvoerder Gouvernements Marine F.J. Somers

Brief m.b.t. evacuatie gezagvoerder Gouvernements Marine F.J. Somers

Wat het meenemen van bagage betreft is men natuurlijk in hoge mate afhankelijk van de ruimteverhoudingen. De hiervoor beschikbare ruimte in de verblijven is zeer gering zodat voor handbagage, die men bij zich kan houden, volstaan moet worden met één handkoffer of valies. Daarnaast kan in het algemeen één hutkoffer worden opgegeven als bagage voor de reis, hetgeen inhoudt, dat men gedurende de reis een of tweemaal gelegenheid krijgt om hierbij te komen.
Wat verdere bagage betreft, dient men er rekening mee te houden dat deze op de truck naar Priok meegenomen moet kunnen worden. Het bagagevraagstuk moet evenwel voor ieder schip, naar gelang van de indeling en mogelijkheden, afzonderlijk worden bekeken. Zo kan het voorkomen, dat tijdens de reis in het geheel geen gelegenheid bestaat om bij de ruimbagage te komen. Afwijkingen van de algemene regel die hierboven is weergegeven, zullen van tevoren aan degenen, die voor een bepaald schip zijn geboekt, worden bekendgemaakt, opdat men niet voor onaangename verrassingen komt te staan.

De inwendige dienst van een troepenschip vereist strenge handhaving van orde en regelmaat. Men zal gemakkelijk inzien, dat bij de ietwat volle samenleving aan boord een vaste leiding geenszins overbodig is. In het belang van deze samenleving en de veiligheid is een ieder verplicht zich aan de scheepsdiscipline te onderwerpen en de voorschriften na te leven, ook al kunnen deze wel eens onbegrijpelijk en overdreven schijnen. Een sportieve aanvaarding van deze vreedzame dictatuur is in vele gevallen voor Uw eigen stemming en dus voor de stemming aan boord beslissend.
Voor het gebruikelijke afscheid aan boord en de bloemenhulde is geen plaats. Wegbrengers – ook al hebben zij niet de bedoeling om verstekeling te worden – kunnen aan boord niet worden toegelaten.

Afronding van jaren van ellende

De beschouwing, die u hierboven werd gegeven, laat er geen twijfel over bestaan dat een reis met een troepenschip in geen enkel opzicht de vergelijking kan doorstaan met de zeereizen van vroeger en – laten wij hopen – van de naaste toekomst.
Laat men echter niet vergeten dat deze reis slechts een periode is van vier weken, waarin men zich veel moet ontzeggen, waarin men elkander moet begrijpen en verdragen, maar vooral: dat dit de laatste periode is van de jaren van ellende. Als men dit van tevoren beseft, kan het niet anders of deze zeereis — al is het op een troepenschip — zal de passagiers goed doen en menigeen zal er wellicht later nog een prettige herinnering aan bewaren.

x

Dit bericht werd geplaatst in 4. Nederlands-Indië overzee en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

16 reacties op ‘Alleen de wind is als vroeger´

  1. Helaas zijn op de ms Nieuw Amsterdam honderden kleine kinderen ziek geworden en aan mazelen en de complicaties daarvan gestorven. Onder hen drie van mijn vriendjes. Uit het gezin Hilfman bleef van de drie kinderen er maar één over.

  2. R Geenen zegt:

    “Hoe zullen wij het straks aan boord hebben?”

    Veel erger was het voor die mensen, vooral voor alleen staande moeders zoals de mijne, die van de regering nee op het rekwest kregen om ook naar Nederland te mogen en de ellende ter plekke te mogen ontlopen.

    R Geenen

    • 1947 , ik was 18 jaar en had net de HBS afgerond in Bandung. Dire jaar in 1 jaar. hoe heb ik dat gedaan? Ik wilde naar Holland om Indisch Recht te studeren, maar wij hadden geen cent . Heb mij toen aangemonsterd, aan de kapitiein van de Johan van Barneveld gevraagd of ik voor hem kon werken om zo de overtocht te betalen. Mocht, ik moest een ruim met ik weet niet meer hoeveel hangmatten schoonmaken en de WC’s. Joty ter Kulve

      • R Geenen zegt:

        Geweldig Joty, heb respect daarvoor.
        Misschien vertel ik op deze site hoe wij aan 12000 guldens kwamen om de overtocht zelf te betalen. Maar daar moet ik nog een nachtje over slapen.

        Ronny

  3. Ed Kerkhoven zegt:

    Ik dacht altijd dat de Nederlandse regering voor de overtocht betaalde. Ik was 9 jaar oud op de “Japara” van 28 feb. tot 28 maart 1946. Mijn ouders, 2 jaar oudere broer en 5-jaar jongere zuster waren ook op dat schip. We sliepen op het dek, want beneden was het ondragelijk toen we op de Indische Oceaan voeren. Ik emigreerde in 1959 naar Canada met het schip “de Groote Beer”; de reis duurde 8 dagen en het kostte 350,00 gulden. Het was gesubsidieerd en ik betaalde het laagst mogelijk bedrag omdat ik het jaar daarvoor geen belasting hoefde te betalen. De “Groote Beer” was een luxe schip vergeleken met de “Japara”. Ed

    • R Geenen zegt:

      Ik dacht altijd dat de Nederlandse regering voor de overtocht betaalde. Ik was 9 jaar oud op de “Japara” van 28 feb. tot 28 maart 1946. Mijn ouders, 2 jaar oudere broer en 5-jaar jongere zuster waren ook op dat schip. We sliepen op het dek, want beneden was het ondragelijk toen we op de Indische Oceaan voeren. Ik emigreerde in 1959 naar Canada met het schip “de Groote Beer” de reis duurde 8 dagen en het kostte 350,00 gulden. Het was gesubsidieerd en ik betaalde het laagst mogelijk bedrag omdat ik het jaar daarvoor geen belasting hoefde te betalen. De “Groote Beer” was een luxe schip vergeleken met de “Japara”. Ed

      Dat dacht je maar. Een complete family wordt nog voorgeschoten, maar als de vader al vermoord is, en hij had geen belangrijke positie gehad en ze vinden een reden om je in de stront te drukken, gebeurde dat. Mijn moeder heeft zelfs geprobeerd met een 50% lening van het gouvernement en de rest zelf betalen. Ook dat werd afgewezen. Ik was toen maar 13 jaar, maar als ik er vandaag aan terug denkt wordt ik nog steeds pissig. Het is misschien maar goed ook dat ik niet meer in Nederland woont.

      R Geenen

      • Jan A. Somers zegt:

        Mijn vader en moeder en zus, gratis, met recuperatieverlof in juli 1946. Ikzelf ook gratis, als corveeér van het Rode Kruis, met ƒ 100,– toe. De britsen in het ruim waren vier hoog. Omdat je als evacué een beetje zielig was, waren van die vier maar twee in gebruik. Die andere twee waren voor je bagage, dat stelde toch niets voor.

  4. Robert Fermin zegt:

    Ik was bijna tien jaar oud toen mijn moeder en ik met de “Kota Baroe”, vrachtschip, met 300 man uit Tandjong Priok, Batavia in April 1947 vertrokken. Wij sliepen op pseudo stretchers boven op elkaar in het ruim van het schip. Het was zo heet dat wij maar aan dek bleven voor de eerste dagen. Na twee dagen stopten de motoren en dreven wij voor een dag rond. Ik zal ook nooit het beeld van moeder vergeten aan dek bij het verlaten van de kust van Java, waar zij en ik geboren en getogen waren voor goede tijden met een later tragisch einde met het verlies van de helft van onze familie in de Bersiap periode. Mijn volgend avontuur was toen het schip aan de grond liep, ´s nacht, bij de ingang van het Suez Kanaal. Ik dacht ‘hoe fortuinlijk’ toen overdag nog het kanaal te zien voorbij trekken in vol daglicht dank zij die stranding. Een cadeau onder slechte omstandigheden. Port Said was dan ook een hele ervaring met goochelaars en tapijt verkopers die aan boord kwamen en maar zeiden “Kijken , kijken maar niet kopen”. Ook had ik nog nooit een gochelaar gezien speciaal met de kuikentjes onder de koperen kopjes. Dan ook die hele jonge jongens die onder het schip door doken om munten te vangen. Aankomst in Rotterdam in hevige kou, zelfs al in April van dat jaar, was een openbaring voor mij op die jonge leeftijd.
    Nu, zeven en zestig jaar later, denk ik vaak hoe wij allen zoveel moesten verwerken op zo’n hele jonge leeftijd……

  5. Wij waren met de Nieuw Amsterdam op 10 april in Rotterdam aangekomen. Ik kan mij niet
    herinneren dat er mazelen aan boord waren, ik was toen bijna 12 jaar oud. Sliepen in een hut
    met nog 6 andere mensen. Mijn familie bestond uit moeder, ik, zusje broertje. Vader sliep in het
    ruim met andere mannen. Wij als kinderen genoten van de trip. De laatste nacht in het kanaal tussen engeland en Nederland was spannend omdat er nog mijnen waren, we moesten met
    een reddingsvest aan slapen. Er was plenty te eten in de eetzaal, het was een feest iedere
    maaltijd.

  6. wat de terugreis van onze familie betreft, kan ik me het volgende heel goed en duidelijk herinneren.
    we gingenhalf april 1946 in colombo aan boord van de “ruys”, een tot troepentransportschip omgebouwde kpm-er. ongeveer 800 mensen bevolkten het schip. in ataka het door velen beschreven ritueel van de rit met de trein van de kade naar het barakkenkamp waar men kleren kreeg, uitgebreid kon eten en waar een big band dans muziek uit die tijd speelde men beweerde dat de mucisi duitse krijgsgevangenen waren , ik vond het prachtig: twintig van die ,op volle kracht, lekker rhytmische muziek voortblazende mannen !
    in amsterdam aangekomen, werden we snel in gereedstaande bussen geleid die ons met de handbagage die we intussen hadden verzameld, afleverden op de aangegeven adressen. onze bus reed naar soest, toen naar amersfoort, dan naar apeldoorn via de schipbrug deventer in, waar we een alleenstaande dame in de boedekerstraat[ ik vond dat een rare naam, en daarom kon ik hem de rest van mijn leven onthouden] afleverden . nu reden we naar bathmen, ten oosten van deventer. bij de zuivelfabriek stopte de bus en ik sprong er als eerste uit. mijn tantes en oom waren sprakeloos: hun neefje was een europeese jongen van 12 jaar, en zag er uit als bijna alle jongens van die leeftijd die zij kenden. toen bleek dat ik ook gewoon, weliswaar “stads “nederlands sprak, was de verbazing compleet. hoe kon dat nu: in indie liep iedereen toch halfnaakt, en op blote voeten door het oerwoud?
    over de periode die toen begon zal ongetwijfeld ooit een verhaal worden geschreven, het is te schilderachtig en te beeldbepalend om er aan voorbij te gaan.
    zoals de meesten van de gerepatrieerden , waren mijn ouders hun gehele hebben en houden in indie, door die rotoorlog kwijt geraakt.. de nederlandse periode van onze familie werd gekenmerkt door een tijd van zien terug te krijgen hetgeen mogelijk was terwijl ieder dubbeltje twee keer moest worden omgedraaid vopor het kon worden besteed. maar toch: berooid als men was, men leerde van de nood een deugd te maken, je kan ook stellen dat we er in slaagden om van niets, iets te maken.
    begin 1948, ontving mijn zieke, en door leeftijd en verblijf in het japanse kamp, niet meer tot werken in staat zijnde vader ,een brief van het ministerie van kolonien, of de opvolger daarvan, waarin men eerst nadrukkelijk stelde dat het gezin varenhorst thans in nederland verbleef; dat wij de reis uit ned. indie naar “patria”niet zelf hadden betaald, terwijl toch duidelijk was dat daaraan grote kosten waren verbonden; dat het mijn vader zeker duidelijk zou zijn dat de nederlandse regering voor de wederopbouw van het “vaderland “iedere cent hard nodig had; en dat het derhalve, niet meer dan billijk zou zijn , om de van regeringswege voorgeschoten reiskosten voor vier, volwasssenen, thans, integraal terug te betalen, en wel per omgaande.
    was getekend
    wat mijn arme pa allemaal heeft geprobeerd om onder deze , als buitengewoon unfair ervaren maatregel uit te komen, en hoe lang hij daarmee bezig is geweest, weet ik niet meer. ik herinner me dat , pas toen ik in 1954 mijn hbs-diploma haalde, hij opgeluchter door het leven leek te gaan maar hij had, iedere cent, weliswaar in joost mag weten hoeveel termijnen terugbetaald, wij hadden ,bij de nederlandse regering geen schulden meer !
    nu, na al die jaren vraag ik me wel eens af of er sprake kan zijn van een schuld van het vaderland aan zijn landgenoten… hoe zit dat toch ?
    peter varenhorst

    • R Geenen zegt:

      >>>>>>>>nu, na al die jaren vraag ik me wel eens af of er sprake kan zijn van een schuld van het vaderland aan zijn landgenoten… hoe zit dat toch ?
      peter varenhorst<<<<<<<

      Jouw verhaal herken ik als zijnde de mijne.
      Ook ik heb dezelfde vragen.
      Je heb Joden en Indischen!

      R Geenen

  7. Johannes F De Clercq zegt:

    Beste..;

    Is er iemand die familie heeft die toen op 8 Juni 1949 met de groote beer is afgereist naar Nederland? Mijn vader Aart Bleijenberg (geboren op 17 Augustus te Heerlen)was toen ook op dit schip en ik probeer zoveel mogelijk informatie te verzamellen omtrend zijn verblijf in Indonesie en teven zijn terug tocht naar Nederland.
    Alle mogelijke informatie is van harte welkom en word natuurlijk ontzettend gewaardeerd.
    Mijn vader is inmiddels overleden en ik probeer een beter beeld te krijgen over zijn jaren in het leger.

    Met vriendelijke groet

    Johannes F De Clercq

  8. Daniela zegt:

    Zijn er mensen of familieleden van mensen die indertijd de reis met de Boissevain (Priok-Amsterdam, 19 januari 1946 – 16 februari 1946) hebben meegemaakt en mij iets meer kunnen vertellen? Mijn vader en zijn broer waren als corveeërs aan boord en ik probeer de geschiedenis te reconstrueren. Mijn email adres: resors@solcon.nl

    • buitenzorg zegt:

      In het blad Aanspraak van de SVB/Pur van deze maand staat een interview met Jan Zweens (1933). Hij reisde met ouders en broertje met Boissevain naar NL en arriveerde daar in mei 1946, – dus één reis later dan waar jij op doelt. Misschien van nut?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s