Een eeuw vrede onder de koppensnellers

Eind vorige eeuw stuurde Nederland twee bestuurders naar het hart van Kalimantan om de koppensnellerij en mensenroof te bestrijden. Dat deden ze niet met geweld, maar door recht te spreken volgens de adat van de Dajaks zelf. Herdenking in het oerwoud van een goedaardig staaltje kolonialisme.

Kahayan Rivier

Door Dirk Vlasblom

Luttele minuten nadat de helikopter is opgestegen van het vliegveld van Palangkaraya, in Midden-Kalimantan, is de wereld nog slechts grijs en groen. Beneden een tapijt van boomkruinen, met af en toe een glimp van de door regens gezwollen, modderbruine Kahayan, die zich kronkelend een weg zoekt door de moerassige laagvlakte van dit deel van Borneo. Vóór ons een grauw wolkendek dat met de minuut dichter en dreigender wordt. De piloot doet een dappere poging koers te houden zonder visueel houvast beneden.

Aan boord bevinden zich twaalf mensen: drie bemanningsleden, de Javaanse gouverneur van Midden-Kalimantan drs. Warsito Rasman, diens vrouw, twee voormalige gouverneurs – beiden Dajaks – en een notabele uit Palangkaraya met echtgenote. Tenslotte drie Nederlanders: de tweede secretaris van de ambassade in Jakarta Roel van der Veen, zijn vrouw Margreet en ikzelf. Het provinciebestuur in Palangkaraya heeft kosten noch moeite gespaard. Een week eerder zijn de kwartiermakers ons vooruitgegaan; zij maakten de reis naar het binnenland per speedboot en het laatste stuk, stroomopwaarts, per prauw.

De bestemming is Tumbang Anoi, een Dajakdorpje aan de bovenloop van de Kahayan, waar honderd jaar geleden twee Nederlandse bestuursambtenaren een diplomatiek succes behaalden dat in het Indonesië van nu nog altijd wordt gewaardeerd. In het voorjaar van 1894 leidden zij in deze afgelegen kampong in de binnenlanden van Borneo een vergadering van zo’n duizend inheemse notabelen. Twee maanden lang werd volgens het traditionele gewoonterecht van de Dajaks, de adat, recht gesproken in ruim tweehonderd gevallen van koppensnellerij en mensenroof. Na afloop van dit vredesberaad zwoeren de aanwezige hoofden de ‘snel-moord’ af als rechtsmiddel.

Op aandringen van de sterke Dajakse lobby in Midden-Kalimantan besloot de gouverneur het eeuwfeest niet alleen te vieren, maar om dat te doen in hetzelfde, nog immer geïsoleerde dorpje in het binnenland: Tumbang Anoi. En wel in gezelschap van een Nederlandse diplomaat, want honderd jaar na dato beschouwen zowel de Indonesische autoriteiten als de Dayaks zelf het beraad van Tumbang Anoi als een vreedzaam wapenfeit van de toenmalige machthebbers.

Gezicht vanaf de Kahajan rivier op de Dajak kampong Toembanganoi, Midden-Borneo

Nuchter

Op 6 oktober 1894 stuurt de resident der Westerafdeling van Borneo, S.W. Tromp, zijn periodieke missive aan de gouverneur-generaal in Batavia. In een bijlage doen twee Nederlandse controleurs verslag van hun ruim twee maanden durende verblijf in Tumbang Anoi, een kampong van de Ot Danum Dajak, in een poging vrede te stichten onder rivaliserende Dajak-clans. Hoewel het stuk is gesteld in de nuchtere taal van de ambtenaar, leest het als een novelle.

Bijna een eeuw later is dit dokument aan de vergetelheid ontrukt door een Dajakse geleerde, prof. M. Usop, docent pedagogie aan de Universiteit van Palangkaraya, de hoofdstad van de huidige Indonesische provincie Midden-Kalimantan. Usop, directeur van een instituut dat zich ontfermt over het culturele erfgoed van de Dajaks, nam het verslag op in het boekje Rapat Damai Tumbang Anoi (het Vredesberaad van Tumbang Anoi).

Aan het einde van de negentiende eeuw zijn grote delen van Borneo onder effectief gezag van de Nederlanders, maar in het ontoegankelijke binnenland, aan de bovenloop van de vele rivieren, worden nog regelmatig snel- en rooftochten gehouden, een uitdrukking van lang lopende vetes tussen de vele Dajak-clans. In één van de Dajak-talen heet dit kwaad hakayau, habunu, hatetek – ‘elkaar de kop afslaan, doden en in stukken hakken’. Deze praktijken zijn het Nederlandse bestuur een doorn in het oog; ze botsen niet alleen met Europese opvattingen van menselijkheid, maar belemmeren ook de uitbreiding van het koloniale gezag.

In 1893 nodigt de resident Broes van de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo de belangrijkste Dajakhoofden uit voor een spoedvergadering. Op 14 juni palavert hij met een aantal hoofden en adat-oudsten in Kuala Kapuas, aan de zuidkust. De aanwezigen verklaren zich bereid tot een Groot Vredesberaad, maar als de resident vraagt wie het wil organiseren, blijft het stil. Totdat Damang Batu, een 72-jarig clan-hoofd van de Ot Danum Dajak, zijn hand opsteekt. In zijn dorp Tumbang Anoi, twee weken reizen naar het noorden, beschikt hij over een betang (traditioneel longhouse) van enorme afmetingen, met liefst twaalf kamers. Hij stelt er een eer in als gastheer op te treden, als het gouvernement zorg draagt voor de fourage. De residenten in Banjarmasin en Pontianak besluiten ieder een controleur af te vaardigen naar het vredesberaad: J.P.J. Barth voor de Afdeling Dajaklanden – het stroomgebied van Kapuas en Kahayan – en A.C. de Heer voor Melawi, de onderafdeling van West-Borneo die grenst aan de Dajaklanden.

Controleurs A.C. de Heer en J.P.J. Barth temidden van Dajak afgevaardigden, tijdens de opening van de grote vergadering te Toembanganoi, Midden-Borneo

Hun opdracht luidt “met de betrokken Maleische en Dajaksche hoofden eene bijeenkomst te doen houden met het doel de hangende geschillen, voortvloeiende uit snelmoord- en andere zaken tusschen de bevolking te onderzoeken en zooveel mogelijk volgens de gewoonten des lands af te doen en voorts al datgene te doen dat strekken kan om het ontstaan van nieuwe geschillen te voorkomen”. Tumbang Anoi is mede gekozen omdat “er nergens nabij de grenzen zulk een aanzienlijke kampong is en omdat het genoemde punt voor de lieden van beide gewesten even makkelijk of, beter gezegd, even moeilijk te bereiken is”.

Het vertrek van beide controleurs wordt vastgesteld op 20 april 1894. In hun verslag lezen we: “De kort na dien datum gevallen regens in de bovenstreken zijn aanleiding geweest, dat de Controleur der Dajaklanden de Kahayan tot Tuyun met het ter beschikking gestelde Gouvernementsstoomschip heeft kunnen opvaren, waarna hij de reis per roeivaartuig heeft voortgezet en den 8sten Mei te Tumbang Anoi aankwam.” Dezelfde regens die de reis van controleur Barth vlot deden verlopen, braken zijn ambtgenoot uit Melawi op. De rivieren waren zo sterk gezwollen dat het opvaren uiterst moeizaam verliep. Op de zesde dag na vertrek verloor de controleur in een moeilijk te passeren stroomversnelling zijn boot. Daarop moest men wachten totdat het water voldoende gezakt was om een aantal grote stroomversnellingen met de prauwen te kunnen passeren. Bagage en levensmiddelen moesten over land worden vervoerd, wat weer een dag kostte.

Het verslag rept van tegenslag op tegenslag. “Eenmaal bij de waterscheiding gekomen en toen juist een hooge waterstand zeer gewenscht was, hielden de regens op en moesten de prauwen over de steenachtige rivierbedding van de Ambaloh, en na het passeren van die waterscheiding op 11 Mei ook over die van den bovenloop der Kahayan gesleept worden. Aangezien bijna alle prauwen daardoor onbruikbaar werden, was de voortzetting van de tocht zoo goed als onmogelijk.”

In deze benarde omstandigheden besloot kapitein F.C. van der Willigen, de legerofficier die de controleur vergezelde, met de enige prauw die nog bruikbaar was, hulp te gaan halen in Tumbang Anoi. Toen hij daar op 16 mei arriveerde, werden nog diezelfde dag tien prauwen met leeftocht op weg gestuurd. De controleurs: “Dank zij deze hulp kwam de colonne uit Melawi den 20sten Mei te Tumbang Anoi aan en konden den volgenden dag onze werkzaamheden een aanvang nemen.”

Boomschors

Vanaf het moment dat we opstijgen houdt de Dajakse notabele naast mij zijn ogen dicht. Na ruim een uur vliegen raakt hij mijn arm aan. Hij heeft zijn ogen nu wijd open en wijst naar beneden. Door een gat in de nevelflarden zie ik de Kahayan-rivier, nu heel dichtbij. Langs de oever ontwaar ik huisjes en felgekleurde prauwen en aan de overkant van de rivier, op een open plek in het bos, een vierkant houten vlondertje met de letter ´H´.

Van tien meter hoogte ziet het vers gelegde plankier er broos uit, maar het draagt de helikopter moeiteloos. Terwijl de wieken nog wentelen, duikt uit de stromende regen het ontvangstcomité op, aangevoerd door professor Usop, voor de gelegenheid in een fraai handgeweven jasje en hoofdband. Dajakse vrouwen met een veer in het lange haar flankeren de gasten met paraplu’s, terwijl hun zusters de gouverneur, de diplomaat en hun echtgenotes omhangen met verse bloemenkransen. Dan gaat het gezelschap scheep in de gereedliggende prauwen, want het dorp ligt aan de overkant van de rivier. We meren af aan de voet van een steile bamboetrap, de toegang tot Tumbang Anoi. Op deze drijvende steiger staat een forse man in een traditioneel kostuum van boomschors, twee veren in zijn haarband en aan zijn gordel een mandau, het traditionele koppensnellerszwaard van de Dajaks. Als de gasten omzichtig uit de prauw stappen, neemt hij hen op de korrel met een spiegelreflexcamera.

Boven aan de trap wordt de doorgang versperd door een hekwerk van bamboe, bedekt met matten en weefsels. Daarachter staan de adat-oudsten van Tumbang Anoi, de bewakers der traditie. Van achter de versperring wordt de gouverneur als leider van de delegatie toegezongen in het Dajak en het Indonesisch. De Dajaks kenden vanouds geen staatsverband en leefden in autonome dorpen. Tot op de dag van vandaag moeten gasten, ook een hoge vertegenwoordiger van de Republiek, zich onderwerpen aan een rituele ondervraging. Wat komt u doen? Zijn uw bedoelingen vreedzaam? Hoeveel vrijgezellen telt uw gezelschap, want we wensen geen wangedrag jegens onze vrouwen. De gouverneur beantwoordt de vragen naar eer en geweten, krijgt het verzoek de matten en kleden op te rollen en moet tenslotte met de hem aangereikte mandau de versperring van bamboe doorklieven. Daarna zijn we welkom.

Opnieuw fraai uitgedoste dames die ons rode shawls omhangen en onze gezichten insmeren met een geelbruin papje. Na een dans om de voorouderbeelden en inspectie van het offervee, nemen de gasten plaats voor het monument ter ere van het Grote Vredesberaad in het midden van Tumbang Anoi. Het is een nieuwe sandung, een rijk beschilderde en besneden kist, waarin straks het gebeente van Damang Batu voor het eerst in honderd jaar zal worden herbegraven. Volgens de kaharingan, de oude Dajakreligie, bezorgt iedere herbegrafenis de overledene een hogere plaats in de hemel. Achter de huizenrij langs de rivier zie ik het geblakerde skelet van Damang Batu’s fameuze longhouse, waar honderd jaar geleden de grote vergadering begon.

Vetes

Op 21 mei 1894 wordt het reglement voor de zittingen vastgesteld. Aangezien stokoude vetes tussen Dajaks worden beschouwd als waren zij gisteren uitgebroken, wordt een grens getrokken: alleen kwesties niet ouder dan dertig jaar worden in behandeling genomen. Partijen krijgen van de dag der opening veertig dagen om hun eis in te dienen. Behandeld worden moordzaken die het gevolg zijn van sneltochten en van mensenoffers bij lijkfeesten; gijzelingen om kracht bij te zetten aan eisen; roofzaken alsook huwelijks en erfzaken, zoals overspel, verstoting, verlating en schaking.

In moordzaken ten gevolge van sneltochten betaalt de gedaagde het gebruikelijke sahiring (‘bloedgeld’) aan de naaste familieleden van de gedode en het Tipuk Danom of zoenoffer, dat alle weerwraak uitsluit. Vroeger was dit een mens alsmede goederen ter waarde van zestig gulden. Door deze mensengiften niet langer als genoegdoening te accepteren, maakt het beraad van Tumbang Anoi in feite een einde aan de slavernij onder de Dajaks.

De controleurs: “Ons voorstel om zonder aanziens des persoons een vast bloedgeld op te leggen ondervond veel tegenkanting, hoogstwaarschijnlijk omdat dit gelijk zoude staan met een afschaffing der standen, en daar wij volgens de adat [het gewoonterecht] beslissen moesten, hebben wij ons voorstel ingetrokken”.

Besloten werd niet in elk afzonderlijk geval een zoenoffer te brengen en dit te vervangen door “eene algemeene Tipuk Danom waarvoor door elk der controleurs, uit naam van het Gouvernement, twee karbouwen zouden gegeven worden”. Op 22 mei werd de Grote Vergadering van Tumbang Anoi voor de woning van Damang Batu geopend met 21 saluutschoten van de meegereisde fuseliers.

De opkomst was veel groter dan de controleurs hadden durven hopen. Een maand na de opening waren “behalve de eigenlijke kampongbewoners, ruim 830 personen te Tumbang Anoi vereenigd, een cijfer dat onze stoutste verwachtingen overtrof”. Tegen het einde van de zittingen klom dit zelfs tot ver boven de duizend. Twee maanden lang hield men dagelijks van acht tot één zitting. Barth en De Heer: “In het geheel is door ons kennis genomen van 233 zaken, waarvan er 81 niet voor behandeling in aanmerking kwamen, 24 wegens verjaring en 57 bij gebrek aan bewijs”. De resultaten waren verbluffend. Een Hoofd stelde voor vrijwillig afstand te doen van de door hem gesnelde koppen. De controleurs noteren: “Als in aanmerking wordt genomen dat die koppen een teeken zijner dapperheid zijn, gelooven wij, dat het feit dat daaraan langer geen waarde wordt gehecht, wijst op een neiging zulke tropheeën niet meer aan te schaffen, met andere woorden dat men begint in te zien dat men het bestuur moet behulpzaam zijn met het doen ophouden van sneltochten”.

Op 25 juli zweren de hoofden en aanzienlijken “voor zich en voor hunne onderhoorigheden volkomen genoegen te nemen met de uitspraken dezer vergadering en voorts met alle hun ten dienste staande middelen het bestuur behulpzaam te zijn in zijne taak om vrede en voorspoed te bevorderen”. Tenslotte wordt “met inachtneming van de daaromtrent bestaande gebruiken tot het sluiten der verzoening overgegaan tusschen de representanten van de verschillende elkaar vijandig gezinde partijen. Bij deze gelegenheid werden de vier door ons namens het Gouvernement ten geschenke gegeven karbouwen als zoenoffer gedood”. Op 26 juli aanvaarden de controleurs de terugreis naar hun standplaatsen. Die van Melawi heeft een voorspoediger tocht dan op de heenreis; in negen dagen is hij thuis.

Wooooooh

Ten gevolge van het slechte weer wordt de herbegrafenis van Damang Batu’s gebeente tot nader order uitgesteld. De gouverneur, zijn twee Dajakse ambtsvoorgangers en de professor volstaan met het plaatsen van hun handtekening op de plaquette. Daarop nemen zij samen met tweede secretaris Van der Veen en zijn vrouw met gekruiste benen plaats op een overdekt podium van bamboe en planken. Op het modderige pleintje vóór de verhoging wapperen het Indonesische rood-wit en de Nederlandse driekleur broederlijk in de tropenbries. Tegenover het podium staan rijen banken met dorpsoudsten, districtsbestuurders en de militaire ressortcommandant. Links en rechts van het pleintje en uit de ramen van de houten huizen slaan de bewoners van Tumbang Anoi de grootste bijeenkomst gade die hun dorp in een eeuw heeft gezien. Op de achtergrond klinken trommels en zangstemmen. De sprekers worden af en toe, na een uitnodigend “Lahap-lap-lap-lap” van een notabele, onderbroken door een instemmend “Wooooooh.. Juuuuuuw.”

TumbangAnoi, herdenkingsplakette

De feestredenaars leggen verschillende accenten. Professor Usop spreekt in naam van de Dajak-gemeenschap dank uit voor de belangstelling die de regering van Indonesië en de ambassade van Nederland hebben getoond voor deze viering “in dit afgelegen, geïsoleerde dorp van de vrede”, waar – en dan richt Usop zich tot de diplomaat Van der Veen – “Uw regering een vreedzaam gemeenschapsleven hielp realiseren in het licht der beschaving”. Hij verheelt niet – een boodschap aan de gouverneur – dat in de provincie Midden-Kalimantan nog steeds 56 procent van de desa’s als arm te boek staat en dat Tumbang Anoi daar één van is.

Gouverneur Warsito Rasman vertaalt de vrede van Tumbang Anoi in het vocabulair van Indonesië’s Nieuwe Orde. De vredeswil van toen was een voorbode van het nationale gevoel van nu, het was “het verlangen naar de eenheid van land en volk, naar stabiliteit als voorwaarde voor ontwikkeling en voorspoed”. De jongeren van het dorp krijgen van hem een T-shirt bedrukt met een herdenkingstekst, uitgevoerd in fel geel, volgens Warsito ‘de kleur van het goud’, volgens andere aanwezigen de kleur van regeringspartij Golkar.

De diplomaat Van der Veen houdt de volksvergadering in het Indonesisch voor dat de komst van de Nederlanders naar Borneo zowel negatieve als positieve consequenties had. De Dajaks waren weliswaar geen baas meer in eigen land, wel maakten ze kennis met gezondheidszorg en onderwijs. Dat – en dat levert hem een instemmende yell op uit het publiek – “oorlog voeren makkelijker is dan vrede sluiten”. Wanneer hij dit inzicht toeschrijft aan “de belangrijkste man van dit vredesberaad, Damang Batu” sluiten de bewoners van Tumbang Anoi hem in hun hart.

x

 

Dit artikel verscheen eerder in het NRC Handelsblad, 9 juli 1994

 

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

54 reacties op Een eeuw vrede onder de koppensnellers

  1. Jan A. Somers zegt:

    Dit goed gedetailleerd artikel past keurig in het begin van de ethische politiek. Volgens de definitie van Mw. Locher-Scholten: ‘beleid gericht op het onder reëel Nederlands gezag brengen van de gehele Indonesische archipel èn op de ontwikkeling van land en volk van dit gebied in de richting van zelfbestuur onder Nederlandse leiding en naar westers model.’. In de correcte volgorde: je kunt pas ontwikkelingsbeleid voeren als je er bent. Dirk Vlasblom, lang geschreven voor de NRC, is getrouwd met een Javaanse vrouw, over wie hij schrijft: Zij heeft mij ingewijd in de Coro Jowo.

    • RLMertens zegt:

      @JASomers; ‘in de richting van zelfbestuur etc.’- In de richting,…. onder Nederlandse leiding? Of zelfbestuur,….. onder Nederlandse leiding? Je kunt pas ontwikkelingsbeleid voeren als je er bent……Nou, na 3 eeuwen er zijn….

      • Jan A. Somers zegt:

        In haar dissertatie heeft Mw. Locher-Scholten het over de politieke idealen eind 19e/begin 20e eeuw, de ethische politiek. Lees dat maar eens.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘ ethische politiek etc.’- Om den Inlander te verheffen. Wat was er eigenlijk zo ethisch= zedenkundig aan die politiek? In wezen: onderwerping en bezetting van land en volk. Een maatschappij met een façade van gelukzaligheid door exploitatie als gewin west voor het vaderland. Met verhullende terminologie als pacificatie= vrede brengen, expedities= leerzame ondernemingen, orde en rust etc. werd tempo doeloe een synoniem van tevreden inlanders, die zo buitengewoon blij waren met de kompenie. En nog lang niet klaar/rijp waren voor zelfstandigheid. Idealen, idealen tot er bloed vloeide…. en wij zelf rijp werden gemaakt….. voor de aftocht! Door schade en schande!

      • JA. Somers zegt:

        “In wezen: onderwerping en bezetting van land en volk. ” U snapt het niet of wilt het niet snappen. Het merendeel van Indië stond niet onder Indisch bestuur. Daar heerste op grote schaal onderdrukking dor de hoofden, armoede, slechte volksgezondheid, geen onderwijs. Lees eens een keer de speech van Max Havelaar tot de hoofden van Lebak. Waarbij de schuld werd gelegd bij de afwezigheid van goed bestuur, dat zich afzijdig hield. De ethische politiek zou hier een eind aan moeten maken, onderwijs, medische zorg, rechtstreekse betaling voor de diensten die door de bevolking werden geboden enz. Maar om zoiets te doen, moet je er wel zijn met een gezagsstructuur. Bijvoorbeeld in Nederland. Daar wordt het onderwijs ook door de overheid betaald. Maar die overheid moet er wel zijn om met inspectie de kwaliteit te waarborgen. Als de lonen niet meer via de hoofden worden uitbetaald, moet er wel een administratief orgaan voor zijn. Als er niets is, zoals toen in Indië, dan komt het niet van de grond. Je moet er dus een overheid stellen, en scherp toezicht op die inhalige hoofden. Dat u dat “onderwerping en bezetting van land en volk” noemt is uw mening, mag in Nederland. “façade van gelukzaligheid ” mag ook. En u heeft ook moeilijke voorgangers gehad hoor. Het begrip ‘ethisch’ kreeg na 1920 een vooral negatieve betekenis: sentimentaliteit, welgezindheid ten opzichte van het nationalisme, een streven naar los-van-Holland, uitmondend in landverraad: de ‘nestbevuilers’. Waarschijnlijk was deze wending een antwoord op het groeiende Indonesische nationalisme en de ontwikkelingen na de eerste wereldoorlog. Ontwikkelingen die inderdaad waren gefundeerd in de ethische politiek. Even doorgaand op één aspect, onderwijs. Binnen het kader van de ethische politiek werd veel aandacht geschonken aan het onderwijs, gericht op het kweken van een Indonesische elite die een groot deel van het Nederlandse bestuur zou kunnen overnemen. Het ‘lagere’ inheems onderwijs was direct gericht op verbetering van het welzijn en de welvaart.
        Kweekscholen voor de opleiding van inheemse onderwijzers. In 1900 werden de drie ‘hoofdenscholen’ gereorganiseerd tot de OSVIA (Opleidingsschool voor Inlandsche ambtenaren), een vijfjarige Nederlandstalige cursus na de Europese lagere school, voor de opleiding van bestuursfunctionarissen. Tevens werd de Dokter Djawa-school gereorganiseerd tot de STOVIA (School tot opleiding van Inlandsche artsen) in Batavia en de NIAS (Nederlandsch-Indische artsenschool) in Soerabaja. De inheemse ‘1e klas’ lagere school werd in 1914 omgezet in de Hollandsch-Inlandsche School (HIS), en de Hollandsch-Chineesche School. Samen met de Europese lagere scholen boden deze inheemse scholen nu onbeperkt en ongescheiden toegang tot het Europees middelbaar onderwijs (MULO, AMS, HBS, Lyceum, Gymnasium) en vervolgens tot het Europees universitair onderwijs. Naast de genoemde opleidingen ontstond ook een heel scala aan scholen voor beroepsonderwijs, zoals ambachtsscholen, technische scholen, handelsscholen, landbouwscholen, geneeskundige scholen, zeevaartscholen en huishoudscholen, zowel voor de inheemse als Europese bevolkingsgroepen, en deels gemengd. Als gevolg hiervan werden Inlandse leerlingen en studenten op die scholen niet alleen ingewijd in de Nederlands/Europese cultuur, maar raakten ook sterk verwesterd. Het middelbaar en hoger onderwijs was beperkt tot Java en delen van Sumatra. De op Java schoolgaande kinderen uit de buitengewesten raakten daardoor vervreemd van hun oorspronkelijke cultuur maar anderzijds was er op kostscholen en in (Nederlandse) kostgezinnen sprake van wederzijdse kennismaking tussen de in de archipel naast elkaar levende etnische groeperingen. Het westerse onderwijs is cruciaal gebleken voor de emancipatie van de inheemse bevolking. Bij de aardrijkskundeles zag men op de wandkaarten voor het eerst de kolonie als een geheel, men zag ook dat Nederland maar een klein landje was in verhouding tot Nederlands-Indië. Bij de geschiedenisles leerde men over de opstand tegen Spanje en de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd, over de Franse revolutie en de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Men leerde goed Nederlands en meerdere vreemde talen waardoor men zowel boeken, als ook de krant kon lezen en de vele in Indië uitkomende periodieken. Ook de beoordeling van de leerlingen op grond van vaardigheden en prestaties was van belang in een inheemse samenleving met rang- en standsverschillen en beoordeling op grond van afkomst en functie. Op school was er nu sprake van een gelijkwaardige behandeling en liberale opvoeding, gestimuleerd door vakbekwame en gedreven leraren, die sterk contrasteerde met de ongelijke behandeling in het dagelijks leven. Door de Nederlandse opzet was het onderwijs zwaar voor de inheemse leerlingen; zij die de opleiding voltooiden waren dan ook intelligente doorzetters. Het oorspronkelijke doel van de ethische politiek!

      • RLMertens zegt:

        @JASomers;’ onderdrukking door hoofden etc.’ – O ja? Ook in Atjeh, Bali, Lombok. Celebes etc.? In al die gebieden, die na ca.1900 aan de ethische politiek moesten voldoen? En er dus een ethische oorlog; pacificeren, expedities etc. moest worden ontketend ….om die Inlanders te verheffen?
        De reinste propaganda/indoctrinatie!

      • Jan A. Somers zegt:

        “ethische oorlog;” Niks ethisch, gewoon bestrijding van o.a. zeeroverij. Bij de vestiging van gezag in het kader van de ethische politiek ging het niet via oorlog, maar via de korte verklaring. Daarbij accepteerden die hoofden het Indische oppertoezicht, kregen salaris, en mochten hun binnenlandse beslissingen blijven innen. Uiteraard onder toezicht, maar dat moeten Nederlandse gemeenten en provincies ook. U kent het standaardplaatje wel, de resident en de regent die gearmd het podium betreden. Als broers. En uit de VOC-tijd: Speelman werd op een keer door de Soesoehoenan van Mataram bevorderd tot ‘Vader’! En een andere Soesoehoenan van Mataram verwaardigde zich naast zijn geliefden langen kapitein te gaan zitten, Die was conform het hofprotocol op de grond aan de voeten van de Soesoehoenan gaan ziten.

    • RLMertens zegt:

      @JASomers; ‘zeeroverij etc.’- Toch merkwaardig dat dit euvel veelal genoemd( Atjeh, Bali etc.) werd als er ‘gepacificeerd’ moet worden! Uit het Gedenkboek voor Nederlandsch-Indië 1923; ” zoo waren invoering van belasting en heerendienstregeling(!) en het afdwingen(!) van orde en regelmaat in hunne primitieve maatschappij voor hen onaanvaardbare begrippen en werden zij door de voorouders aangespoord zich daartegen te verzetten. Nadat met weinig(!) moeite* daaraan overal(!) een einde was gemaakt, verheugen de Buitengewesten zich sedert in een onafgebroken rust!
      note; *dmv. repeteer geweren, artillerie, scheepsgeschut tegen voorladers, lansen en spiesen!

      • Jan A. Somers zegt:

        Grondbelasting kon niet worden geïnd maar vervangen door herendiensten, belasting in natura. Met nu mogelijke controle op de belastinginning van de hoofden. In Nederland waren dit na de oorlog de arbeiders die waren ingezet bij bijvoorbeeld de droogmaking van Walcheren en Schouwen Duiveland, de Rijksdienst Zuiderzeewerken. (Een aantal van deze kampen werd naderhand ook gebruikt voor de opvang van Molukkers.). Die werden gehuisvest in DUW-kampen (Dienst uitvoering werken). Om voldoende arbeid te kunnen houden werd met spade en kruiwagen gewerkt i.p.v. machinaal.
        Handhaving van orde en rust was nuttig om de kwalijke praktijken van de hoofden onder controle te krijgen. Die was via “onaanvaardbare begrippen en werden zij door de voorouders aangespoord zich daartegen te verzetten.” door die hoofden goed ingeprent. Denk in Nederland bijvoorbeeld aan de arbeidsethos in Brabant en Limburg met dreiging van hel en verdoemenis door de pastoors. Dat zijn mede daardoor sterk geïndustrialiseerde gebieden geworden met grote kapitalistische uitbuiting.
        Een paar voorbeelden van orde en rust in Mataram, uit mijn dissertatie, de Soesoehoenan als ratu adil, aangespoord door zijn voorouders: “Mataram had immers geen succes in de voortdurende oorlogen op Oost-Java; aan deze oorlogen werden duizenden mensenlevens opgeofferd en hele landstreken verwoest.” “Hij tooide zich met de titel Soesoehoenan, apostel , en wist raadslieden en gunstelingen voorzover ze hem niet aanstonden te elimineren.” “De opperbevelhebber, Soera-Ngalogo, liet als straf twee bevelhebbers met hun manschappen, 744 man, ter dood brengen; hij raakte zelf bij de Soesoehoenan in ongenade, en werd op zijn beurt met zijn edelen om het leven gebracht. Als nasleep van de nederlaag liet de vorst ook nog 1260 mannen, vrouwen en kinderen uit de Preanger-districten ter dood brengen.” “Het wrede bewind van Soesoehoenan Amangkoerat I had in Mataram veel verzet doen ontstaan. De Madoerese prins Taroeno Djojo maakte hier gebruik van om een opstand te beginnen met steun van Makassaren die na het Bongaais verdrag hun land waren ontvlucht en zich met zeeroof bezighielden.” Ik heb zo’n idee dat pacificatie goed heeft gewerkt.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘grondbelasting vervangen door herendiensten etc.’- Herendiensten= dus arbeid zonder betaling! Zoals bij de Grote Postweg, waar duizenden koelies het leven lieten. En daarbij; gezin/familie moesten achter laten; die dus ook zonder inkomsten zaten! Hun kebonnan/tuinen/sawah niet konden bewerken etc.!- Daarbij vergeleken hadden de Nederlandse arbeiders luxe werkomstandigheden met daarbij nog een beloning toe!

      • Jan A. Somers zegt:

        “Zoals bij de Grote Postweg, waar duizenden koelies het leven lieten.” Klopt! Die Grote Postweg is niet door Nederlanders aangelegd. Alleen opdracht gegeven (zoals Rijkswaterstaat nu doet aan aannemers) aan de Inlandse hoofden in de gebieden waar het tracé doorheen liep, die daar voor werden betaald. En dat geld in eigen zak stopten. Zoals het hoorde bij hun adat en voorouders!?! Die hadden die heerendiensten al lang uitgevonden, met nut voor de hoofden!

      • R.L.Mertens zegt:

        @JASomers;’die daarvoor werden betaald etc.’- Oh ja? Het grootste gedeelte van de weg ,die tot in lengte van duizenden km. van oost naar west strekte werd aangelegd door arbeiders, die zonder(!) betaling opgeëist(!) werden van Inlandse vorsten en hoofden! De dood van duizenden van dezer arbeiders is heden nog scherp in het geheugen van de Indonesiërs gegrift. Van de 1500 arbeiders van de sultan Bantam kwam de meerderheid in korte tijd om en de overigen deserteerden. Toen Daendels meer arbeiders eiste, 1000 man weigerde de sultan, waardoor Daendels een eind maakte aan de onafhankelijkheid van Bantam en sultan’s kraton in beslag nam(!) en tot domein van de koning van Holland verklaarde. – In 1919 kwam een nieuwe regeling; op Java/Madoera werden herendiensten afgeschaft en vervangen door desa diensten(!) en diensten aan Inheemse gezagdragers.(pantjen diensten). ‘Doordat beide diensten veelal(!) aaneengesloten moesten worden verricht, verkeert de arbeider feitelijk in een toestand van tijdelijke slavernij’, aldus JW.MeyerRanneft adj.inspecteur Agrarische Zaken. In de Buitengewesten bleven de herendiensten gehandhaafd.-* Lees ook eens andere geschriften dan die Overheids propaganda bulletins/geschiedschrijving.

      • Jan A. Somers zegt:

        “werd aangelegd door arbeiders, die zonder(!) betaling (!)” Nou, daar gaat mijn hele verhaal juist om. Lees die toespraak tot de hoofden van Lebak nu eens goed. Daar kunt u lezen waar dat geld voor die weg terecht kwam. Plus de klacht van Max Havelaar dat aan die misstand niets werd gedaan door het gouvernement.

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘met het nut voor de hoofden etc.’- Het (belangrijkste)nut is voor de overheid! Die weg was toch het idee van Daendels; voor troepen bewegingen; om opstanden neer te slaan!

      • Jan A. Somers zegt:

        “voor troepen bewegingen; om opstanden neer te slaan!” U moet eens wat lezen over de Indische geschiedenis. In 1804 had Napoleon zichzelf uitgeroepen tot keizer. De patriotten waren in beginsel voorstanders van een verlicht koloniaal bestuur op basis van de beginselen van de Franse Revolutie, en wensten daartoe het koloniaal bestuur grondig te hervormen: In mei 1806 was door (keizer) Napoleon de republiek afgeschaft en vervangen door een monarchie. Op 5 juni 1806 aanvaarde koning Lodewijk Napoleon de regering over dat koninkrijk Nederland. Op 29 juli werd de Raad van Aziatische bezittingen en etablissementen door koning Lodewijk opgeheven; hij droeg het bestuur over de Oost-Indische bezittingen op aan een minister (van marine en koloniën) en benoemde op 28 januari 1807 Herman Willem Daendels tot gouverneur-generaal. Bij besluit van 9 februari 1807 stelde hij de instructie voor de gouverneur-generaal en de raden van Indië vast waarin de Oost-Indische bezittingen werden aangeduid als ‘Aziatische Colonien en Bezittingen van Zijne Majesteit den Koning van Holland’. Daendels kreeg een grote vrijheid van handelen. Men besefte waarschijnlijk dat bestuur vanuit Nederland onmogelijk was geworden, Daendels moest het zelf maar uitzoeken.
        De Engelse vloot was in Oost-Indië heer en meester geworden. In de Indische archipel werden alle Nederlandse bezittingen door de Britten overgenomen, aanvankelijk met uitzondering van Java. Veel kleine vestigingen werden trouwens al spoedig weer verlaten voorzover deze in economische of strategische zin niet van belang waren of wanneer verovering door de Fransen niet waarschijnlijk werd geacht.
        In de strijd tussen Engeland en Frankrijk om de Nederlandse koloniën moest worden getracht in ieder geval Java te behouden; Daendels kreeg de opdracht alle krachten te concentreren op dit eiland. Praktisch alle posten buiten Java werden opgegeven, met het oog op betere verbindingen werd de Grote Postweg aangelegd, werd in Soerabaja een vlootbasis ingericht en werden rond Batavia verdedigingswerken aangelegd. Onder het bewind van Daendels werd in Batavia in 1808 ook de huisvesting van het bestuur verplaatst naar het nieuwe, zuidelijker gelegen Weltevreden; de meer welgestelde bewoners van het ongezonde oude stadsdeel van Batavia waren sinds ca. 1730 al gaan wonen in die door haar ruime opzet minder ‘Hollands’ aandoende wijken. Daendels verdeelde Java in negen prefecturen, elk onder leiding van een prefect, naderhand landdrost genoemd. Staatsrechtelijk was dit een vergaande ingreep, een omwenteling; het oude ambt ‘resident’ doelde op een vertegenwoordiger van de gouverneur-generaal bij de hoven van de regenten en vorsten op Java, dat waren tot nog toe de ‘soevereine’ bestuurders. Nu was de prefect of landdrost zelf de bestuurder, namens de gouverneur-generaal.
        In 1811 veroverden de Engelsen tenslotte ook Java dat tot 1816 onder Brits bestuur kwam van lieutenant-governor Thomas Stamford Raffles. Deze breidde het aantal prefecturen uit tot zestien. Raffles wilde de kleine boeren tot enig rechtmatig eigenaar of pachter van de grond maken maar hield daarbij, evenmin als Daendels, geen rekening met de trots en de traditionele rechten van de vorsten en met de archaïsche eerbied van het landvolk voor de eigen heersers.
        De verlaging van de bestuurlijke positie van de regenten werd door de vorsten van Djokjakarta en van Soerakarta niet direct geaccepteerd. In 1810 was Daendels nog naar Djokjakarta opgerukt, waarop sultan Hamengkoe Boewono II, beter bekend als sultan Sepoeh, zich snel gewonnen gaf. Op 6 januari 1811 werden zijn opvolger en de soesoehoenan van Soerakarta in een verdrag de nieuwe verhoudingen opgelegd. Beide vorsten probeerden echter van de komst van Raffles gebruik te maken om de oude bestuurlijke constellatie te herstellen. Sultan Sepoeh trok de macht weer aan zich, hij stootte zijn zoon van de troon en vermoordde de rijksbestuurder en diens vader. De hiernavolgende opstand tegen het Engelse bewind werd met militair geweld onderdrukt waarbij op 20 juni 1812 de kraton van Djokjakarta door een Brits leger werd veroverd en geplunderd. De soesoehoenan van Soerakarta koos eieren voor zijn geld en accepteerde een nieuw verdrag. Voor de verhoudingen met de vorsten op Java was dit een bijzonder keerpunt; voor het eerst in de geschiedenis was het hof van een Javaans vorst door een Europese macht veroverd, waarmee een nieuw tijdperk werd ingeluid. Binnen het rijk van Djokjakarta wist Raffles tenslotte Noto Koesoemo te installeren als onafhankelijke vorst Pangeran Adipati Pakoe Alam onder directe bescherming van het gouvernement.
        Wat dit met koppensnellers te maken heeft weet ik overigens ook niet. Koppensnellers zijn overigens ook in Neerland actief. Als de palen voor een nieuw gebouw zijn geheid, moeten de bovenkanten op gelijke hoogte worden afgezaagd. Dat wordt door koppensnellers gedaan.

      • RLMertens zegt:

        @JAsomers; ‘de Postweg etc.’- U zelf schrijft; de Engelse vloot was oppermachtig! Met het oog op goede verbindingen op het belangrijke Java werd grote Postweg aangelegd. Werd te Soerabaja een vlootbasis ingericht. Hij rukte zelfs op naar Djokdja; via de binnenwegen? etc. – Of reed er alleen de postkoets over deze weg?

  2. Robert zegt:

    Het paternalistische Nederlands gezag. Gezag dat nergens is op gebaseerd dan op zg superieure gedachten,ras en cultuur, uitbuiting en zeeroverij. Er zijn geen superieure rassen en culturen in de ogen van een reasonable person en de Schepper

  3. Robert zegt:

    De” ethische politiek” werd veel te laat ingevoerd en leidde tot een debacle en de diaspora van vele Indos die werden dispossessed, disgraced and displaced.

    • Jan A. Somers zegt:

      Heeft u die link zelf wel begrijpend gelezen? Dan zou u wel tot een andere conclusie zijn gekomen. En in de literatuurvermelding mis ik de dissertatie van Elsbeth Locher-Scholten. In mijn ogen de beste studie over de ethische politiek. Van mijn vader hoorde ik altijd van een aspect op Nieuw-Guinea, als hij daar gestationeerd was; Onderwijs en gezondheidszorg. En dat was allang na de ethische politiek. Zaken die nu normaal zijn en iedereen gewoon vind. Maar toen was het nieuw!

      • RLMertens zegt:

        @JASomers; ‘ethische politiek etc.’- Wat is uiteindelijk het resultaat van die ‘morele’ politiek?(tot 1942!)- En op Nw.Guinea?

      • Jan A. Somers zegt:

        “uiteindelijk het resultaat” Een eenheidsstaat, zonder elkaar bevechtende vorsten, met goed opgeleide mensen die direct het hele staatsbestuur konden overnemen. Voor de burger goed merkbaar op het gemeentehuis. Tijdens de Japanse bezetting draaide het zonder Nederlanders als vanouds . Zo ook na 15 augustus 1945! En één hoofdstad! Het is dat na de bersiap in Soerabaja de ziekenhuizen geplunderd waren, maar dat waren toch voorbeelden van een goede gezondheidszorg voor alle burgers. Die wij in twee weken weer toegankelijk maakten, als vanouds. En mijn bezoek aan mijn school! Welkom geheten. Er waren net eindexamens , op het zelfde moment als in Nederland! Concordant!

      • R.L.Mertens zegt:

        @JASomers; ‘een eenheidsstaat etc. ‘- U bedoelt, de volledige bezetting van Indië, waarbij de inheemse bewoners tot 3e rang burgers werden ‘verheven’. Het klonk als een wrange grap maar het was bittere waarheid; om de inheemse bevolking te kunnen verheffen, moesten zij eerst worden onderworpen! De inheemsen kregen de beschaving opgelegd, zo nodig met karabijn en klewang. Min.Idenburg; ‘in bepaalde gevallen kon een koloniale oorlog dus een hoogste eis zijn van naastenliefde’!

  4. Robert zegt:

    There is nothing new, except what has been forgotten.

  5. ellen zegt:

    De toespraak tot de hoofden van de Lebak (Max Havelaar).

    • R.L.Mertens zegt:

      @JASomers; ‘de toespraak van Max Havelaar etc.’- Niets gehoord over de Postweg. U wel?

      • Jan A. Somers zegt:

        Maar wel waar de lonen bleven hangen. We hadden het toch over de heerendiensten? En de arbeiders van de Grote Postweg.

      • R.L.Mertens zegt:

        @JASomers; ‘waar de lonen bleven etc.’ – En wat deed onze overheid daaraan? Taak; De inlander moest toch beschermd worden.

  6. Robert zegt:

    Het Nederlandse gezag kan beter het Nederlandse bewind genoemd worden, waar veel winden werden gelaten. Als Sukarno, in zijn redevoeringen, zei:” Kami di kentoti orang Belanda..”

  7. R.L.Mertens zegt:

    @JASomers; ‘waar de lonen bleven etc.’ – En wat deed onze overheid daaraan? Taak; De inlander moest toch beschermd worden.

    • Jan A. Somers zegt:

      Voor het laatst: Daar was het ethisch beleid op gericht. Met succes. Maar u blijft hangen in de 19e eeuw. Waarin het ongedacht is dat de heer Soekarno kon studeren op de TH in Bandoeng. En Hatta en anderen in Leiden of Rotterdam.

      • e.m. zegt:

        Tja, meneer Somers … wat moet het toch makkelijk leven zijn als je niet wordt gehinderd door deskundigheid !

      • R.L.Mertens zegt:

        @JASomers; ‘hangen in 19e eeuw etc.’- In de 19e eeuw; Inheemse afgestudeerden;op één hand te tellen.
        In de 20e eeuw; tientallen!( incl. dokter Djawa) op een bevolking van 70 miljoen zielen
        ( zieligen)

      • Jan A. Somers zegt:

        Welk jaar in de 20e eeuw, en welke bron?

  8. ellen zegt:

    De invloed van de Max Havelaar op het bestuur van Nederlands-Indie.
    http://www.tongtong.nl/indische-school/contentdownloads/Okker_2010.pdf

  9. Peter van den Broek zegt:

    A) Hoeveel Nederlanders uit Nederlands-Indie hebben in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw in Nederland de middelbare school gevolgd en in Nederland gestudeerd, ze werden toch Katjangs genoemd? .Als ik naar de cijfers kijk dan moeten dat duizenden geweest zijn.

    B) Hoeveel Indonesiers hebben in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw in Nederland de middelbare school gevolgd en gestudeerd? Meer of minder dan 500? Dat was toch niet voor velen weggelegd.

    Zet ik dat af tegen de bevolking dwz (A) tegen de Europese en (B) tegen de Inheemse bevolking dan trek ik de conclusies wel in de juiste etnische verhoudingen.

    Dan krijgt de opmerking van de Heer Marawasin (E.M. voor ingewijden) wel een andere wending.

    • R Geenen zegt:

      Ik betwijfel of dat 1000den Indische Nederlanders waren.

      • Peter van den Broek zegt:

        Ik weet niet waar de twijfels van dhr Geenen op gebaseerd zijn, maar ik twijfel soms ook aan het bestaan van een Opperwezen.

        Ik kan mijn reactie beredeneren, kijk maar waar de Nederlanders geboren in Nederlands Indie en met hoge posities in Nederlands-Indie hun middelbare school of studie volgden, ik noem maar als voorbeeld Berenschot en deels van Mook, maar de lijst is verder uit te breiden. Mij viel dat tenminste wel op.
        Daarom is het toch knap dat een ingenieur uit de opleiding in Nederlands-Indie het tot President schopt? Maar of dat de bedoeling van de Ethische politiek geweest zou zijn, waag ik te betwijfelen.

        Ik kijk naar de leeftijdsopbouw van Nederlanders in Nederlands-Indie. Ik haal weliswaar cijfers van 1946 aan, maar bij de volkstelling in 1930 was het niet anders. Die cijfers moet ik ook ergens hebben.
        Het was een structureel verschijnsel , want met een schoolopleiding in Nederlands-Indie kwam je vooral als Indo-Europeaan toch niet ver op de maatschappelijke ladder of heb ik wat gemist?

        https://www.nidi.nl/shared/content/output/2003/bt-51-01-beets.pdf

        citaat: De groep Indische Nederlanders die als scholier of student de oorlog in Nederland doorbracht, was vrij omvangrijk. Dit hangt samen met het zeer specifieke leeftijdspatroon van de migratie tussen Indië en Nederland, dat momenteel nog onderwerp is van nader NIDI-onderzoek. De leden van deze groep worden in het vervolg aangeduid als Katjangs. Aan de hand van de uitgesproken ONREGELMATIGHEID in de leeftijdsverdeling van de Nederlanders in Indië (grafiek 1) kan het aantal Katjangs, ofwel Indische Nederlanders in Nederland, op 1 januari 1946 ruwweg worden geschat op circa 34 duizend personen, geconcentreerd in de leeftijdsgroep 15–30 jaar.

    • Jan A. Somers zegt:

      Studeren in Nederland was deftig. Zelfs nadat er voldoende middelbaar en hoger onderwijs was in Indië. Voor Indonesiërs was het middelbaar onderwijs al gauw dichtbij, die waren verstandig en gingen in Indië naar de HBS en Gymnasium. Maar voor het hoger onderwijs in Indië moesten ze nog even wachten. maar toen dat begon te draaien begonnen ze hun achterstand in te halen. Ik dacht dat de medische faculteit het eerst was, dat was ook het hardst nodig Alhoewel de blotevoetendokter nuttiger was. Dat waren er veel meer dan Nederlandse NIASsers. Indië had meer behoefte aan middelbaar gevormden dan academici.

    • Jan A. Somers zegt:

      Cijfers over de lagere school zijn in een tijdlijn niet goed vergelijkbaar gezien de verschillende typen onderwijs. Toch enkele getallen:
      Westers Lager Onderwijs
      !914/15 Europeanen 57,9 % Indonesiërs 34,5 %
      1938/39 28,0 % 55,0 %
      MULO, eerste klas
      1914/15 Europeanen 81,3 % Indonesiërs 10,3 %
      1938/39 31,7 % 50,6%
      Middelbaar Onderwijs
      1910/14 Europeanen 87,5 % Indonesiërs 7,1%
      1938/39 Europeanen 58,9 % Indonesiërs 26,2 %
      Hoger Onderwijs
      1924/25 Europeanen 100 % Indonesiërs —
      1938/39 Europeanen 24,7% Indonesiërs 49,4 %

      Bron: Commissie tot bestudeering van staatsrechtelijke hervormingen, 1940.
      “knap dat een ingenieur uit de opleiding in Nederlands-Indie het tot President schopt?” Bekijk eens de almanakken van de TH Bandoeng. (de vereniging Bandoengse ingenieurs is nu onderdeel van het KIVI). En uiteraard van het groeiende aantal universitaire faculteiten in Batavia. Van groter belang voor Indië waren uiteraard de vakscholen zoals ambachtsscholen, technische scholen, handelsscholen, landbouwscholen, geneeskundige scholen, zeevaartscholen en huishoudscholen. Ik vind nog steeds belangrijk dat in die tijd bijvoorbeeld de Doktor Djawa (voorloper van de Chinese blotevoetendokter) van groter belang was dan de academische medicus. Bij onze ambulante poliklinieken in 1946 heb ik met die mensen kennisgemaakt, prachtig bruikbare medici!
      Over koppensnellers gesproken: Terwijl in Nederland de missie/zending werd gepropageerd als verspreiding van het geloof, op Nieuw Guinea waren de paters druk bezig met scholen en ziekenhuizen. Dat geloof was van latere zorg.

    • e.m. zegt:

      @Peter van den Broek zegt: 4 juni 2019 om 8:14 pm Dan krijgt de opmerking van de Heer Marawasin (E.M. voor ingewijden) wel een andere wending.@

      — Zeer zeker! Laat evenwel onverlet één de grondslagen voor Etische Politiek . . .

      [“CITAAT” zeventiende hoofdstuk Max Havelaar]]
      Saïdjah’s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van Parang-Koedjang, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen lang. Want de tyd van ploegen was naby, en ’t was te vreezen, als men de sawah niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan, en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den lombong van het huis. /……….. /

      Toen nam Saïdjah’s vader een kris die poesaka was van zyn vader. De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen buffel kocht. /………./

      Saïdjah was negen jaar oud geworden, en Adinda reeds zes jaren, voor deze buffel aan Saïdjah’s vader werd afgenomen door het distriktshoofd van Parang-Koedjang.
      Saïdjah’s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee zilveren klamboe-haken, poesaka van de ouders zyner vrouw, voor achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.

      Maar Saïdjah was bedroefd. Want hy wist van Adinda’s broertjes, dat de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de klamboe-haken te verkoopen? Op welke vraag Saïdjah’s vader niet had willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking. /………./

      Toen deze buffel aan Saïdjah’s vader was afgenomen, en geslacht was, telde Saïdjah twaalf jaar, en Adinda weefde sarongs, en batikte die met puntige kapala. Ze had reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze teekende droefheid op haar weefsel, want ze had Saïdjah zeer treurig gezien. /………../

      Eenigen tyd daarna vluchtte Saïdjah’s vader uit het land. Want hy was zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en hy had geen poesaka meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn ouders altyd in Parang-Koedjang woonden, en hem dus weinig hadden nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde distrikt. Na ’t verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in ’t bezit van eigen buffels geweest is.
      [“EINDE citaat” zeventiende hoofdstuk Max Havelaar]

  10. Peter van drn Broek zegt:

    Die percentages zijn best handig, en onvergelijkbaar. Wat waren de absolute getallen ? Ik heb dat eens uitgezocht. Wilde Nederland lager onderwijs geven aan alle Inheemsen dan hadden ze gegeven de snelheid van invoering, het ethisch doel pas in het jaar 3030 bereikt. Als ze tenminste het geld ervoor overhadden, maar dat hadden ze in de dertiger jaren, de crisisjaren niet. Het geld werd wel doelmatig aan de versterking van het KNIL uitgegeven. Dat huzarenstukje heeft de Republiek wel uitgehaald, maar dat is voor de statistiek.

    Voor onderwijs aan Nederlanders in indie werd meer uitgegeven dan dat aan Inheemsen, let wel er waren meerdan 50 miljoen inlanders.

    • Jan A. Somers zegt:

      Ik snap niet dat u die data wilt gebruiken voor zaken waar ze niet voor bestemd zijn. De bedoeling van dit rapport was het vermelden van een stand van zaken in een bepaald jaar. Makkelijk bij het opstellen van de onderwijsbegroting voor het volgende jaar. En één kwalitatieve conclusie: de inhaalslag voor de Indonesiërs. Natuurlijk heb ik de ook gegeven aantallen niet overgetypt, dat kunt u zelf ook. Niet doen, wordt u niets wijzers van. Ik heb ook maar twee jaren uit de tabellen genomen, genoeg informatie. Het is geen studie, maar een verhaal! (zie de naamgeving van deze website!).
      Voor het vergelijken van onderwijsbehoeften (en gezondheidszorg) voor beide bevolkingsgroepen heeft u aan deze data alleen niets, daar hoef je geen antropoloog of socioloog of sociaal geograaf voor te wezen. Daarvoor verschillen beide bevolkingsgroepen teveel van elkaar. En financiële data zijn ook te gecompliceerd om er zomaar conclusies aan te verbinden. Voor initiatieven m.b.t. onderwijs en gezondheidszorg was/is de overheid zowel in Nederland als Indië geen initiatiefnemer. Wel faciliterend en aanvullend. Zo zat u op een christelijk lyceum, en ik op een RHBS, bij gebrek aan kerkelijk of particulier initiatief. En Soerabaja kende Katholiek, Protestant en gemeentelijk lager onderwijs, MULO en AMS, maar gemeentelijk HBS en gymnasium. En bij de koppensnellers op Nieuw-Guinea alleen katholiek (zuiden) en protestant (noorden) lager/beroeps onderwijs, met in Merauke en Hollandia overheids middelbaar onderwijs. Ga nu maar een compleet financieringssysteem construeren. Zie ook het hoger onderwijs in Nederland: VU, Radboud, Tilburg, Rotterdam (kerkelijk en particulier) naast de rijksuniversiteiten.
      Wees alleen maar blij dat de ethische politiek gezorgd heeft voor een goed draaiend Indonesisch bestuursapparaat. En een voldoende opgeleide bevolking. Met een goede gezondheidszorg.
      “dat hadden ze in de dertiger jaren, de crisisjaren niet.” Kijk maar even op de jaargangen 1934/35 en 1938/39. De progressie liep gewoon door. De salarissen werden gekort, het werk ging door. Mijn vader kreeg minder, maar het varen ging gewoon door. Het onderwijs van mijn broer, zus en mijzelf viel in die magere jaren, maar we zijn niets tekort gekomen.

      • R Geenen zegt:

        @@Wees alleen maar blij dat de ethische politiek gezorgd heeft voor een goed draaiend Indonesisch bestuursapparaat. En een voldoende opgeleide bevolking. Met een goede gezondheidszorg.@@

        Echt waar?

      • Jan A. Somers zegt:

        Niets is ideaal. Maar we mogen tevreden zijn

  11. Peter van den Broek zegt:

    L.J.Brugmans, toch niet onbekend met het Indisch onderwijs schrijft in “Onderwijspolitiek” in de bundel “Balans van het Beleid” (1984) het volgende:

    -In 1930: “het resultaat van 350 jaar Nederlands bewind 93% van de (Indische) bevolking= 41,7 miljoen tot de analfabeten moet worden gerekend”
    Het is het resultaat van een lange historische (onder)ontwikkeling.

    -“bij het uitbreken van WO2 ruim 40% van de kinderen van 6 tot 8 jaar onderwijs ontving”
    Dat inhoudt dat 60% geen onderwijs genoot.

    De Indonesiers zaten zelf niet stil. In 1907 werd begonnen met de oprichting van desascholen, geexplioteerd door de dorpsgemeenschap. De onderwijzers waren geen landsdienaren, maar desa-beambten uit de desakas bezoldigd. Het Gouvernement zou slechts zorgen voor de leermiddelen voor deze “inlandse” scholen.

    Maar hoe was de kwaliteit van het onderwijs?
    Het begon al met Nederlandse lagere school met de zonderlinge naam Europese lagere school maar wie van de Indonsiers had daar toegang toe? De Indonesiers waren in vergelijking tot het aantal Nederlandse leerlingen toch een heel kleine minderheid?
    Er was ook zoiets als Hollandse Inlandse School, maar dat was toch eigenlijk geinstitutionaliseerde Apartheid? Slechts 40% van de leerlingen behaalden het einddiploma. het verloop was te wijden aan het te hoge schoolgeld.

    Het onderwijs was in de Nederlandse taal en door de Nederlanders in hun superioriteitsdenken te zeer en te lang als een voorrecht van een gepriviligeerde groep beschouwd. Altevaak heeft de Nederlander de Indonesier die hem in het Nederlands aansprak, op zijn plaats menen te moeten zetten door in het Maleis te antwoorden. Dit gebeurde zelfs nog in de tijd dat in de Volksraad alle leden op één na zich van de nederlands taal bediende.
    Nederlands was de voertaal, vervolgonderwijs met een inheemse taal bestond nog niet. Eerst in 1937!!!! werd een inheemse MULO opgericht….

    Ook het Inheems verloop in het voortgezetonderwijs was groot. Van de 100 leerlingen van het lager onderwijs gingen er 2 door naar het hoger onderwijs. Voor de rekenaars 2%.

    De Indonesiers verlangden weliswaar uitbreiding van het onderwijssysteem, zij zagen de emanciperende werking best in, maar de economische depressie van 1930 verhinderde deze uitbreiding, laat staan dat de Nederlanders mee wilden werken aan het ontstaan van een intellectuelenproletariaat. Hadden ze dat maar gedaan, dan was Soekarno een werkloze ingenieur geworden.

    Er was weliswaar een schuchter begin gemaaklt aan universitair onderwijs: 1920 Technische Hogeschool, 1924 Rechtshogewschool, 1927 geneeskundige hogeschool, 1940 faculteit der letteren, maar er waren toch teveel lacunes. waar was deUniversiteit van Indie, een Academie voor Beeldende Kunst of een conservatorium voor Muzie.? Cultureel bleef het onder de maat .Nederland was teveel koopman en dominee.

    • Jan A. Somers zegt:

      How to Lie with Statistics: In 1930 was het aantal alphabeten onder de Indonesiërs 20 maal dat der Europeanen. En spraken er meer Indonesiërs Nederlands dan Europeanen. Ik houd me maar aan de opgaande lijn. Met de koloniën Limburg, Noord-brabant en Zeeuws-Vlaanderen liep dat parallel.
      U noemt uiteraard het universitair onderwijs, het paradepaardje. Maar het middelbaar/beroepsonderwijs was veel belangrijker. De inheemse ‘1e klas’ lagere school, bedoeld voor gegoede Inlandse burgers, werd Nederlandstalig en in 1914 omgezet in de Hollandsch-Inlandsche School (HIS), en de Hollandsch-Chineesche School. Samen met de Europese lagere scholen boden deze inheemse scholen nu onbeperkt en ongescheiden toegang tot het Europees middelbaar onderwijs (MULO, AMS, HBS, Lyceum, Gymnasium) en vervolgens tot het Europees universitair onderwijs. Naast de genoemde opleidingen ontstond ook een heel scala aan scholen voor beroepsonderwijs, zoals ambachtsscholen, technische scholen, handelsscholen, landbouwscholen, geneeskundige scholen, zeevaartscholen en huishoudscholen, zowel voor de inheemse als Europese bevolkingsgroepen, en deels gemengd. Zo heb ik het in Nederland altijd vreemd gevonden dat hier voor de medische gezondheidszorg er geen onderwijs(boom) was zoals voor de techniek, en in Indië wel. Waarmee de gezondheidszorg een stuk soepeler en goedkoper zou uitvallen. Bij een tentamen staalconstructies BO begon ik op een vraag heel knap met rekenen. Maar onderbroken door de professor: Zoiets moet u overlaten aan de HTSser, die zijn daar veel beter in. Ik wilde alleen maar van u weten …..

  12. Peter van den Broek zegt:

    Als in 1930 het aantal analphabeten onder de Indonesiërs 20 maal dat der Europeanen en het aantal analfabeten onder indonesiers 41,7 miljoen was (L.J. Brugmans), dan waren er 2,085 miljoen Europeanen analfabeet in Nederlands-Indie!
    Dat lijkt me niet plausibel.

    In Nederland was toendertijd het analfabetisme 17%. Dat zal voor Ned.Indie toch niet veel hoger zijn geweest. Europeanen in Nederlands-Indie waren rastechnisch toch niet dommer dan Nederlanders?, alhoewel sociaal-Darwinisten dat anders interpeteren.
    Gegeven het aantal Europeanen 240.417 (Volkstelling 1930 ) en bij een analfebetisme van 17% kom ik 40.871 Europese analfebeten. Vergelijk ik dat met de inlandse analfebetenvan 41,7 miljoen , dan is het wel een factor 1000.

    Maar het betere rekenwerk kan ik veel beter aan HTSers overlaten.

    • Jan A. Somers zegt:

      En zelf een beetje leren lezen: Misschien met de beroemde Delftse methode?” In 1930 was het aantal alphabeten onder de Indonesiërs 20 maal dat der Europeanen.”

      • Peter van den Broek zegt:

        Daar heeft dhr Somers gelijk in, ik las het te snel , maar klopt zijn redering?

        In 1930 werden er in Nederlands Indie 60.727.233 personen geteld, waarvan 240.417 Europeanen. Van de 60,5 miljoen Inlanders waren er plusminus 18,8 miljoen alfabeet. Dat resulteert in een Europese bevolking van alfabeten van 940.000 . Volgens de Volkstelling van 1930 waren er maar 240.417 Europeanen, de analfabeten meegerekend.

        Hoe ik ook lees en reken maar verhoudingen kloppen gewoon niet. Dat is ook het gevaar van het gebruik van percentages. HTSers kunnen misschien wel rekeningen, maar Financial Controllers maken van rekenen hun beroep, ze toetsen de cijfers op hun duidelijkheid en nauwkeurigheid. Het gebruik van percentages voldoet niet aan deze criteria.

        Datzelfde geldt voor historici, die toetsen ook de verhalen. Dat kunnen we niet aan HTSers overlaten.

      • Jan A. Somers zegt:

        “maar klopt zijn redering?” Teveel eer hoor. Is niet mijn redenering. Gewoon overgetypt uit Verslag van de Commissie tot bestudeering van Staatsrechtelijke hervormingen. Ingesteld bij Gouvernementsbesluit van 14 september 1940, No. 1x/KAB. En van HTSsers heb ik altijd veel plezier gehad.

  13. Robert zegt:

    Allemaal mooie getallen gebaseerd op an exercise of futilities. There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics. Statistics are like alienists-they will testify for either side. Many so-called learned men use statistics as a drunken man uses lamp posts-for support rather than illumination.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s