Oorlogsjeugd in Soerabaja (III)

Het protestants meisjesweeshuis, Van Hoogendorplaan 93, Soerabaja

Het protestants meisjesweeshuis in Soerabaja (opgericht in 1854) werd sinds 1936 geleid door directrice Addy Duvekot. In september 1943, toen zij door de Japanners werd geïnterneerd, werd haar taak overgenomen door mevrouw Kyander (de kinderen noemden haar ‘Oma’) die door haar Finse herkomst buiten het kamp wist te blijven. Mevrouw Kyander loodste het weeshuis verder door de oorlogsperiode, zij het niet zonder kleerscheuren.
De Java Post publiceert haar verslag in drie delen. Vandaag het derde en tevens laatste deel, over de bersiapperiode, eind 1945.

Soerabaja: burgers zoeken veilig heenkomen tijdens gevechtspauze

Soerabaja: burgers zoeken veilig heenkomen tijdens gevechtspauze

Door ‘Oma’ Kyander

Op 26 augustus 1945 kwamen in Soerabaja ineens vrouwen en kinderen uit de kampen. De stad was er in het geheel niet op voorbereid. Het Rode Kruis was net begonnen te werken, en er was schreeuwend gebrek aan onderdak. Dezelfde dag gaven wij ons adres op voor huisvesting van 40 vrouwen en kinderen. We maakten twee slaapzalen vrij, er kwamen drie bedden in de verbandkamer en onze eigen kinderen verhuisden zo veel mogelijk naar één slaapzaal (met matjes onder de bedden). De grootsten sliepen in de naaikamer, op de grond en op de tafels. Ik moet zeggen dat de kinderen deze maatregel zeer sportief namen, nooit klaagden over ongemak en naar beste vermogen geholpen hebben met de verzorging van onze logé´s. Dezelfde avond arriveerde al de eerste groep. De zieken werden in de ziekenkamer ondergebracht en verzorgd, de zwakken in de rustiger verbandkamer en de gezonden in de twee slaapzalen. We hadden voldoende voorraden in huis om hen allen te voeden, en dr. Thiel kwam ons dagelijks bezoeken voor medisch advies aan de zieken. Zo draaiden wij ongeveer twe weken door, totdat de buurt ontwaakte en het blijkbaar genant vond dat het weeshuis alle onkosten droeg voor de voeding van de evacuees terwijl de rest alleen toekeek als vrachtwagen na vrachtwagen vol vrouwen en kinderen bij ons werd gedeponeerd. In elk geval heeft de heer Yap in zijn blok een inzameling gehouden en ons een bedrag van f. 1500,- overhandigd als zeer welkome bijdrage in de kosten. Later hebben we ook hulp in natura gehad van het Rode Kruis.  

Op 12 september was de grote feestdag dat Tante Addy (mevrouw Duvekot, tot 1943 directrice van het weeshuis – JP) weer thuiskwam en met veel gejubel door de kinderen werd begroet. Zij was eerst een beetje beduusd door de nieuwe omgeving en het stampvolle huis, maar weldra was zij weer vol vuur en vlam aan het werk. Mejuffrouw De Krieger, die twee jaar lang volkomen belangeloos haar beste krachten aan het weeshuis had geschonken, verliet ons huis en wijdde zich geheel aan het Rode Kruiswerk.

De boycot

Toen kwam de boycottijd en de grote moeilijkheden om voor de hele bende aan eten te komen. Eerst hadden we een briefje van het Rode Kruis met stempel van de PRI, dat hielp een poosje bij het passeren, maar toen het Rode Kruis in ongenade viel, werd ook dit briefje ongeldig. Ik ben toen alle instanties afgelopen voor een nieuwe tjap, maar werd overal afgewezen. We hadden gelukkig grote voorraden rijst, suiker en katjang idjoe opgeslagen, maar groenten en fruit moesten toch altijd vers van de pasar worden gehaald. Toen heb ik het maar geprobeerd alleen met mijn Finse speldje en registratiekaart. Soms lukte het, soms vonden de wachten echter dat ik te veel kocht, en smeten alles wat ik gekocht had op de grond. Ik moest dan maar op een andere pasar proberen opnieuw in te kopen. Op een gegeven ogenblik waren onze registratiekaarten niet meer geldig en moesten alle buitenlanders zich opnieuw laten registreren. Iedereen kreeg een nieuwe kaart, maar ik niet! Ik werd afgeschept met het gezegde dat ik wel zou worden gewaarschuwd als er een kaart voor me was. Ze moesten er nog over piekeren! Zouden de Javanen pienterder zijn dan de Nippen? Of had die man in de gaten dat ik niet voor mij alleen, maar voor het hele huis passeren ging? In ieder geval moest ik nu doorsukkelen met mijn oude registratiekaart, vertrouwende op de onkunde van de wachter. Soms lukte het, soms werd ik afgesnauwd, maar ik beloofde telkens om ‘morgen’ de nieuwe kaart te halen. Tenslotte ging ik naar de Palang Merah Indonesia (Ind. Rode Kruis – JP) voor een tjap. Ik zei dat ik op mijn speldje en registratiekaart wel genoeg voor het weeshuis kon passeren, maar ik wilde graag eerlijk blijven en niet dagelijks de wachten bedriegen. Dat vonden zij wel een aannemelijke reden, maar vreesden dat hun tjap niet veel zou helpen. Na veel delibereren kreeg ik hem toch. De feitelijke reden voor mijn verzoek was natuurlijk niet mijn buitengewone eerlijkheid, maar ik was doodsbenauwd geworden voor de wachten met hun geweren en handgranaten, en elke tocht naar de pasar was een zwaar corvee geworden. Het gevoel van opluchting, wanneer ik elke dag weer veilig met mijn buit binnen de muren van ons huis was, zal ik niet zo gauw vergeten. In elk geval lukte het toch altijd wel wat binnen te slepen en hebben we nooit gebrek geleden.

Soerabaja: Britse stelling

Soerabaja: Britse stelling

Op 26 oktober 1945 kwam het hoofd van het Indonesische Rode Kruis bij ons op bezoek met de heer Keller, die ons, zeer tegen zijn zin, moest aanzeggen dat alle evacuees het huis moesten verlaten en de volgende dag naar De Wijk (het Darmokamp – JP) gebracht zouden worden. Ik schrok toen erg, want ik dacht, dat juffrouw Duvekot en onze Hollandse meisjes die ondertussen ook uit het kamp thuis waren gekomen, weer weg moesten. Ik vroeg toen heel voorzichtig of mensen, die hier thuishoorden, ook wegmoesten. De Rode Kruisman vond mijn vraag erg stom en zei: “Nee, natuurlijk niet, alleen de evacuees.”  Hij dacht er niet aan, dat onder de thuishorenden ook evacuees konden zijn en de heer Keller maakte hem ook niet wijzer.
Dus bleef ons gezin ongedeerd, en zijn alleen onze logé´s vertrokken. Dat was wel erg verdrietig, maar aan de andere kant ook weer een verlichting voor ons dat we zo veel minder (ik geloof dat er toen nog ongeveer 24 waren) te voeden hadden, want toen begon eigenlijk de zwaarste tijd.

De straat op

29 Oktober werden we opgeschrikt door een gewapende bende die eiste dat we allen het huis moesten verlaten. We moesten de mannen volgen. Wij wisten niet wat zou gebeuren, hoorden alleen hevig schieten, en zagen dat de lui die ons het huis uitjoegen erg zenuwachtig waren. Ook waren de heren het niet eens of de baby´s ook mee moesten of dat zij in het huis moesten blijven. Zij begonnen er zó heftig over te kibbelen dat mejuffrouw Duvekot met het grootste deel van de kinderen het huis al uitgejaagd was, terwijl ik nog binnen was met enkele grote meisjes die ieder een baby of een kleuter op de arm hadden. In afwachting van een beslissing won de extreme partij en moesten we in looppas vertrekken. We mochten niets meenemen. Ik had alle deuren gesloten, maar toen ik de laatste buitendeur van de ziekenkamer wilde sluiten, werd er geschreeuwd dat dat niet mocht. Iedereen moest vrije toegang tot het huis kunnen hebben.

Al rennende werden we langs de Daendelsstraat en in de tuin van het hoekhuis Daendelsstraat – Tamarindelaan gedreven. Gelukkig waren de meisjes zó geabsorbeerd door het rennen met de kleintjes op de armen (deze kleintjes vonden de vlucht erg lollig), dat zij niets zagen van de moorden en gruwelijke mishandelingen die wij op straat tegenkwamen. We werden met een heleboel andere mensen in de tuin bij elkaar gepropt en moesten daar in de gloeiende zon gaan staan, bewaakt door schreeuwende en met messen en handgranaten jonglerende kampongbewoners. Van mejuffrouw Duvekot en de kinderen zagen wij niets. Later bleek, dat zij met een andere groep in het huis van Rathkamp op de volgende hoek van de Tamarindelaan was gedreven.

Het was minder plezierig daar in de open lucht te hurken onder het hevige schieten, met heel laag vliegende vliegtuigen en onder het geklater van mitrailleurs. Ineens werd er “Rumah Piatoe” geroepen. Wij kwamen naar voren en er werd ons een plaatsje aangewezen in de schaduw van het afdakje van de voorgalerij. Dus was er toch een goeierd bij, die het kassian vond de kleintjes zo in de zon te laten braden. Een heldhaftige bewaker met sabel en handgranaat ging op het muurtje van de voorgalerij zitten. Na een poos vroeg hij erg nors of ik mijn huis afgesloten had. Ik zei van niet, het had niet gemogen. Toen viel er ineens een sleutel naast me in het zand, de sleutel van de binnendeur van onze ziekenkamer! Dus kon er toch lekker niemand het huis binnen zonder in te breken, alleen de ziekenkamer zelf stond open.
Later moesten we allen het huis binnengaan, en we werden daar als sardientjes bij elkaar gepropt. De hele dag bleven we daar zonder eten. Er was veel ijswater om te drinken en voor onze kleintjes een keer warme thee met suiker van onze speciale vriend. Later op de avond kregen we voor hen nog een beetje rijst en pisang. Dat was een erg royale behandeling, want het groepje van juffrouw Duvekot kreeg helemaal niets.

Soerabaja: Britten in actie

Soerabaja: Britten in actie

Tegen 10 uur ´s avonds kregen we te horen dat we naar huis mochten als we beloofden geen Engelsen of Gurkha´s te laten komen of te spreken zelfs. We beloofden alles wat van ons werd gevraagd. We werden daarop onder begeleide weer naar huis gebracht, waar we Tante Addy met haar troepje vonden. Zij waren iets eerder vrijgelaten, maar konden het huis niet binnen omdat ik de sleutel had. In huis was alles nog intact, zelfs het eten, dat wij op de anglo´s voor de keuken achtergelaten hadden, stond er nog net zo. Daarna volgende enkele dagen betrekkelijke rust, en dorst ik weer naar de pasar te kuieren. Ook lukte het wel eens, dank zij mijn  Finse speldje en mijn ongeldige papieren verkopers van de straat naar binnen te halen.

Mijn ‘belofte’

Vanaf 10 november dufden wij de straat niet meer op omdat er heftig geschoten werd en het geschut vlak voor ons huis stond. We hadden vaak huiszoekingen, maar toch gelukte het nog altijd aan groenten, tempé en vruchten te komen. Eén keer werden we ´s nachts uit bed getrommeld en bevolen de poort te openen om vluchtelingen uit de benedenstad op te nemen. Ik weigerde, mij beroepende op mijn belofte aan de kepala´s (hoofden – JP) van de PRI om niemand binnen te laten of te spreken. Dit waren dan wel geen Engelsen of Gurkha´s, maar dat zei ik er niet bij. “Aan wie had ik dat beloofd?” De naam kende ik natuurlijk niet. “Of hij in een auto aangekomen was?” Ik zei “Ja”. “Was hij kort? Of lang?” Ik bedacht me dat alle Javanen kort zijn, en dat deze man, als het hoofd van de PRI ook kort was, me dit niet zou vragen. “Lang”, zei ik.
Er volgde nu een hevige discussie onder de leidsmannen, en ze vertrokken zonder meer. Mejuffrouw Duvekot hield zich bij zulke ontmoetingen wijselijk op de achtergrond. Toch was ik ontzettend blij dat zij in deze tijd thuis was, want als ik er alleen voor zou moeten staan, zou de spanning niet te dragen zijn geweest.

De volgende dag werden alle Europeanen uit onze buurt weggebracht. Bij ons kwamen ze ook, en eisten dat wij allemaal mee zouden gaan. Ik draaide weer mijn verhaaltje af dat ik gezworen had niemand binnen te laten en dat het ons inderdaad straf verboden was het huis te verlaten. Men informeerde bij het PRI-hoofd van onze buurt. Die had er al eerder van gehoord, het kwam hem in ieder geval bekend voor, en dus men liet ons ongemoeid. Wel kwamen ze later nog informeren of ik dit verbod zwart op wit had. Ik zei “nee, maar ik zal het morgen halen.” Op Simpang werd toen al gevochten, en het hoofdkwartier van de PRI was in handen van de Engelsen, – dat hadden de sukkels mij zelf verteld – , dus kon ik dit gerust beloven.

Een voltreffer

Soerabaja: Britse wegversperring

Soerabaja: Britse wegversperring

De volgende dagen waren een nachtmerrie. De projectielen vlogen dag en nacht over ons huis, en rondom ons huis zagen we overal branden. Wij waren de enige Europeanen in de gehele buurt! In de nacht van 25 november hadden we een voltreffer op het dak van één van de slaapzalen. Maar ook hierbij boften wij. De drie bedden die volkomen verwoest werden, waren juist die nacht niet beslapen. Eén kind had ´s avonds een beetje verhoging en was opgenomen in de ziekenkamer. Haar buurvrouw vond het eng om naast een leeg bed te slapen en was bij haar zusje in bed gekropen. En de derde werd ´s nachts wakker, zag dat zij alleen in de rij sliep en vond het gedonder van het geschut zó griezelig, dat ook zíj bij een vriendinnetje aan het andere einde van de zaal in bed kroop. Toen kwam de voltreffer. Er waren wel acht kinderen gewond door scherven en het puin van het instorten van het dak, maar gelukkig niet zwaar, zodat we zelf voor ze konden zorgen en geen hulp van buiten hoefden te halen.
Het is werkelijk een wonder dat het zo gelopen is. Als je de verwoesting van de kamer zag! Grote zware balken die neergestort waren, waren netjes tussen twee rijen bedden terechtgekomen. Een plank met 10 cm lange spijkers eerst op de wastafel en daarna op de grond: als díe op de slapende kinderen was gevallen hadden wij beslist doden gehad!

Ontzet door de Britten

De volgende ochtend kwamen de Brits-Indische troepen bij ons binnen, zeer verbaasd nog een huis vol vrouwen te treffen. Onze vreugde over hun komst luwde snel, omdat juffrouw Duvekot en ik handen tekort kwamen om de meisjes uit de armen van de soldaten te plukken. Toen enkele uren later de Engelsen kwamen, en deze voorstelden ons naar het B-kamp in Perak te brengen, stemden we gretig toe. Later hebben we hier spijt van gehad, want het huis werd volledig gerampast. Onze voedselvoorraden, de kasten vol kleren en stoffen, de pannen, het servies, alles. Ook de meubels weggesleept of vernield.

We bleven een maand in het B-kamp en hebben het daar goed gehad. Door de AMACAB[i] kregen we de huizen aan de Julianaboulevard 8-10-12 toegewezen. Op 20 december 1945 verhuisden we daarheen, samen met 18 oude dames van de Diaconie die wij in het kamp ook onder onze vleugels hadden genomen. Enkele Menadonese kinderen vertrokken met hun moeder naar Menado, anderen keerden bij hun ouders terug, zodat we bij de verhuizing nog 66 kinderen over hadden.

Vanaf januari 1946 kregen we steun van de AMACAB; later werd deze steun geregeld door de afdeling O. en E., en kregen we f. 900,-/maand + rations.
Vanaf juli 1946 kwam het weeshuis en de Diaconie onder Jeugdzorg te staan, en werd de steun berekend à f 0,30 pupil/dag + rations, en vanaf 1 juli nog f. 2,-/maand/pupil daarbij voor toiletbenodigdheden. Deze steun is wel voldoende voor de voeding, maar onvoldoende voor de andere uitgaven van het huis, zoals huishoudelijke reparaties, schoeisel, kleren en andere extra uitgaven. Tot deze laatste behoren ook de uitzetten van meisjes die gaan trouwen, en huiselijke feestjes als verlovingen, bruiloften etc.. Daarom hebben wij ons naai-atelier dat wij in Nippontijd zijn begonnen, weer voortgezet, en kunnen met deze bijverdiensten onze uitgaven dekken.

x

Soerabaja, eind 1946.

_________________________________

[i]  AMACAB: Allied Military Administration Civil Affairs Branch.

Dit bericht werd geplaatst in 3. Bersiap en Merdeka, 1945-1949 en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

7 reacties op Oorlogsjeugd in Soerabaja (III)

  1. Walter zegt:

    Goed verhaal, keep up the good works

  2. H.A. Naberman. zegt:

    Oma Kyander was een ware heldin!
    Ik vraag me af wat er van al haar pupillen is terecht gekomen.
    Die zouden naar voren moeten komen om haar te gedenken en te eren!.

    • buitenzorg zegt:

      Bij het uittypen van dit verhaal was ik ook nogal verbaasd over haar rol. En voor zover ik weet uit andere bronnen is het niet aangedikt of zo. Het lijkt er echt op dat zij een 120-tal kinderen zonder ernstige gevolgen door de oorlog heeft weten te slepen.
      Ontevreden over het weinige wat ik van haar weet ben ik een klein onderzoekje begonnen. Wordt vervolgd…

    • Emilie Aartsen zegt:

      Ik ben de dochter van Uncie (Lucie) Palm. Mijn moeder is groot gebracht in dit weeshuis. Ze kwam daar toen ze 7 jasr oud was en is in 1930 geboren. Zij was in die tijd dus in de leeftijd van 12 tot 16 jaar. Ik ben vernoemd naar oma Kyander en tante Addy. Ik heet Adriana Emilie, roepnaam Emilie. Ik hen oma Kyander als kind ook ontmoet toen ze in Castricum woonde. Geweldig om dit verhaal te lezen. Vandaag voor het eerst. Ik was zomaar wat aan het lezen in Java Post vandaag…totdat ik ‘door oma Kyander’ las! Ik draag met trots haar naam!

  3. Jan A. Somers zegt:

    AMACAB was de opvolger van de RAPWI.

  4. Oma Kyander is een heel moedig vrouwtje. Na het lezen van haar byzonder verhaal heb niets anders dan bewondering en lof voor haar optreden en diplomatische talenten. Zijn er mischien ook verhalen over het Protestans Jongens Weeshuis in Boeboetan? Mijn broers waren een van de eerste jongens die werden opgenomen in dat Weeshuis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s