De prijs van de onafhankelijkheid

De financiële voordelen die Nederland met de Indonesische soevereiniteitsoverdracht in 1949 behaalde waren groot. Indonesië werd dan wel politiek onafhankelijk, maar in financieel-economische zin werd de koloniale verhouding geenszins geliquideerd.

De openingstoespraak van premier Willem Drees (staand) tijdens de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in het paleis op de Dam, Amsterdam, 27 december 1949. Naast Drees, van links naar rechts: Hamid II, de sultan van Pontianak, vicepresident Mohammed Hatta en koningin Juliana
[Nationaal Archief]

Door Anne-Lot Hoek en Ewout van der Kleij

Op 23 augustus 1949, een dinsdagmiddag met tropische temperaturen, zaten aan de ovale tafel in de Ridderzaal delegaties uit de Republiek Indonesië en de Federale Deelstaten en Nederland bijeen. Ze werden bijgestaan door de Verenigde Naties onder leiding van de Amerikaanse diplomaat Merle Cochran.

Nadat Soekarno en Mohammed Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen, volgde een bijna vijf jaar slepend politiek en militair conflict. Deze Ronde Tafel Conferentie was het beoogde sluitstuk waarin de partijen binnen twee maanden onder het wakend oog van de internationale gemeenschap tot de voorwaarden van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië moesten zien te komen. Na de overdracht werd naar het voorbeeld van de Britse Commonwealth de ‘Nederlands-Indonesische Unie’ opgericht, die bestond uit het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Indonesië, met de Nederlandse vorstin aan het hoofd als Kroon der Unie.

De Indonesiërs waren in twee kampen vertegenwoordigd, maar ze waren eenzelfde agenda overeengekomen: soevereiniteit en niets minder. De voorwaarden, die behelsden nog een stevig gevecht aan de onderhandelingstafel. De Republikeinse delegatie werd voorgezeten door vicepresident Mohammed Hatta en oud-minister van Binnenlandse Zaken Mohammed Rum en de Federale vertegenwoordiging door premier Anak Agung Gede Agung en Hamid II, de sultan van Pontianak.

Namens de Nederlandse regering zaten minister van Overzeese Gebiedsdelen Johannes van Maarseveen, minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker en de diplomaat Herman van Roijen aan tafel. Minister-president Willem Drees opende de historische conferentie en benadrukte dat er in Nederland nog grote groepen mensen tegen de overdracht gekant waren. Dat blijkt wel uit een stuk van politicus Frans Goedhart (PVDA) die onder het pseudoniem Pieter ’t Hoen in Het Parool schreef dat gelijktijdig ‘het koloniale gezelschap Rijkseenheid’ onder leiding van oud-premier Gerbrandy in de Haagse Dierentuin bijeen was om de soevereiniteitsoverdracht alsnog te stoppen. Deze ‘koloniale mannen’, aldus ’t Hoen, ontketenden liever een burgeroorlog in Indonesië dan dat tempo doeloe verloren ging.

De Nederlandse regering keek vooral met een financiële bril naar de afwikkeling. H.M. Hirschfeld, de invloedrijke regeringscommissaris en expert op het gebied van Nederlands-Indische financiën, zag de politiek staatkundige vraagstukken zelfs als ondergeschikt aan de economische. Zo was het belang van Nederland volgens hem, naast een gunstige schuldenregeling, het behoud en herstel van de beleggingen in plantages, mijnbouw en spoor- en tramwegen. ‘Hirschfeld aanvaardde met zijn opvatting dus de politieke dekolonisatie, maar wenste de financieel economische kolonisatie te handhaven’, aldus econoom J.M.M.J. Clerx, die het onderwerp behandelde in de boekdelen over het kabinet Drees-Van Schaik van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis uit 1991. Die handhaving van de koloniale verhoudingen blijkt ook uit een reeks voordelen die Nederland met de soevereiniteitsoverdracht behaalde, veelal ten koste van de jonge natie Indonesië.

De Nederlandse delegatie stak de onderhandelingen stevig in met de eis dat de gehele Nederlands-Indische schuldenlast van 6,5 miljard gulden op Indonesië over moest gaan, inclusief de kosten van alle recente militaire acties die naar schatting honderdduizend Indonesiërs het leven hadden gekost. In het originele wetsontwerp staat te lezen dat de ‘getroffen maatregelen tot herstel van orde en rust (…) in het belang van Indonesië (waren) geweest’.

Het moet voor de Indonesische delegatieleden een vreemde gewaarwording zijn geweest. Mohammed Hatta was tijdens de zogenoemde ‘Tweede Politionele Actie’ in 1948 nog gevangen gezet en dr. Leimena, een van de Republikeinse delegatieleden, had tijdens diezelfde actie in Yogyakarta een Nederlandse bom door het raam zien aankomen en net op tijd in een ruimte onder de trap weten te springen. Nu kregen zij de rekening van die Nederlandse bom gepresenteerd.

Ook aan Nederlandse kant waren er tegengeluiden. Een aantal progressieve Nederlanders, onder wie Jacques de Kadt en minister van Financiën van de staat Oost-Indonesië M. Hamelink, vonden dat de Nederlandse delegatie de soevereiniteitsoverdracht, die op last van de Veiligheidsraad ‘compleet en onvoorwaardelijk’ moest geschieden, ‘toch wel voorwaardelijk’ instak. Het schuldenvraagstuk, dat zij als de meest brandende kwestie zagen, kon wat hen betrof alleen betekenen: ‘van Nederlandse kant niets te eisen’. Zij vonden dat de Indonesische economie moest worden hersteld, waardoor Nederland handel kon blijven drijven met Indonesië.

De gemoederen liepen op in de speciaal voor het schuldenvraagstuk opgerichte subcommissie. Indonesië gaf aan zich neer te leggen bij de beslissing van de schuldencommissie, mits het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht niet in het geding kwam en de extra militaire kosten van de onafhankelijkheidsoorlog op de schuldenlast in mindering werden gebracht. De harde lijn van de Nederlandse regering was opmerkelijk omdat ze zelf op dat moment al een deel van de Marshallhulp en ook andere financiële baten voor de wederopbouw vanuit andere landen had ontvangen. Onder druk van VN-diplomaat Cochran werd twee miljard gulden in mindering gebracht. Uiteindelijk moest Indonesië 4,5 miljard aan schulden overnemen, met alle bijbehorende rente- en aflossingsverplichtingen.

Al waren het andere tijden, Suriname kreeg bij de onafhankelijkheid in 1975 volledige kwijtschelding van zijn schulden ter waarde van een half miljard. Bovendien kreeg het ten minste 3,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp.

De zogeheten schuldenkwestie bij de Ronde Tafel Conferentie was in het publieke debat langere tijd zo goed als in de vergetelheid geraakt, totdat het, inmiddels overleden, oud-lid van de Tweede Kamer (PVDA) Lambertus Giebels in 2000 in De Groene Amsterdammer betoogde dat Indonesië een significante financiële bijdrage had geleverd aan de wederopbouw van Nederland. Bijna net zo veel als Marshall. Hij gaf aan dat van die 4,5 miljard gulden aan schuldenlast in 1956, toen de betalingen door Indonesië werden stopgezet, nog ongeveer 650 miljoen resteerde en dat daarmee een kleine vier miljard aan Nederland was afgelost. Welk deel van de schuldenlast uiteindelijk is terugbetaald en of het oorspronkelijke bedrag juist was vastgesteld, dat vormt nog altijd onderwerp van discussie. Bronnen die zijn aangehaald door zowel Clerx, zoals Tweede-Kamerstukken, alsook Michael van Zeijl van de Grauwe Eeuw onderbouwen de restschuld die Giebels noemt en het bedrag wordt nog eens extra aannemelijk gemaakt in een document uit het Nationaal Archief in Den Haag, genaamd Nota Keuangan Negara met daarin de aflossingsoverzichten uit het jaar 1952-1953. De tussenstanden van de Nederlandse leningen sluiten goeddeels aan bij de leningsvoorwaarden.

Al is het belang van de Marshallhulp binnen de wetenschap decennia geleden gereduceerd, Giebels maakte de vergelijking tussen de bijdrage van Indonesië en de Marshallhulp om het belang van de Indonesische bijdrage kracht bij te zetten. Een interessante vergelijking, maar zijn conclusie klopte niet. Hij gebruikte voor de Marshallhulp van 1127 miljoen dollar maar één wisselkoers van 3,80 per dollar die pas vanaf 20 september 1949 gold, terwijl de eerste hulp Nederland al in april 1948 binnenkwam, toen de Bretton-Woods rate van 2,65 in gebruik was. Had hij hier wél rekening mee gehouden, dan was de kleine vier miljard juist méér dan de Marshallhulp geweest. Maar belangrijker is dat de overgenomen schuldenlast pas het eerste voordeel van de soevereiniteitsoverdracht voor Nederland was, naast ten minste vijf andere voordelen.

Het tweede voordeel zijn de transfers van winsten, pensioenen en dividenden die na de overdracht vanuit Nederlandse bedrijven in Indonesië terug mochten blijven vloeien naar Nederland. Iets waar de bedrijven hard voor gelobbyd hadden bij de Nederlandse overheid. Over de periode 1950-1957 ging dit in totaal om 3,2 miljard gulden, slechts een kleiner deel werd geherinvesteerd. ‘Nederland stelde bij de RTC zijn financieel- economische belangen veilig. Indonesië nam veel schulden over terwijl het lucratieve handelsverkeer gehandhaafd bleef’, aldus Clerx. Bijna de helft van het geïnvesteerde vermogen in het eilandenrijk was in Nederlandse handen en Indonesië mocht alleen via Nederland naar Europa exporteren. Van de door Nederland beloofde opname van Indonesiërs in de leiding van bedrijven kwam in de praktijk zeer weinig terecht. Al waren het monetaire overheidsbeleid en het bedrijfsleven twee relatief gescheiden domeinen, ze werkten wel degelijk op elkaar in: de Nederlandse bedrijven in Indonesië hielpen, net als de Marshallhulp, om het dollartekort terug te dringen dat in Nederland met name tot en met 1949 heerste.

Het derde voordeel is dat Nederland zich met de soevereiniteitsoverdracht ontsloeg van de verantwoordelijkheid voor de economische wederopbouw van Indonesië, terwijl zowel de Japanse bezetting en de geallieerde bombardementen als de onafhankelijkheidsoorlog enorme materiële en economische schade hadden aangericht, die met de overdracht eind 1949 niet was hersteld. Nederland had namens Nederland/Nederlands-Indië een claim voor de geleden schade ingediend tegen Japan van 24,5 miljard gulden, ruim zevenmaal de Marshallhulp. Die claim werd later ingetrokken onder druk van Amerika uit angst voor het communisme.

Hoogleraar Wytze Gorter merkte het voordeel van ontweken kosten al op in The Economist van 1960, maar hing er geen prijskaartje aan. Minister van Financiën Piet Lieftinck noemde in Het Financieele Dagblad in 1949 alleen al een benodigde 1,6 miljard gulden voor wederopbouw voor de jaren tot en met 1952. Clerx refereerde in zijn boekdelen aan de verwachting van de Nederlandse regering dat de schuldenlast voor Indonesië in de komende jaren met drie à vier miljard gulden ging stijgen, wat gemiddeld gelijk stond aan de gehele Marshallhulp.

Associate professor Pierre van der Eng (Australian National University) bevestigde dit beeld in het artikel Marshall Aid and Indonesia uit 2003, waarin hij de bespaarde hulpkosten over de gehele periode 1949-1960 op 7,25 miljard gulden berekende. Dit deed hij op basis van de daadwerkelijke hulp die Indonesië in de vorm van leningen, schenkingen en goederen van de Verenigde Staten en Europese landen ontving om het hoofd boven water te houden.

Van der Eng stelt dat Nederland gedwongen was geweest ‘om het financiële herstel van Indonesië uit eigen middelen te financieren’. Het argument dat Nederland toch niet had bijgesprongen omdat Nederlands-Indië technisch gezien een andere juridische entiteit was gaat volgens hem dus niet op. Ook schreef Peter Keppy (NIOD) in Sporen van vernieling uit 2006 dat Lieftinck zich bij gelegenheid op de autonomie van Nederlands-Indië beriep, maar zich aan de andere kant wel intensief met de financiën van de kolonie bemoeide. Nederland stond financieel ook garant voor meerdere leningen van zijn kolonie.

Grote belangstelling van Indonesische zijde voor het paleis op de Dam tijdens de soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan Indonesië. Amsterdam, 27 december 1949. [Nationaal Archief]

Een vierde type voordeel dat Van der Eng noemt is dat met de ondertekening van de soevereiniteitsoverdracht naar inzicht van de onderhandelaars verschillende financiële hulp vanuit Amerika aan Nederland definitief loskwam. Nederlandse ministers hadden wel toezeggingen gekregen, maar absolute zekerheid was er niet: de hulp werd jaarlijks opnieuw door Amerika bekeken en werd als (symbolisch) pressiemiddel ingezet. Naast de resterende losgekomen Marshallhulp noemt hij ook een bedrag van 4,5 miljard aan militaire hulp over de periode 1949-1960. Daarmee komt hij met de eerste vier voordelen van de soevereiniteitsoverdracht op een totaal voordeel van ten minste 23 miljard gulden voor Nederland.

Het vijfde voordeel is dat Indonesië tijdens de Ronde Tafel Conferentie ook werd verplicht om te betalen voor nationalisaties. Weliswaar werden de Verenigde Staten van Indonesië al in 1950 opgedoekt door Soekarno en vervangen door de eenheidsstaat Republik Indonesia, de RTC werd pas in 1956 door Indonesië opgezegd en eind 1957 startten de onbetaalde inbeslagnames.

Indonesië kocht na de overdracht vanuit nationaal belang meerdere bedrijven, zoals bijvoorbeeld spoorwegen op Java en de Overzeese Gas- en Elektriciteitsmaatschappij (OGEM). Ook nam het de binnenlandse transportvluchten van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij over, zo valt te lezen in Recollections van de Indonesische econoom Thee Kian Wie uit 2003. In Nederland is toch het beeld blijven hangen dat Soekarno uitsluitend bedrijven heeft geroofd. Toen oud-Indonesië-correspondent Michel Maas in 2008 in de Volkskrant stelde dat de ‘grootste’ nationalisatie van de Java Bank in 1951 zich al had voltrokken voordat alle bedrijven in 1958 werden genationaliseerd, liet hij achterwege dat die bank werd gekocht van aandeelhouders uit verschillende landen voor 120 procent van de beurskoers. Ook werden niet alle Nederlandse bedrijven (in 1958) getroffen door overname en nationalisatie, zo betoogde historicus J.T. Lindblad in 2007 in de NIOD-publicatie Van Indië tot Indonesië. De half-Britse Unilever en Shell mochten nog een tijd door in de jaren zestig en de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM), ‘bleef tot diep in 1960 functioneren’, nota bene het bedrijf waaraan Multatuli zijn aanklacht in Max Havelaar had opgehangen.

Het zesde, significante, voordeel, is dat door de soevereiniteitsoverdracht ‘alle rechten en verplichtingen’ van Nederlands-Indië stilzwijgend doorschoven op Indonesië, waardoor voortaan te pas en te onpas naar de rechtsopvolger gewezen kon worden in een lange reeks van netelige onthechtingskwesties.

Een voorbeeld is de Backpay-kwestie, het verzuim tot betaling van de volledige achterstallige salarissen en pensioenen aan alle ambtenaren in dienst van het Indische gouvernement tijdens de Japanse bezetting en in het bijzonder de krijgsgevangen militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). In de jaren voor de overdracht kregen gedupeerden met de Nederlandse nationaliteit slechts een klein deel van het uitstaande bedrag aangeboden, niet-Nederlandse overheidsdienaren kregen niets. In de jaren 1945-1949 baseerde de Nederlands-Indische overheid haar onwil om de achterstallige betalingen te voldoen, daartoe ingefluisterd door de Nederlandse regering op financieel onvermogen, aldus Hans Meijer in De Indische rekening. Ook onderzoekers Griselda Molemans en Henk Harcksen publiceerden over dit onderwerp, Molemans recent op onderzoeksjournalistiek platform Follow the Money.

Toen na de overdracht bleek dat andere landen wel volledige backpay hadden uitbetaald, kwam het geschil in Nederland voor de rechter waarbij de Hoge Raad elke verantwoordelijkheid van Nederland afwees, verwijzend naar de ‘rechten en verplichtingen’ van Nederlands-Indië die met de soevereiniteitsoverdracht waren overgegaan op Indonesië. Volgens een artikel in het Algemeen Dagblad uit 2017 ging het initieel al om een bedrag van 1,3 miljard gulden, verspreid over 82.000 gedupeerden.

In de omgang met Indonesische oorlogs-slachtoffers werd hetzelfde excuus gebruikt: een Nederlandse weduwe die in 1950 een zaak tegen de Nederlandse staat aanspande voor de moord op haar Indonesische man door een KNIL-militair in 1948, kreeg van het ministerie van Oorlog de boodschap terug dat Nederland de aansprakelijkheid doorschoof naar Indonesië. Na de rechtszaak en het hoger beroep volgde een schikking van 149.000 gulden, vandaag ruim 660.000 euro, waarbij elke aansprakelijkheid door Nederland werd afgewezen. De weduwe accepteerde het geld, maar niet de ontkende aansprakelijkheid. Ter vergelijk, negen weduwen uit Rawagede, nabestaanden van slachtoffers van oorlogsgeweld door Nederlandse militairen, kregen in 2011 een bedrag van 20.000 euro per persoon.

Nederland had in de jaren vijftig relatief meer te besteden omdat het de backpay maar voor een klein deel inloste. Die zuinigheid sprak ook uit de erbarmelijke opvang van de Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen. De regering onderneemt in dit soort kwesties vaak pas actie na grote maatschappelijke verontwaardiging of juridische druk. In de uitvoering van terugbetalingen worden allerlei soorten restricties aangebracht, zoals een leeftijdslimiet waardoor maar een deel van de gedupeerden de compensatie ontvangt. Compensaties houden bijna nooit vergoeding van reëel geleden schade in, maar krijgen het karakter van een tegemoetkoming, zoals het ‘gebaar’ naar de Indische gemeenschap voor de ‘kille ontvangst’, of de ‘symbolische’ compensaties aan de weduwen van Rawagede. Van een ruimhartige aanpak die ten minste poogt om financieel en moreel volledig recht te doen aan de openstaande rekeningen is het nog niet gekomen.

Naast de zes bovengenoemde voordelen waren er vanuit Nederland bezien ook nadelen. Zo werden de terugbetalingen in 1956 stopgezet, en was er het waardeverlies van in beslag genomen bedrijven. Deze en andere punten werden door Nederland samengevoegd in een zelf berekende restclaim van 4,5 miljard gulden en na onderhandelingen met Indonesië in een akkoord in 1966 teruggebracht – inclusief alle nog openstaande rekeningen uit de RTC – naar zeshonderd miljoen. Dat bedrag werd door Indonesië met rente tot en met 2003 terugbetaald. Een ander nadeel was het verlies van bezittingen op de balans dat overging naar Indonesië, zoals infrastructuur en bijvoorbeeld tien procent aan courante middelen. Maar tegelijkertijd waren ze wel tot stand gekomen tijdens een koloniaal tijdperk van uitbuiting, een gegeven dat Nederland destijds zelf niet lijkt te hebben willen onderkennen. Zo wilde Van Kleffens, de ambassadeur in Washington, deze ‘voordelen’ voor Indonesië tijdens de RTC-onderhandelingen bij het State Department naar voren brengen om aan te tonen dat minister Stikker geen ‘hard bargain’ wilde forceren maar juist ‘vrijgevig’ was richting Indonesië: Nederland had immers op eigen initiatief van alles moeten bouwen, ‘gezien de indolentie van de Indonesiërs’, zo staat te lezen in een brief van Van Kleffens aan Stikker van 9 oktober 1949 in de Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950.

De Marshallhulp gaf de Nederlanders ook indirect ondersteuning, zoals extra zelfvertrouwen. Maar hoe je de kubus ook draait: het Indonesië onder Soekarno droeg in de schrale jaren vijftig vele miljarden guldens méér bij aan Nederland dan de van de VS afkomstige Marshallhulp van 3,5 miljard gulden.

andaag de dag was de directe Marshallhulp omgerekend ongeveer zestien miljard euro geweest, inclusief een deel leningen. De voordelen van de soevereiniteitsoverdracht komen minimaal neer op 103 miljard euro. Als je alle potentiële aftrekposten aan beide kanten er vanaf haalt, en de losgekomen hulp vanuit Amerika ook in mindering brengt, zelfs als je alleen rekent tot de opzegging van de RTC in 1956, dan is het resterende voordeel nog steeds vele miljarden euro groter dan de Marshallhulp.

Waarom is de grote bijdrage vanuit Indonesië niet bij een breder publiek bekend geraakt? Van der Eng denkt dat het komt doordat ‘dergelijke geldstromen via banken buiten het zicht en wellicht ook de interesse van het grotere publiek stroomden’. Ook wijst hij als mogelijke oorzaak aan dat ‘achter de Marshallhulp een propagandamachine van de Amerikaanse overheid zat waarin de burgers in de Europese landen die de hulp ontvingen absoluut duidelijk werd gemaakt dat die steun uit Amerika kwam’. Maar het zal ook onderdeel zijn geweest van de langdurige maatschappelijke desinteresse voor de afwikkelingskwesties met Indonesië, zoals ook de Nieuw-Guinea- en de Molukse kwesties. Sutan Sjahrir, de eerste premier van Indonesië, sprak in 1951 de wijdverbreide Indonesische mening uit dat de voortdurende economische dominantie van de Nederlanders het werkelijke fundamentele probleem veroorzaakte in de relatie tussen Indonesië en Nederland. Nederland heeft niet alleen de politieke vrijheid van Indonesië met wapens in de weg gestaan, ook de postkoloniale relatie werd in financieel-economische zin langdurig gekenmerkt door een voortzetting van de koloniale verhouding.

 

 

Anne-Lot Hoek is historica en schrijft een boek over de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog op Bali. Ewout van der Kleij is bedrijfskundige.

 

Dit artikel verscheen eerder in De Groene, 19 augustus 2020.

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

33 reacties op De prijs van de onafhankelijkheid

  1. Jan A. Somers zegt:

    “het verzuim tot betaling van de volledige achterstallige salarissen en pensioenen aan alle ambtenaren” Uit die enorme toevloed eventjes één onderwerp uitgepikt. De overheid heeft niets met de uitbetaling van pensioenen te maken. De (burgerlijke en militaire) ambtenarenpensioenen waren ondergebracht bij het ABP. Daar had de overheid verder niets mee te maken, alleen maar daar tijdens je werkende leven de premies te storten. Je kreeg/krijgt je pensioen van het ABP via SAIP) uitbetaald.

  2. j.w.hoegen zegt:

    Twee dingetjes .
    Multatuli , buitenlandse studies wezen uit dat het boek gebaseerd is op fantasie .
    Koloniale uitbuiting , de opbrengsten uit Oost-Indie was voor de Nederlandse welvaart nooit meer dan een paar procent .

    • Jan A. Somers zegt:

      Dat is inderdaad een roman, maar gebaseerd over de gang van zaken in het duale bestuur.. Hoofden die hun onderdanen steeds uitbuiten, hetgeen door het Indische bestuur werd getolereerd. Die roman kan worden gezien als de aanjager van de latere ethische politiek.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘aanjager van de ethische politiek etc.’- En de aanjager van het Indonesische nationalisme! Want die ‘ethische politiek’ had meer te maken met het repeteer geweer(!) om alle gebieden te pacificeren(=vrede brengen) Eufemisme ten top! – Om de nog vrije sultanaten/ koninkrijken desnoods gewelddadig onder het gezag te brengen!

      • JC Ma zegt:

        Koloniale uitbuiting, … een paar procenten? Data? Onderzoek publicaties? Als het woord “uitbuiting” staat, dan is “opbrengst” is er een van, maar meer dan dat zijn de elende voor het volk.

      • Jan A. Somers zegt:

        “Want die ‘ethische politiek’ had meer te maken met het repeteer geweer(!) ” Ja, en voor de Inlanders grotere gebruikers van het concordante onderwijs te maken. Met een grote toestroom naar de Nederlandse universiteiten. Tot grote angst onder de Indo’s.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘angst onder de Indo’s etc.’- Want ook zij-IEV begon met eigen*(!) onderwijs voor de verpauperde Indo’s uit de kampongs! Verdeel en heers! Dat was het motto. Want door uw Tottok vader had u een voorsprong! Om zo Europees mogelijk zich in die maatschappij te kunnen profileren! Dat was verder in Nederland niet nodig!

      • Jan A. Somers zegt:

        “Want ook zij-IEV begon met eigen*(!) onderwijs voor de verpauperde Indo’s ” Die hele IEV was een logisch antwoord op de ethische politiek. Ze zagen de bui hangen.
        “Geen overeenkomst? Waarvoor dan een verdrag? Om er onderuit te komen?” Ik wordt er moe van steeds maar weer te herhalen. Een overeenkomst is, zoals ik al zo vaak heb geschreven, een bindende afspraak tussen twee of meer (rechts)personen. Meer niet. Een verdrag is een afspraak/overeenkomst met volkenrechtelijk gewicht, voor de hele wereld dus.
        “Die overeenkomst werd door Nederland voorzien van allerlei ‘aankleed punten’= eigen interpretaties/aanvullen!” Niks voorzien van … Gewoon een voorstel van nadere invulling van de overeenkomst tussen de onderhandelaars. De RI had helemaal niets, de TNI wilde helemaal niet. Er werd gesproken niet over aankleedpunten, maar over een volledige uitkleding, een ‘pèndèk’.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘afspraak etc.’- Een BINDENDE afspraak. Dus….je er aan houden, als een rechtstaat! Wat uiteindelijk ook door beide partijen werd geratificeerd! Echter het was Nederland, die zgn, bestandsschendingen uitlokte(!) waardoor de 1e actie werd ondernomen! * ‘IEV etc.’- Gewoon die hele bevolking stom houden. Idem de Indo’s, waardoor eigen educatie ondernomen werd. En wedijver ontstond; verdeel en heers!
        *’TNI wilde niet etc.’- Neen, natuurlijk niet.Nederland eiste dat de TNI ontbonden moest worden tbv. een Federale leger. Die in de tussenfase onder bevel gaat staan van: gen.Spoor !( de man die alle kampongs in brand liet steken!)

      • Jan A. Somers zegt:

        “Een BINDENDE afspraak.” Nee, een afspraak tussen onderhandelaars. En gelukkig bestaat ons bestuur niet uit onderhandelaars. Moest nog goedgekeurd worden door de regeringen. En omdat de RI eiste dat het een verdrag werd, moesten ook Tweede en Eerste Kamer goedkeuren, met gekwalificeerde meerderheid. Juist vanwege de rechtsstaat! Had ook gemoeten door de RI, maar door het ‘nee’ van de TNI gebeurde daar niets.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘Linggadjatti etc.’- Werd op 25 maart 1947, te paleis Rijswijk, Batavia ondertekend door beide gemachtigde(!) delegaties namens de regeringen(!) van het Koninkrijk der Nederlanden(!) en de Indonesische Republiek!

      • Jan A. Somers zegt:

        “te paleis Rijswijk, Batavia ondertekend” Dat paleis is hierin helemaal niet zo belangrijk, wel stijlvol natuurlijk. Dat paleis behoort tot het bestuur van de GG, van het gebiedsdeel. Maar de Ri wilde dat het een verdrag was, en die overeenstemming moest dus door gans Den Haag worden goedgekeurd, zoals u weet. De beslissing lag niet bij het gebiedsdeel, het was een koninkrijksaangelegenheid. Beslissing ligt dus ook niet bij de regering van het koninkrijk, maar bij de wetgever, het Nederlandse parlement. Ja, onderhandelaars treden altijd op namens de regering. En tekenen dus onder datgene wat zij zijn overeengekomen. Maar daarmee is het nog geen verdrag zoals u weet. Als lid van de COR was ik ook gemachtigd met de bonden te overleggen. Maar het resultaat moest altijd nog door onze bovenste bazen worden geaccepteerd. Een keer toen die bazen het met ons niet eens konden worden heb ik persoonlijk, bij mij thuis (koffie door Zeeuws meisje) alles met vakbondsbestuurders zolang doorgesproken tot we een punt bereikten waar iedereen het wel eens mee zou worden. Mocht dat natuurlijk niet, maar met het resultaat was iedereen wel blij.. Maar toen de TNI al duidelijk nee had gezegd. had dat natuurlijk geen zin meer.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘verdrag etc.’- Moest nog door gans Den Haag worden goedgekeurd etc. Het was Nederland, die allerlei ‘bochten’ acteerde/chicaneerde. De troepen waren op sterkte, dus erop slaan! Na 3 jaar strijd/gedoe met als resultaat een debacle van jewelste; dec.1949; uitgefloten en uitgejoeld vertrokken wij uit Indië! En nu na 75 jaar; wilt u dat nog goedpraten?
        – JdeKadt 1949(!); ‘wat ons overblijft is de schaamte over zovele bekrompenheid, onbekwaamheid en zelfgenoegzaamheid’!

      • Jan A. Somers zegt:

        “die allerlei ‘bochten’ acteerde/chicaneerde. ” De RI wilde toch een verdrag? Nou, dat konden ze krijgen. En dat vind u nu ineens niet leuk meer.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ; ‘de RI wilde een verdrag etc.’- De RI wilde merdeka, niets anders! En Nederland ?

      • Jan A. Somers zegt:

        ” ‘de RI wilde een verdrag etc.’” We hadden het toch over de overeenkomst van Linggadjati? De RI wilde dat het een verdrag zou zijn. Nou, dat kon, zei Nederland, en startte de procedure voor de status van verdrag. Ook niet goed?

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘startte de procedure etc.’- Nederland startte met het ‘aankleden’! Zelfs na de ondertekening van de overeenkomst! En het eindresultaat?

      • Jan A. Somers zegt:

        Laat verder maar, u wilt et toch niet snappen. terwijl het toch normaal Nederlands staatsrecht is.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘snappen etc.’- Wat valt er nog te snappen aan Nederlands beleid? Gekonkel en gedraai, dat had de VN allang door.

    • RLMertens zegt:

      @jwhoegen; ‘een paar procent etc.’- Ook de opbrengst van het cultuurstelsel?

  3. Jan A. Somers zegt:

    Weer een onderwerp eruit gepikt: “dat Lieftinck zich bij gelegenheid op de autonomie van Nederlands-Indië beriep, maar zich aan de andere kant wel intensief met de financiën van de kolonie bemoeide.” Klopt helemaal. maar is Lieftinck niet aan te rekenen , hij deed gewoon wat hij moest doen. Inderdaad was het gebiedsdeel Indië autonoom, een zelfstandige rechtspersoon. Dus ook financieel zelfstandig. Zie hiervoor de comptabiliteitswetten en de Indische Staatsregeling. Art. 103. Maar zoals overal en altijd is er een ‘maar’ bij. Het gebiedsdeel Nederlandsch-Indié maakte deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Het zou dus niet gepast zijn als Indië fratsen uithaalt die het Koninkrijk of de andere gebiedsdelen in (financiële) problemen brengt Vandaar dat de Koninkrijksregering een vinger in de pap hield, met een toetsing van de begrotingen van de deelgebieden. In de juristerij heet zoiets een marginale toetsing. Een tijdje geleden was er een Indische opstand tegen de manier waarop de Staatssecretaris uitkeringen had geregeld. Maar in een rechtszaak was het de rechter die met een marginale toetsing kwam: de staatssecretaris was niet buiten zijn boekje gegaan.
    Hetzelfde zie je in het binnenland. Gemeenten, provincies en waterschappen zijn ook zelfstandige rechtspersonen. Die beslissen ook zelf over bijvoorbeeld hun financiën. Maar via zo’n marginale toetsing wordt ook beoordeelt of bijvoorbeeld de nieuwe gemeentebegroting problemen kan opleveren voor de andere gebiedsdelen of Nederland in zijn geheel.

  4. Willem ten Wolde zegt:

    Het had voor alle partijen, beide landen beter geweest als het overeengekomen Linggjati Verdrag niet door den Haag nietig verklaard was.

    • Jan A. Somers zegt:

      “het overeengekomen Linggjati Verdrag niet door den Haag nietig verklaard was.” Dat was geen verdrag, maar een overeenkomst hoe verder te gaan in de richting van de onafhankelijkheid van Indonesië bij verdrag. Is ook niet nietig verklaard, maar de grondslag geworden van het Van Roijen/Roemakkoord: ‘verklaarde Dr. Van Roijen onder meer dat op de Ronde Tafel Conferentie besprekingen zullen worden gehouden over de wijze, ‘waarop de onvoorwaardelijke overdracht van werkelijke en volledige souvereiniteit aan de Verenigde Staten van Indonesië in overeenstemming met de Beginselen van de Renville, zal kunnen worden bespoedigd.’ En wat hield de Renville-overeenkomst in?:’
      Op 27 oktober arriveerde de Commissie van Goede Diensten bestaande uit Paul van Zeeland (België, namens Nederland), Richard Kirby (Australië, namens de Republiek), en Frank Graham (Verenigde Staten, door beide eerdergenoemden gevraagd). De besprekingen vonden in Tandjong Priok plaats op het Amerikaanse transportschip Renville. Op 17 januari 1948 werd het akkoord van Renville ondertekend, feitelijk een bevestiging van Linggadjati!’

      • Willem ten Wolde zegt:

        Verdrag, Overeenkomst, Akkoord wat het ook is, is een serieus akkoord tussen serieuze mensen om tot een oplossing te komen en in dit geval om onnodige ellende toe voorkomen. De meeste Indo’s/Indische waren er blij mee. Nederland kreeg zijn zin om van de Republiek een Federatie te maken, Verenigde Staten van Indonesia, hoewel Sukarno er tegen was maar ingaf en accepteerde. 1946!

        “De overeenkomst van Linggadjati (meestal het Akkoord van Linggadjati genoemd) is een op 15 november 1946 gesloten politiek akkoord tussen de Commissie-Generaal namens de Nederlandse regering en de leiding van de eenzijdig uitgeroepen Republik Indonesia. Op 20 juli 1947, de dag voor de Eerste politionele actie, zegde luitenant-gouverneur-generaal Huib van Mook de overeenkomst op.”

        Was het niet geweldig geweest dat we de oorlogen, de z.g. politionele acties, vermeden hadden.
        Dan waren Nieuw Guinea, Aceh, Molukken, Bali etc zelfstandige Staten in deze Federatie geworden. Prachtig. Dan hadden we allen als we dat wilden in Indonesia hebben kunnen blijven. Beter voor alle partijen. Het is jammer dat den Haag de kolonie nog steeds wilde behouden en de lakens uitdelen.

        https://nl.wikipedia.org/wiki/Overeenkomst_van_Linggadjati

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘Linggadjatti verdrag etc.’- Een verdrag= een overeenkomst! Die overeenkomst werd door Nederland voorzien van allerlei ‘aankleed punten’= eigen interpretaties/aanvullen! Oa. Nederland soeverein in de tussenfase= de baas ! Dus idem het leger etc. Nog erger; de Republiek mocht geen buitenlandse vertegenwoordiger hebben. Ontzettend belangrijk voor juist het bestaansrecht van de Republiek etc.!
        note; Nederland was helemaal niet van plan om via deze overeenkomst tot een vergelijk te komen. De troepenaanvoer was op peil. Romme; ‘als de Britten vertrokken zijn; gaan we door tot Djokja’. Drees sr.; waarvoor zijn jongens dan naar Indië gegaan? Men wilde strijd; dus de overeenkomst chicaneren!

      • Jan A. Somers zegt:

        “Een verdrag= een overeenkomst!” Maar een overeenkomst is nog geen verdrag! Voor Nederland was het een agenda-afspraak voor de al vóór de oorlog afgesproken Koninkrijksconferentie (= RTC). Plus de status van de onderhandelingspartner: RIS! De RI wilde het een verdrag noemen. Nou dat kon ook, daar is in Nederland een procedure voor. behandeling in beide Kamers van de Staten- Generaal. En omdat het tevens ging om een grondwetswijziging goedkeuring met gekwalificeerde meerderheid. Al in de Tweede kamer waren er problemen, het concept werd met een aantal wijzigingsvoorstellen naar de onderhandelaars teruggestuurd. Maar die onderhandelingen lagen plat, De TNI was tegen de hele overeenkomst. En omdat niet de Indonesische regering het kennelijk voor het zeggen had maar de TNI, was het over en uit. Met de Renville-overeenkomst en de van Roijen/Roem-overeenkomst kwam Linggadjati weer op de onderhandelingstafel van de RTC. Richting soevereiniteitsoverdracht. Die conceptakte werd na de vereiste goedkeuring door de Staten-Generaal, en de grondwetswijziging, het gewenste verdrag!

      • RLMertens zegt:

        @JASomers;’ een verdrag etc.’- Geen overeenkomst? Waarvoor dan een verdrag? Om er onderuit te komen? Vandaar dat gechicaneer! Enfin; Nederland stevende toch op een debacle af. Ten koste van zovele slachtoffers! – Bij mijn 1e bezoek aan Indonesië 1980 vroeg een veteraan mij hem te begeleiden naar het graf van zijn maat. Daar aangekomen hief hij een scheldkanonnade aan;’ gvd. gvd…. waarvoor, waarvoor etc.!’ Een schande!

  5. Pascal BaB zegt:

    L,s.

    Misschien zou mvr Hoek haar boek verder kunnen schrijven vanuit bijvoorbeeld Atjeh of West Papua, wellicht zal haar eenzijdige beschuldigings visie ten opzichte van Nederland dan een ander inzicht krijgen.

    • RLMertens zegt:

      @PascalBab; boek over Atjeh of West Papoea etc.’- Waarom? Atjeh werd, na 40 jarige strijd, op bloedige wijze door van Heutsz onderworpen/gepacificeerd! Echter zelfs tot 1945 waagde zich geen Nederlandse bestuurder dit gebied te betreden. Nu een zelfstandige gebiedsdeel binnen de Republiek( zoals onze Antillen). En West Papoea; in geen 300 jaar is naar dit gebied omgekeken! Het gros leefde nog in een stenen tijdperk. De bewoners veelal, halfnaakt en in penis kokers gehuld ‘kregen in 1949 plots te horen'(die enkelen die gepacificeerd zijn) dat ze een spoed cursus zelfbeschikkingsrecht zouden verkrijgen. De VN liet dat politiek gemodder olv. ene Luns maar gaan. Tot zij, getooid in kaki shorts gekomen, warempel in 1962 na een volksraadpleging, voor Indonesië kozen. Nb. onder ogen van Nederland! En nu……emmeren over gedane zaken?
      Nog steeds gefrustreerd?

      • Jan A. Somers zegt:

        ” halfnaakt en in penis kokers gehuld” Ja, op Koninginnedag. Voor hun dagelijks werk in de dragline veel te lastig. Dan denk ik aan Amerikaanse sociologen die in Nederland op zoek zouden zijn gegaan naar die oranje petjes en toeters. Geesten verjagen? En kinderen die in jute zakken lopen, om bij het passeren van een lijn de geesten achter zich te laten?

  6. Tiong Pouw zegt:

    Beste Peter: veel bedank voor de interessante artikel Hian

    Sent from my iPhone

    >

  7. Paul Dekens zegt:

    Prima artikel. Wist niet dat Indonesië tot nog niet zo heel lang geleden een met Nederland afgesproken ‘restschuld’ afloste. Mijn indruk is dat de oude kolonisator haar zaakjes juridisch prima heeft dichtgetimmerd. Uit soort van damage control policy..

    • Jan A. Somers zegt:

      “‘restschuld’” Bij een overdracht gaat de hele balans mee. Dus ook Indische staatsschuld (passief) plus goudschat met de overgang van de Javasche Bank (actief). Die staatsschuld bestaat uit obligaties met een bepaalde looptijd. Na afloop moeten die afgelost worden. Mijn vader had als spaargeld ook wat van die Indische obligaties. Keurig op tijd afgelost. Die obligaties, in bewaring bij de NHM, waren bezetting en bersiap goed doorgekomen in een geheime kluis van de gezamenlijke banken, ik dacht bij Bandoeng.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s