Coen heiligde de middelen

Door Roelof van Gelder

JPCoen_Van GoorIn Engeland, Frankrijk, Spanje of Portugal zou Jan Pieterszoon Coen onderwerp zijn geweest voor tientallen biografieën en deelstudies. In Nederland heeft hij weliswaar een standbeeld gekregen en een hoofdstuk in Erflaters van onze beschaving van Jan en Annie Romein, en werden zijn brieven uitgegeven, maar slechts tweemaal kreeg hij een serieuze levensbeschrijving. De eerste, van H.T. Colenbrander, dateert van 1934. De tweede verscheen deze week, een uiterst gedetailleerde studie van de historicus Jur van Goor, een groot kenner van de VOC-geschiedenis, en voormalig universitair hoofddocent in Utrecht.

Van Goor is in zijn jarenlange onderzoek tot een afgewogen biografie gekomen. Hij deed daarvoor niet alleen onderzoek in Nederlandse archieven, maar ook in Spanje, Portugal en Italië. Hierdoor kon hij Coen beter dan zijn voorganger in perspectief plaatsen en hem neerzetten als een ontwikkelde Hollandse koopman die met vele volmachten in een ver werelddeel moest opereren in een gecompliceerd, internationaal krachtenveld. Zowel de commerciële als de militaire aspecten van zijn optreden komen aan bod en vooral: de politieke kanten. Dat levert een in een nuchtere stijl geschreven, genuanceerd beeld op van een man die we als de grondlegger van het VOC-imperium kunnen beschouwen. Iemand die, als hij in een van de Europese monarchieën was geboren, zonder twijfel tot onderkoning van Indië zou zijn benoemd. 

Over Coens vroegste jaren is in archieven vrijwel niets te vinden. Toch besteedt Van Goor in zijn chronologisch opgezette boek veel aandacht aan die vormende jaren. Dat doet hij door zoveel mogelijk de context te beschrijven waarin Coen opgroeide. Daardoor ontstaat het beeld van een zoon van een Hoornse koopman-reder die al vroeg moet zijn opgevallen door zijn scherpzinnigheid en daadkracht. Als dertienjarige knaap wordt hij als leerling-koopman in de leer gedaan in Rome, bij de uit de zuidelijke Nederlanden stammende firma Visscher. Hij bleef daar zes of zeven jaar. Van Goor hecht veel waarde aan die periode. Niet alleen omdat Coen hier zo’n grondige opleiding in handel en in boekhouden kreeg, maar ook omdat hij hier een zekere intellectuele vorming moet hebben opgedaan. Van Goor wijst herhaaldelijk op de filosofie van Machiavelli, wiens principes Coen consequent in de praktijk zou brengen. Minstens zo belangrijk was dat hij in Rome ‘manieren’ leerde. Ook dat gaf hem een voorsprong op de Hollandse wijze van onderhandelen met zowel landgenoten als met handelspartners.

Na zijn terugkeer in 1607 kreeg Coen een betrekking als onderkoopman bij de VOC. Twee jaar lang reisde hij in de Indonesische archipel waardoor hij zicht kreeg op de gecompliceerde verhoudingen tussen de verschillende Aziatische machten, de positie van de Portugezen en Spanjaarden, en in de ongekende commerciële mogelijkheden voor de jonge compagnie.

Voortvarend

Coens opmerkelijke talenten vielen op, en bij een tweede verblijf in Azië kreeg hij dan ook een hogere rang. Hij werd hoofd van de Nederlandse factorij op Bantam, een van de grote Aziatische handelsknooppunten. Hoewel in deze jaren de hoogste VOC-dienaar, de gouverneur-generaal, veel oostelijker op Banda resideerde, was Coen de feitelijke spin in het VOC-web. Hij zag al snel in dat, wilde er iets groots worden verricht, voortvarendheid geboden was. De jonge Compagnie kreeg immers te maken met verscheidene vijanden (Spanjaarden , Portugezen en de Engelsen) en commerciële concurrenten. Aziatische vorsten vormden de andere vijand. Die stelden zich, begrijpelijk, te weer tegen de Europese indringers en hadden maar één doel voor ogen: hun specerijen verkopen aan de hoogst biedende. Behalve met deze externe vijanden kwam Coen ook talloze malen in conflict met andere hoge VOC-heren.

Standbeeld J.P. Coen voor Westfries Museum, Hoorn

Standbeeld J.P. Coen voor Westfries Museum, Hoorn

In 1614 formuleerde Coen, met het Portugese voorbeeld van een overzees imperium voor ogen, met alle actuele kennis voorhanden en met stellige politieke ideeën over staatsraison, een visionair bedrijfsplan. Dit zogeheten Discoers zond hij naar zijn opdrachtgevers in Nederland, de Heren XVII. Het Discoers is een blauwdruk, een totaalplan voor wat het VOC-imperium uiteindelijk ook geworden is, een handelscompagnie met staatkundige bevoegdheden en een sterke militaire macht. Dat alles schreef Coen in een periode dat de organisatie van de VOC nog maar op wankele benen stond en ideeën over doel en middelen nog lang niet waren uitgekristalliseerd. Het Nederlandse imperium kon volgens Coen alleen succesvol zijn wanneer militaire macht garant stond voor veiligheid. Krijg en commercie waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. De handel moest zelf de middelen van de oorlog bekostigen. Voor hem stond vast, zoals hij in een van zijn brieven schreef, ‘dat den handel sonder d’oorloge, noch d’oorloge sonder den handel nyet gemainteneert connen werden’. Die macht en de faam van de Compagnie moest ook wijd en zijd bekend en gerespecteerd worden. Dat alles kon alleen wanneer er voldoende geld voor de handel en voor de gages uit het vaderland kwam, en genoeg manschappen, schepen, wapens en munitie. In de vele missiven naar zijn opdrachtgevers thuis, een belangrijke bron voor deze biografie, smeekt hij dan ook voortdurend om meer geld, manschappen en schepen.

Vanuit de in het Discoers vastgelegde principes volgt Van Goor Coens daden: de afrekening met de Engelse concurrenten, de aanvallen op Spanjaarden en Portugezen, en, in 1619, de stichting van Batavia, de rendez-vous haven, tevens centraal bestuurscentrum van de Compagnie in Azië.

Ten slotte is er de meest omstreden actie van Coen, die dan inmiddels gouverneur-generaal is, de ontvolking van Banda, de verwoesting van nootmuskaatbomen en de concentratie van de nootmuskaatteelt op één eiland. In hedendaagse termen: executies, etnische zuiveringen, deportatie en extirpatie.

Bij deze kwestie aangeland, heeft Van Goor voldoende bladzijden geschreven om Coens beweegredenen en methodes duidelijk te maken. Diens enige oogmerk in de kwestie Banda was de verwerving van een monopoliepositie op de inkoop van nootmuskaat. De bewoners van Banda en van andere specerij-eilanden daarentegen wilden, zoals ze dat al eeuwen gewend waren, verkopen aan de hoogst biedende. Er kwamen contracten, maar de Bandanezen waren daar niet tevreden over, probeerden eraan te ontkomen of interpreteerden dat op hun manier. Coen zag dat als contractbreuk en verraad en onverbiddelijk optreden was voor hem de logische consequentie. Immers, zo redeneerde hij, volgens het natuurrecht, moeten overeenkomsten worden nagekomen: pacta sunt servanda. Alsof de sultans, de pangerans en de orang kaja’s allen Hugo de Groot op hun nachtkastje hadden liggen.

Kwaadschiks

Dat is een verschrikkelijke periode in de Nederlandse geschiedenis en Van Goor legt de achtergronden, gebeurtenissen en uitwerking uitvoerig vast. Hij velt geen moreel oordeel – daar gaat het hem niet om – maar zonneklaar is dat Coen verantwoordelijk was voor deze acties. Hij trok de consequenties van zijn uitgangspunten: de voor de VOC meest profijtelijke handel organiseren, liefst met diplomatieke overreding, via contracten, met machtsmiddelen achter de hand. En als het goedschiks niet ging dan kwaadschiks.

Van Goors biografie is geen revisie terug naar de verheerlijkende jaren dertig én geen anachronistisch requisitoir zoals vooringenomen betweters het presenteren. Deze biografie is een knap, qua feiten gecondenseerd boek, dat soms het karakter heeft van een bedrijfsgeschiedenis.

Hoe enerverend, conflictueus en gevaarlijk Coens leven ook is geweest, Van Goor is niet de schrijver bij wiens boeken de nootmuskaatlucht en kruitdampen je tegemoet waaien en waar het krijgsgeschreeuw en het laaiende ruzies in de VOC-vergaderzaal in de oren resoneren. Zijn kracht ligt in de minutieuze analyse van de bronnen, in de beschrijving van de vele dilemma’s waar Coen zich voor gesteld zag, in de reconstructie van diens wikken en wegen. Zo heeft hij het beeld opgetrokken, niet van een bloeddorstige houwdegen, maar van een hyperintelligente manager, van een workaholic, van een bedachtzame, diplomatieke bestuurder en van een diepgelovige man, streng en wars van pracht en praal. Herhaaldelijk spreekt hij zijn bewondering voor Coen uit als een trefzekere brievenschrijver, als een groot stilist.

Coens persoonlijke leven blijft goeddeels verborgen. Dat ligt niet alleen aan de vier eeuwen afstand, maar ook aan het gebrek aan bronnen. In de honderden brieven die van hem bewaard zijn gebleven schemert vrijwel niets persoonlijks door.

Je vraagt je af waarom hij deze carrière wilde. Ging het om geld, eer, roem? Natuurlijk, hij verdiende goed, maar hij valt niet te betrappen op privéhandel of op enorme bonussen. Het moet iets te maken hebben gehad met een behoefte aan eer en faam. Wat zou er met hem gebeurd zijn als hij niet in 1629 op 42-jarige leeftijd was overleden? Ik vermoed dat hij buiten Batavia een groot paleis als residentie zou hebben laten bouwen, chic maar sober ingericht, vol exotische vorstelijke geschenken. Daar zou hij op latere leeftijd zijn memoires zijn gaan schrijven. Ongetwijfeld zouden die een bestseller zijn geworden.

x

Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad, 30 mei 2015

Jur van Goor, Jan Pieterszoon Coen 1587-1629, Koopman-koning in Azië.
Uitgeverij Boom. ISBN: 9789461050366. 400 blz. Prijs: € 39,90

 

 

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

24 reacties op Coen heiligde de middelen

  1. hansvschaik zegt:

    Deze boekbeschrijving kan mogelijk aanleiding geven tot verheerlijking van JP Coen.

  2. Indisch4ever zegt:

    Een bedachtzame, diplomatieke bestuurder?
    Wat vonden de Bandanezen en de oorspronkelijke Jajakartanen daarvan ?

    • Jan A. Somers zegt:

      In een bestuursgebied over de halve wereld gaat er in die vele jaren altijd wel iets mis. Zoals op Lontor. Ook dat is goed beschreven (in het verleden al).
      De Engelsen hadden al eerder dan de VOC een vestiging in Jacatra. Hun mening over die desa: “Smeerig en slecht onderhouden waren de wegen en gangen, welke in alle rigtingen tusschen deze ellendige woningen zich kronkelden. Alles teekende armoede.” En die oorspronkelijke Jajakartanen waren met het Bantamse leger mee gevlucht, maar kwamen na de ‘verovering’ door JPC al snel weer terug. Er was werk aan de winkel. Zij werden onze voorouders. En de pangeran van Bantam, de eigenlijke baas van Jacatra, “sprack seer schoon, zeyde niet anders dan vrede ende vrientschap met ons te begeeren.” Bantam hoopte op hulp van JPC tegen de eeuwige rivaal Mataram. En de huidige Indonesiërs hebben er een prachtige hoofdstad aan overgehouden. Sorry voor dit cynisme. Maar we mogen Jurrien Van Goor dankbaar zijn voor deze evenwichtige biografie. Een heel gedetailleerd stuk geschiedenis. Kennen wij onze geschiedenis eigenlijk wel? Wie heeft overigens van dezelfde schrijver het heel goede boek gelezen: De Nederlandse Koloniën, Geschiedenis van de Nederlandse expansie, 1600-1975? Na de derde druk al gauw in de ramsj. Kennen wij onze geschiedenis eigenlijk wel?

    • Surya Atmadja zegt:

      Indisch4ever zegt:
      15 juni 2015 om 11:49 pm
      Een bedachtzame, diplomatieke bestuurder?
      Wat vonden de Bandanezen en de oorspronkelijke Jajakartanen daarvan ?
      ============================================================
      De weggevoerde Bandanezen (ongeveer 600 )werden later ingezet door de VOC , en ze werden gehuisvest in Kampung Banda.
      Hoe ze over JPC dachten is duidelijk, familie, bezittingen weg , en ze werden als overwonnen volk gedwongen naar de Moerassengebied Batavia te verhuizen.

      De oorspronkelijke Jayakartanen , de Sundanezen ( incl Bantammers ) , Orang Melayu=woonden in Kampung Melayu vonden dat JPC iemand die zijn woord vaak verbrak ( Tukang Bohong) .
      Interessant om Nederlandse bronnen te lezen.
      De Javanen waren toen nog niet duidelijk aanwezig , de eerste lichting Javanen waren expeditie leger van Sultan Agung van Mataram .

      • Jan A. Somers zegt:

        “(ongeveer 600 )” 287 mannen, 256 vrouwen, 246 kinderen.
        “oorspronkelijke Jayakartanen ” Die waren met de zich terugtrekkende Bantammers meegegaan. En teruggekomen na de verovering van Jakatra. Hierover is er nog een mythisch verhaal. Volgens de verhalen waren alle inwoners naar Bantam vertrokken. Maar omdat Jakatra via conquest was ingenomen diende er wel strijd te zijn geleverd. Het laatste verhaal maakt dan ook melding van één achter gebleven inwoner. En later kwam her verzoek van Bantam om hulp tegen Mataram. Dat was de basis voor de verdere politiek op Java: Bantam mocht niet te klein worden, Mataram niet te groot. En nog veel later (7 november 1676), onder GG Maetsuycker, een verzoek van zowel Soesoehoenan Amangkoerat I als Prins Taroeno Djojo in hun strijd om de macht.

      • Surya Atmadja zegt:

        Surya Atmadja zegt:
        6 juli 2015 om 1:26 pm
        De oorspronkelijke Jayakartanen , de Sundanezen ( incl Bantammers ) , Orang Melayu=woonden in Kampung Melayu vonden dat JPC iemand die zijn woord vaak verbrak ( Tukang Bohong) .
        ========================================================
        Tukang Bohong:
        zie de omong kosong verhaal van SiGeblek in Indisch4Ever .
        http://indisch4ever.nu/2011/02/26/beeld-moet-weg/
        26 februari 2011 om 17:35 en 27 februari 2011 om 10:14 en verder

        OF : http://indisch4ever.nu/2007/11/16/lode_simons-2/
        sigeblek zegt: 19 november 2007 om 16:29

  3. Wanneer dit boek ook in het Engles te verkrijgen is , zullen veel Indonesiers dit willen lezen en wellicht in the USA .

  4. De geschiedenis boeit mij , maar ik heb twee vragen. Is dit een boek voor algemene consumptie of zuiver gericht op geschiedkundige experts– droog & uiterst gedetailleerd.? Het is moeiljk te beoordelen uit de bovenstaande, beknopte beschrijving. De tweede vraag valt ietwat makkelijker te beantwoorden: Wat voor man was Coen? Het is jammer dat er zo weinig bekend is over zijn prive leven. Wij moeten aannemenen dat hij een man van zijn tijd was en dat zijn opinies over handel met vreemde volken alleen maar beoordeeld kunnen worden van een dergelijk standpunt. Jammer.
    Als Coen in de twintigste eeuw geleefd had, had hij zeer zeker niet een Nobel prijs verdiend, maar dat geld voor vele “groote mannen (en vrouwen )” uit het verleden.
    Het ligt voor de hand dat een Engelse vertaling in Indonesie gretig gelezen zou worden. Het is nu eenmaal zeer populair om al het kwaad van heden aan de voeten te leggen van voor ouders, en vooral aan indringers van buiten.

    Hier in Canada, waar ik woon , wordt dit dagelijks besproken in de kranten. De indaanse bevolking leeft in zekere zin nog steeds met een stenen tijd perks mentaliteit dat het uiterst moeilijk vindt zich aan te passen aan een Westerse beschaving. Waartoe dient onderwijs? Dit is weliswaar een extreme situatie van aanpassings problemen

    Het is jammer genoeg onmogelijk te klok terug te zetten en mijn inziens is het nuttiger een betere toekomst te zoeken dan de euvels van het verleden herhaaldelijk weer naar boven zeulen. Een begrip voor het verleden is daarentegen 100% beter dan verzwijgen en vergeten. De toekomstige reacties op dit boek zullen hoogst interessant zijn.

    Het boek lijkt mij in iedergeval zo belangrijk dat het zonder vertaling ook wel veel aandacht zal krijgen. Modern Indonesie heeft veel te danken aan Coen.

  5. Ælle zegt:

    Een interessante VOCsite met gegevens van opvarenden (toets familienaam in) die eeuwen geleden naar warme landen zijn gevaren. Van onze families gingen er zeven mannen. De meesten gingen niet veel later dood. Twee kwamen terug en een bleef achter en van de ander is niets bekend.
    http://vocopvarenden.nationaalarchief.nl/default.aspx

  6. Jan A. Somers zegt:

    Ik wist niet dat ze al waren begonnen met de uitgave. Ik heb ze bezig gezien met de digitalisering van de monsterrollen in de Sociale Werkplaats in Delft, tegenover ons vorige huis. Ik dacht dat ze toen bezig waren met de Kamer Middelburg. Stuk voor stuk namen en bijzonderheden uittypen. Na een cursus oude handschriften lezen. De genoemde uitgave betreft zo’n 655.000 personen in de periode 1700-1794. Nog veel werk aan de winkel!

  7. Surya Atmadja zegt:

    “Immers, zo redeneerde hij(Coen), volgens het natuurrecht, moeten overeenkomsten worden nagekomen: pacta sunt servanda. Alsof de sultans, de pangerans en de orang kaja’s allen Hugo de Groot op hun nachtkastje hadden liggen.”
    ====================================================================
    Ze kennen geen Hugo de Groot , maar wel hun eigen adat en eer .

    Er is een oud Indonesische gezegde:
    Tidak menjilat ludah kembali ( dewoordelijke tekst weet ik niet meer), betekent ongeveer je gaat je eigen spuug niet terug likken.
    Iets wat je zegt trekt je niet terug.

    En over de Belanda’s kennen we ook de gezegde :
    Seperti Belanda minta tanah.
    Lijkt op Belanda die grond (voor een factorij) wilde hebben.
    Eerst was het een stuk grod voor hun lodji , daarna versterk(illegaal,tegen de overeenkomst) , en later werd het een vesting ( Kasteel Batavia).

    • Jan A. Somers zegt:

      Natuurrecht is geen uitvinding van Hugo de Groot. Natuurrecht wordt gezien als de waarden die elk mens waar en wanneer ook koestert. En is ook de basis van het adatrecht. Ongeschreven recht. En in Indonesië weten ze bijvoorbeeld ook drommels goed dat afspraken moeten worden nagekomen. Daar hoef je het Romeins recht met pacta sunt servanda helemaal niet voor te kennen, het spreekt vanzelf. Daar hoef je Hugo de Groot niet voor te kennen. Hugo de Groot zag de waarde van dit ongeschreven recht voor de ontwikkeling van het volkenrecht. Hij heeft wel de bestaande kennis over het natuurrecht ingebracht bij de eerste ontwikkelingen van het moderne volkenrecht. Dat waren zaken waar we het toch al over eens waren. Zelf heb ik als bijvak Germaans recht gedaan, vond ik leuker dan Romeins recht. Juist omdat het ongeschreven recht was waarmee ook recht werd gesproken. Onder de oude eik! Met allerlei gebaren en rituelen die beter begrijpbaar waren dan knappe juridische termen.

      • RLMertens zegt:

        @Somers; ‘Natuurrecht etc…..afspraken moeten worden nagekomen etc…’
        Coen’s afspraken waren wurgcontracten om de verkoop van notenmuskaat etc. Contracten voor de inlanders; met uitgeknepen prijzen, met verkoop verbod aan derden etc. Zo ging het in de hele archipel; gewapende handel. Met bestraffingen tot aan totale uitroeiing van de bevolking. In het geval Banda, sprak men zelfs bij de VOC leiding te Holland hun afkeuring uit.
        U denkt toch niet dat Nederlands Indië is gevormd door edele VOC motieven/ afspraken/contracten met die Inlanders/hoofden/sultans/radja’s; verdeel en heers. Sprak ene minister niet onlangs over die VOC mentaliteit? ‘Natuurrecht wordt gezien als de waarde die elk mens waar en wanneer ook koestert’. Nou die Nederlandse mens koesterde zijn eigen waarde. Ook daar in de Oost. Niet luisteren…dan maar voelen! Waarom verbloemen?

      • Jan A. Somers zegt:

        Zo sprak de heer Mertens. Rest mij een eerbiedig zwijgen.

  8. Herman Keppy zegt:

    Ha heren Mertens en Somers, heb al een tijd de Post niet bekeken, maar ben blij u beiden hier weer aan te treffen, hopelijk in goede gezondheid. Ik lees toevallig een Engels boek over de specerijentochten: Nathaniels Nutmeg. Daarin wordt diep in eigen Britse boezem getast. Ook de Spanjaarden en Portugezen passeren de revu, maar de Hollanders en Coen spannen de kroon waar het gaat om onbeschoftheid en wreedheden. Altijd verfrissend om de buitenlandse literatuur op zoiets na te slaan.

    • Jan A. Somers zegt:

      Altijd leuk om van de andere kant het kantelen van meningen te zien. Michiel de Ruyter is onze zeeheld, en Jean Bart de grote Franse zeerover. In de Franse geschiedenisboekjes is het precies andersom. Ik denk dat onze voorouders, van welke nationaliteit dan ook, af en toe tamelijk ruig te keer gingen. Van Vollenhoven schreef over het wordend Europese volkenrecht (15e eeuw?): een recht voor zelfstandige, onafhankelijke, misschien vechtgrage, maar zeker vrij tuchteloze knapen, die zich eigen baas voelen. Zou je over de vroegere Inlandse vorsten ook niet zo iets kunnen schrijven?

    • RLMertens zegt:

      @HKeppy. Zijn er ook Indonesische auteurs/historici die over Coen (vHeutz) hebben geschreven? Opvallend; bij een bezoek aan Singapore zag ik de beeltenis van Raffles in volle glorie.
      In Jakarta; geen JPCoen en vHeutz. In Amsterdam is het vHeutz monument gewijzigd in Nederland-Indië monument(zonder het borstbeeld van vHeutz=indertijd in de gracht gesmeten/onvindbaar) Kwaad geweten? JPCoen beeld staat nog in Hoorn. Wel met een aanvullende(?)/ gewijzigde onderschrift.
      Echter; Beiden hebben voor Nederland nogal wat/voordeel betekent. Dat gaat/ging uiteraard ten koste van die anderen. Cruyf zou zeggen; elk nadeel heeft ook zijn voordeel. Dat voordeel; daar gaat het toch om? En het klopt(te)!.

      • Surya Atmadja zegt:

        @ Ron.
        http://www.transsurabaya.com/2013/06/peluncuran-dan-diskusi-buku-climates-of-meaning-monuments-of-coen-daendels-and-van-heutsz/

        http://hum.leiden.edu/history/cosmopolis/alumni/johny-a-khusyairi.html
        Over Daendels :De Toean Besar Guntur zijn er veel artikelen geschreven.
        Berucht van de dodenweg .
        In Indonesia, there still exists a statue of his shown to be in interaction with a Sundanese prince.
        (Eigenlijk in de hoedanigheid als de Regent van Sumedang= Bekend als Pangeran Kornel )

        * Bijna elke artikel of boeken die over Perang Aceh gaat, komt je de naam van Van Heutz tegen.
        * Geldt ook over de verhalen (al dan niet aangedikt ) over de expeditie leger van Sultan Agung van Mataram(II) die Batavia belegerde, of de moeizame relatie met Bantam .
        Het verbaasd me ook dat er weinig boeken waren geschreven (?)waar de persoon JPC,VH of Daendels de hoofdrol spelen.

        http://rolshop.co/news/detailbuku/RBN444213

      • Jan A. Somers zegt:

        “Het verbaasd me ook dat er weinig boeken waren geschreven (?)waar de persoon JPC” Over JPC bestaat o.a. H.T.Colenbrander (red.), Jan Pietersz. Coen, Bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië. Uitgegeven door het KITLV, 1919-1953. Zeven(!) delen. Ligt in de KB gewoon in de boekenkast van de grote leeszaal. Gelukkig is dat een stofarme omgeving.
        Jammer genoeg wordt in deze verhalen over Atjeh praktisch geen aandacht besteed aan Snouck Hurgronje. Hij was het die vaststelde dat de contacten met de sultan niet werkten. Het was slechts een ceremoniële positie. Je moest bij de religieuze leiders zijn, en dat werkte wel.

  9. Herman Keppy zegt:

    Geen idee of er iets wezenlijks over Coen en Van Heutsz is geschreven door Indonesiërs. Cruyff hangt trouwens wel bij mij aan de muur.

  10. Surya Atmadja zegt:

    Jan A. Somers zegt:
    9 juli 2015 om 12:06 pm
    Jammer genoeg wordt in deze verhalen over Atjeh praktisch geen aandacht besteed aan Snouck Hurgronje
    =====================================
    Het gaat of Indonesiers iets hadden geschreven over Coen(de stedenbouwer of de slachter van Banda ) , Van Heutz ( Pacificator van Achin), Daendels : De Toean Besar Guntur.

    Over Snouck Hurgronje werd veel geschreven m.b.t de Aceh Oorlog(en).
    Hij is de “serigala dalam pakaian domba” (de grote boze wolf in schaapskleren) , de NEP Moslim a.k.a Hadji Abdoel Gaffur , met zijn 2 Sundanese moslim vrouwen en ik dacht 4 kinderen .

    • Jan A. Somers zegt:

      Ik was hier per ongeluk off topic, en sluit dus af. Meer lezen over Snouck Hurgronje! Zijn privéleven interesseert me eigenlijk niet, waar het mij om ging is dat na de opvolging van zijn adviezen het in Atjeh ineens rustiger werd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s