Het moet een badplaats met allure zijn geweest. Al was het niet door de bebouwing, dan toch zeker door de bezoekers. Als tempo doeloe al bestond, dan was het zeker in Petit Trouville.
Door Bert Immerzeel
“De ontelbare menigte van reizende mensheid heeft Tandjoeng Priok ontdaan van alle schoonheid en luister. Niets anders rest hier meer dan een hoop stof, samengesmolten door basalt en bakstenen, waarop een half dozijn vierkante hutten, waarvan de witgekalkte muren onverdraaglijk schitteren in het felle zonlicht.
Maar een beetje verder langs de kust, oostwaarts van de haven, hervindt zich weer de natuurlijke schoonheid van het land. Hier vindt men brede, ondiepe baaien, waar het water slaapt in de schaduw van overhangende bomen; zandbanken afgewisseld door glinsterende intervallen van zee, onderbroken door open ruimtes waar een paar groepjes bamboehutten hun plaats vinden te midden van jonge bananenbomen; en grote stukken bos tot aan de rand van het water.”
Zó beschreef Augusta de Wit in 1898 in Facts and Fancies about Java de kuststrook ten oosten van Priok. En ze vervolgde:
“Daar waar het smalle strand zich enigszins verbreedt, heeft ongeveer een half dozijn hutjes, waarvan er één met enige fantasie een badhuis kan worden genoemd, een vestiging gevonden tussen bos en water. Het moet een Franse balling met heimwee zijn geweest die deze paar bamboepalen en atapbladeren zijn naam gaf: Petit Trouville.
In het droge seizoen, wanneer Batavia lijdt onder de hitte en verstikt is met stof, komen mensen hierheen voor een duik in de koele golven en voor enkele uren zalig nietsdoen in de schaduw van de breed vertakte ayamploeng-bomen.” Lees verder











