´In opgewekte stemming´(I)

De werkkampen voor Indo-Europeanen in Bandoeng

Ook al kent de oorlog vele verhalen, in de loop der jaren worden ze vaak samengevat. Zo ontstaat langzaam het beeld van ´de krijgsgevangene´ en ´de burgergeinterneerde´. Van degenen die buiten de kampen zijn gebleven hebben we echter een minder duidelijk beeld.  Als voorbeeld moge hier dienen het verhaal van de Indo-Europeanen in een stad als Bandoeng. Sommigen jongeren werden geinterneerd, anderen niet. Sommigen vertrokken vrijwillig naar een werkkamp, weer anderen voelden zich daartoe gedwongen. Zijn deze verschillen belangrijk? Of hebben de getuigen vooral veel gemeen? Wat weten we van hun ervaringen?

Gelijkschakeling van de Indo-Europeanen

P.F. Dahler (1883-1948), voorzitter Indo-Comité´s Java

Kort na hun bezetting van Nederlands-Indië dachten de Japanners nog dat de Indo-Europeanen de kant van de Indonesiërs zouden kiezen. Als de Indo´s minder dan 50% Europees bloed hadden, werden ze daarom in principe niet geïnterneerd.
Naarmate de oorlog vorderde bleek deze inschatting onjuist. De meeste Indo´s waren gevoelsmatig erg verbonden met de Europese toplaag en kozen daarom voor een non-coöperatieve houding. Hun positie was echter nauwelijks houdbaar. Door verpaupering werden ze als groep gemarginaliseerd.
De Japanners reageerden met de oprichting van Indo-Comité´s in de grote steden. Deze kregen als opdracht om te zorgen voor hulpverlening en werkverschaffing. De mate waarin deze comité´s fungeerden als doorgeefluik van Japanse orders, hing vooral af van de samenstelling van het plaatselijk Indo-bestuur. In Malang en Batavia troffen de Indo’s het bijzonder slecht. In Bandoeng was het Indo-Comité veel minder streng in zijn optreden, en leverde ook een positieve bijdrage. Aan medewerking aan een tewerkstelingsproject viel echter niet te ontkomen… [i]    

Het Indo-Comité in Bandoeng

Het Indo-Comité in Bandoeng, opererend onder de naam BOGI (Badan Oeroesan Golongan Indo: Vereniging ter behartiging van Indo-Europese belangen) en onder leiding van de plaatselijke Lyceumdocent Frits Jan Suyderhoud (1912-2002), nam voor zover mogelijk een neutrale houding aan. Waar mogelijk werd de Indo-bevolking geholpen met werk, goederen en geld, en werden Japanse maatregelen op een lijdzame wijze – d.w.z. zonder al te veel nadeel voor de betrokkenen – uitgevoerd.

F.J. Suyderhoud, 1941

Vanaf de oprichting van de BOGI, 4 januari 1944, hield Suyderhoud een dagboek bij. In een zeer gedetailleerde telegramstijl deed hij – tot het einde van de oorlog – verslag van al zijn werkzaamheden. Duidelijk is dat hij waakte voor de vermelding van zijn persoonlijke mening omdat hij bang was dat de Japanners konden meelezen. Sommige zaken waarvan hij ongetwijfeld weet heeft gehad bleven onvermeld. Alle bestuurders werden door hem steeds vermeld met de titel ´heer´ of ´mevrouw´, óók als het Japanners betrof.
Het verslag geeft een desondanks betrouwbaar beeld van het dagelijkse leven van de Indo-gemeenschap en is van groot belang voor de beoordeling van de gebeurtenissen in deze periode.[ii]

Op 23 oktober 1944 schreef Suyderhoud:

´Bij de Keisatsubutjo geroepen: hij vroeg me of wij wisten wat de Indo´s in Djakarta misdaan hebben. Ik zei hem dat ik o.a. gehoord had, dat jongens van Kemajoran Indonesiërs geslagen zouden hebben. Hij beaamde dat en zei dat Indo´s in Bandoeng ook al uitlatingen in deze zin gedaan zouden hebben. Het beste is om alle werkloze Indo-jongens nog deze maand aan het werk te zetten.´

Suyderhoud hield zich hier waarschijnlijk van den domme. Een week later vroeg de zelfde Japanse functionaris aan Suyderhoud ´hoe het ging met de werkverschaffing´:

´Hij vroeg of Indo´s landarbeid willen beoefenen. Ik zei hem dat zij hier weinig voor voelen (behalve enkelen in Tjiatjeul). Dan zei hij dat de Indo´s eerst gewoon overal moeten gaan werken, dus hun goede wil tonen en dán pas kunnen zij in de betere baantjes komen. Ook zei hij dat Bandoeng Shi [iii] velen kon plaatsen in fabrieken. Dan zei ik hem nog dat ik de Rengo Hantjo´s [iv] hierheen liet komen en hun o.a. zou vragen om de Indo-jongens die eventueel vechtlust hebben, om die bij mij te ontbieden, en dus niet direct naar de politie. Hij vond het goed.´

Op 13 november hoorde Suyderhoud van de Japanners dat er geld was vrijgemaakt voor de werkverschaffing. Suyderhoud meldde die dag: ´er zijn 341 jongens van 17-23 jaar´. Een dag later kreeg hij bezoek van pastoor Reichert om over deze zaak te spreken. De rest van de maand november ging voorbij zonder bijzondere ontwikkelingen. Een aantal jongens werd werk gegeven in de stad, en afspraken werden gemaakt voor levering van huisproductie (door naai- en breicentrales) aan de Japanners.

Een belangrijke vergadering

Maandag 11 december 1944 reisde Suyderhoud naar Batavia om daar de volgende morgen een bijeenkomst bij te kunnen wonen van alle vertegenwoordigers van de Indo-Comité´s op Java.

´´s Morgens om 10 uur was ik aanwezig en maakte kennis met de verschillende vertegenwoordigers.[v] Verder waren aanwezig heer Dahler, Heer Hamaguchi en heer Nomachi.[vi]
Om 11 uur kwam Z.E. Djumin Djimu Kyokuchoo Z.E. Utada de vergaderzaal binnen. Hij hield een rede (in algemene zin), welke door heer Dahler vertaald werd in het Maleis. Daarna verliet hij de zaal. Toen hield heer Dahler in het Nederlands een korte rede; heer Hamaguchi gaf een uiteenzetting van de algemene Indo politiek van de regering (dit jaar f 200.000 voor Indo´s uitgegeven voor werkverschaffing en van de Indo´s samenwerking verlangd uitsluitend op sociaal en economisch gebied, dus niet militair, want de Nip. Regering is wel zo humaan, zei Hamaguchi, dat zij de Indo´s niet tegen hun eigen familieleden zal laten vechten).
Daarna gaf heer Hamaguchi in het Maleis een rede over de jeugd. (…) Na het middageten hield iedere Iinchoo een pidato over de toestand in zijn ressort over het jaar 2604, in het Maleis. (…) Onder andere bleek duidelijk dat er grote plaatselijke verschillen waren m.b.t. de steunverlening. De werkverschaffing was in grote trekken gelijk, behalveMadioen met zijn boerderijen. Over Prianger: de moeilijkheden in het bijzonder: de jongens zullen wij allen wel aan het werk krijgen, maar de zeer vele manloze vrouwen een passende werk te vinden(?). En gebrek aan werkkapitaal.  (…) ´s Avonds werd door Z.E. Utada een diner aangeboden in Hotel Des Indes.´

Op 27 december kreeg Suyderhoud bezoek van de Japanse politieman Goto. Deze vroeg hem een opgave van de Indo-families die eventueel op ondernemingen wilden werken.
Een dag later informeerde Suyderhoud de Rengo Hantjo´s ´dat er gelegenheid bestaat om Indo´s en familieleden te laten koloniseren´.

Locatie Goenoeng Haloe

Op zaterdag 30 december kwam Goto mededelen dat de verlaten onderneming Goenoeng Haloe ten zuid-westen van Bandoeng was aangewezen als werkoord.
2 Januari 2605 (1945) werd Suyderhoud ontboden bij de Keisatsubutjo. Deze laatste had met Goto en Matsui (hoofd van de residentiepolitie) het plan besproken om 300 – vooral werkloze – Indo´s Goenoeng Haloe te koloniseren. Het zou gaan om 200 man (16-60 jaar) en 100 familieleden. Voor rijst, olie etc zou worden gezorgd. Zij mochten hun noodzakelijke barang (matras e.d.) meenemen.

De voorbereidingen

Uit het dagboek van Suyderhoud blijkt dat de organisatie van de kolonie niet eenvoudig is geweest. Begin januari 1945 sprak Suyderhoud met een groot aantal vertegenwoordigers van de Indische gemeenschap om alles tijdig gereed te krijgen. Zo kreeg hij onder meer bezoek van mevrouw Van der Capellen (hoofd van de gaarkeuken) over de voedselvoorziening, pastoor Reichert over de geestelijke zorg, en mevrouw dr. Veerkamp over de medische zorg. Deze laatste toonde zich bereid mee te gaan naar het kamp. ´Met haar gaan mede vier kinderen van haarzelf en twee pleegzoons´, aldus Suyderhoud.
Verschillende voormannen uit de gemeenschap brachten de BOGI-leider een bezoek om over hun eventuele bijdrage te spreken. Oók was er interesse van Onishi van de Kenpeitai; hij wilde wel eens weten wie er zoal naar de kolonie zouden gaan…

Suyderhoud had een belangrijke stem in het aanwijzen van de leiding. Géén rol had hij echter bij het aanwijzen van de PID-man Joesoef en de Japanse econoom Ema. Deze zouden op Goenoeng Haloe als intermediair fungeren tussen de Indische kampleiding (W.Ch. de Meyier en M. van Leuven) en de BOGI in Bandoeng. Vanaf de start van het project moest overigens alles, maar dan ook alles getjapt worden door de Japanner Matsui.[vii]
Door Suyderhoud moest worden overgewerkt. Alle voorbereidingen waren erop gericht zo snel mogelijk te vertrekken. Op 9 januari moesten de eerste 50 personen klaar staan om als ‘pelopor’ (voorlopers) te dienen. De rest zou enkele dagen later volgen, in groepen van 50 man.

De selectie

Om welke groep ging het? Wie waren de kolonisten?
Bij de selectie van de geïnterneerden speelde Suyderhoud een belangrijke rol: híj was immers de opsteller van de werklozenlijsten. Hij was ook degene bij wie de vrijwilligers zich aanmeldden. De Japanse politiecommissarissen Goto en Matsui droegen de eindverantwoordelijkheid voor de selectie. Zíj zorgden voor de definitieve tjap.
Degenen die zich vrijwillig bij Suyderhoud meldden, waren vooral familieleden (moeders!) van opgeroepen jongens en andere ouderen die meenden een speciale rol te kunnen vervullen. De kern van de groep kolonisten bestond echter uit werkloze jongens vanaf ongeveer 16 jaar. De meesten van deze jongens vertrokken naar Goenoeng Haloe omdat ze daartoe een oproep kregen.
Uit de verklaringen van aanvragen in het kader van de Wuv en Wubo blijkt verder dat sprake is geweest van ‘restcategorieën’: jongens die eerder tewerkgesteld waren geweest op een autosloperij, bewoners van Bronbeek en Huize Bosdijk, en ex-gevangenen.[viii] 

´In opgewekte stemming´

Goenoeng Haloe (linksonder) en Pasir Benteng (rechtsboven)

Op 8 januari kwam Matsui bij Suyderhoud om hem mee te delen dat van de laatste groep ca. 50 man niet naar Goenoeng Haloe, maar naar Pasir Benteng zou gaan. Over het waarom hiervan werd geen uitleg gegeven. Waarschijnlijk hadden de voorbereidingen voor het verblijf op Goenoeng Haloe tot praktische problemen had geleid.
Dinsdag 9 januari vertrok de eerste groep naar Goenoeng Haloe, ‘in opgewekte stemming’. Een paar dagen later, op zaterdag, vertrok een tweede groep. Ook déze ‘in opgewekte stemming’. Op zondag vond nog een derde transport plaats.
Volgens Suyderhoud vertrokken álle transporten in ´goede´ dan wel ´opgewekte´ stemming. De waarnemingen van de ondergedoken journalist Jan Bouwer over het eerste transport naar Goenoeng Haloe waren gelijkluidend:

´Dinsdag zijn de eerste vrachtauto´s en autobussen met ´kolonisten´ uit de Indo-Europese gemeenschap in Bandoeng naar Goenoeng Haloe vertrokken, vergezeld van vijf vrouwen met babies. Allen waren opgewekt en de stemming was goed. Veel levensmiddelen zijn meegevoerd, onder meer aangeschaft uit de opbrengsten van collectes, die in de gehele stad onder de Indo-burgerij voor de dwangarbeiders zijn gehouden.´[ix]

Mogen we werkelijk geloven dat de stemming tijdens de transporten opgewekt was? Waarom niet? De aanwijzingen hiervoor zijn te talrijk om te negeren. Bedacht moet worden veel Indo-Europeanen eind 1944, begin 1945 een zeer maginaal bestaan leidden. Op een landbouwkolonie zou de voedselvoorziening beter zijn, zo dacht men, en minder sprake van repressie.

Scepsis

Toch was er ook reden tot scepsis. Voor veel achterblijvers werd het project wel degelijk gezien als een vorm van internering.
Jan Bouwer (misschien zélf wel de persoon in Bandoeng met de grootste vrees voor internering) schreef immers al op 5januari 1945:

´De hele zaak heeft niets minder dan ontsteltenis gewekt onder de Indo-Europese burgerij. Het is duidelijk dat we te maken hebben met een verkapte internering.´[x] 

Op 25 januari 1945 vond in de stad een razzia plaats waarbij ongeveer 175 jongens en mannen werden opgepakt en ingesloten in de Soekamiskin-gevangenis. De selectiecriteria voor deze groep zijn nooit bekend geworden; we mogen echter aannemen dat het personen betrof die door de Japanners als ‘kepala batoe’ (stijfkoppen) bekend stonden. Op 10 maart 1945 zou deze groep worden overgebracht naar de Glodokgevangenis in Batavia.
Suyderhoud maakte slechts kort melding van deze arrestaties:

‘25 januari: Mevrouw Lang kwam zeggen dat haar man (lid van het Indo-Comité) hedenochtend door de politie weggehaald is (met vele anderen, ook rengo hantjo’s). Dit meegedeeld aan de Chianbuchoo: hij zou het onderzoeken. 26 januari: AanMatsui een lijst van 10 Indo hantjo’s (gegeven), die gisteren tijdens de razzia zijn medegenomen door de politie. Wij hopen ze weer vrij te krijgen.’  

Op maandag 29 januari lukte het Suyderhoud om de hantjo’s (op één na) weer vrij te krijgen.[xi] Ongeveer tegelijkertijd, op 27 januari, vond een transport plaats van kolonisten naar Goenoeng Haloe ‘in opgewekte stemming’. Misschien waren de jongens zo opgewekt omdat ze dachten nu minder risico te lopen bij nieuwe arrestaties?

De motivering voor de ‘vrijwilligheid’ bij velen valt nu na zoveel jaren moeilijk te achterhalen. We mogen er echter van uitgaan dat negatieve sentimenten (angst voor repressie, honger) een grotere rol hebben gespeeld dan een mogelijk idealisme. Hoe het ook zij, voor velen zal het vertrek uit Bandoeng wel degelijk in het teken hebben gestaan van een zekere opluchting.

Op zondag 13 januari 1945 reed Suyderhoud met Matsui, Goto en Zain naar de Goenoeng Halong en Pasir Benteng:

‘In Goenoeng Halong alles bekeken. Opbouw in vollen gang. De geest was opgewekt onder de jongens. Ook in PasirBenteng geweest om te zien hoe het daar is. Om 6.15 uur terug in Bandoeng.’

Op 18 januari vertrok de eerste groep van 28 personen, waaronder twee vrouwen, naar Pasir Benteng.
Het project had een aanvang genomen…

Lees het vervolg op dit artikel in de Java Post: ´In opgewekte stemming´(II).

x

x


[i]     Velden, D. van, De Japanse burgerkampen, p. 446.
[ii]    Suyderhoud, F.J., Afschrift van de aantekeningen, 1944-1945. NIOD IC-064051
[iii]   Bandoeng Shi: Bandoeng Stad
[iv]   De BOGI had de zorg over alle Indo-Europeanen in de Preanger (Bandoeng, Tasikmalaja, Garoet, Tjiamis en Soemedang. In totaal ca. 20 duizend personen. Ze werden in ‘hans’ ingedeeld, waarover een Indo-Europese Hantjo werd aangesteld. De Rengo Hantjo stond aan het hoofd van een aantal Hantjo’s.
[v]   Djakarta Shi: O. Peltzer en mr. P. Berbata; Bogor: A.A.C. Link; Banjoemas: J.H. Lefeber; Priangan: F.J. Syderhoud; Djokja: B. Verhey; Solo: J. Lang; Madioen: J. de Rochemont; Semarang: Ch.Michiels ; Kedoe: P. de la Croix ; Soerabaja: H. Bastiaans (ipv C.F. Hakkers); Malang: dr. Nash (ipv P.J. Becker); Pekalongan: M.A.R. von Banniseht; Bodjonegoro: F.D.F. van Felix (niet aanwezig).
[vi]   In augustus 1943 was door de Japanners in Batavia het Kantor Oeroesan Peranakan (KOP) opgericht, een organisatie die zich de integratie van de Indo-Europeanen in de Indonesische gemeenschap, en de acceptatie van de Japanse leiding in ´Groot-Oost-Azië´ ten doel stelde. Het KOP werd geleid door Hamaguchi Shinpei en hield zich voornamelijk bezig met propaganda-activiteiten. Naast Hamaguchi waren er onder andere werkzaam de Japanse dominee Nomachi en F.P. Dahler. Deze laatste was speciaal aangesteld voor het contact tussen de Indo´s en de Japanse overheid.
[vii]   Getjapt: gestempeld.
[viii]  Wet uitkeringen vervolgden (Wuv); Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo).
[ix]   Bouwer, J., Het vermoorde land (Van Wijnen, Franeker, 1988), p. 314.
[x]    Bouwer, J., a.w., p. 312.
[xi]   De bevrijde hantjo’s: L.A.A. Lang; W.Ch. de Meyier; D.F.M.Pieters; H.R. Kedde; P. Belzer; H.J. Valkenhoff;  D.A. Emanuel; C.F. van der Heyden; R. Gibson.

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

6 reacties op ´In opgewekte stemming´(I)

  1. Op 14 januari 1945 werd ik met nog vele andere Indische jongens per vrachtauto naar de onderneming Goenoenghalong gebracht en daar tewerkgesteld. Ik was toen 18 jaar en alleenstaand. Moeder overleden, vader toen al geïnterneerd.
    Toen op de onderneming, in augustus 1945, bekend werd dat Japan had gecapituleerd ben ik met enkele barakgenoten het kamp uitgelopen en zijn wij liftende naar Bandoeng vertrokken en hebben wij bij familie onderdak gekregen.
    Ik heb mij toen bij het Rode Kruis gemeld. Van de BOGI nooit meer iets vernomen.

  2. Ton Iken zegt:

    De buitenkampers (waaronder vier broers en ikzelf) waren uiteraard bekend met de “vrijwillige” tewerkstelling in plaatsen als Goenoeng Haloe. Omdat wij blijkbaar te jong waren (tussen 14 en 3 jaar) bleven wij buiten schot. Dat neemt niet weg dat wij vrindjes in onze buurt hadden die wel op transport werden gesteld. Ik kan mij nog herinneren dat wij tegen deze “djagos” opzagen toen zij naar Goenoeng Haloe gingen. Dat waren de stoere jongens!
    Gek genoeg zijn mij geen verhalen bekend van hen die na het einde van de oorlog terugkwamen. In die turbulente tijd (w.o. de bersiap-periode) hadden wij kennelijk andere zorgen aan ons hoofd om te vragen hoe de ervaringen waren die men had opgedaan.
    Overigens was de heer Suyderhoud later onze aardrijkskundeleraar op het Christelijk Lyceum. Ik kan mij niet herinneren dat hij in die tijd ooit heeft gehad over de rol die hij tijdens de oorlog heeft gespeeld. Dat deed hij later wel in Nederland, o.a. in het verenigingsblad van de reünisten van het lyceum.

  3. Wilma zegt:

    selamat Ton,Mijn vriend en Ik waren 16 april op een reunie van het Chr Lyceum te Bandoeng; dit werd gehouden in het Golden Tulip hotel te Zoetermeer.
    Het was erg leuk.
    Ken je misschien de familie Thung uit Bandoeng, vriend Ike heeft op het Chr Lyceum gezeten, totdat de familie in 1958 naar Nederland vertrok.
    Ik hoop Ike met jouw bericht enorm plezier te doen,
    ze hebben gewoond op de E. van Bevervoorde weg.
    Mogelijk heb ik het fout, het zijn de gegevens die ik heb
    Hartelijke groet van Wilma

    • Ton Iken zegt:

      dag Wilma, ja dat was een gezellige (jubileum)reünie in Zoetermeer. Jammer dat wij elkaar toen nog niet kenden, dat gebeurt nu dus langs deze weg. Wij zijn al in 1951 gerepatrieerd, dus daarom ken ik je vriend Ike niet van het lyceum. Ofschoon wij “om de hoek”( i.c. Lembangweg) van familie Thung woonden, zegt die naam mij nu niets, ofschoon een tante ook op de Engelbert van Bevervoordeweg woonde en wij tijdens de oorlog stiekem (via de brandgangen) regelmatig naar haar toe gingen om les te krijgen.

  4. Wilma zegt:

    Selamat Ton,
    Ik heb je bericht laten lezen door Ike en hij vindt het leuk om contact te krijgen,zijn email adres: tithung-apenstaartje-hotmail.com
    Weet zeker dat jullie veel te bepraten hebben, leuk toch?
    en misschien nog andere vrienden..
    Fijne dag verder,
    groetjes van Wilma

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s