Overleven op het internaat (I)

Aletta Berkholst, temidden van ´haar meisjes´

De Japanse bezettingstijd werd door enkele honderden kinderen doorgebracht op het Soekaboemisch Opvoedingsgesticht (SOG), een protestants instituut dat vooral diende als internaat voor kinderen van plantersgezinnen in de Soekaboemische ommelanden. Naast een eigen Mulo had het een technische opleiding, zowel voor jongens als voor meisjes. De leiding was in vooroorlogse jaren in handen van dominee F.J. Jens. In 1943 zou hij komen te overlijden door toedoen van een bezoek aan de Kenpeitai. Vanaf dat moment, tot 1945, was de leiding in feite in handen van de adjunct-directrice, mevrouw Aletta Berkholst. Eerst enkele jaren later zou ze de tijd vinden om haar aantekeningen van die moeilijke jaren uit te werken, en hiermee aan het nieuwe bestuur van het tehuis verantwoording afleggen. Haar verslag, getiteld ´De Soekaboemische Opvoedingsgestichten Oorlogsjaren 1942 t/m 1946´, werd in 1999 opgenomen in een herinneringsboekje genaamd ´Tussen Djampang en Gedé. Geschiedenis der opvoedingsgestichten te Soekaboemi (SOG)´. [i]
Omdat het verslag een goed inzicht geeft in het leven op een internaat in oorlogstijd, brengt de Java Post hier een integrale versie, in twee delen, met slechts dáár waar de leesbaarheid dit vereist een enkele aanpassing van de tekst. De tijdsaanduiding moet worden gezien als indicatief. De desbetreffende hoofdstukken bevatten informatie over gebeurtenissen vanaf de genoemde maand.  

De Soekaboemische Opvoedingsgestichten Oorlogsjaren 1942 t/m 1946
Door: Aletta Berkholst

8 december 1941

´Afscheid van vijf heren collega´s en grote jongens die opgeroepen zijn voor de mobilisatie. Het waren juist de groepsleiders die zoveel mogelijk werden vervangen door dames uit het meisjeshuis.Mevrouw De Willigen, die oorspronkelijk alleen les kwam geven in het meisjeshuis, trok in bij ´grote schooljongens´, terwijl mejuffrouw Loen en mejuffrouw Pfeiffer in de afdelingen ´kleine jongens´ kwamen. Bij de allergrootste jongens, die nog niet voor de dienst waren opgeroepen, kwam de heer Jens overdag dienst doen.  ´s Nachts moesten de dames het maar klaarspelen.
De smederij kon door blijven draaien, het hoofd van de opleiding de heer Van der Meulen was wel opgeroepen, maar de werkbazen, de heren Schalk en Luyt, bleven aan. De heer Jens sloeg een grote voorraad boter en andere conserven in, ook de linnengoedvoorraad werd flink aangevuld.
Het Kerstfeest werd nog op nagenoeg oude luisterrijke wijze gevierd, maar we hadden geen oud-pupillen op bezoek. Het was ons huis, zoals het toen was, dat in de kapel verzameld was voor de dienst.
Nog voor de capitulatie werd het pupillenaantal aangevuld met dat van het kinderhuis West-Java. Hun gebouwen waren door het leger opgeëist.

8 maart 1942

SOG meisjeshuis

De kinderen waren naar school getogen, als gewoonlijk begeleid door het dienstdoend personeel. Net toen wij thuis waren gekomen, vlogen vijandelijke vliegtuigen boven Soekaboemi in een V-formatie. Wij hadden ze nog nooit overdag gezien en dachten dat het onze eigen vliegtuigen waren. Alle kinderen op school waren ook de tuin ingegaan om ze toe te wuiven. Pas toen de bommen neerkwamen, drong het tot ons door dat het de Jappen waren.
De school schuin tegenover de onze is geheel vernield, niemand ontkwam aan de dood. Door Gods bescherming had geen van de onzen enig letsel.
Wat waren we blij toen wij ze na een paar uurtjes gezond en wel terugzagen! Pas ´s middags kwam het definitieve bericht van de capitulatie.[ii]
Al spoedig kwamen de heren weer terug, ofschoon we meteen hoorden, dat dit niet zo bleef, een ieder was beducht voor internering, wat ook al gauw volgde. Gelukkig kregen wij hulp van een oud-pupil die met de grote schooljongens de grond omwerkte tot singkong en oebivelden. Hij sliep bij de grootste jongens.
Alleen het grote voetbalterrein bleef sportveld, alle andere speelterreinen werden productief gemaakt. De scholen werden alle gesloten. De vakopleiding van de meisjes werd zoveel mogelijk voortgezet, evenals de smederij.
De heer Jens belegde met het overgebleven personeel een vergadering waarbij werd echter bekendgemaakt, dat voortaan geen salaris meer kon worden uitbetaald. Iedere inwonende kracht kreeg een zakgeldje van f. 2,50, de buitenwonenden kregen een klein onderstandje voor hun leeftocht. Ieder was vrij zijn ontslag te nemen en terug te gaan naar familie of een andere betrekking te zoeken.
Ieder werd geregistreerd, het briefje ´pendaftaran´zou dan een waarborg zijn dat je niet werd geïnterneerd zou worden. Dit kostte voor een man f. 150,- en voor een vrouw f. 80,-. Dit was onze laatste grote uitgave gedurende de gehele Jappentijd, die we nog in staat waren te doen. ´t Spaargeld op de Postspaarbank kon niet meer worden uitbetaald.
Al gauw kwamen er steeds akeliger berichten door van families die beroofd werden, mishandeld, uit hun huizen gezet, geïnterneerd enz.
De dames Van de Veen, Walraven, Hukom en Contée dienden daarom hun ontslag in en reisden naar hun familie. Ikzelf kreeg een week vakantie om mijn ouders in Lembang op te zoeken. Graag hadden die gewild dat ik maar thuis bleef. Achteraf prees ik mezelf gelukkig dat ik dat niet gedaan had. Wat zouden die jonge assistenten anders met de kinderen hebben moeten aanvangen na de dood van de directeur?

September 1942

De leidsters: staande v.l.n.r. Frieda Meelhuysen, Ans van Walraven, Ch. (Tjalie) Loen. Zittend: Fien Mengko en Lien Brak.

De eerste grote vrouweninternering. De dames Jongbloed, Wit, Pfeiffer, De Meyer en De Waal moesten eraan geloven. Nu werd het personeelstekort  nijpend. Dit bracht de eerste verschuiving van groepsafdelingen met zich mee. De kleine meisjes moesten verhuizen naar het Kinderhuis, de bedden werden wat dichter op elkaar geschoven, want het was een afdeling van 40 meisjes die erbij moest. Mejuffrouw Copper, de leidster van de kleine meisjes, kreeg hulp van mejuffrouw Brak, een PJC-lid uit Soekaboemi.
Op onze schriftelijke noodkreet kwam mejuffrouw Walraven direct terug en kreeg de groep van mevrouw De Meyer (kleine jongetjes uit ´t meisjeshuis). We hebben alles in het werk gesteld de kinderen een echt Kerstfeest te bereiden, maar het personeel had geen rust. We verwachtten dat ook de andere dames aan de beurt zouden komen voor internering. Tot overmaat van ramp werd ik zelf hard ziek en moest in het ziekenhuis worden opgenomen.
De twee oudste afdelingen meisjes die onder mejuffrouw De Munck en mij stonden, werden toen bij elkaar geplaatst. M´n ouders kwamen over, zij wisten niet dat we nog meer interneringen verwachtten, en wilden mij naar huis hebben om daar uit te zieken. Gelukkig heb ik ook déze keer ´nee´ gezegd.

Toen in februari 1943 de tweede internering kwam, was ik gelukkig weer op de been en kon ik het werk van mejuffrouw De Munck overnemen. In de plaats van mejuffrouw Copper kwam nog een PJC-lid uit Soekaboemi, mejuffrouw Rugebregt. Ook mevrouw De Waal werd geinterneerd.
Onze kok, de heer Keyzer, werd gevangen genomen en vervangen door de directeur die dit werk erbij nam, bijgestaan door een evacuée uit Palembang, mevrouw Mulder. De smederij werkte op halve kracht, we hadden haast geen materiaal meer. Ook de vakopleiding van de meisjes was zowat stopgezet, want ik moest het hele werk van mejuffrouw De Munck erbij nemen. De meisjes werden natuurlijk wel aan stop- en verstelwerk gezet, zo nu en dan mochten ze iets nieuws maken, dankzij de grote voorraad textiel.
Ons dagelijks koffie-uurtje werd in ere gehouden, maar het droeg nu meer het karakter van een even stoom afblazen en elkaar de moed inspreken. Van Soekaboemelaars die het kamp ingingen had de heer Jens een sommetje geld in bruikleen gekregen. Zijn verjaardag hebben we op het verzoek van het hele personeel toch met een avondje en lekker eten voor de kinderen gevierd.

Juni 1943

ds. F.J. Jens, directeur SOG

De heer Jens ging naar Batavia om een en ander op te nemen met het bestuur. We waren namelijk bang dat hijzelf ook geïnterneerd zou worden en dan zou ik alleen alle verantwoordelijkheid moeten dragen. De heer Schalk had nooit kennis gehad van de financiële noden van het huis. De heer Couvret, onze administrateur, was ook gevangen genomen en de heer Luyt geïnterneerd.
De heer Jens kwam terug met de heer Senduk, een Menadonees onderwijzer, die door de heer Jens moest worden ingewerkt om bij eventuele internering als waarnemend directeur op te kunnen treden. Ook had de heer Jens mijn benoeming tot adjunct bij zich. Het bestuur had namelijk deze regeling getroffen: de heer Senduk zou al het buitenwerk doen, onderhandelen met de Jappen, voedselvoorraden inslaan enz., en ik zou als adjunct al het interne werk met de kinderen op me nemen.

De week daarop moest de heer Jens al voor de Kenpei te Buitenzorg verschijnen. We vreesden allen hem niet meer terug te zien, maar na drie dagen was hij weer terug. We zagen hem in de trein. Zo is hij nog nooit door ons allen ingehaald. De kleintjes hingen aan zijn broek en aan het gejuich kwam geen einde. De blijdschap van al die kinderen deed hem zichtbaar goed.
Het was zaterdagmiddag. Hij was heel erg moe en zag er slecht uit, daarom beloofde hij de kinderen dat zij zondag een extra woord met hem konden spreken in de kapel. Hij kon nu niet meer op zijn benen staan. De volgende morgen, heel vroeg, kreeg ik echter bericht van mevrouw Jens dat het helemaal niet goed ging. Ik moest de jeugddienst maar voor mijn rekening nemen. De heer Jens en ik deden het gewoonlijk om beurten en nu was het eigenlijk zijn beurt. Niemand van ons vermoedde dat hij nooit meer tot de kinderen spreken zou, niemand maakte zich ongerust. Na twee dagen nam God hem weg, hij was bij zijn volle bewustzijn. Hij liet mevrouw Jens ons de groeten overbrengen, waarbij hij de hoop uitsprak dat we tot het einde toe zouden volhouden de kinderen bij ons te houden.

SOG kapel

We veronderstellen dat de Jap hem vergiftigd heeft of heel zwaar mishandeld. Een dag tevoren vertelde hij me nog dat de Jap hem telkens gevraagd had hoe hij aan het geld kwam om al de kinderen in leven te houden. Hij gaf meteen de raad om ook in het vervolg niets op te schrijven (wij hebben dat de hele Jappentijd volgehouden). De heer Jens vertelde het me altijd wél als hij eens wat gekregen had, het bestuur kon ons niet meer van geld voorzien. Na de dood van de heer Jens toonde mevrouw Jens zich bewonderenswaardig sterk. Ze nam al gauw de dienst in de keuken waar en verhuisde naar het jongenshuispaviljoen om beter op de grootste jongens te kunnen letten. De kinderen hebben hun ´bapa´, zoals ze hem noemden, nog allen gezien. De kist was opgebaard in de kapel, de oudste jongens hielden de dodenwacht. De heer Hofker heeft de dienst geleid en allen hebben we hem grafwaarts gevolgd. Ieder groot kind droeg daarbij een krans, zovelen hebben hem nog hiermede hun waardering willen tonen.

De heer Senduk kwam met zijn gezin in de directeurswoning waar hij gebleven is. Hij stond bij de Jap goed aangeschreven, was in het bezit van een Japanse vlag waarop zijn goed gedrag in grote Japse karakter vermeld stond. Deze vlag hing boven de hoofdingang van het huis.
Al spoedig werd besloten tot de verkoop van de inhoud van de smederij, de jongens konden toch niet meer werken met de electromotoren.

De indeling was als volgt:
De jongens onder leiding van mevrouw Jens, oud-pupil Ulmer en heer Lavalette (inwoner van Soekaboemi); de schoolmeisjes mejuffrouw Loen; de andere meisjes mejuffrouw Berkholst; de kinderhuisjes dames Brak en Rugebregt; en de kleine jongens mejuffrouw Walraven.
Linnenkamer jongens mejuffrouw Mengko (assistente uit West-Java) en mevrouw Couvret.
De twee dames Meelhuysen, moeder en dochter, kwamen uit Bandoeng om ons te helpen. Toen hebben we de kleintjes weer anders ingedeeld. De dames Brak enRugebregt kregen alle kleine meisjes en de dames Walraven en Meelhuysen alle kleine jongens. Mevrouw Meelhuysen hielp mij, hield de meisjes aan het werk in de naaikamer en keek een beetje naar de keuken van zwakken en personeel.

September 1943

SOG Jongenshuis op Benteng

Laatste vrouweninternering. Mevrouw Jens en mevrouw Mulder werden evenals mevrouw Couvret ingepikt. Meteen moest één jongenshuis aan de Jap worden afgestaan voor doorgangshuis.
Na een week of wat trokken alle geïnterneerden weg. Het jongenshuis  kregen wij echter niet terug, dat heeft de Jap gebruikt als kazerne.[iii]

December 1943

We kregen nog meer kinderen. Het R.K. kleuterhuis van Buitenzorg en het jongenshuis St. Vincentius kwam het aantal pupillen met ca. 80 kinderen versterken.
De kleuters brachten nog bedden mee, er waren zes dames bij. De jongens kwamen met een broeder. Deze kregen hun voeding van ons. Een evacuée uit Tandjoeng Pinang kwam ons helpen in de linnenkamer van het jongenshuis, mevrouw Meelhuysen werd in de grote keuken geplaatst.
We hadden nu zowat 190 kinderen. De bedden werden nog maar een beetje dichter bij elkaar gezet. (…) Wéér werd alles verplaatst.

Voor de grootste jongens kwam een kennis van de heer Senduk, ook een Menadonese onderwijzer, een zekere Muaja. Deze moest ook op last van de Jap alle kinderen inwijden in de schoonheid van de Japanse taal. Wij mochten geen Nederlands meer spreken. Zolang de kinderen nog geen Japans kenden (ik vreesde dat die taal te moeilijk was voor hun domme hersenen), mochten wij ons bedienen van de Indonesische taal. Dat deden wij ook altijd als ze bezoek hadden van de Jap. Zij kwamen nogal vaak het huis binnenvallen. De kleintjes die voor moesten spelen waren er al op getraind dat één van hen dan vlug moest weglopen om mij te waarschuwen. Eénmaal is het hun niet gelukt ongemerkt te verdwijnen. We gaven altijd in een vrijgemaakt uurtje de kinderen les in lezen, schrijven en rekenen. De afspraak was: zodra je klaar bent met de les, alle schoolborden schoonvegen. Die dag stevenden de Jappen direct op het Kinderhuis aan (kleine jongetjes). Ik kwam achter hen aangedraafd en wat zagen we…. een hele reeks Hollandse woordjes op het bord. De Jappen waren woest en ik moest heel wat scheldwoorden slikken. Naderhand kreeg ik nog een preek van een Jap in de huiskamer van afdeling A. Hij stelde voor mij te ontslaan, in elk geval zou hij maken dat ik drie maanden geen salaris kreeg en ik moest mee naar de Kenpeitai. Toen hij vertrok vroeg hij hoeveel salaris ik had. Toen ik hem vertelde dat wij tijdens hun baas-zijn geen salaris konden krijgen, keek hij me beduusd aan, stond op, maakte een buiging en verdween. M´n salaris kreeg ik dus wel. Ik had alleen het genoegen tussen een Japanse soldaat en een Indonesische politieagent naar de Kenpeitai te moeten wandelen. Ik kwam er echter heel genadig van af, waarschijnlijk dank zij dat reuze salaris. Ik kreeg alleen alweer een reeks dreigementen en scheldwoorden die ik toch niet verstond, waarna ik kon verdwijnen. Toen ik vroeg of ik weer op mijn geleide moest wachten, antwoordde hij dat ik toch zeker alleen de weg kon vinden?

De smederij in betere tijden...

De eerste verkoping van de electromotoren uit de smederij had plaats gehad vóór de internering van mevrouw Jens. Wij, mevrouw en ik, waren hiervan op de hoogte; het was echter niet officieel met ons besproken. Van de opbrengst hebben we niets gemerkt. Nu volgde al gauw de verkoop van de hele inhoud niet alleen, maar heel het gebouw, opgetrokken van ijzerconstructie en gegalvaniseerd ijzer, werd uit elkaar gehaald en per trein verstuurd. Dit laatste heeft het bestuur me wel verteld. Ik weet nog dat ik protesteerde, waarop het bestuur antwoordde dat zoiets sentimenteels alleen van een vrouw kon uitgaan, zij, de heren, dachten tenminste aan het welzijn van de kinderen, want met de opbrengst zouden wij twee jaar de kinderen kunnen voeden. Denk eens aan! Het is alleen erg jammer geweest dat ik, noch een van de andere dames, ooit iets van de opbrengsten gemerkt hebben.
We waren met de komst van de Rooms-Katholieken geheel overgenomen door de Jap. Zij zouden ons financieren en wel met de reusachtige som van f. 1.800,-.

Gelijk met de verkoop van de motoren werden jongens aangeworven voor de Jappendienst. De heer Senduk was nogal voorzichtig uitgevallen tegenover de onderdrukkers. Hij wilde hen liever, ter voorkoming van drastische maatregelen als internering of uit het huis zetten enz. in hun wensen tegemoet komen. Ondanks hevig protest van mevrouw Jens en mij gingen met de eerste verkoop al twaalf jongens mee. De Jap bood daarop alle jongens een compleet diner aan, verzocht ook alle grote meisjes en het hele personeel aan tafel, maar dat heb ik met een lief praatje van ´bij ons eten de meisjes nooit gelijk met de jongens´afgewimpeld. Wél moest ik toestaan dat de Jap een hele toespraak tot hen hield, nadat hij eerst met mij gepraat had over het moeilijke leven dat ik tot nu toe zeker gehad had. Toen ik antwoordde dat ik me veilig voelde onder hun hoede, zei hij me dat ik nog niet de helft ondervonden had van hun goedheid. Als ik nu opschreef hoeveel japonstof ik nodig had, zou het morgen bezorgd worden en meer van dat soort fraais. Ik had de meisjes geinstrueerd eerst te zeggen dat ze hem niet verstonden en als dat te moeilijk was hem naar mij te verwijzen. Welnu, de toespraak was ´knal´. Zij moesten niet zo slap zijn en een voorbeeld nemen aan de jongens, die waren ´de trots van Nippon´. Allerlei dreigementen sierden zijn toespraak die verschrikkelijk lang duurde en die wij allemaal staande moesten aanhoren. Op het eind toonde hij zich erg welwillend. Nu zou hij ons bij elkaar laten, barmhartig zijn en ons blijven voeden en kleden!
De volgende keer hoopte hij ons bekeerd te vinden. Ze zijn nóg twee keer langsgekomen. ´t Ging niet altijd zo kalm, maar het bleef bij dreigementen. Geen enkel meisje is bij de Jap terechtgekomen. De laatste keer was het de bedoeling, zo niet alle meisjes, dan toch wel het grootste gedeelte naar Makassar te verschepen om als kantine- en bargirls te gebuiken. Allen zouden bij elkaar blijven en ik zou meegaan en het hoofd worden van al die gezelligheid.

Ze zijn ook een keer gekomen voor de assistentjes. Die zouden in deftige huizen komen, niets te doen krijgen dan alleen maar de goedheid van de Japanners incasseren en hen bewonderen. Toen ging het zó heet toe, en ik moest me bedienen van zúlke tactvolle slimmigheidjes, dat de heer Senduk, de benen nam zeggende dat híj niet in de wieg was gelegd voor dergelijke ´vuile zaakjes´. Alsof ík daar altijd aan gewend was geweest! Hij gaf me nog de wijze raad niet te blijven weigeren. Ik kon beter een paar mensen opofferen om het geheel te kunnen redden. Zo heeft hij twee keer de jongens, ondanks al mijn beweringen dat de Jappen tóch hun dreigementen niet zouden uitvoeren en alleen deden waar ze lust in hadden, zó ver gekregen dat ze dienst namen. Eén groep, de eerste, vertrok naar Makassar; twee van deze jongens zijn bezweken. De tweede groep mocht ikzelf afleveren aan Batavia, dan kon ik zélf zien hoe goed en keurig ze ondergebracht werden en zou ik de meisjes niet langer vasthouden. In Batavia zijnde bood het hoofd van de Marine mij zijn eigen auto aan om te toeren, hij wilde me ook een sommetje geld in handen stoppen om voor het laatst met de jongens feest te vieren. Ach, ach, wat wáren die Jappen toch hoffelijk en vriendelijk en goed!

SOG Meisjeshuis

We mochten, omdat de Jap ons toch al zo veel geld gaf, beloven nergens anders geld uit te slaan, tenminste niet voor het huis, mochten ook geen giften van anderen in ontvangst nemen en ook niets verkopen, want volgens hem konden we royaal toekomen. Nu, als ik hem gehoorzaam was gebleven, zouden de kinderen allen gesukkeld hebben met hongeroedeem en meer narigheden. Voor zover ik mij herinner hebben we ook maar twee keer onderstand van hen gehad en dat ging nog met veel moeite. Telkens heette het: ´Jullie boekingen zijn niet in orde, het moet helemaal anders´, en dan gaven ze weer een heel ander model mee. Al die tijd kregen wij het geld niet en alles was onrustbarend duur. We kregen alleen wat rijst en suiker goedkoop gedistribueerd; al het andere moest op de passer worden ingekocht, waarvoor de heer Senduk elke dag f. 15,- gaf, wat alleen genoeg was voor de groenten. Het ontbijt en avondeten werd bestreden door de verkoop of ruil met linnengoed enz. Dit gebeurde ´s avonds of ook wel ´s middags gedurende de rusttijd.

De verduisteringsgordijnen hebben ons goede diensten bewezen. De deuren gingen op slot en in de leerkeuken, die voor de kinderen verboden terrein was, werd een levendige ruilhandel gedreven. Eerst waren we niet zo brutaal, en durfde ik geen linnengoed de deur uit te geven. Het allereerst ging mijn piano, toen het speelgoed van de kinderen (autopeds, poppenhuizen enz.), toen de personeelsbibliotheek die verhandeld werd volgens het gewicht aan papier. Het ging ons wel aan het hart, maar we konden niet anders. De Jap loerde toch op elk boek dat niet in het Indonesisch of Duits was geschreven, en ik had de bibliotheek in verschillende kasten moeten onderbrengen.

Als de kinderen iets extra´s kregen (een tractatie ter ere van de verjaardag van iemand uit het personeel bijvoorbeeld), werd de garderobe van alle dames nagekeken en dan vonden we altijd wel iets dat er nog best vanaf kon.
En de heer Senduk liet zich beetnemen, ontbijt en avondeten werden óók bestreden van die f. 15,– Eén liter rijst (de gedistribueerde rijst was alleen genoeg voor één maaltijd per dag) kostte f. 5,-, en we hadden per keer 15 liter nodig.
We werden steeds driester naarmate onze eigen voorraad slonk, en op het laatst verhandelde ik lakens, oranjesjerpen, wimpels enz.
Zwakke kinderen kregen kedele-melk, gemaakt volgens een recept van onze dokter.[iv] Dit was een hele bewerking. Degene die hiermee belast was, werkte er de hele morgen aan, maar we hadden ook dagelijks 10 liter melk nodig. Deze kedele kostte eigenlijk f. 8,- per kilo, maar ik ruilde 50 kilo voor een laken. Ook de tempe en tahoe liet ik zelf maken uit de kedele. Het menu was als volgt samengesteld:

Ontbijt: Elke dag oebi of singkong. Uit eigen tuinen hadden we genoeg voor ca. één maal.
Middagmaal: Rijst en sajoer. Om de andere dag kwam hier nog bij tempo of
tahoe en eens per week vlees verwerkt in soep. Dit vlees kregen wij heel billijk tegen geld van de gemeenteslachterij.
Avondmaal: 4 x rijst, 1 x singkong, 1 x pap (rijst of katjang idjo). Als bijgerecht sajoer, 1 x per week soep.

Na een paar maanden trok de heer Muaja weer weg. Hij kon het niet zo erg goed vinden met de grote jongens. Eens waren ze zó brutaal geweest dat een paar jongens werden opgepakt door de politie die hij erbij had gehaald. Dit heb ik hem erg kwalijk genomen. Eén jongen werd niet gevangen genomen en die heb ik toen opgeëist en in de isolatiecel opgesloten. Toch bleef het niet goed gaan. Telkens was er wat, en toen Muaja zelf moeilijkheden kreeg – zijn oudste jongen werd in Bandoeng gevangen gezet, verdacht van illegaal werk – , vroeg hij zijn ontslag om naar Bandoeng te gaan.
De jongens hebben we toen maar ook in het meisjeshuis genomen, al moesten ze erg nauw liggen. De indeling was nu:
De oudere jongens onder heer Ulmer, mejuffrouw Loen en een inmiddels teruggekomen oud-pupil, A. Petitjean; oudere meisjes onder mej. Berkholst;
kleine meisjes (5 -12 jaar) dames Brak en Rugebregt; kleine jongens (5 -12 jaar) dames Meelhuysen en Walraven; verder de RK kleuters in het meisjeshuis.
Mevrouw Meelhuysen was meer nodig in het ziekenhuis Rido Galih en vertrok. Mevrouw Van Zijtveld keuken en linnenkamer. Mejuffrouw Mengko assistent keuken en linnenkamer.´

x

Het vervolg van dit verslag, over het laatste oorlogsjaar en de bersiapperiode,
is te lezen in ´Overleven op het internaat (II)´, Java Post 9 september 2011.

x

[i] Tussen Djampang en Gedé. Geschiedenis der opvoedingsgestichten te Soekaboemi (SOG), uitgaande van het Genootschap van In- en Uitwendige Zending te Batavia, Januari 1900-Februari 1946 / samenstellers FelixC. Bakker en Frits Schaller (1999).
[ii] Mevrouw Berkholst doet hier voorkomen alsof het bombardement en de capitulatie beiden plaatsvonden op 8 maart 1942. In werkelijkheid vond het bombardement twee dagen eerder plaats.
[iii] Het betrof hier de tijdelijke internering van vrouwen en kinderen uit de omgeving van Soekaboemi. Hun definitieve bestemming was het Kareëskamp in Bandoeng.
[iv] Kedele = soja

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

11 reacties op Overleven op het internaat (I)

  1. Ed en Hannie Kerkhoven zegt:

    Heel interessant te lezen. Ik was 5 jaar oud in maart 1942 en we woonden in Bandoeng. Mijn vader was in 1933 van de theeplantage “Gamboeng” zoals beschreven in “Heren van de Thee” door Helle Haasse, ceremonieel de deur gewezen. De reden was dat mijn grootvader Eduard Silvester en zijn broer Emile grote ruzies kregen. Als tiener mocht hiervan niets weten, maar ik hoorde het verhaal toch van een verre neef in 1994. Zonder die ruzies zou ik vermoedelijk ook in dat internaat geweest zijn. Eduard W. J. Kerkhoven.

  2. Ron Smit zegt:

    Nog eens alles doorgenomen en inderdaad is het DIT kindertehuis geweest, waar ik door mijn vader was gedumpt. Zeker weet ik het omdat hij later is getrouwd met Wilhelmina (Lien) Brak, de juffrouw op de bewuste foto. Haar moeder was Oma Tes Brak, een hele lieve vrouw, die later de directrice is geworden van dit tehuis Ron Smit.

    • buitenzorg zegt:

      Ron,
      Het geheugen is soms verraderlijk. Misschien komen we er samen uit:
      Volgens mijn gegevens is de vrouw op de foto Femietje (´Fien´) Catherine Mengko (geboren 17 december 1912 in Tomohon, Celebes).
      Zij werkte vanaf 1935 tot 1943 in het Protestantse Weeshuis West-Java te Buitenzorg (of wat er van over bleef), en daarna in het SOG in Soekaboemi. Na de oorlog heeft ze ook gewerkt in het Parapattan Weeshuis, Batavia. In deze na-oorlogse jaren is ze gehuwd met een zekere Brak, en ging nadien dus door het leven als Fien Brak-Mengko. Haar echtgenoot overleed in 1955.
      Zij liep enigszins mank omdat haar ene been korter was dan het andere.

      Bert

      • Ron Smit zegt:

        Bert, leuk een reactie te mogen krijgen. Het kan best zijn en ik geloof dat je gelijk had dat ik Juf Mengko in Prapatan had meegemaakt. Zij liep inderdaad mank. Jufrouw Drijesdeel, was toen daar de directrice en aten wij altijd de uitgedroogde broodkorsten uit de vuilnisbakken, welke de kinderen van buiten, die bij ons op school gingen, weggooiden.
        Elke ochtend verdrongen wij ons bij het hek, om de eersten te zijn die de kanaries konden rapen om ook de buitenschil te eten. Ik weet nog dat er een Ambonese jongen was, die was zo mager die kon tussen de spijlen van het hek door, zodat hij altijd de eerste was, hij heette Henkie Papilaya, weet niet of ik het goed schrijf. Juffrouw Walraven was dacht ik ook van Prapatan. Mind you ik was toen 5 a 6 jaar en er zal heus wel iets door elkaar gehaald zijn, wat dat en plaatsen betreft.
        Gr Ron

  3. Ron Smit zegt:

    Bert, weet je misschien ook wat er van het gebouw geworden is ??? Heb je meer naoorlogse foto’s van ??? Alle bovenstaande artikelen geleze en het doet je toch wel wat. Gr Ron

  4. uzie zegt:

    Ik heb net ontdekt dat in Soekaboemi (waar ik woon) had een heel mooi …..
    goede info,

    • Helena zegt:

      Bent u misschien in Sukabumi, wij zijn hier met vader/schoonvader alhier om SOG herinneringen op te halen. Kunnen wij u telefonisch bereiken?

  5. uzie zegt:

    oh natuurlijk, moet je doorgaan met de verhaal lijn met de werkelijkheid, want ik wil ook meer weten over de geschiedenis van mijn woonplaats weten. Heeft u foto’s Soekaboemi vroegere tijden?

  6. e.m. lavalette zegt:

    Wie heeft mijn vader gekend , die als groepsleider in Het S.O. G heeft gewerkt .
    Hij heeft met de jongens , goenten en andere producten verbouwdt om nog wat aan vulling voor het karrige eten van de kinderen te krijgen .
    wij hebben in het middelste gebouw gewoond , die later door jappen is gebruikt voor kazerne, onze familie bestond uit Vader Moeder en 7 kinderen ,Ange Kiddy , Ronny Rene , marcel. Liesje Fransje . Het bevreemd mij dat ik daar niets over lees ,al de namen die genoemd zijn zijn mij bekend .
    In dat huis zijn wij bijna afgeslacht , ik heb daar hele nare herinneringen aan , vooral aan die jappen . Kato San .en nog zo;n fraai figuur Sato vandaar uit zzijn wij opgepakt en naar de Politieschool gebracht , waar mijn vader als eerste overleed .Hij is nog buiten het kamp begraven , Een man van het Rode Kruis die heeft hem met mijn Moeder en oudste broer nog op een Kerkhof kunnen begraven . Dit is nog niet de helft wat ik kan vertellen , over die tijd ik weet nog wel dat de meisjes en de jongens bij ons thuis kwamen en Rudjak aten , Ik vind het vreemd dat onze vder nergen vermeld staat , Meneer Shalk Mevrouw Meelhuizen en die andere namen zijn mij bekend .
    Ik weet nog dat de jongens die in de keuken hielpen , waar de vrouw van meneer Siahaja werkte , haar suiker pot , die zij met een potlood steepje aan steepte ,om te kijken of de jongens geen suiker stalen , heelaas maakten zij een nieuw streepje en hadden zo toch wat suiker ontvreemd ..
    DE schuld kreeg altijd Midas een spookjes figuur die natuurlijk niet bestond.
    Dit alles weet ik nog goed , de benkel liep via een straatje naar onder , en naar een klein zwemdadje , ook was achter ons huis een schuilkelder met een ijzeren deur . Toen de jappen het gebouw naast ons verlieten werden er bedelaars in gestopt. verschrikkelijk .Nogmaals , ik heb aan het S.O.G tijt aan de Djalang Benten geen prettige herinneringen .
    Mmmmet vriendelijke groeten Marcel lavalette

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s