De weeshuizen van Buitenzorg

Buitenzorg, vermoedelijk Jeugdzorg

Buitenzorg, Jeugdzorg

Voor velen die in Nederlands-Indië zijn opgegroeid, zijn de herinneringen onlosmakelijk verbonden met het verblijf in een weeshuis of internaat. In een periode waarin de Indische bevolking in raciaal, economisch en geografisch opzicht op zoek was naar een plaats in de samenleving, vielen de kinderen vaak tussen wal en schip. De kerk bood uitkomst, zoals in Buitenzorg, waar duizenden van hen werden opgevangen door katholieke en protestante geestelijken.

Een blik op de vooroorlogse kaart van Buitenzorg toont ons het belang van de katholieke zorginstellingen in deze plaats. Op nog geen steenworp van het gouvernementeel paleis lag het Ursulinenklooster met zijn bijgebouwen, en even zuidelijker het Vincentiusgesticht met de bijbehorende Vincentiuskerk.   

Het Ursulinenklooster

In een gids uit de jaren ’20 lezen we dat het Ursulinenklooster geleid werd door de Religieuze Ursulinen der Romeinse Unie: “Aan dit internaat — ook voor Chinese meisjes —zijn verbonden: een Europese fröbelschool, een Europese Lagere School, een Opleidingscursus voor het examen Nuttige handwerken en Costuumnaaien, een cursus voor stenografie en typen en een Holl.-Chin. School. Kostgeld: ƒ 50 per maand. Directrice: Mère Imelda.” Korte tijd later werd ook overgegaan tot de stichting van een meisjes-MULO, gelegen aan de Mulo-straat.

BZ_Ursulinen_2

Ursulinenklooster, Buitenzorg

In 1930 verscheen in Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië een verslag over het 75-jarig jubileum van de Orde. Hieruit blijkt dat het monseigneur P.M. Francken is geweest die in de jaren ’50 van de 19e eeuw naar Indië reisde en daar de eerste initiatieven nam om een school op te richten. Hiervoor kocht hij een grote villa op Noordwijk in Batavia, en reisde terug naar Nederland om de Zusters Ursulinen – bekend om hun onderwijskundige gaven – uit te nodigen met hem terug te reizen. Eind 1855 reisde Moeder Ursule vanuit Sittard met zes zusters per schip naar hun onbekende verten. De reis, toen nog via Kaap de Goede Hoop, duurde 140 dagen. Eén van de zusters, die gedurende de hele reis zwaar ziek was geweest, overleed bij aankomst. Korte tijd later stierf nog een tweede zuster.

Ondanks de tegenslagen werd in augustus 1856 op Noordwijk de eerste school geopend. Een jaar later kwam nog een tweede groep zusters de eerste versterken. In 1859 werd het Kleine Klooster gesticht, en een tweede school in Weltevreden. In 1863 volgde een eerste uitbreiding in Soerabaja, en later nog weer andere, waaronder – in 1902 – in Buitenzorg en Bandoeng.

St. Vincentiusgesticht

St. Vincentiusgesticht, Buitenzorg

St. Vincentiusgesticht, Buitenzorg

Nog vóór de Zusters Ursulinen zich in Buitenzorg vestigden, was hier reeds een jongensinternaat gevestigd. In 1887 werd dit geïnitieerd door de vereniging van de Heilige Vincentius a Paolo. “Opgenomen werden zowel wezen als door de ouders verlaten en onverzorgde kinderen.” Met de komst van de Ursulinen was de scheiding tussen jongens en meisjes dus definitief: de jongens naar Vincentius, de meisjes naar de Ursulinen.

De omschrijving van de doelgroep geeft aan dat het hier niet alleen om echte wezen ging. Ook al ontbreken hiervoor de cijfers: waarschijnlijk ging het in de meerderheid van de gevallen om halfwezen, niet-geëchte kinderen of kinderen die bij de broeders en zusters werden achtergelaten omdat de ouder(s) door verblijf in het binnenland niet voor ze kon zorgen. De combinatie van zorg en onderwijs was cruciaal: niet overal in Indië werd deugdelijk onderwijs aangeboden.

40 Jaar later werd het Vincentius-internaat als volgt omschreven: “St. Vincentiusstichting van de Broeders van Dongen. Deze inrichting is bestemd voor R. K. jongens vanaf hun zesde jaar en staat onder leiding van de Broeders van O. L. Vr. van Lourdes (Dongen). Het onderwijs omvat de vakken ener school voor Lager Onderwijs. Na de Lagere School kunnen de jongens de openbare M.U.L.O. of de gemeentelijke Ambachtsschool bezoeken. Kostgeld: voor betalenden ƒ 25.— per maand.”

Stichting Jeugdzorg

Onder het Apostolisch Vicariaat van Batavia viel tenslotte ook nog de in 1927 opgerichte ‘Stichting Jeugdzorg’, bestaande uit een internaat onder leiding van de Zusters Franciscanessen Missionarissen van Maria, bestemd voor alle kinderen onder de leeftijd van 7 jaar “die om de een of andere reden de moederzorg moeten ontberen.” en een tweejarige huishoudschool, voor meisjes die de lagere school hadden doorlopen.

Protestantsch Kinderhuis West-Java

Het moge duidelijk zijn: de katholieken hadden in Buitenzorg een klein monopolie opgebouwd voor de opvang van verweesde kinderen. Dat was niet zo in álle steden. De protestanten hadden het elders voor het zeggen, zoals bijvoorbeeld in het nabijgelegen Soekaboemi, waar het Soekaboemisch Opvoedingsgesticht (S.O.G.) de dienst uitmaakte. Ook het tehuis van Pa van der Steur, in Magelang, was protestants. Toch was ook in Buitenzorg in protestantse kring sprake van een behoefte aan een tehuis. In 1934 werd daartoe een stichting opgericht: Stichting Protestantsch Kinderhuis West-Java (P.K.W.J.). Met ingezamelde gelden werd een ‘buiten’ opgekocht aan de grens van Buitenzorg, ‘Buitenlust’. De crisis laat zich horen in de doelstellingen: “Het Bestuur heeft zich gerealiseerd, dat alle barmhartigheidswerk en dus ook kinderbescherming en -verzorging een taak is, welke door particulier initiatief moet worden vervuld, waarbij de overheid alleen steunen en voorlichten kan. Het bestuur der Stichting heeft derhalve een taak, vooral in dezen tijd van ellende en nood waarvan het komende geslacht het zwaarst te lijden heeft. Dit geslacht moet weerbaar worden gemaakt voor de komende levensstrijd.”

Het waren roerige tijden. Nog geen twee jaar later werd een nieuw filiaal opgericht, de ‘jeugdlandbouwschool’. Het lijkt erop dat het P.K.W.J. meer dan de katholieke plaatsgenoten bezig was met ontwikkelingen in de samenleving. Het bestaande tehuis had een jongens- en een meisjesafdeling. Om de wat minder goed lerende jongens een perspectief te bieden, werd contact opgenomen met het Indisch-Europeesch Verbond (I.E.V.), om op zoek te gaan naar alternatieven. Het I.E.V. was op dat moment betrokken bij allerlei landbouwprojecten, en dus kwam een nieuw project van stapel: een jeugdlandbouwschool. Een buurvrouw van het P.K.W.J. had haar landgoed vererfd aan de Stichting Pa van der Steur. Deze stichting, op de hoogte van de problemen van de P.K.W.J., doneerde het landgoed aan ‘Buitenzorg’. In 1937 werd door de echtgenote van de Gouverneur-generaal, mevrouw Tjarda van Starkenborgh, het nieuwe ‘jongenstehuis’ geopend. Directeur van deze vestiging was de heer G.D.E. Braches. De volgende jaren werden allerlei plannen gemaakt voor plaatsing van de jongens op landbouwprojecten in Benkoelen. Het is er niet meer van gekomen.

De Buitenzorgse internaten

In totaal gaat het hier om duizenden kinderen die werden opgevoed dankzij de zorg van de katholieke en protestantse geestelijken. In 1937, bij het 50-jarig bestaan van Vincentius, werd in de kranten geschat dat door deze stichting jaarlijks ca. 40 pupillen werden opgeleid. Uitgaande van dit aantal mogen we veronderstellen dat in het vooroorlogse Buitenzorg in totaal ongeveer 5.000 kinderen een opleiding hebben genoten op één van de genoemde instituten. We weten niet precies hoe velen hiervan Indo-Europees waren. In 1900 schreef het blad De Locomotief echter dat 99% van de kinderen in de weeshuizen van Indo-Europese herkomst was. We hebben geen reden te veronderstellen dat dat later anders is geworden.

x

BZ_Ursulinen_1

Ursulinenklooster

BZ_Ursulinenschool_1

Ursulinenklooster

BZ_Ursulinenschool_3_1926

Ursulinenklooster

Buitenzorg_1057_5

Ursulinenklooster

Buitenzorg_1057_9

Ursulinenklooster

Buitenzorg_1057_11

Ursulinenklooster

BZ_Vincentius_5

Vincentius-gesticht, hoofdingang

BZ_Vincentius_harmonie en voetbalclub

Vincentius, harmonie en voetbalclub

BZ_Vincentius_speelplaats

Vincentius, speelplaats

Buitenzorg_Vincentius_slaapzaal

Vincentius, Buitenzorg

Buitenzorg_1057_6

Vincentius, Buitenzorg

Buitenzorg_1057_8

Vincentius, Buitenzorg

Vincentius, Buitenzorg

Vincentius, Buitenzorg

Buitenzorg_1057_7

Jeugdzorg

Jeugdzorg, detail

Jeugdzorg, detail

Ursulinen? Jeugdzorg?

Ursulinen? Jeugdzorg?

BZ_RK kerk Vincentius

kerk St. Vincentiusgesticht

Jeugdlandbouwschool

Jeugdlandbouwschool

Jongens jeugdlandbouwschool

Jongens jeugdlandbouwschool

Buitenzorg_kaart

Buitenzorg, met het Ursulinenklooster (boven) en Vincentius Jongensgesticht (linksonder)

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

21 reacties op De weeshuizen van Buitenzorg

  1. hans zegt:

    Heel mooi artikel.

  2. Ed Vos zegt:

    De zusters Ursulinen worden genoemd, en aangezien ik in de jaren 1960-1972 Sittardenaar was… Hoewel ik wist dit allemaal niet.

    Wat Pa v.d. Steur betreft. Ik was in September in Magelang. Ik ben bij zijn graf geweest. De restanten van het inmiddels afgebroken kerkhof waren verplaatst. De gapura ( – triomfboog) staat er nog. Daarachter bevindt zich een druk straatje met warung. Zijn weeshuis staat er niet meer.

  3. Jan A. Somers zegt:

    Wat een kostelijke foto’s bij zo’n informatief verhaal. Mijn zus heeft in Soerabaja bij de Ursulinen op school gezeten. Het grote Katholieke weeshuis werd gerund door nonnen met heel breed uitstaande kappen, wij noemden dat zweefvliegtuigen. De naam van de orde is me even ontschoten.
    Mijn moeder is als klein meisje eerst bij een oom en tante ondergebracht, maar dat ging niet zo goed. Toen in Malang bij de nonnen op kostschool, de naam van de orde weet ik niet meer. Bij die nonnen een heel goede administratieve opleiding gehad, ze sprak ook vloeiend Frans. Mijn moeder moest wel op kostschool, vanuit de onderneming van mijn Opa was er slechts één keer per jaar een tocht naar Malang om van alles en nog wat te regelen. Toen mijn vader werd overgeplaatst naar standplaats Ambon bleef mijn moeder met het gezin in Soerabaja wonen. Als ervaringsdeskundige wilde zij beslist niet dat haar kinderen naar kostschool moesten. Zodoende zag ik mijn vader maar zo’n twee keer per jaar.

    • Helga zegt:

      Wat leuk om te lezen. Mijn oudtante was Missiezuster in o.a. Malang, voor en na de oorlog. Wellicht heeft jouw moeder les van haar gehad 😉

    • Manjesjiek zegt:

      Een oudtante van mij was vanaf 1933 tot aan haar overlijden (weet niet precies wanneer, maar ergens eind “80) missiezuster in Batu, Pasoeroean, Malang, Yogyakarta, Djakarta. Zij was van de orde: ‘”Zusters van het arme kind Jezus”. Haar naam was Zuster Jozefa Cornelia en gaf les op diverse scholen, internaten en sociaal werk.
      Zegt het je iets?
      M.v.gr.
      Helga Keulen

  4. Kawan Jawa zegt:

    Ik was één van de bewoners (de zogenaamde “Internen” van het St. Vincentius-tehuis in Bogor (Buitenzorg) geweest in de tijd van Broeder Werenfried, het hoofd van de Orde van de Heilige Maagd Maria van Lourdes, met zijn onafscheidelijke, gevaarlijke herdershond Arno. Hij werd steevast door de jongens “broeder overste’ genoemd. En wanneer hij de zaal binnenkwam terwijl wij aan tafel zaten te eten of te studeren moesten wij opstaan en in de houding springen om hem eerbiedig te begroeten. Hij keek altijd nors en ik had hem nog nooit zien lachen. In zaal 1, waar de “kleintjes” waren ondergebracht heette onze zaalbroeder “”broeder Cansius”. Alles wat hij van Holland aan lekkers kreeg toegestuurd deelde hij met de kleintjes van de zaal. Maar hij kon ook wreedaardige dingen doen. Op zaal 2 en 3, de jongens van de lagere school (later Sekolah Rakjat RK) vanaf de 3de klas kregen wij te maken met een zekere “broeder Eberhard”, geen vriendelijke man, met een paar losse handen, die mij vaak angst inboezemde. Ik probeerde hem altijd te ontwijken en kreeg daar zelfs een handigheid in. Hij had het volgens mij nooit doorgehad. Die paar keren dat hij mij toch te pakken wist te krijgen was te wijten aan mijn onoplettendheid. Hij kon zelfs zijn minachting voor de “Inlanders” niet onder stoelen en banken steken en voor hem waren wij de kleine Inlandertjes die men voortdurend in de gaten moest houden. We waren zijn “vuile Inlanders” wanneer hij het op zijn heupen had. Gelukkig niet al te vaak. Hij beschouwde het als zijn missie om ons om te vormen tot “Hollandse jongens”. Maar voor de rest kon het hem allemaal geen barst schelen. En dan hadden wij vrij spel, konden wij doen en laten wat we wilden maar altijd met een alertheid van een opgejaagd dier. En op zaal 4, die van de “grote jongens”, was “broeder Corsius” de baas, een oersterke man met een hart van goud. De “rijke jongens” van Chinese ouders wisten hem kalm te houden door hem voortdurend te voorzien van dure sigaren. Een goedig uitziende lubbes met de eeuwige sigaar tussen zijn lippen bengelend. Maar ook hem hadden wij nooit onderschat. Slapende honden moet je niet wakker vonden we allemaal. Geen grapjes met hem uithalen want anders werd dat door de jongens eensgezind bestraft. “Broeder Nerius”, de keukenbroeder die volgens mij geen verstand van koken had, z’n brouwsels waren “niet te vreten”, en stiekem op de pasar eten was het antwoord, zag ik vaak als patiënt in het kleine ziekenzaaltje of wanneer ik weer eens een etterende wond moest laten verzorgen. En nog een stel andere kloosterlingen, zoals broeder Olaf, een slimme, intelligente Hollander (onderwijs), broeder Soedjarwo (onderwijs), een Javaanse venijn, en broeder Canisius, volgens mij de man van de logistiek en het reilen en zeilen van de algemene huishouding. Allemaal bevlogen missioneringsmensen met stuk voor stuk gewetensvolle plichtsbetrachting. Dit uiteraard vanuit mijn retrospectieve blik als volwassene. Als kind had je andere besognes en survivalproblemen op te lossen. Ik had heel veel van ze geleerd waar ik nu nog de vruchten van mag plukken. Het katholicisme was een kwestie van uitzonderlijk doordachte indoctrinatie waarin gehoorzaamheid een belangrijk aspect was, een reliek uit de koloniale tijd toen de mensen klaargestoomd moesten worden voor de maatschappij als beambten van het Gouvernement. Lagere school en M.U.L.O. waren hiervoor het hoogst haalbaar geachte onderwijsniveau in deze beschutte leefgemeenschap. Maar ik was er vanaf dag één in 1947 tot halfweg 1955 nooit gelukkig geweest. Mijn vertrek uit dit klooster ervoer ik dan ook als een verlossing. Niet lang daarna vertrokken we naar Holland. En hier gingen de ogen voor mij echt open. Ik kijk nu met gemengde gevoelens terug naar mijn leven in het klooster in Buitenzorg.

    Kawanjawa.

    • Frans (P.A.) de Vries zegt:

      Hé, ik ben van jaar 1951 tot 1954 in het RK internaat aan de Batammerweg 20 (Jalan Banten 20) te Buitenzorg (Bantem). Internaat zaal 4. De scepter werd er gezwaaid door Broeder Canicius. Ik verdween daar in 1954 met het diploma (Ijazah) SMP (Sekolah Manengah Pertama) op zak. Nauwelijks gelijk aan de NL MULO. Geprezen zij de Heer Jezus die mij toen leidde en nu nog leidt en die ook mij bevrijdde.

  5. H.H. Boldingh zegt:

    Wat heeft de zending toch veel goeds gedaan in die tijd.

    • Jan A. Somers zegt:

      Wat ik zo vreemd vind, het woord ‘zending’ en ‘missie’ werd eigenlijk alleen in Nederland gebruikt. In Indië heb ik het nooit gehoord. Ik zat op een katholieke broederschool, net zoiets als een gewone katholieke school in Nederland. Ook voor de ziekenhuizen gold dat.

  6. jan willem hoegen zegt:

    wat glijdt dit toch snel uit het collectief geheugen van nederland en indonesie.

  7. Ami Emanuel zegt:

    Hartelijk dank voor het gepleegde onderzoek, het samenvoegen tot een goed verhaal en de interessante oude kaart met plattegrond aan het slot.

    Als o.a, oud Buitenzorger/Bogoriaan maakte de kaart mij duidelijk waarom de v.m. Oudemansgracht, een zijweg van de Hospitaalweg tegenover het Telefoon kantoor, na 1949 de naam Jalan Cibalok kreeg: naar de naam ‘Cibalok’ op de kaart van de m.i. brede sloot, die samen met een ijzeren hekwerk de Grote Postweg en het Hertenkamp (de paleistuin) scheiden, met een zijtak bij het huidige Hotel Salak Heritage (v.m. Hotel Bellevue Dibbets en later Salak) en langs het v.m. ’s Lands Kas/Residentie kantoor en Telefoonkantoor de Hospitaalweg kruist.
    Dank voor deze aangereikte opheldering van een persoonlijke vraag over de ‘nieuwe’ naam van de enige ‘gracht’ in Buitenzorg.

    In maart 1951 vierde de plaatselijke voetbalclub Buitenzorgse/Bogorse Boys, bij de plaatselijke bevolking meer bekend als “BéBé”, zeer populair door haar prestaties op de velden van Tanah Sareal, Beranang Siang en Juliana terrein en uitsluitend bestaand uit leerlingen van plaatselijke middelbare scholen, inclusief het bestuur, in de grote zaal van het St. Vincentiusgesticht haar
    3-jarig bestaan.
    Met muziek van de band “De Siamese Swingers” uit Jakarta, voornamelijk voor de niet dansers een tukang saté uit de (overwegend Arabische) wijk Empang en als gast van het voor deze gelegenheid gehouden voetbaltoernooi de bekende voetbalclub Hercules uit Jakarta o.l.v. haar voorzitter en oud bondspeler Denkelaar.

    Tot enige jaren geleden vond er op de intussen opgeheven Bogor reünie hier te lande nog een collecte plaats waarvan de opbrengst aan de Nederlandse pater van deze Roomse kerk door het plaatselijke kerklid Wim de Leon, ex-keeper van de “BéBé”, werd overhandigd.
    Ik heb begrepen dat een goed deel van de opbrengst naar het St. Vincentius gesticht ging.

    Het Protestants Kinderhuis West-Java was na WO II gevestigd op v.m. Pabaton (huidig Jln. Jend. Sudirman), tussen Hospitaalweg en Laan van der Wijck (deze laatste niet op de kaart).
    Omstreeks 1950 was de leiding van dit PKWJ in handen van ene Mw. Soedira.
    Helaas nog geen bijdrage als die van Kawan Jawa van een van de meisjes van dit Protestants kindertehuis.
    Van deze ken ik slechts Erie la Fontaine-Pakassy in Enschede en Erna Sibbald in Bogor.
    Ik vermoed dat hun herinneringen aan de sfeer en de leiding van het tehuis minder heftig en gelijkmatiger zijn dan die van onze ‘Kawan Jawa’ van het St. Vincentiusgesticht

  8. Daniel Muurling zegt:

    Geachte heer Immerzeel,

    Tijdens de Japanse inval in Buitenzorg zijn een 30-tal jongens van PKWJ van tussen de 9 en 11 jaar op de vlucht gegaan onder leiding van een wat oudere jongen (17-18 jaar), genaamd Max van Enting. Deze jongens hebben zich een week lang verstopt in het bos. Daarna zijn ze terug gekomen naar het weeshuis. Ik heb hierover gepraat met één van deze jongens, nu een man van 85 jaar. Jammer genoeg is veel al in vergetelheid geraakt. Ik zou zo graag meer hierover willen weten.

    Weet u iets hierover? Ik zou het zo leuk vinden als u hier een artikel over schreef.

    Groeten,

    Daniel.

  9. Robert Wernicke zegt:

    Hello, I hope you can help. My late father Robert Heinrich Wernicke, I have just been informed attended this school and boarding house when his Mother passed away. Is there any chance you are able to confirm this?
    Your kind assistance is greatly appreciated.

  10. Ælle zegt:

    Heeft niemand zichzelf of een ander herkend op al die foto’s?
    De paatsing in een gesticht (toen een vies woord) diende vroeger als strafmaatregel vooral voor meisjes met pit onder ‘gegoede’ burgers. Daar heerste een streng regime. Eewww!
    Bron: “De jaren van Asal Oesoel” door Tjaal Aeckerlin en Rick schoonenberg.

    • Ælle zegt:

      De plaatsing in een gesticht (toen een vies woord) diende vroeger als strafmaatregel

    • Ælle zegt:

      Een reactie van een lezer van een foto uit het boek Asal Oesoel:
      Herkenning
      Oss, 5 juni 2007
      Ik had tijdens een familieuitstapje op 20 mei 2007 naar het Tropenmuseum in Amsterdam de keus tussen Lied van een tokèh, De jaren van asal asoel en Neffer Kambek. Na het nodige wikken en wegen koos ik De jaren van asal asoel om een beeld te krijgen hoe het tijdens de Japanse bezetting geweest moet zijn. De jaren van asal asoel is een ontroerend, soms confronterend tijdsbeeld waar ik,totaal verrast, op pagina 114 met grote mate van zekerheid mijn vader in de deuropening van een Chinese winkel meen te herkennen. De foto is in Yogyakarta rond 1938 gemaakt. Mijn vader was toen ongeveer 25 jaar. Vergelijking met een foto uit een fotoalbum van mijn ouders staaft mijn idee dat het echt mijn vader is hoewel het jasje iets korter lijkt dan op de foto in het boek. Die herkenning, een geweldige ontdekking in een verhelderend document!

      Prachtig!

      • Ælle zegt:

        Vijf dagen later was schrijver gedesillusioneerd en schreef Herkenning 2:

        Helaas hebben mijn broer en zus me aan het twijfelen gebracht of de persoon op de foto echt onze vader is. Zelf hou ik de contouren van het gezicht en de schouderlijn aan terwijl zij het meer op de gezichtsuitdrukking houden. In de druk gaan er jammergenoeg details verloren. Het boek en de verhalen blijven me in ieder geval boeien en hebben me doen besluiten om “Lied van de tokèh” en “Neffer Kambek” te bestellen.

        So what?! Je draagt de herinnering aan een beminde toch in je hart.

  11. Robert Mentz zegt:

    Ik heb ook in het internaat St.Vincentius gezeten van 1952 tot 1955 en ben op zoek naar Chris Govers en Ventje Schrauwen en nog wat anderen,mijn naam is Rob Mentz en kwam in die tijd uit Jakarta.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s