Een joods Tempo Doeloe

Joden in Nederlands-Indië tot de Tweede Wereldoorlog

Door Rob Cassuto

Nederlands-Indië is mijn geboorteland. Mijn beide joodse grootvaders gingen er begin vorige eeuw naartoe. Mijn beide ouders zijn er geboren en ook ik zag er in de nadagen van het koloniaal bestuur het levenslicht. Mijn eerste levensjaar moet een tropisch paradijs zijn geweest, waar ik uit werd verdeven toen in 1942 de oorlog uitbrak. Met mijn moeder en grootmoeder kwam ik ruim drie jaar in interneringskampen terecht. Mijn verhaal gaat echter niet daarover, maar meer algemeen over de Joden in Nederlands-Indië. Na bijwoning van een symposium daarover in 2005 ben ik mij verder gaan verdiepen in die geschiedenis. Dit deel bestrijkt de periode tot de Tweede Wereldoorlog.

Graf Leendert Miero, 1915

Joden zijn er in Nederlands-Indië nooit in groten getale geweest. In de bloeitijd van de Nederlandse koloniale aanwezigheid, in 1932, zijn het er zo’n tweeduizend op driehonderd duizend Nederlanders, temidden van zestig miljoen autochtone inwoners. Een van de eerste Joden was Leendert Miero, die eind achttiende eeuw soldaat was op Java en na zijn afzwaaien in de handel ging. In Jakarta kan men nog steeds zijn graf bezoeken.  

Handel

Een reiziger uit Jeruzalem, rabbijn Jacob Saphir (1822-1886), deed in de jaren vijftig van de negentiende eeuw Batavia (Jakarta) aan. Hij maakt een rondreis om gelden in te zamelen voor de joodse gemeenschap in Jeruzalem en in zijn reisverslag maakte hij melding van twintig joodse families van Nederlandse of Duitse herkomst.
In de loop van de negentiende eeuw kwamen er allengs meer Joden, voornamelijk voor de handel. Maar er waren ook andere redenen, zoals in het geval van de journalist Alexander Cohen, rebel en anarchist, die in Nederlands-Indië een wijkplaats vond en een aantal jaren als soldaat diende in het Nederlandsch-Indisch Leger. Rond de eeuwwisseling en in de jaren daarna werd er in Nederland uitgebreid reclame gemaakt om dienst te nemen in de koloniale gelederen. Ook veel Joden gaven daar gehoor aan.
Eind negentiende eeuw en in de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer Joden naar de koloniën. Ze gingen in de handel, namen dienst bij het binnenlands bestuur van de kolonie of in het koloniale leger, werden actief in het onderwijs en in medische beroepen, of werden planter op de ondernemingen .
Zo ook mijn beide grootvaders, die exemplarisch zijn voor deze ontwikkeling. Mijn grootvader Cassuto emigreerde in 1915 als jong jurist naar Nederlands-Indië en werd leraar op (en later directeur van) scholen die ‘inlanders’ opleidde voor administratieve en bestuursfuncties.
Mijn grootvader van moederskant, Van Zuiden, nam na zijn officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie dienst in het (inmiddels Koninklijke) Nederlandsch-Indisch Leger, het KNIL. Dat was al in 1905 of 1906. Hij bracht vele jaren door op verschillende buitenposten van het immense koloniale rijk.
Ik vermoed dat mijn grootvaders mede werden gemotiveerd door de grotere vrijheid in de koloniën. De banden van het joodse milieu waren daar minder knellend, de discriminatie en vooroordelen speelden een veel kleinere rol en er was meer perspectief op een carrière.Romantischer uitgedrukt: het avontuur dat lokte, werd minder begrensd door barrières van de joodse afkomst.

Daarnaast was er een zekere trek van Joden uit het Ottomaanse rijk naar Zuidoost-Azië en een aantal van hen kwam terecht op Sumatra en Java. In Soerabaja was zelfs een kleine sefardische gemeente ontstaan van Joden die vooral uit Irak kwamen. Ze werden Baghdadi’s genoemd en hadden een kleine synagoge, de enige in heel toenmalig Nederlands-Indië.

Religie

Jacob Saphir

De eerder genoemde rabbijn Jacob Saphir verzuchtte destijds in zijn verslag dat de Joden in Nederlands-Indië amper nog iets deden aan hun religie. Men besneed de zonen niet meer en deed nauwelijks nog aan de joodse feestdagen. Dat was in de twintigste eeuw niet anders. Maar er was in heel Nederlands-Indië ook geen rabbijn. Als men per se een besnijdenis (brit mila) wilde laten uitvoeren, moest de rabbijn van Singapore overkomen. Er was ook geen synagoge, behalve die in Soerabaja, waar de paar honderd Baghdadi’s nog wel praktiserend joods leefden.
In Batavia, Bandoeng en Semarang waren Joden in wat grotere aantallen, van om en nabij de honderd, vertegenwoordigd, maar die vormden geen echte religieuze gemeenschap. Men kan zich afvragen of die aantallen kloppen, want ik vermoed dat vele Joden zich niet als zodanig profileerden. In dat geval is het aantal van de eerder genoemde tweeduizend Joden in de jaren dertig aan de lage kant.

Ook mijn grootouders leefden op dezelfde wijze als alle andere Nederlandse ‘kolonialen’. Ze waren lid van de Sociëteit (de gezelligheidsvereniging van de Nederlandse gemeenschap, bijgenaamd ‘de Soos’). Ze waren ook actief in toneelclubs. Een overgeleverd krantenknipsel recenseert een succesvolle toneeluitvoering, waarin mijn grootmoeder figureerde als gangmaakster. En een beruchte foto van mijn anders zo ingetogen grootvader Cassuto uit zijn jonge Indische jaren toont hem verkleed als vrouw in het toneelstuk ´De tante van Charley´; het laat een glimp zien van onbezorgde deelneming aan het gezelligheidsleven.

Ze vierden Kerstmis en Sinterklaas en waren betrokken bij allerlei feestelijkheden rond het koninklijk huis of goede doelen.
De jongere broer van mijn vader – eveneens op Java geboren – heeft later in zijn leven in een autobiografische terugblik [i] iets gezegd over zijn beleving als joodse jongen. ´Als Joods jongetje betekende mijn Joodse afkomst weinig voor mij. Het idee dat het ooit voor anderen wél van enorm belang zou zijn kwam niet in mij op´. Verderop schrijft hij over de verloftijd van het gezin in Nederland – het was 1929 en hij was toen tien jaar oud: ´In Holland ontmoette ik mijn Joodse familie en ik ontdekte, dat ze volkomen anders waren dan de Hollandse kolonialen. Intuïtief begon ik te beseffen dat Jood zijn betekende “een beetje anders zijn”´.

Sociale leven

Ies en Lien Cassuto, Bandoeng 1926

Deels uit bronnen, deels uit overlevering, mag ik aannemen dat de Joden in Nederlands-Indië hun vrienden wel zochten in joodse kring. In de tijd dat mijn grootvader Cassuto met zijn gezin in Bandoeng woonde, maakten ze vele uitstapjes naar de onderneming Tjigombong, niet ver van Bandoeng op de hoogvlakte van Preanger. De onderneming werd gerund door hun goede vriend, de joodse planter Albert Zeehandelaar.
Ook andere, vermoedelijk joodse families komen voor in de fotoalbums van mijn familie.
Zo is grootvader Cassuto zeer waarschijnlijk ook mijn grootvader Van Zuiden tegen het lijf gelopen, toen deze laatste na vele omzwervingen langs militaire posten in de buitengewesten in Bandoeng werd gestationeerd in een administratieve functie. Ze werden goede vrienden.

Beiden waren ze lid van de vrijmetselaarsloge van Bandoeng.
Vele joodse ingezetenen van grotere steden in Nederlands-Indië waren lid van een vrijmetselaarsloge. Weliswaar waren verreweg de meeste Joden niet meer praktiserend joods, maar ze hadden wel de behoefte om de diepere zaken des levens te bespreken, te filosoferen en vieringen te houden. De vrijmetselaarsloge bood daarvoor de gelegenheid, natuurlijk niet alleen aan Joden maar ook aan anderen, die zo in een vrije spirituele omgeving geestverwanten konden ontmoeten. Op bijeenkomsten werden vele contacten gelegd, ook tussen Joden onderling. Soms werden er zelfs joodse vieringen gehouden. Ik ontmoette op het symposium iemand die evenals ik in Bandoeng had gewoond. Hij was een paar jaar ouder dan ik en kon zich herinneren dat bij de vrijmetselaarsloge net zo goed Kerstmis als Chanoeka werd gevierd. Zonder twijfel gaf de loge veel gelegenheid tot wat we tegenwoordig ´netwerken´ noemen.
Ook het zionisme had de aandacht van de joodse ingezetenen van de Oost. Er schijnt een blaadje te hebben bestaan vanaf 1926 tot de Japanse bezetting, genaamd Erets Israël. De moeite waard om verder uit te zoeken.

Donkere wolken

Intussen pakten zich in de loop van de jaren dertig boven Europa donkere wolken samen. In Duitsland was Hitler aan de macht gekomen en had Duitsland herbewapend. Japan was zeer duidelijk in zijn imperialistische bedoelingen en had reeds grote delen van China bezet. Internationaal liepen de spanningen op. In Nederlands-Indië had de NSB een aanzienlijke aanhang. De koloniale gemeenschap, haar joodse leden incluis, dacht echter dat in deze uithoek van de wereld geen oorlog viel te duchten…

Over enkele dagen het vervolg in: ‘Joden achter het kawat’


[i] Cassuto, E., The last Jew of Rotterdam. Whitaker House, 1974.

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op Een joods Tempo Doeloe

  1. Eppeson Marawasin zegt:

    Weer zo’n aspect waar ik dus helemaal geen weet van heb. Interessant om dit in De Javapost terug te lezen. Ik vrees de gebeurtenissen in het volgend deel, maar mag ik toch zeggen dat ik het verhaal van meneer Cassuto leerzaam en boeiend vind.

  2. Ben Okker zegt:

    Heel interessant en een voor mij volkomen nieuw gegeven.

  3. Werner Stauder zegt:

    Ik ben op zoek naar informatie over de Duitse Joden, die in 1940 geinterneerd werden. Ook onder de slachtoffers van de “Van Imhoff” bevonden zich talrijke Joden. Graag zou ik in contact willen komen met mensen die daar meer over weten.

  4. Nelly Goldstein-Meijnema zegt:

    In 1991 waren we op bezoek bij de uit Irak afkomstige laatste Joden In Surabaya. Ik heb toen 3 foto’s gemaakt van hun Synagoge, de enige dus op Java.

  5. Nelly Goldstein-Meijnema zegt:

    Wij bezochten in 1991 in Surabaya de laatste , uit Irak afkomstige Joden. Ik heb 3 foto’s van hun Synagoge

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s