De tropische adem van Bandoeng

Door Joke de Jonge

Het echtpaar Jos de Jonge (1924-2012) en Jopie Tax (1922-1990)

Het echtpaar Jos de Jonge (1924-2012) en Jopie Tax (1922-1990)

De tijd glijdt voorbij in mijn vaders bijna ontmantelde kamer in het Beschermd Wonen-huis. Tussen stilgelegde elektrische snoeren, stapels krantenknipsels en volgekrabbelde blocnotes zit ik op een overgebleven krukje met een pakketje vergeelde papieren op schoot. De afgelopen minuten verkeerde ik diep ontroerd ineens heel ergens anders: in 1949 en met de tropische adem van Bandoeng in mijn nek.
‘Mijn liefste meiske …’ lees ik. Een aantal flinterdunne luchtpostblaadjes verder, zie ik als aanhef ‘Liefste Joke’ staan. Ik knipper met mijn ogen en kijk of ik dat goed gezien heb. Mijn vader en moeder – Jos en Jopie – gaven mij de naam Joke. Nooit maar dan ook nooit heb ik mijn vader mijn moeder met Joke in plaats van Jopie horen aanspreken. Wat bijzonder om te ontdekken dat er meer bestaat dan die waarneming. De schat op mijn schoot bevat zo’n 180 brieven die hij haar schreef tussen februari en augustus 1949, toen híj nog in Indië en zíj al in Nederland was.   

Hollandse steun

Mijn vader, die na haar overlijden ruim twintig jaar geleden zijn roer volledig kwijt was, werd uiteindelijk gered door ‘Beschermd Wonen’, met structuur, individuele zorg en liefdevolle aandacht. Terwijl ik me die laatste twintig jaar heel bewust was van zijn psychiatrische achtergrond dringt het nu bijna verbaasd tot me door dat er heel vroeger een periode was, waarin hij de steun en toeverlaat van mijn moeder vormde. Zevenentwintig was ze toen zij als oudste dochter van het gezin Tax en als oorlogswees moest bedenken hoe het nu verder moest met haar en haar broertjes en zusjes. Allemaal waren ze op het weelderige Java geboren en daar, omringd door liefdevolle baboes, opgegroeid. Het kille land waaruit ze met het grootste deel van haar genen voortkwam, Holland, was voor haar vooral nog een hol begrip. Ze kende het alleen maar indirect, uit alle verhalen en platte plaatjes in boeken. Maar na alles wat er in de Jappenkampen over hen heen kwam en in de periode daarna gebeurde, leek naar Holland gaan de enige uitweg te zijn. In die situatie kon ze wel wat steun en liefde gebruiken. De schuchtere, in Rotterdam geboren Jos, die als vrijwilliger op Java belandde, kwam precies op het juiste moment op haar pad. Hij zorgde ervoor dat zij de grootste oversteek in haar leven durfde te maken, en regelde allerlei zaken. Zelf zou hij pas ruim een half jaar later naar huis terug kunnen keren en zich bij haar voegen.

Schaamte

Op de zaterdagse markt in Hilversum, waar wij vanaf 1959 woonden en opgroeiden, speurde ze altijd rond naar andere Indische mensen. Alsof ze op kilometers afstand lotgenoten rook. Geknikt werd er als ze die ontwaarde. Of ze gesprekken met elkaar aanknoopten herinner ik me niet meer. Wel dat zij van al het fruit dat ze wilde kopen, eerst het bakje omdraaide waarin het zat om te zien of de onderste aardbeien of kersen ook nog wel goed waren en ze niet bedonderd werd. Ik schaamde me dood, ook als ze probeerde af te dingen. Omdat ze heel bescheiden was, vond ik dat helemaal niet bij haar passen. Toen wist ik nog niet dat zij niet anders kende. Geloof het of niet, maar ik koop al jaren geen fruitbakje op de Albert Cuypmarkt zonder dat eerst om te draaien.

De familie Tax-Mehlbaum, grootouders van de schrijfster

De familie Tax-Mehlbaum, grootouders van de schrijfster

Een jaar of zestien was ik toen ik er ineens alles van wilde weten hoe het vroeger voor mijn moeder moest zijn geweest. Hoe haar leven eruit had gezien en wat zij allemaal meemaakte toen ze jong was. Hoe het zou zijn gegaan als er geen oorlog was geweest. Met mijn blonde haar en blauwe ogen was ik meer dan gebiologeerd door het Indische deel van mijn verleden. Heel graag had ik een wat getint omhulsel gehad, zodat mijn warmere wortels herkenbaar zouden zijn geweest. Waarom? Ik heb geen idee, maar dat verlangen ken ik al mijn hele leven. Misschien vooral door onze opvoeding, hoewel mijn zus en broer veel minder met onze familiegeschiedenis bezig zijn. Ik bestookte mijn moeder in die tijd voortdurend met vragen. ‘Hoeveel Indonesisch bloed heeft u en heb ik dus? Wat zou u hebben gedaan als er geen oorlog was geweest? Wat zou u hebben gestudeerd? Wat zou u zijn geworden?’

Tijdens de afwas

‘Geen idee, kind’, antwoordde mijn moeder altijd laconiek, die vraag leek haar totaal niet te boeien. Maar als ik het perse wilde weten: zij was een kwart of een achtste Indonesisch. Ik kon dus helaas maar op een achtste of een zestiende rekenen, al was het gevoel bij mij heel anders. Ik identificeerde mij met veel meer dan dat minieme deel. Zo herinner ik mij uit mijn jeugd haarscherp een gevoel van ‘tegen de Jappen’, terwijl ik me dat ten aanzien van Duitsers nauwelijks herinner. Niet dat wij met haat tegen wie dan ook werden opgevoed, het komt meer door mijn soms wat te grote inlevingsvermogen. Al ben ik inmiddels 58 en vind ik mezelf een weldenkend en evenwichtig mens, ik zal het niet in mijn hoofd halen om ooit naar een Japanse film te gaan. Alleen al die stemmen te moeten aanhoren, waarbij ik zeker weet dat ik onmiddellijk mijn moeders vertrokken gezicht voor me zie. Nét zo vertrokken als die keer in Luxemburg, toen ik haar nietsvermoedend liet zien dat ik erin geslaagd was een half emmertje vol slakken te vangen. Ik wilde haar net vertellen dat je daar bij het plaatselijke restaurant geld voor kon krijgen, maar mijn enthousiasme werd in een seconde de nek omgedraaid toen ik haar gezicht zag. Vanaf die dag wist ik hoe je pijn in een gezicht kunt lezen.

Al was zij terughoudend, ik bleef toch maar vragen, zogenaamd spontaan onder de afwas, even samen in de keuken. Dat waren momenten waarop ik haar nog wel eens iets kon ontfutselen. Met opzet keek ik haar daarbij niet aan.
‘Kikkeren’ zei ze een keer heel aarzelend. Met een stem alsof ze een week niet gepraat had. ‘Dat lieten ze ons doen, urenlang in de brandende zon, kikkeren …’ Al was ik een spraakwaterval, ik wist ook wanneer ik moest zwijgen. Snel ging ik naar de bibliotheek om een boek van Jeroen Brouwers te halen, dat me vast wel wijzer zou maken over kikkeren. Dat ze moesten buigen in de Jappenkampen wist ik natuurlijk al lang. En dat dat appel heette ook, maar kikkeren was ik nog nooit tegengekomen.

Herkenning

Omdat haar zussen op reis naar Indonesië gingen, maar ik haar er nooit over hoorde, vroeg ik of zij die behoefte niet had.
‘Ik hoef niet terug, dat geeft alleen maar teleurstelling, niets is toch meer zoals het toen was, dus wat heeft het voor zin?’ Haarfijn drukte ze zo uit dat het Nederlands-Indië in de vorm van het toenmalige paradijs van de aardbodem verdwenen was. En dat was waarnaar ze terugverlangde. Dat rook ze toen ze het vliegtuig op Madeira uitstapte en haar neus de vleugen mimosa gewaar werd. Op die foto staat ze lachend van oor tot oor. Om eerlijk te zijn vind ik de geur van mimosa licht verstikkend, weeïg en mierzoet. Maar als ik haar vroeger wilde verrassen en blij maken, kocht ik zo’n bosje felgele bolletjes voor haar. Dat zat om een of andere reden altijd in plastic verpakt. Heimwee, gevangen in een geurige, gele pluim.

Ik las alles wat los en vast zat over toen en daar en mijn moeder hield ook erg van lezen. Dat verbond ons zeer en al snel raadden we elkaar mooie boeken aan. Door de omstandigheden had zij weinig schoolopleiding, aangevuld met Schoevers, en sprak ze geen Engels, Duits of Frans, maar ze had de wijsheid van iemand die al een leven achter zich heeft. Op haar verjaardag in 1979 gaven wij haar ‘want ik heb uw vader gekend’ en ‘je kunt niet altijd huilen’ van Annemie Mac Gillavry. In 1981 volgde als verjaardagscadeau ‘Nu wonen daar andere mensen’ van Margaretha Ferguson. Prachtige boeken vond ik het, waar ik van genoot. En wat vond ik het fijn dat er zo een manier ontstond waarop zij wel over sommige herinneringen van toen kon praten.

Pas heel veel jaren later ontdekte ik zélf een manier waarop ik vorm kan geven aan Indië en mijn Indische gevoelens. Als kinderboekenschrijfster waagde ik het een paar jaar geleden erop een uitgeverij te benaderen met een bijzonder voorstel. Ik vroeg of ik eens kon komen praten over een idee voor een nieuw boek, ‘Historische Helden.´ Gelukkig kreeg ik de gelegenheid uit te leggen wat ik wilde: een kinderboek schrijven over al die mensen in Indië, die, vaak slachtoffer geworden van de omstandigheden, zich als helden hebben gedragen.
Ik moet voldoende overtuigend zijn geweest. Het mocht.
Inmiddels heb ik alweer een tweede kinderboek over Indië geschreven, dat ik gebruik bij mijn schoolbezoeken voor het Indisch Herinneringscentrum.
Ergens moet die tropische adem van Bandoeng toch heen …

x

Joke de Jonge (1955) is kinderboekenschrijfster. Van haar verschenen:
‘Strijd overzee – Soldaat in Nederlands-indië’, verschenen bij uitgeverij Niño in 2009, illustraties Jolet Leenhouts. Voor 9 – 12 jaar.
‘Een schatkist vol geheimen’, verschenen als Leesleeuw bij uitgeverij Zwijsen in 2013, als speciaal uitgaafje uitgegeven en te koop bij het IHC. Illustraties Juliette de Wit. Voor 9 – 11 jaar.

Dit bericht werd geplaatst in 4. Nederlands-Indië overzee en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

19 reacties op De tropische adem van Bandoeng

  1. Rob Cassuto zegt:

    onroerend om te lezen. Zat moeder in kamp Tjihapit in Bandung?

    • Ze zat in meerdere kampen, begrepen we via een van mijn tantes. Eerst vlakbij Kediri in niet afgesloten kamp in dorp Kwarasan, daarna noodopvang in Ambarawa en later in Banjoebiroe, kamp 10. Haar vader en twee oudste broers zaten wel in Tjihapit.

  2. Frans Haaken zegt:

    Wat een prachtig verhaal, ik herken me zelf er in, zeer bedankt.

  3. prachtig verhaal, wanneer gat het heimwee gevoel naar tempodoeloe over.
    Ben na 60 jaar even teruggegaan naar Bandoeng, het is er niet meer helemaal, maar toch ……
    zelfs van ons huis hebben ze een kantoor gemaakt, huilen geblazen !!!! Wanneer houdt het op ???

  4. Ik ben echter niet van plan om ooit terug te keren naar Java waar ik geboren ben in 1938.
    Herinner me de tijd van Surabaja en Bandung waar ik met mijn vader dikwijls naar de platages suiker, thé en rubber ging.
    Pa vond het belangrijk dat zijn kinderen wisten hoe al die prachtige plantages functioneerden en was trots op mij dat te laten zien.
    Mijn vader werkte voor ” Tiedeman en van Kerchem” ( de zaak bestond 100 jaar in 1954 )
    Ik zelf was die dag ook aanwezig in Bandung.
    Mijn jongste zoon (40 jaar) een Frans man, is net in Bandung en Surabaja geweest dus in 2013.
    Na alle verhalen en foto’s gezien te hebben van zijn moeder, had hij een grote behoefte daar te gaan speuren.
    Hij praat zelfs al wat Behasa.
    Ik waardeer dit geweldig ,wetende dat ik,dus, absoluut niet al de veranderingen van mijn verre jeugd uit de periode van 1948 en de jaren in 1950 op Java heb doorgebracht.
    Alles is nu anders dat weet ieder mens en die behoefte, om het anders, is voor mij niet nodig te beleven.
    Uw verhaal is inderdaad prachtig beschreven.
    Merci.

  5. J.Michiel Alma , Langweer zegt:

    Heel goed dat “Joke” op tijd is gaan vragen . Ik had ruim de kans , mijn
    moeder ( Salatiga , 1904 ) werd 94 , maar ik heb verzuimd , en daar spijt van .
    een veel herinneringen en weemoed oproepend verhaal , dank ,

    Michiel Alma

  6. Ed Kerkhoven zegt:

    Mijn wijlen neef, een tuan besar voor een Amerikaanse bank in de 1970’s, zei steeds tegen mij dat ik met vacantie terug moest gaan naar Bandung om een streep achter mijn verleden te kunnen zetten. Ik kende de theeplantage Gambung in 1941; als kinderen mochten we spelen met de wagentjes op de rails. ’s Avonds was er een groot kampvuur en mij werd verteld door de bedienden dat de apen in de bomen, toekeken. Het was een heerlijke tijd. Maar die tijd bestaat niet meer. Mij werd ook verteld dat ik naar de graven van mijn over-grootouders moest gaan om de vloek op de familie te verbreken. Dat kan ik niet. Ik moet blijven leven met tempoe doeloe zoals het was. Het bezoek aan Bandung zou een grote teleurstelling kunnen zijn. Het verleden kan niet meer terug gebracht worden. Ik ben Indisch opgevoed met Indische gevoelens en die mogen niet verbroken worden. In Tjihapit liep ik langs de slokans om slakken te vinden; mijn moeder sneed de koppen eraf en maakte een heerlijk “diner” op een vuurtje met gestolen lichtgas d.m.v, een binnenband van een fiets. De vrouwen in dat huis klaagden steen en been dat de jap erachter zouden kunnen komen. Zo’n maaltijd vergeet je nooit.

  7. Surya Atmadja zegt:

    Ik ken tientallen Indische Nederlanders die bewust de bersiaptijd hadden meegemaakt .
    En veel van hun waren terug gegaan om hun oude plekjes nog 1x te zien.
    In het begin met veel moeite en vragen
    De meesten komen meer dan 1x terug .
    Velen hadden geen spijt gekregen.Ze hebben spijt dat ze niet eerder hadden gedaan .
    Zo lang ze geld hebben en hun gezondheidstoestand dat toelaten zijn ze van plan om weer terug te gaan.

    • petbar zegt:

      Ja, natuurlijk is Bandung veranderd, zoals alle steden veranderen, ook in Nederland.Maar toch, ik denk dat in Bndg.nog heel veel van de tempo doeloe
      huizen terug te vinden zijn. Ik groet alle Javapost lezers vanuit Bndg.

    • Jan A. Somers zegt:

      Ja, die bersiap was wel heel heftig, maar is voorbij. Een (heftige) windvlaag, daarna gaat het leven verder. Geschiedenis was ‘toen’. Ik leef nu. Met op mijn werk Japanners, met mijn studie en werk Indonesiërs. Nou en? Gewone mensen toch, net als u en ik?

  8. Joke, wat een ontroerend verhaal en heel herkenbaar. Je weet dat mijn moeder vroeg is overleden en dat ik weinig weet van haar oorlogstijd. Door verhalen zoals dit krijg ik daar toch steeds weer een helderder beeld van. Dank je wel.

  9. Caro Werst zegt:

    In één adem gelezen Joke, dank dat je dit wilde delen!

  10. Dag Joke,

    wat een mooi verhaal. Ik herken delen uit ‘Soldaat overzee’.
    Ik wist niet dat het zò dicht bij je eigen geschiedenis kwam.
    Jammer dat het tweede deel dat er nog niet van kwam.
    Zou zeker de moeite waard zijn.
    Jolet Leenhouts

  11. Karin van Lieshout zegt:

    Ontroerend verhaal, Joke. Fijn dat je op deze manier vorm kunt geven aan jouw Indische gevoelens. Wij zijn ook heel blij met het verhaal voor Leesleeuw.
    Mijn man is in Indonesie geboren, en we zijn samen 1 keer teruggeweest. Ook naar Bandung. Ik zou graag nog eens teruggaan, zo’n mooi land maar ook zo’n rijke geschiedenis.

  12. Jop Delfos. zegt:

    De boven staande verhalen doen me weer herinneren naar mijn eigen tijd in Indonesie. In Soerabaja geboren, heb ik mijn langste tijd in West Java, Preanger, Pengalengan, door gebracht. Dus ook in Karees, Tjihapit en 15de Bat. gezeten, zoals zo velen in deze rubrieken. Wij wonen nu beina 60 jaar in Perth en heb mijn vrouw in 1991 mee genomen naar Indonesia, om haar te laten zien waar ik gewoont heb. Bandoeng was toen nog zeer goed te herkennen, maar ons huis op de thee onderneming ‘Poerbasarie’ was verbrand. Nu stond daar een veel beter huis voor in de plaats. De manager en zijn vrouw waren zeer gastvrij, toen ik vertelde waarom wij daar waren. Bij afscheid gaven zij ons drie 1Kg pakken thee mee, als herinnering!!
    Toen wij in 2011 80 werden, hebben wij onze drie zonen en hun vrouwen mee genomen naar Bandoeng, om hen te laten zien, waar ik hoofdzakelijk opgroeide. Dit maakte mijn Levens verhaal dat ik voor hen geschreven had meer betekenend.
    Dit keer was er wel weer meer veranderd, maar ik kon toch de kampen laten zien en ook weer de onderneming. Nu was er een andere manager en gezin, maar net zo gastvrij, toen we daar met ons allen onverwachts aan kwamen. Ook nu bij afscheid kregen wij allen een pak thee mee als herinnering.
    De mensen zijn steeds zeer vriendelijk en het land blijft toch nog even mooi.
    Keep up the stories!

  13. Wilhelm Paul von Grumbkow zegt:

    Met de hulp van :http://showmystreet.com/ kan men ieder plekje op de wereld bekijken , dus ook Bandung, probeer het maar.

    • Surya Atmadja zegt:

      Heb geprobeerd om mijn oude ouderlijke huis LaanTrivelli Batavia-Jakarta te bekijken.
      is gelukt , bedankt

      Beter dan streetdirectory of mss google map.

  14. Wat een mooi en ontroerend verhaal over je man, pap en jezelf! Dank je wel voor het delen.
    Hoor jij ook tot de “gastdocenten”?

  15. In zekere zin wel, maar ik ben geen gastdocent zoals die bij het Indisch Herinneringscentrum actief zijn. Ik ben geen eerste, maar tweede generatie, dus geen ervaringsdeskundige. En ik richt me vooral als kinderboekenschrijver tot kinderen in de klas. De afspraken over mijn auteursbezoeken worden dan ook geregeld via de stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). Wel kan iedereen terecht bij educatief medewerker Marlien de Kruijf van het IHC voor informatie en vragen erover. Op mijn websites http://www.boekenvanjoke.nl (zie Nieuws) en http://www.dejongeteksten.nl is er meer over te lezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s