De man die verdween

Dit is één van die verhalen welke men soms hoort in een of andere Sumatraanse strandkampong. Vóór de kust liggen daar, schijnbaar dichtbij maar met een vissersprauw toch wel op enkele uren varen afstand, vele eilanden. Drijvende boeketten van groen, met rondom een smal strandje van geel zand waarop de blauwe zee in witte rollers breekt. Sommige van die eilanden zijn geheel onbewoond, op sommige vindt men een kleine visserskampong en op weer andere slechts een vuurtoren.

Vuurtoren op één van de Duizend Eilanden, N. van Batavia

Vuurtoren op één van de Duizend Eilanden, N. van Batavia

De vijf eilanden, waar ik nu aan denk, die daar als op geometrische-zuivere afstanden van elkaar en van de Sumatraanse kust lagen, waren onbewoond. Alleen op het meest Zuidelijke stond recht en zeer wit te midden van het groen der palmen, en boven het blauw der zee, de vuurtoren. Op dat eiland leefde ook de vuurtorenwachter. Meestal was zo’n vuurtorenwachter een Javaan of Madoerees die daar met zijn vrouw of gezin een jaar lang het licht bediende, om daarna met de paar honderd gulden die de ‘kompenie’ hem voor zijn arbeid uitbetaalde, als man in bonus naar het eigen land terug te keren. 

Gezicht op de eilanden voor de kust van West-Sumatra

Gezicht op de eilanden voor de kust van West-Sumatra

Zo’n vuurtorenwachter heeft een eenzaam leven. Hij kan er wat vissen of klappers plukken en deze tot copra drogen, en dan moet hij elke middag de gewichten omhoog winden, die het licht in de nacht draaiende zullen houden, en het oliereservoir uit de voorraad bijvullen. Meer is er echter niet te doen. Tweemaal per maand komt het gouvernements-motorbootje om zijn rijstvoorraad en de olievoorraad voor zijn licht aan te vullen, doch dat is dan ook zijn enige contact met de wereld ginds. Eénmaal, vele jaren alweer geleden — maar de oudste inwoners uit de strandkampongs herinneren het zich nog heel goed — kwam er weer een man van Java als wachter op het eenzame eiland. Saäri was zijn naam. Deze Saäri had een jonge vrouw, en toen die vrouw haar eerste kindje verwachtte, wenste haar man dat het niet op het stille eiland geboren zou worden, doch hij zond haar, toen het uur naderde, met het motorbootje met de inlandse stuurman, de djoeroemoedi, en zijn twee matrozen, naar het land, naar de andere mensen die voor hen de wereld waren. Toen het motorbootje na ruim twee weken weerkeerde, zat hij gelaten voor zich uit te staren, want de inlander toont nooit zijn onrust of spanning, maar er schitterde toch iets van vreemde angst in zijn ogen toen hij vrouw noch kind ontwaarde. En de djoeroemoedi kon aan Saäri slechts mededelen dat zijn vrouw ginds aan de kust voor de paars-grijze bergen bij de geboorte van een dood kindje gestorven was. De djoeroemoedi en de twee matrozen bleven nog wat om Saäri heen zitten, maar daarna lieten zij den stille man weer alleen op het stille eiland.

Vuurtoren op Mendanau, Bangka

Vuurtoren op Mendanau, Bangka

En toen na enkele weken het motorbootje opnieuw bij het eiland kwam met rijst voor de wachter en olie voor het licht, was Saäri verdwenen. De djoeroemoedi en zijn twee matrozen zochten het eiland af en riepen, maar het was alles vergeefs, de wachter was weg en bleef weg. En zijn prauw was ook weg, zodat men aannam, dat bij gevlucht was voor het alleen-zijn, en weggepagaaid was met onbekende bestemming. Alleen was het vreemd dat het vuurtorenlicht tot de laatste nacht toe gebrand had en gedraaid, juist zoals het behoorde. Maar het kan natuurlijk zijn, dat Saäri uit plichtsbetrachting was gebleven, totdat hij het motorbootje de kust zag naderen. Doch nog vreemder is wat jaren later gebeurde, toen een ongetrouwde lichtwachter alleen op het eiland woonde. Die werd ziek, zo ziek dat hij in zware koortsen neerlag en zich niet kon verroeren. En toch brandde iedere nacht het licht en draaide… En toen eindelijk het motorbootje kwam, vertelde hij, nog grauw van koorts en angst, dat er elke avond, terwijl hij verlamd en doodziek neerlag, een man gekomen was om het reservoir te vullen en de gewichten omhoog te draaien, en het waarschuwende licht te ontsteken. De oude djoeroemoedi van het motorbootje, die dit verhaal ernstig aanhoorde, mompelde: “Saäri, jang doeloe ilang”, “Saäri, die destijds is verdwenen”, en de matrozen mompelden hem dat na. En de bevolking in de kustkampongs, die deze historie ook heeft vernomen, is er nu steevast van overtuigd dat dit verre licht zou blijven branden en draaien, ook wanneer er al maandenlang niemand meer op het eiland was om er voor te zorgen… Want dat is immers het eiland geworden van „Saäri jang ilang”, van de man die verdween, doch die weer terugkwam toen het nodig was. x

x

Dit verhaal van E. Member, pseudoniem van Eef van Lidth de Jeude (1890-1932), werd op 18 februari 1927 gepubliceerd in De Telegraaf. 

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

13 reacties op De man die verdween

  1. Ron Geenen zegt:

    Prachtig verhaal. Dank.

  2. Jan A. Somers zegt:

    De Duizendeilanden liggen niet bij Sumatra (zoals in de tekst), maar vóór Batavia (zoals onder de foto). Het onderhoud lag bij de opnemingsdienst van de Gouvernements Marine. Indië was verantwoordelijk voor de internationale vaarwegen door de archipel. Dit was de eerste leerschool voor mijn vader. Zijn verhalen ben ik al vergeten. In die tijd was er nog geen I4E.

  3. ellen zegt:

    Een heel mooi – spookachtig – verhaal. Het geeft een indruk weer van het dagelijks leven van een vuurtorenwachter, waar ik geen weet van had. De opa van mijn oma aan vaders kant is namelijk ook vuurtorenwachter geweest. L.B.C. van Rooijen – een Indische jongen – is geboren in 1831. Na zijn scheepvaartopleiding was hij vanaf 1848 – op 17-jarige leeftijd – als gezaghebbende op o.a. de schoener van een Chinese eigenaar, werkzaam. Vanaf 1863 was hij adspirant opzichter bij de vuurtoren te Batavia en vanaf 1865 was hij werkzaam als lichtopzichter 2e klasse bij het kustlicht op Noordwachtereiland, straat van Makassar. Rond 1867 was de eerste ijzeren vuurtoren die het Nederlandse bestuur in Oost-Indie bouwde, de vuurtoren Noordwachter op een eiland ten noordwesten van Java. Deze bestaat uit een trappenhuis dat door een twaalfkantig geraamte wordt ondersteund. Grofsmederij Leiden bouwde de vuurtoren, waarna deze in losse onderdelen naar Indonesie werd vervoerd. Vanaf 1877 was hij werkzaam bij het Kustlicht etablissement op Java’s 4e punt in Straat Sunda. En vanaf 1883 was hij vuurtorenwachter Boompjes-eiland. In het logboek wordt melding gemaakt van het het rapport van vuurtorenwachter L. van Rooijen bij de eruptie van de Krakatau. Op 15-05-1884 wordt hem – als hij met pensioen gaat – op verzoek eervol ontslag verleend uit ’s Lands dienst als Lichtopzichter der 1st klasse bij den dienst der kustverlichting in Nederlandsch-Indie. Opmerkelijk is, dat deze voorouder in 1862 op 31-jarige leeftijd in Batavia is getrouwd met een 15-jarig meisje (trouwen op jonge leeftijd was gewoon in die tijd) en een gezin heeft gesticht, waarbij de zes of zeven kinderen overwegend geboren werden in Batavia. Van twee kinderen wordt vermeld dat zij geboren werden in Straat Sunda. Een dochter werd geboren in Muntok, bij het eiland Sumatra. De vuurtorenwachter werkte op zee dichtbij de kust; zijn gezin woonde – waarschijnlijk – op het vasteland van Java en Sumatra.

    • C.J. van Hamersveld zegt:

      Beste Ellen,
      Ik heb jouw bovenstaande verhaal met verbazing gelezen en er staat veel herkenbaars in. In mijn archief heb ik veel documentatie over ‘onze vuurtorens’ en de lichtwachters.
      In mijn boek VUURTORENS OP DE KAART (mei 2017) heb ik 3 van de 50 vuurtorenverhalen gewijd aan de vuurtorens in de Indische-Archipel. Ook Java’s 4e Punt en Pulau Langkuas bij Muntok. Als jij contact met mij opneemt, dan kan ik jou heel wat laten zien! Met vr,gr., Kees van Hamersveld (Bilthoven).

  4. buitenzorg zegt:

    Voor liefhebbers van vuurtorenverhalen, eerder publiceerde ik in de Java Post een verhaal over de Zwaantjesdroogte:
    https://javapost.nl/2012/05/07/licht-in-de-duisternis/

  5. Michiel Alma zegt:

    Mij is altijd een verhaal bijgebleven , volgens mij van de schrijver A. Alberts , over zijn bezoek
    als bestuursambtenaar aan zo’n door één persoon bewoond eiland . En ik dacht ook Somerset Maugham . In beide verhalen druipt de eenzaamheid er vanaf , met een verborgen sinistere dreiging , Michiel Alma

  6. koppieop zegt:

    Dank voor deze twee heel leesbare verhalen. Zwaantjesdroogte is technisch en historisch interessant, en De Man die Verdween vind ik een boeiend drama. Niemand kon Saäri vinden, omdat hij één was geworden met de vuurtoren!

  7. Louise Spalding zegt:

    zeer mystiek.

  8. H.J. Legemaate zegt:

    Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gaat het om de Metawai-eilanden voor de kust van Padang.

    Inderdaad meer mystiek dan in onderstaand verslag gebaseerd op de memoires van Henk Boon, jongste broer van de schrijver Jan Boon, alias Tjalie Robinson:

    23 januari 1942
    Vertrek van torpedobootjager Van Nes uit Tg. Priok om enkele schepen door Straat Soenda tot in Indische Oceaan te escorteren (m.s. Van Heemskerk en Brastagi respectievelijk vanaf Tandjoeng Priok en vanaf Oosthaven.)

    24 januari 1942
    CZM laat om 04.47 uur een telegram uitgaan bestemd voor de 2e Vliegtuiggroep en Hr. Ms. Van Nes, waarin uiteenzetting ondergang van de Van Imhoff (KPM).

    26 januari 1942
    Van Nes krijgt order na loslaten konvooi langs de eilanden voor de westkust van Sumatra te stomen voor reddingsactie drenkelingen Van Imhoff.

    27 januari 1942
    De Van Nes diende dringend olie te laden, waartoe de opdracht werd gewijzigd en het schip naar Emmahaven werd gedirigeerd. Vanuit Emmahaven zou een aantal koopvaardij-schepen naar Tg. Priok worden begeleid. De volgende ochtend arriveerde het schip bij een eiland ter hoogte van Padang en zag men reeds in de verte donkere rookwolken opstijgen vanaf de in de haven gelegen steigers en de daar vlakbij bevindende olie-opslagplaatsen. Een motorvaartuig kwam met grote snelheid de Van Nes tegemoet varen. Het bleek de loodsboot te zijn welke even later langszij van het schip kwam.
    De commandant van de Van Nes werd dringend geadviseerd onmiddellijk open zee te kiezen daar Padang en haar havenplaats Emmahaven reeds gedurende twee dagen achtereen in de ochtenduren tussen negen en tien uur door de Japanners waren gebombardeerd. Juist het tijdstip waarop de Van Nes die ochtend dacht binnen te lopen. De commandant liet het schip onmiddellijk bijdraaien en bleef in de nabijheid van het eiland kruisen. De eerder met groene verf aangebrachte camouflage-vlakken op de romp van het schip zou met het groene eiland als achtergrond een vroegtijdige ontdekking kunnen voorkomen. Het luchtalarmsignaal werd gegeven en een ieder wachtte popelend op de dingen die weldra zouden volgen. Op een gegeven moment, toen het schip juist van koers veranderde en in zuidwestelijke richting voer, naderde over de bergrug Boekit Barisan een groep vliegtuigen in V-formatie. De afstandwaarnemer op de artilleriebrug riep over de telefoon: ꞌEen groep vliegtuigen over land. Achterlijk en dwars aan bakboord.ꞌ Hij gaf tevens de afstand en hoogte gegevens door welke hij van zijn afstandmeter kon aflezen.
    De alarmschellen rinkelden als een bezetene, hiermee een vliegtuigaanvalsteken gevende, zodat de nodige bemanningsleden hun posten konden betrekken die kort daarvoor bij het eerste signaal slechts gedeeltelijk bezet waren. Aan het trillen van het schip was te voelen hoe het vaart vermeerderde en werden de 40 mm lucht-afweermitrailleurs en het 7.5 cm kanon in de richting gebakst van waar men de aanval verwachtte. De vliegtuigen maakten zich ogenschijnlijk gereed voor de bomrun zodra zij over de bergrug heen kwamen en vlogen in een vrij steile duik recht toe recht aan naar de in de haven liggende schepen en de daar aanwezige olietanks. Het leek of de vijand zeer goed op de hoogte was van de ligging der aldaar aanwezige doelen. Het in het havengebied zo hier en daar opgestelde luchtdoelartilleriegeschut opende vuur en schoten op hun doelen alsof het een kermistent was. Aan boord van de Van Nes had men op dat moment een uitstekend zicht op hetgeen zich boven land afspeelde en vooral zij die achter of naast hun stukken zaten, zover hun positie het toeliet, popelden om mee te doen met het schietspel. Maar de Japanse aanvallers schenen zich niets aan te trekken van al de activiteiten welke zich beneden hen voltrokken. Op het juiste moment openden zij hun bommenluiken en weldra zag men de dood en verderf brengende last in hevige explosies uiteen barsten. De lucht was bezwangerd van tientallen rookwolkjes van de uit elkaar springende lucht- afweergranaten.
    Plotseling veranderde de vijand de vliegrichting en kwam recht op de Van Nes aanvliegen. Of de vijand het schip had ontdekt, werd aan getwijfeld. De vliegtuigen maakten immers geen aanstalten van koers of hoogte te veranderen. Nadat de hoogte correcties waren doorgegeven, opende de Van Nes het vuur. Het was of de hel boven het schip uitbarstte. De 40 mm mitrailleurs kuchten op luide wijze en spoten met zware stoten hun ammunitie de lucht in, zo nu en dan onderbroken door de felle klappen van het 7.5 cm. kanon. Aan de exploderende granaten en de richtspoorammunitie van de mitrailleurs was te zien dat het vuur uitstekend lag. Men zag een granaat exploderen tussen het voorste vliegtuig en welke zich links daarvan bevond. Ook werd duidelijk dat de vijand kennelijk verrast was door het goed gerichte vuur. De vliegtuigen gingen direct over in een steile klim en draaiden landwaarts weg. Inmiddels op grote hoogte gekomen, vloog de formatie opnieuw richting Van Nes en liet vervolgens enkele bommen, mogelijk het restant, boven het schip vallen om daarna af te zwenken en waarschijnlijk naar hun basis terug te keren. Met gierend geluid vielen de bommen achter de Van Nes in het water. Door de explosies werd het achterschip als het ware opgetild, doch er ontstond geen schade.
    Toch vonden velen aan boord het geluid van het geschut als muziek in de oren klinken omdat dit de eerste echte actie was sinds het uitbreken van de oorlog. Voor de mensen benedendeks lag de situatie toch wel anders. Verstoken van een duidelijk beeld, moest men hier in onwetendheid de gang van zaken afwachten. Geruchten willen dat één of twee vliegtuigen van de V-formatie brandend zijn neergestort in het binnenland van Sumatra, op korte afstand van Padang.
    Toen de Van Nes in de avond naar het doel van haar opdracht terugkeerde, bleken de meeste te konvooieren schepen gezonken, zoals de op een ondiepte in de baai half gezonken en in brand staande Poelau Tello van de Stoomvaart Maatschappij ꞌNederlandꞌ. Grote stukken brandende rubber, afkomstig van de lading van het schip, dreven spookachtig in het rond. De baai kreeg iets schilderachtigs als in een sprookje uit duizend en één nacht. De vlammen waren één tot twee meter hoog en verlichtten de hele baai met op de achtergrond de bergen en Emmahaven. Het was een fascinerend gezicht. Af en toe moest de Van Nes achteruit slaan om de brandende balen te ontwijken.
    28.1.1942 Onder lastige omstandigheden alsnog olie geladen te Emmahaven. Vertrek in de nacht van 28 op 29 januari naar Tandjoeng Priok. Halverwege de route werd het K.P.M.- schip Van der Capellen onder de hoede van de Van Nes gesteld.
    Etc.etc.

  9. Ælle zegt:

    The man who disappeared, de man die verdween, was een boek dat Kafka niet had afgemaakt samen met twee andere onafgemaakte boeken. In Duits Der Verschollene getiteld. Na diens dood uitgegeven door zijn vriend Max Brod met de titel Amerika. Het was Kafka zelf die wilde verdwijnen. De naam Kafka betekent zoveel als kauw (vogel -corvus monedula) in Tsjechisch. Beestje komt iedere dag bij me eten halen in de voortuin. Zal ik ‘m voortaan maar Franz noemen?

  10. Jan A. Somers zegt:

    Er zou eigenlijk een grote verhalenbundel moeten zijn met dit soort verhalen. Deze horen bij de mystiek van Indië. Voor mij leven ze meer dan de Europese sprookjes.

    • Ælle zegt:

      Javaanse mistiek.
      Elke dag, laat in de middag komt er een grote blanke man vanuit het centrum van Semarang bij onze straat langs. Alles is grijs aan hem. Zijn witte tropenkleren zijn grijs van het vuil. Zijn haren en lange baard zijn ook grijs. Hij loopt op blote voeten. Zon of regen maakt bij hem geen verschil. Hij loopt die route al sedert hij uit het jappenkamp is bevrijd. Overdag zit hij in de buurt van de KNIL kazerne waar mijn vader werkt. ’s Nachts slaapt hij even buiten Semarang in een soort theehuisje.

      http://members.chello.nl/t.derksen61/id36.htm

      • Ron Geenen zegt:

        Een prachtig verhaal, dat velen van ons ook hebben ervaren. Hier en daar iets aan veranderen en je hebt je eigen ervaringen op papier staan. In de proloog las ik het volgende, dat ook voor mij als Indo werkt:

        “Ook voor mijzelf heeft het nut gehad eens bewust over die tijd te denken en te schrijven. Alles op een rijtje te zetten. Iets waar je als je nog werkt niet aan toe komt. Maar het geeft ook mezelf een heel andere kijk op de Indische jaren van mij en mijn familie.

        Die Indische jaren horen er weer bij, ze zijn weer van mij en ik zal nu niet meer zo vlug zeggen dat ze alleen leuk en avontuurlijk waren. De jaren zijn meer als zomaar een aantal jaren van je leven, zij werken door. Je bent er door geworden zoals je bent geworden.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s