Lucratieve hondenstaarten

Berouw komt na de zonde, wordt wel gezegd. De voormalige staatssecretaris van Economische Zaken, de heer Co Verdaas, weet hiervan mee te praten. In opspraak geraakt door zijn declaratiegedrag, kondigde hij na amper een maand in functie te zijn geweest al weer zijn vertrek aan. Het ging om een betrekkelijk klein bedrag, maar toch. “Mijn functie is een voorbeeldfunctie en mijn integriteit moet boven alle twijfel verheven zijn”, aldus Verdaas.

Loslopende hond

Loslopende hond

Gesjoemel met declaraties door bestuurders is natuurlijk van alle tijden. Ook in Nederlands-Indië kwam dit verschijnsel veelvuldig voor. Uit De Indische Courant diepten we het volgende geval. Op 13 mei 1936 berichtte het blad onder de titel “Lucratieve hondenstaarten”:

`Voor de Raad van Justitie te Batavia heeft hedenmorgen terechtgestaan Mas Wiradisastra, oud 38 jaar, geboren te Serang. Mas W., assistent-wedana van Tjikadjang (nabij Garoet), werd in verband met kwitantie-knoeierijen geschorst. Hij bevindt zich sedert 15 November van het vorige jaar in preventieve hechtenis.
De Raad werd gepresideerd door mr. Van Olst, en had mr. Toxopeus en mr. Mossel als leden. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. Van Alphen de Veer, substituut-officier te Bandoeng. Beklaagde, die verdedigd werd door mr. W. J. M. Plate, ontkende het ten laste gelegde en zette vervolgens uiteen, hoe de uitbetaling van premiegelden geadministreerd werd. Deze premies werden uitbetaald aan agenten der veldpolitie die op loslopende honden mochten schieten in verband met de hondsdolheidordonnantie. Als bewijsstuk moesten zij dan de afgesneden staarten overleggen; de agenten kwamen de wedana echter niet met elke staart lastig vallen; meestal werden ze per honderd stuks tegelijk ingeleverd à raison van 5 cent per staart. Vroeger, vóór maart 1933, bedroeg de premie het dubbele van dit bedrag.  

Bij de administratie was beklaagde niet altijd persoonlijk tegenwoordig; de kwitanties werden opgemaakt en getekend door één der schrijvers, zodat beklaagde niets anders te doen had dan het premiebedrag uit te betalen. Eens in de maand werd door hem rekening en verantwoording afgelegd bij de Regent van Bandoeng. Het betreffende kasboek werd dan naar Bandoeng opgezonden, terwijl beklaagde een afschrift, verzameld in een legger, voor eigen gebruik aanhield. Later is door de politie naar deze legger gezocht. Tijdens terechtzitting verklaarde beklaagde dat hij niet wist waar de legger gebleven was.

Toevoegingen

17 mei 1934 (beklaagde was toen in Oedjoengbroeng assistent-wedana) kwam één der agenten bij beklaagde met een duplicaat-kwitantie van een uitbetaalde premie, echter zonder ondertekening. Beklaagde herkende daarin het handschrift van één van zijn schrijvers. De kwitantie vermeldde een hoeveelheid van 294 staarten.
Beklaagde vertelde verder dat, toen hij het bedrag van 294 x 5 cent = ƒ 14,70 uit de brandkast wilde halen, hij plotseling zijn zwager Mas Affendi, die bij hem inwoont, in zijn kantoor zag verschijnen. Mas A. vroeg: “Wat heb je daar in je hand?”, “en ik antwoordde”, aldus beklaagde, “Dat is ƒ 14,70 voor hondenpremies die ik aan agent X. moet uitbetalen”. Deze Mas A. zou dus hebben gezien dat beklaagde ƒ 14,70 en niet ƒ 4,70 zou hebben uitbetaald. Beklaagde wordt namelijk ten laste gelegd, dat hij op de oorspronkelijke kwitantie het cijfer „1″ heeft bijgevoegd en in letters aan het woordje „ampat” de letters „blas”.
President: „Kijkt U eens. Met het blote oog kan ik zien dat met die kwitantie geknoeid is. Daar heeft de Raad heus geen schriftkundige voor nodig. Het woordje „blas” is met blauwe inkt geschreven en de rest met zwarte inkt”.

Beklaagde werd nog een andere, op dezelfde wijze vervalste kwitantie voorgehouden, gedateerd 28 Juni 1934. Dezelfde agent, Lasatu, kwam die avond bij hem met 276 hondenstaarten. Beklaagde gaf de agent een standje dat hij zo laat gekomen was, maar liet toch door een schrijver de staarten tellen.
Beklaagde heeft zelf de kwitantie uitgeschreven en door Lasatu laten ondertekenen en hem de premie van ƒ 13.80 uitbetaald; wederom was dit “toevallig” door zijn zwager Mas Affendi geconstateerd.
President: “U kunt toch aan deze kwitantie wel zien dat er mee geknoeid is. De schrijfwijze van het toegevoegde woordje ´blas´ is anders”.

Valse deklaratie

Vervolgens werd een ander punt van het ten laste gelegde behandeld; namelijk een declaratie door beklaagde bij het Kantoor voor Reiswezen ingediend, groot ƒ 98.— zijnde verhuiskosten bij een overplaatsing (van Oedjoengbroeng naar Tjikadjang). Beklaagde hield vol dat de kwitantie naar waarheid is opgesteld en ondertekend door de „expediteur” Natasasmita. Laatstgenoemde (een gewezen oppasser van beklaagde!) zou inderdaad dat bedrag van beklaagde ontvangen hebben. Natasasmita was eigenlijk van beroep tani, maar had gevraagd beklaagde te mogen helpen bij zijn overplaatsing naar Tjikadjang. Voor het inpakken van de verhuisboedel en het naar den trein brengen zou beklaagde ƒ 98 betaald hebben. Beklaagde zei, dat alles met taxi’s vervoerd was geworden. Tien dagen waren er nodig geweest om de meubeltjes in te pakken. Maar het feit, dat ook met deze kwitantie geknoeid was, wilde beklaagde niet toegeven.´

Resumerend, beklaagde zou dus in 1934 twee maal ƒ 10 te veel in rekening hebben gebracht en daarvoor de kwitanties (op een opzichtige manier) hebben vervalst. Later heeft hij te veel in rekening gebracht voor een verhuizing. Een verslag van het vervolg van deze zaak treffen we in het Soerabajasch Handelsblad van 1 juni 1936:

`Hedenmorgen is requisitoir en pleidooi gehouden in de strafzaak tegen Mas Wiradisastra, vroeger assistent-wedana van Tjikadjang (nabij Garoet) die geknoeid zou hebben met premie- en declaratiegelden. De premiegelden werden uitbetaald aan agenten der veldpolitie die belast waren met het neerschieten van loslopende honden, en die voor elke afgesneden staart een premie van 5 cent ontvingen. De Raad heeft eerst nog als getuige-deskundige gehoord de heer J. D. B. Hubers van Assenraad, militair apotheker Iste klasse, directeur van het Scheikundig Laboratorium te Bandoeng, teneinde de vervalsing van de ter rechtzitting geproduceerde valse kwitanties te constateren.

Reqisitoir

Daarna kreeg mr. Van Alphen de Veer, substituut-officier te Bandoeng, het woord voor het houden van zijn requisitoir. Spreker wees er op, dat duidelijk te zien is dat de kwitanties vervalst zijn. Reeds dadelijk was het hem verdacht voorgekomen dat beklaagde de enige was die de vervalsing niet kon constateren. Dit alleen leverde al een sterke aanwijzing tegen beklaagde op. De getuigen hadden er geen van allen belang bij om beklaagde te bezwaren; de enige persoon die voordeel zou kunnen hebben door een hoger bedrag op te geven dan werkelijk als premie werd uitbetaald, is beklaagde zelf. Op het misdrijf, door beklaagde bedreven, wordt een ernstige straf gesteld. De omstandigheid dat het gouvernement slechts voor een gering bedrag benadeeld is, kon volgens spreker de ernst van het strafbare feit niet verminderen. Spreker eiste, dat beklaagde zou worden veroordeeld tot 1 jaar en 9 maanden gevangenisstraf, met gedeeltelijken aftrek van de tijd, in preventieve hechtenis doorgebracht, te rekenen van 21 februari j.l..

Pleidooi

Beklaagde’s verdediger, mr. Plate, memoreerde dat zijn cliënt steeds hardnekkig bleef ontkennen zodat de Raad thans zal hebben te bewijzen, dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is en dat ook de getuigen betrouwbaar geacht moeten worden. Beklaagde trekt dit laatste in twijfel, omdat hij altijd een strenge chef voor zijn ondergeschikten zou zijn geweest. In dit verband wees spreker op verschillende afwijkende getuigenverklaringen. Beklaagde die reeds sedert september 1919 ln ’s Lands dienst is, heeft het gouvernement een nadeel bezorgd van iets meer dan 100 gulden. Het kwam spreker zeer onaannemelijk voor, dat hij zijn toekomst en die van zijn echtgenote voor een dergelijk luttel bedrag zou weggooien. Bovendien kon hij gemakkelijk van zijn salaris rondkomen, had geen schulden, gaf zich niet met andere vrouwen af; zijn levenswijze was normaal. Ten aanzien van de verklaringen van de getuige-deskundige merkte spreker op, dat de beste deskundigen zich wel eens kunnen vergissen. Het moet betreurd worden dat niet een tweede deskundige gehoord werd. Beklaagde is tevoren nooit met Justitie in aanraking geweest en heeft een schitterende staat van dienst. Destijds, toen hij geplaatst was in een moeilijk district als Pasar Minggoe, in het regentschap Meester Cornelis, noemde de resident hem zeer ijverig en geschikt en een goed politie-ambtenaar. Eenmaal werd hem bijzondere tevredenheid betuigd voor het arresteeren van rampokkers, en voor zijn buitengewonen ijver. Spreker meende dat een dergelijk ambtenaar zich niet aan de hem ten laste gelegde feiten kon hebben schuldig gemaakt. Mr. Plate vroeg vrijspraak, subsidiair een voorwaardelijke straf, en meer subsidiair een vrijheidsstraf, overeenkomende met den tijd in preventieve hechtenis doorgebracht (vanaf 15 November 1935), in elk geval dat beklaagde onmiddellijk op vrije voeten zal worden gesteld.´

Berichten als deze kunnen niet uitgebreid genoeg zijn. Het gaat immers om zeer kleine details die beslissend kunnen zijn voor de beoordeling van de schuldvraag. De lezers van bovenstaande zullen zich mogelijk benadeeld hebben gevoeld, want uit de verslagen blijkt bijvoorbeeld niet welke getuigen verder zijn gehoord. Het meest logische zou natuurlijk zijn geweest de verklaringen van agent Lasatu en tani Natasasmita naast die van beklaagde te leggen. De eerste zou voor het neerschieten van 294 + 276 = 570 (!) loslopende honden ƒ 28,50 hebben ontvangen. De tweede ƒ 98 voor een verhuizing, die, afgaande op de woorden van mr. Plate, niet veel meer dan een tientje had mogen kosten. Zijn deze getuigen wel gehoord?
Evenmin is duidelijk waarom mr. Van Alphen de Veer de termijn van voorlopige hechtenis in liet gaan op 21 februari 1936, terwijl beklaagde al vast zat vanaf 15 november 1935.

Dat er gesjoemeld werd met de declaraties was de Raad wel duidelijk. Evenals het feit dat beklaagde – ondanks zijn voortreffelijke staat van dienst – hierin de hand moest hebben gehad. Schuldig bevonden aan “valsheid in geschrifte en het opzettelijk gebruik maken daarvan” werd Mas Wiradisastra veroordeeld tot een jaar en zes maanden gevangenisstraf. Of hij ooit, zoals voormalig staatssecretaris Verdaas, berouw heeft getoond, dát weten we helaas niet. Met of zonder berouw, zijn carriere als bestuurder was in ieder geval beëindigd.

x

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

9 reacties op Lucratieve hondenstaarten

  1. Jan A. Somers zegt:

    Een heel klein detail, maar misschien tekenend voor die tijd? citaat: “à raison van 5 cent per staart. Vroeger, vóór maart 1933, bedroeg de premie het dubbele van dit bedrag.” Lijkt mij een van de bezuinigingen vanwege de grote depressie? In 1931 waren de traktementen bij leger en marine twee keer met 5 procent verlaagd. In januari 1933 met nog 7 procent. In februari muiterij op De Zeven Provinciën.

  2. joost van bodegom zegt:

    Wat jammer dat het weer eens over een Javaan gaat. Onder het motto “eerst eigen nest opruimen’ had ik liever een voorbeeld gezien van een Europeaan. Zoek de geschiedenis van opa Wilders maar eens uit die voor de oorlog in Indie bij de belastingen werkte, meen ik.

    • Jan A. Somers zegt:

      Ik heb geen parate kennis over rechtszaken. Hieronder twee heel oude leuke zaken m.b.t. de exorbitante rechten van de Gouverneur-Generaal. Ik houd het maar bij ‘leuke’ zaken, het zijn nu tenslotte feestdagen!
      In de eerste plaats de casus Van Vliet, procureur bij de Raad van Justitie te Soerabaja. Hij was naar Nederland teruggestuurd ‘op grond, dat hij een allerslechtst sujet was, bij de ingezetenen in minachting geraakt, zich oneerbiedig jegens den regter gedragende (…) daardoor heeft ‘bewezen’ ‘zijn ongeschiktheid’ om langer in de Indische maatschappij te verkeeren.’. In de tweede plaats de casus Mgr. J. Grooff, door Rome benoemd tot bisschop van Batavia maar niet, zoals voorgeschreven in het vigerende regeeringsreglement, benoemd door de koning en een standplaats aangewezen door het Indische bestuur. Hier was duidelijk sprake van een competentiestrijd tussen Nederland en de Heilige Stoel die diplomatiek werd opgelost door terugzending naar Nederland, en daarna met behoud van zijn titel Apostolisch Vicaris van Batavia in Suriname tewerkgesteld.
      De titel ‘bisschop’ is van oudsher hier formeel niet correct. Krachtens de pauselijke bullen van 1455, 1456 en 1481 was de kerkelijke jurisdictie over alle door de Portugezen veroverde gebieden toegewezen aan de Portugese Militaire Orde van Christus. Krachtens de bul Inter caetera (1493) en het met Spanje gesloten verdrag van Tordesillas (1494) strekte die jurisdictie zich uit over de gehele oostelijke wereld, ook het latere Nederlands-Indië. In 1551 legde een pauselijke bul het grootmeesterschap van de Militaire Orde van Christus definitief bij de Portugese kroon. Portugal zag dit jus patronatus als een overeenkomst met Rome die alleen met wederzijdse instemming kon worden opgezegd. Rome kon eenzijdig alleen ingrijpen met het benoemen van Apostolisch vicarissen en de weigering Portugese bisschopsbenoemingen te ratifceren. In het dagelijks leven sprak men overigens wel van de ‘bisschop’.

  3. HenkAnthonijsz (1926) zegt:

    Dit doet mij denken aan Malang. Ruim 80 jaren geleden; ik was toen 6 jaar. Wij hadden twee honden. Kleine langharige hondjes.Gevlekt. Met zwarte vlekken was van mijn oudere zus en met bruine was mijn hond. Op een dag kwam de “hondenkar”langs ons huis met twee hondenvangers die met netten los lopende honden op pikten. Ik zag plots mijn oudste zus de tuin uitlopen, zij liep naar één van de mannen toe die in zijn net ons zwartwit hondje had gevangen. Tot verbazing van de vangers verloste zij het hondje uit het net liep vlug naar huis. Boos dat die mannen waren!

  4. Jan A. Somers zegt:

    Eind jaren dertig waren er op Java gebieden met hondsdolheid en gebieden zonder. Je mocht een hond niet van het ene gebied naar het andere meenemen. Het was een probleem als je op stap ging met de hond mee. Ik dacht niet dat er veel werd gecontroleerd.

  5. Chris Erdtsieck zegt:

    Wiradisastra, is naar mijn mening een Soendanese naam en dat hij in Serang, het Soendanese taalgebied is geboren, pleit ervoor. Dus geen Javaan.

    • Wirodisastro,zo zou de naam moeten worden uitgesproken en dan is hij dus wel degelijk wong djowo,dus javaan. mvr.groet,Charley Younge, Schellinkhout.

      • Surya Atmadja zegt:

        Het staat duidelijk geschreven: “Mas Wiradisastra, oud 38 jaar, geboren te Serang. ”
        De plaatselijke Inlandse BB is per defenitie een kind van de streek .
        In dit geval is het duidelijk dat hij een Bantammer was , in feite met een Sundanese afkomst.
        Want Bantam was ooit een onder invloed van de Sundanese Hindu Padjadjaran.
        MAS Wiradisastra had ook een goede en lange dienstverband gehad met de gouvernement, van politie ambtenaar ( vaak Djaksa-Hoofd Djaksa =tegenwoordig
        officier van Justitie) tot Ass.Wedana..
        Had hij die “akkefietje” niet dan zou hij misschien Wedana werden.

  6. Ja, oh mijn Godje, het was toen allemaal nog in het klein, nu zijn zulke gevallen wel duizenden malen groter wat geld betreft en weet je, het gebeurt overal in de wereld. Geld maakt de mensen gek. Bidt maar voor een meer zuiver 2013. anders moet je maar minjak klappa drinken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s