Oorlogsjeugd in Soerabaja (II)

Het protestants meisjesweeshuis, Boeboetan 93-95
en Van Hoogendorplaan 93, Soerabaja

Het protestants meisjesweeshuis in Soerabaja (opgericht in 1854) werd sinds 1936 geleid door directrice Addy Duvekot. In september 1943, toen zij door de Japanners werd geïnterneerd, werd haar taak overgenomen door mevrouw Kyander (de kinderen noemden haar ‘Oma’) die door haar Finse herkomst buiten het kamp wist te blijven. Mevrouw Kyander loodste het weeshuis verder door de oorlogsperiode, zij het niet zonder kleerscheuren.
De Java Post publiceert haar verslag in drie delen. Vandaag deel II, over de periode 1943-1945.

Boeboetan, pasar

Boeboetan, pasar

Door ‘Oma’ Kyander

Enkele dagen na de benoeming van de nieuwe directeur ging alles rustig zijn gang, totdat op een ochtend een juffrouw bij ons verscheen, die zich voorstelde als Juffrouw Blondell, en meldde dat zij gestuurd was door Kastian en kwam werken voor de administratie. Ik wist van niets af en zei dat het beslist een vergissing was, dat we de administratie wel alleen afkonden en geen hulp zochten. Zij vertrok, maar een half uur later had ik Kastian op mijn dak, – een heel andere Kastian, dan ik kende! Hij was razend dat zijn orders geweigerd werden, en dreigde met de Kenpeitai en de PID als straf voor onze tegenwerking.
Het duurde lang voor ik hem tot bedaren kreeg, maar van de secretaresse kwam ik niet af. Ik moest beloven haar aan te nemen, à raison van f.30,- per maand, voor het bijhouden van onze boeken. Tenslotte zei de heer Kastian nog, dat hij “voor God op zijn knieën wou zweren” dat hij alleen het beste met ons voor had. Ik zei hem dat dat niet nodig was, en dat ik hem ook zonder dat volkomen geloofde.   

Een spionne!

Tijdens ons onderhoud was de nieuwe secretaresse al bezig kennis te maken met de kinderen. Ze vroeg hoe laat ze opstonden, waarmee ze de hele dag bezig waren, of ze mochten uitgaan enz. enz., en beloofde hen dat alles zou veranderen zodra zij hier kwam werken.
Zo waren wij een secretaresse rijk voor wie geen werk was! Zij kwam iedere dag binnen, zat een paar uur voor de schrijfmachine een boek te lezen of privé brieven te tikken, en tegen etenstijd zei ik dan dat er geen werk meer was en dat ze naar huis mocht gaan. Met het onderwijs hielden wij onmiddellijk op, en lieten alleen de kooklessen, steno en typen doorgaan. De kleintjes kregen vakantie. Zeer spoedig bleek dat deze juffrouw Blondell met een tweeledig doel bij ons was geplaatst: zij moest het tikwerk van Kastian doen en ons tegelijkertijd bespionneren. En daarvoor mochten wij haar dan betalen! Gelukkig deed zij haar spionnagewerk zó lomp en onhandig dat zelfs de kinderen er niet intrapten. Zij vroeg bijvoorbeeld de kinderen of wij nog vaak het Wilhelmus zongen en of één van de meisjes het niet eventjes op de piano wilde spelen, – ze had het al zo lang niet meer gehoord. En meer van dat soort slimme vragen. Natuurlijk kon niemand een noot op de piano spelen en hadden ze het Wilhelmus nooit gekend! Stom genoeg ondervroeg zij altijd de grotere meisjes; bij de kleintjes zou zij meer succes hebben gehad, want die wisten nooit wat zij wél of niet mochten vertellen. Zo vroeg een Japanse bezoeker eens aan de kleintjes of ze naar school gingen, ze antwoordden prompt en vol trots ‘ja’. Gelukkig had ik het gehoord, en zei: “Ze bedoelen natuurijk vóór de oorlog, – hoe kunnen ze nu naar school gaan als alle scholen gesloten zijn?!” Hij nam er toen genoegen mee, en vroeg niet verder. Het zou anders een prachtgelegenheid zijn om er in te vliegen met ons onderwijs.

Bezoek aan de PID

Boeboetan, meet weeshuis, linksonder

Boeboetan, met weeshuis, linksonder

Eén keer ben ik toch naar de PID gehaald, maar of het werk was van juffrouw Blondell of van Kastian weet ik niet. Toen de agenten mij kwamen halen had ik een niersteenaanval en had net een morfine-injectie gekregen. Ik was er zó ellendig aan toe, dat het mij niets kon schelen of er twee of drie agenten om mijn sponde heenstonden. Ze zagen blijkbaar ook wel dat er met mij niets te beginnen was, en vertrokken met de belofte twee dagen later terug te komen, wat ze ook prompt deden.
Het verhoor op de PID begon met de vraag welke functie ik nu eigenlijk had. Volgens afspraak met Kastian zei ik dat ik geen functie had. In dat geval mocht ik echter beslist niet in het weeshuis wonen, ik moest onmiddellijk verhuizen en werk zoeken. Ik weet niet meer wat ik toen allemaal gekletst heb, maar in ieder geval liet die man zich bepraten en mocht ik weer naar huis.
Verder hebben ze zich nooit meer met mijn positie bemoeid. Voor de zekerheid heeft juffrouw De Krieger vanaf dat moment al het buitenwerk op zich genomen, dat wil zeggen het aflopen naar kantoren voor de verschilende idzin (vergunningen – JP) voor de aankoop van rijst, olie, hout, arang; het indienen van onze maandelijkse afrekeningen; het gesjouw met de kinderen naar de politiebureau´s voor de eindeloze registraties etc etc..

Inzage in mijn boeken kreeg juffrouw Blondell niet. Aan het eind van elke maand moesten wij op het Gemeentekantoor een rekening en verantwoording indienen over onze inkomsten en uitgaven. Dan maakte ik ´s avonds de voor de Nip geprepareerde afrekening, en liet deze door juffrouw Blondell ´s ochtends overtikken. Dat vond zij helemaal niet gek.
Langzamerhand liet ik haar ‘werkuren’ alsmaar korter worden en tenslotte kwam zij om half negen binnen en dan gaf ik haar om negen uur vrij. Dat aanvaardde ze maar al te graag, omdat ze zo veel tikwerk had voor Kastian. Zo waren we allen tevreden: Kastian had zijn tikwerk klaar, juffrouw Blondell ontving haar dertig gulden, en wij waren haar kwijt en konden weer doorgaan met het onderwijs.

Opnieuw verhuizing!

Op 30 oktober 1943 verschenen weer de heren van de gemeente, deze keer alleen de Chinees en de Menadonees. Ze vertelden ons dat we binnen 24 uur moesten verhuizen, en wel naar de Van Hoogendorplaan 93, hoek Daendelstraat. Ik kende het huis. In normale tijden is het groot genoeg om een gezin van tien personen te huisvesten. Nu zat Don Bosco (een katholiek jongenstehuis – JP) er in met 32 kinderen, er wij hadden er 140! Nu, die 140 konden er natuurlijk onmogelijk in. Het was ook onmogelijk het meubilair van onze twee grote huizen erin te proppen, en dus moesten we kinderen lozen, meubilair verkopen, en verhuizen. En dat alles binnen 24 uur! Later kwam onze Nipponse buurman zijn nieuwe domein bekijken. Bij het zien van het gekrioel in ons huis kreeg hij blijkbaar het bloed voor zijn hart, en hij gaf ons nog een dag respijt.

Van Hoogendorplaan, hoek Daendelstraat

Van Hoogendorplaan, hoek Daendelstraat

Ik begon ermee om dringende boodschappen te sturen aan diverse moeders en familieleden van de meisjes, met het verzoek onmiddellijk bij me te komen. Na onderling overleg gelukte het verscheidene kinderen bij familie te plaatsen. Verder moesten de jongens weg. In de loop van de tijd hadden we ook een stelletje kleine jongens moeten opnemen, bijvoorbeeld kinderen die zonder ouders uit Bodjonegoro gevlucht waren, en dakloze broertjes van onze meisjes. Maar in onze nieuwe behuizing was het onmogelijk er een jongenskamer op na te houden, en dus brachten we hen in het jongenstehuis van de heer Le Mat, waar toen mejuffrouw Abels aan het hoofd stond.

Ook de oudpupillen moesten er met hun kroost op uit om onderdak te zoeken bij vrienden of kennissen. Ik gaf hun allen een bedrag geld mee, variërende tussen f. 150,- en f. 200,-, om de eerste tijd het hoofd boven water te kunnen houden. Sommigen heb ik nog de eerste maanden gesteund totdat ze werk vonden en voldoende verdienden om rond te kunnen komen. Het gebeurde ook wel eens, later, dat zij in geldverlegenheid zaten en om hulp kwamen vragen. Van dit soort uitkeringen heb ik geen boek bijgehouden, ik beschouwde deze niet als lening maar als nooodzakelijke hulp. In dit verband moet ik nog vertellen dat ik de moeder van een drietal meisjes die van kleinsaf in het weeshuis woonden, jarenlang gesteund heb. Het is een al oude vrouw die vroeger steun kreeg van de kerk. Behalve dat heb ik onze kokkie, die bijna blind geworden was en niet meer kon werken, vanaf 1943 tot de PRI-tijd haar volle salaris bij wijze van pensioen betaald. Zij had geloof ik ongeveer 20 jaar in het weeshuis gewerkt.
Het reduceren van onze familie verliep spoedig – er bleven nog 95 over – maar ik kon met de beste wil niet meer dan 85 bedden plaatsen in de Van Hoogendorplaan, dus stuurde ik enkele dagen na de verhuizing nog 12 kinderen naar het weeshuis in Lawang, waar op dat moment nog plaats was.

Muskietengaas

31 Oktober begonnen we met de verkoop van de meubels. Dat was ontzettend. Het erf krioelde van opkopers, iedereen, katjongs en belangstellenden van de straat, wist dat wij maar een dag de tijd hadden voor de verkoop, en dus dat de prijzen naar rato waren. Alles ging voor een appel en een ei de deur uit. Ik had mijn twee zoons met hun respectievelijke vrouwen gerequireerd om te helpen, en toch geloof ik dat er nog ontzettend veel barang gestolen is die dag. Bij elkaar heb ik voor alle meubels f. 6000,-, en voor de inhoud van onze toneel- en verkleedkast f. 1000,- ontvangen. Bleef nog een onverkoopbare rest op het erf staan, zolas de vier meter lange kasten uit de naaikamer, de bergkastjes van de kinderen, ook zowat 4 à 5 meter lang, en nog andere rommel. Dit liet ik door een vendukantoor weghalen en kreeg daar later nog f. 2000,- voor uitbetaald. Alles bij elkaar dus f. 9000,-. Ver beneden de werkelijke waarde, maar daar was niets aan te doen.

Bij de verhuizing mochten we alles meenemen, behalve de gordijnen uit mijn zitkamer. Uit wraak hebben we toen al het muskietengaas uit de slaapzalen gehaald. Omdat daar aan de bovenkant geen tralies en ramen zijn, gaapten er grote openingen in de muren, heel sinister! We hadden van Ruhaak twee toekangs gekregen, die op de verhuisdag het muskietengaas heel behendig en vlug in het nieuwe huis hebben aangebracht. Gelukkig maar, want de volgende dag kwam een woedende Nip het muskietengaas terugvragen. Ik kon volkomen waarheidsgetrouw verklaren dat ik de rollen gaas niet meer had teruggezien. Ik was namelijk in het oude huis bij het versturen van de barang, terwijl het gaas in het nieuwe huis werd gepasangd. De Nip had toen het lumineuze idee dat het dan onderweg moest zijn gestolen. Ik heb hem niet tegengesproken.

Overstromingen

Het jaarverslag van het weeshuis in betere tijden, 1937.

Het jaarverslag van het weeshuis in betere tijden, 1937.

Met zeer veel passen en meten kregen we onze bedden in het huis. Ze stonden vlak naast elkaar in drie rijen, met een heel smal gangetje ertussen. Het was niet erg comfortabel, maar we hadden tenminste een dak boven ons hoofd en bedden om te slapen. Dat dak bleek later overigens niet veel waard te zijn, want het lekte ontzettend en we konden niemand krijgen om het te repareren. We konden niet anders doen dan bij iedere regenbui overal teilen neer te zetten en dan te dweilen. Wij hielden het wel uit, maar het plafond van de kleedkamer niet. Dat is een jaar later met vreselijk geraas naar beneden gestort. Goddank zijn er geen ongelukken gebeurd. Maar gerepareerd is het daarna ook niet. Wel kwamen velen om er naar te kijken, ook heren van de weeskamer, maar er werd niets aan gedaan. Tenslotte kregen we een paar koelies om de balken en het puin te ruimen.

Nog geen week na de verhuizing liep de septic tank over, en konden we slechts via een vlot van planken het paviljoen met het kantoor en de babykamer bereiken. De Gemeente kon ons niet helpen. Ons verzoek om een gat in de muur te slaaan om tenminste het was- en badwater naar de kali weg te laten lopen werd geweigerd. Wij lieten toen door koelies een nieuwe zinkput graven. Ook dát was niet voldoende, omdat er geen afvoer was. Zo groeven we eerst een open riooltje naar de straatgoot (dat mocht blijkbaar wél) en hakten later toch maar stiekem een gat in de muur om tenminste het badwater af te laten voeren. We konden tenslotte toch niet altijd in rioolwater zwemmen!

De financien

De eerste tijd na deze verhuizing hadden we zeer weinig bestellingen, en kwam het geld van de verkoop van de meubels ons goed van pas. De huishouding in het nieuwe perceel was namelijk veel duurder dan vroeger. Dit kwam niet alleen omdat de pasarpijzen voortdurend stegen, maar vooral door de enorme waterrekening. We hadden geen put, en moesten daarom voor wassen en dweilen leidingwater gebruiken. Op Boeboetan hadden we altijd 20% korting gehad op onze waterrekening, maar die werd ons nu niet meer gegeven. Op het Gemeentekantoor beweerden ze dat de korting behoorde bij de percelen Boeboetan 93 en 95, en niet bij de gebruiker. Hoe wij ook probeerden uit te leggen dat niet het perceel maar het weeshuis het water gebruikt, – ze snapten het niet. En zo kwam het, dat we alleen al voor water iedere maand f. 80,- moesten betalen.

Gelukkig kregen we gauw nieuwe klanten, en wel Nipponse bordeelmeisjes. We hadden met deze inrichtingen niets te maken, een kennis van ons haalde en bracht het werk. De meisjes betaalden goed en prompt, dus zag ik er geen bezwaar in het borduurwerk van ze aan te nemen, zolang onze eigen meisjes hún werk maar niet hoefden te doen. Het was niet altijd even gemakkelijk om ze daarvan vrij te houden, en we hebben menige slag moeten leveren met de Nipponners. De heren konden maar niet begrijpen dat wij zovele meisjes die niet werkten, thuishielden. En hoe we ook probeerden het hun uit te leggen dat ze wél werkten, maar voor het tehuis, – ze begrepen het niet. “Hoeveel verdienen ze dan?”, vroegen ze mij. “Zij krijgen niets in handen, alles wat zij verdienen is voor het huis.” Dat was onzin, vonden de Nippen, de meisjes moesten buiten werken en geld verdienen.

Toen de dwang te groot werd, lieten we maar drie vertrouwde meisjes die enige opleiding hadden, een kantoorbetrekking aannemen. Twee liet ik werken in het naai-atelier van een kennis van mij, en zes moesten wij (onder dwang van de gemeenteheren) in het Speelmanstraat-atelier laten werken. Ik moest 20 meisjes sturen, maar ik beweerde er niet meer dan zes te hebben (de anderen waren te stom). De meisjes moesten daar Nipponse uniformen naaien, en verdienden zegge f. 0,60 per dag, dus f. 3,60 per week, waarvan nog 4% loonbelating werd afgetrokken. Dat zij thuis, met het borduren van monogrammen, gemakkelijk f. 2,50 per dag konden verdienen, speelde geen rol voor de heren. Samenwerken was het parool!
Uit dankbaarheid dat wij voldoende steun kregen van de Gemeente, moesten we de meisjes laten werken in dit, door de Gemeente geëntameerde, atelier, tegen onvoldoende betaling, dat was hun logica. Er zat nóg een kneep aan het werk: je mocht geen ontslag vragen als je een beter baantje kon krijgen. Alleen ziekte of overlijden waren geldige redenen voor ontslag. Het heeft dan ook veel hoofdbrekens en slinkse manoeuvres gekost om de meisjes daar weeer weg te krijgen! Tenslotte lukte het daar vier weg te halen, twee lieten we er om tenminste door die twee namen op die lijst onze ‘goeie wil’ te tonen.

Meisjes gezocht

Het is ons altijd gelukt om verzoeken voor het afstaan van meisjes voor bars en restaurants vriendelijk af te wijzen. Slechts twee keer zaten we goed knijp. De ene keer toen de Nipponse restaurateur met onze weldoener van de gemeente kwam en 20 meisjes eiste voor een nieuw te openen bar. We begonnen ermee onze principiële toestemming te geven, maar meteen te vragen of de heren dan samen met ons even de lijst wilden doornemen om te kiezen. We zeiden erbij dat niet alle meisjes wezen waren, en dat er ook bij zaten van Pro Juventute en Jeugdhuis. Vervolgens een lange uitleg wat dat precies inhield, Pro Juventute en Jeugdhuis, zodat de Nippen de indruk kregen dat deze meisjes allen een duister verleden hadden en onbetrouwbaar waren. Dat Pro Juventute vaak ingrijpt wanneer de ouders niet deugen en het kind zelf absoluut geen blaam treft, dáár legden we natuurlijk niet de nadruk op. Het resultaat was, dat alle namen van deze meisjes van de lijst werden afgevoerd.
Nu kwamen de wezen aan de beurt. We zeiden dat de ouders van deze meisjes natuurlijk allen waren overleden aan de een of andere ziekte, meestal aan t.b.c., en dat hun kinderen dus ook allen verdacht waren van deze ziekte. Deze kinderen werden inderdaad jarenlang onder observatie gehouden door het consultatiebureau, en gelukkig had ik alle kaartjes daarvan nog bewaard. Velen waren jaren geleden al afgeschreven van de lijsten, maar dat merkten de Nippen niet. Ze zagen de naam op het kaartje staan met het bekende t.b.c.-kruisje erop, en die meisjes moesten zij niet hebben. Weer een hele rits van de lijst af.
Nu bleven er nog maar een paar over van de gewenste leeftijd, en daarvan was de één zó onhandig dat ze ieder glas brak dat zij in handen kreeg, en het andere zó achterlijk dat zij geen dubbeltje van een kwartje kon onderscheiden. Zo bleef er met onze beste wil niemand over die voor de eervolle betrekking in aanmerking kwam!

De tweede keer kwam er nog zwaarder geschut: weer 20 meisjes geëist voor de Soos, en deze keer werd deze eis gesteund door een kopstuk van de Golongan Indo (het plaatselijke Indo Comité – JP). Hoe deze man, die zelf een volwassen dochter heeft, zoiets kon doen, is mij een raadsel. De betaling zou f. 10,- per avond zijn, en als het meisje handig zou zijn nog meer, wel tot f. 50,- per avond. Voor avondtoiletjes werd gezorgd (op afbetaling), en we moesten het niet in ons hoofd halen om smoesjes te verzinnen, want het weeshuis werd gesteund door Nippon, en als wij zo´n goede verdienste afsloegen zou het best kunnen zijn dat ons deze steun werd onttrokken.
Later bleek de betaling f. 30,- per maand te zijn, en de rest afhankelijk van de ‘handigheid’ der meisjes. Dezelfde heer is nog eens teruggekomen om ons te doen inzien dat de tijd er nu gekomen was dat ook de Indo zijn goede gezindheid moest tonen en medewerken met de Nipponners, en dat hijzelf in moeilijkheden kwam als wij weigerden. Enfin, argumenten en dreigementen hebben ons niet weerhouden van het verzinnen van nieuwe smoesjes en het niet-leveren van meisjes aan dergelijke instanties.

Vertrek van de directeur

Van onze nieuwe directeur Kastian hebben we niet lang last gehad. In het begin tekende hij trouw iedere maand onze afrekeningen voor de Gemeente en aanvragen voor rijst etc.. Maar op een gegeven ogenblik konden wij hem niet meer te pakken krijgen. Op telefonisch aanvragen was hij nooit thuis, en toen wij bij zijn vrouw, die waronghoudster was, informeerden, hoorden wij dat hij op reis was, en dat niet bekend was wanneer hij terug zou komen. Toen probeerden wij alle stukken, door mejuffrouw Krieger getekend, in te leveren. En het lukte! Niemand vroeg meer naar de handtekening van Kastian. Er werd gemompeld dat hij in de gevangenis zat wegens chantage en verduistering op grote schaal. Toen hebben wij ook maar meteen mejuffrouw Blondell haar ontslag gegeven. Zij heeft nog geprobeerd bij de PID een klacht in te dienen, maar het heeft haar niet gebaat. We waren haar kwijt.

Op last van de Gemeente moesten wij de kinderen taallessen geven in het Maleis en het Nippons. Gelukkig hoefden wij daarvoor geen vreemden in huis te halen, omdat het lukte twee bevriende dames daarvoor te vinden die het wel voor een geringe vergoeding wilden doen. We kregen wel zo nu en dan een oproep van de Gemeente waarin we te horen kregen dat de kinderen op straat en op het erf nog steeds Hollands spraken en dat dat voorbij moest zijn, maar behalve een uitbrander hebben ze geen verdere maatregelen genomen.

De schuilkelder

Een pak rammel hebben wij, juffrouw De Krieger en ik, slechts één keer gekregen, en wel tijdens een bombardement. Wij hadden maar een heel kleine schuilkelder op het erf en hadden toen alleen de baby´s en de ziekenkamermeisjes met de zieken daarin laten schuilen. De rest van de kinderen schuilde in huis onder de tafels en bultzakken, zo goed en zo kwaad als het ging. Juffrouw De Krieger hield de wacht in het grote huis, en ik in het paviljoen, – zo hielden we ook de schuilkelder met de baby´s in het oog. Toen kwam er ineens een Nipponner binnen en hij was razend dat wij met open deuren zaten, we moesten in bed liggen en slapen! Ik probeerde hem uit te leggen dat de baby´s in de schuilkelder waren, maar hij was door het dolle heen en sloeg mij neer. Toen rende hij naar het andere huis en velde juffrouw De Krieger. Ondertussen stond ik weer op mijn benen, en schreeuwde dat de meisjes met de baby´s binnen moesten komen. Daar kwam hij weer aangerend en had mij met één klap op de grond, maar juffrouw De Krieger stond weer in de andere deur te gesticuleren, dus rende hij daarheen om haar weer te slaan. Achteraf is het natuurlijk wel belachelijk zoals hij met ons pingpogde, telkens trap op, trap af, maar op het moment zelf was het minder leuk, en vooral de kinderen hebben toen erg in angst gezeten.

Later kregen we opdracht een schuilkelder te bouwen met de boodschap dat er zware straf zou volgen als wij niet direct bij het eerste alarm daarin zouden schuilen.
Dus lieten wij een schuilkelder maken. Het erf was niet groot genoeg om er een te graven die lang genoeg was om ons allen te bergen, dus liet ik hem in zigzaglijn langs de muur van de Van Hoogendorplaan bouwen en zo kregen we toen een lengte van 21 meter bij elkaar. Helaas stootten we reeds op een halve meter diepte op grondwater en kon er niet dieper gegraven worden. Beton was niet te krijgen of niet te betalen, dus hebben we maar hoge aardwallen gemaakt, gesteund door een bamboestellage en overkapt met dubbel gedek, in de hoop dat door de veerkracht van het gedek de scherven zouden terugkaatsen. Dit bouwsel, dat ons nog f. 900,- heeft gekost, gaf natuurlijk absoluut onvoldoende bescherming, maar we hebben er toch vol vertrouwen in geschuild. De kinderen moesten natuurlijk hun kussens meenemen bij alarm, die hielden zij dan tijdens het bombardement op hun hoofd en dat gaf hun een veilig gevoel. De kleintjes sliepen meestal rustig door, op matjes op de grond.
De uittochten naar de schuilkelder bij alarm verliepen altijd kalm en ordelijk. De grote meisjes hadden allen een kleuter of baby toegewezen gekregen die ze moesten oppakken, kleden en naar buiten drage, en na enig trainen waren we zo ver dat binnen drie minuten na de eerste sirene we allen op onze plaatsen in de schuilkelder zaten.

Ziekten

De gezondheidstoestand van de kinderen was al deze jaren zeer bevredigend. Zware ziekten hebben wij niet gehad, behalve zo nu en dan een malariapatient en een geval van amoebe-dysenterie. De kleintjes, die wij tijdens de oorlog opgenomen hebben, hebben wel veel gesukkeld met kouvattingen met koortsen en malaria, maar echt ernstig ziek zijn ze niet geweest. Slechts één noodlottig geval hadden wij in augustus 1945, toen een achterlijk jongetje van vier jaar overleed. Hij was maar één dag ziek, en ofschoon hij dezelfde dag opgenomen werd in Mardi Santosa en daar van de doktoren alle aandacht en hulp heeft gekregen, mocht niets baten. Hij stierf om 4 uur ´s nachts in mijn armen.
Dank zij dr. Hug, en voor enkele bijzonder moeilijk te verkrijgen medicijnen dr. Schull, hadden wij nooit een tekort aan obats, en onze huisapotheek was altijd gevuld met verbandmateriaal en de nodige zalfjes, tabletjes etc.. Ook van de toen nog aanwezige doktoren hebben wij erg veel hulp gehad, zowel op financieel als medisch gebied. Van dr. Hug hebben wij o.a. een grote partij wol en gebreide wollen goederen gekregen, die wij voor bijna f. 3000,- aan de Duitse Marine hebben verkocht.

(het derde en tevens laatste deel van dit verslag kunt u HIER lezen)

x

x

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

10 reacties op Oorlogsjeugd in Soerabaja (II)

  1. Walter zegt:

    De grootste respekt voor Oma, een reuze diplomaat en beheerder

  2. Ronny Geenen zegt:

    Ik zou graag ook een verslag willen zien van het nonnen weeshuis in Malang, waarbij ook de feiten van misbruik naar voren worden gebracht. Ik ben benieuwd of er nog vrouwen in de leeftijd van ongeveer 75 en die het meegemaakt hebben, mij iets daarvan kunnen/willen? vertellen.

    • buitenzorg zegt:

      Een dergelijk verslag ken ik niet. Tot dusverre publiceerde ik in de Java Post twee verslagen van de directrices van weeshuizen: het SOG in Soekaboemi, en nu het protestants meisjeshuis in Soerabaja. Op basis van allerlei getuigenverklaringen schreef ik zelf enkele verhalen over de weeshuizen in Batavia en Buitenzorg. Ik weet dat er ook nog ergens verslagen moeten zijn van de katholieke tehuizen in Semarang. Van Malangse weeshuizen heb ik nooit stukken in handen gehad…

    • W.(Bill) Zitman zegt:

      Ronny, deze gebeurtenissen zitten allang in de doofpot en de mensen die dit meegemaakt hebben zijn alreeds uitgestorven (gebroken levens). En de kerk komt hier weer mee weg zonder gestraft te worden! Jammer dat internet niet vroeger bestond!

      • Ronny Geenen zegt:

        Ronny, deze gebeurtenissen zitten allang in de doofpot en de mensen die dit meegemaakt hebben zijn alreeds uitgestorven (gebroken levens). En de kerk komt hier weer mee weg zonder gestraft te worden! Jammer dat internet niet vroeger bestond!

        I guess you are right!

  3. Wout zegt:

    Heb Juffr de Krieger nog gekend als hoofdonderwijzeres op de nassauschool aan de v.Riebeeckl.
    in de jaren ’50

  4. laniratulangi zegt:

    Zo heeft een ieder van ons herinneringen van een heel moeilijke tijd………

  5. Heel veel respect voor oma.

    • buitenzorg zegt:

      ‘Oma’ was nu ook weer niet zó oud: ze was van 1889, en dus in 1942 53 jaar oud. Ze had twee zonen, geboren zo rond 1910-1912.
      Ik probeer er een verhaaltje van te maken, want ze heeft wel een interessante achtergrond. Ontbreekt nog onderzoek, en…foto!

  6. Ivon Sopaheluwakan-Severijns zegt:

    Wat een leuk stukje nostalgie. Ook ik heb op de Nassauschool gezeten bij juffr. de Krieger. Ben in 1958 in Nederland gekomen, wie heeft nog schoolfoto’s van 1952-1958 in hun bezit van de Nassauschool? Mijn naam is Ivon Sopaheluwakan-Severijns en ik heb een facebook-account. Mijn email is: ivon1146@gmail.com

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s