Zes weken op patrouille in Nederlands Nieuw-Guinea

In 1949 werd Indonesië onafhankelijk, Nieuw-Guinea bleef echter Nederlands.
Marinier Thomas Ernste (1922 – 2008) deed verslag van een patrouille, in 1951, vanuit Hollandia, en vertelt ons van de manier waarop het Nederlandse gezag in dit immense gebied werd gehandhaafd.

Door Thomas Ernste

Thomas Ernste, a/b van de Tabinta, onderweg naar Nieuw-Guinea (1950)

Thomas Ernste, a/b van de Tabinta, onderweg naar Nieuw-Guinea (1950)

Op 17 mei 1951 lag in de haven van Hollandia, aan de grote steiger, de Hr.Ms. Banckert afgemeerd. Toen om ongeveer 07.00 uur een gewapend detachement mariniers bepakt en gezakt op de steiger verscheen, werd het duidelijk dat er iets stond te gebeuren. Langzamerhand kwam er ook van andere zijde wat meer belangstelling en werd de houten steiger gevuld met politie, Papoea’s en andere belangstellenden. Even vóór negenen kwamen de stafofficieren van de Marine en trad een erewacht aan van de juist geëmbarkeerde mariniers.

Om 09.00 uur precies arriveerde de Gouverneur. Commando’s klonken, en na een korte inspectie van de aangetreden mariniers ging de Gouverneur aan boord. Hij zou meevaren tot Biak. Even over negenen, – ‘Los voor en achter!’ -, vertrok de Banckert voor een reis van zes weken. De mariniers zouden een zware reis voor de boeg hebben.

Het was een warme dag. Gelukkig, zodra wij de Hollandia Baai achter ons lieten en richting Biak voeren, kwam een weldadige zeekoelte ons tegemoet. Aanvankelijk bleven we vrij dicht bij de rotsachtige en dichtbegroeide kust en passeerden talloze kleine en grotere eilandjes die langs de noordkust van Nieuw-Guinea liggen. Ongeveer ter hoogte van Wakde wijzigden we koers en vervolgden onze weg via een noordelijker route.

Hr. Ms. Banckert (1950)

Hr. Ms. Banckert (1950)

De volgende dag waren we Biak dicht genoeg benaderd om meer te kunnen onderscheiden dan alleen de vage contouren. De hoge krijtachtige rotsen, oostelijk van de haven Sorido, aan de bovenzijde slechts begroeid met geheel of gedeeltelijk kapot geschoten bomen, roepen herinneringen op aan enkele jaren geleden, toen de Amerikanen hier de aanval begonnen en de Jappen verrasten tijdens hun maaltijd.
Het haventje van Sorido is klein en telt slechte één aanlegsteiger. Hier deden de mariniers de Gouverneur van Nieuw-Guinea uitgeleide. Een deel van het detachement werd nu gedebarkeerd, om in de richting van Bosnek, de belangrijkste plaats op het eiland, een tentenkamp te betrekken.  

Bosnek

Gedeeltelijk te voet en gedeeltelijk per truck bereikten wij tenslotte de bivakplaats. Deze was aan de ene kant ingesloten door de hoge rotsen, aan de andere kant door een klein moeras. Zo op het eerste gezicht een vrij ongunstige plaats, maar in verband met de watervoorziening waren wij wel aangewezen op deze plek. Vanuit de rotsen kruiste een kleine kali de weg, nagenoeg het enige zoete water in de hele omtrek.
Hier werden dus onze tenten opgeslagen, waarbij we al snel merkten hoe moeilijk het was om de korte houten haringen in de verharde krijt- en koraalgrond te slaan. Na een anderhalf uur was ons nachtleger gereed en had onze kok een smakelijke rijsthap bereid. Nog dezelfde dag vertrok de eerste patrouille, terwijl ook in de daarop volgende dagen geregeld patrouilles over het eiland werden gezonden.

De ingang van de 'Blauwe Grot' aan de zeezijde, gemarkeed met kerosinevaten (1954)

De ingang van de ‘Blauwe Grot’ aan de zeezijde, gemarkeerd met kerosinevaten (1954)

In de tijd dat we vrij waren, bezochten we de ‘Blauwe Grot’, die betrekkelijk dicht in de buurt lag. In deze kleine, in de rotswanden uitgesleten, konden we heerlijk zwemmen in het glasheldere water. Dit soort grotten troffen we overal aan. Als ze dicht bij de zee lagen, waren ze gevuld met brak of zout water.
Op het strand raapten de Papoea’s matabia’s, welke ze dan door langdurig wrijven prachtig glimmend maakten. Een matabia is een klein dekseltje waarmee een bepaalde slak zijn huisje afsluit. Het verhaal gaat, dat de Yanks, die ze gebruiken als sieraden, er een dollar per stuk voor betaalden.

Pegun

Intussen maakte de bemanning van de Banckert zich gereed om te vertrekken naar Mapia, een groepje vlakke, begroeide eilanden ten noordwesten van Biak. Van de drie atol-eilanden Pegun, Bras en Fanildo,  is Pegun het grootste, en ook – althans volgens onze vooroorlogse gegevens – het enige eiland dat bewoond was.

We hadden echter geen geluk, want toen wij in de late ochtenduren het atol naderden, bleek al spoedig, dat een landing op de zuidwestpunt van Pegun door de hevige branding onmogelijk was. De commandant van de Banckert besliste dat we zouden doorvaren om het later opnieuw te proberen. Toen wij in de middaguren het eiland weer opzochten, bleken de elementen ons gunstiger. Met veertien man in een  motorsloep en rubberboot (type Dinghy) landden we op de kust. Het laatste stukje waadden we door het water, en zagen daar enorme palingen.  De enige onderofficier van onze patrouille ging plotseling snuivend ten onder, om enige meters verder met een rood hoofd weer op te duiken.

Zo arriveerden we op Pegun. Tot onze verbazing vonden we wel een bomtrechter maar geen kampong. Uit de plantengroei konden we wel afleiden dat hier ooit misschien een kampong moest hebben gelegen. Op goed geluk trokken we nu langs de oostkust van het eiland naar het noorden. Gelukkig behoefden we ons niet te verdelen, aangezien het eiland dermate smal is, dat men van onze kant gemakkelijk de westkant kon waarnemen.

Misschien waren we net een kwartier onderweg, toen wij twee mannen ontmoetten. Heel andere typen dan de Papoea’s op het vaste land van Nieuw-Guinea. Kort en gedrongen, breed in schouders en heupen, met zwarte, sluike haren, veel meer het Polynesische type. Ze spraken goed Maleis.Op onze vraag beduidden ze ons, dat de kampong niet aan de zuidwestkant, maar aan de oostkant van het eiland lag.

Even later bereikten we de kampong. We werden er ontvangen door alle inwoners, te weten vier oude vrouwen en drie mannen (onze begeleiders meegerekend). De kampong was netjes aangeveegd, en alles was gereed gemaakt voor de ontvangst. De oude man uitte enige vriendelijk bedoelde klanken,  en daarna werden ‘stoeltjes’ en ‘banken’ aangesleept om de ‘patroelie’ te laten uitrusten van de vermoeienissen. Aan de omvang van de kampong was duidelijk te zien, dat in vroegere tijden het aantal bewoners van Pegun veel groter moet zijn geweest. Gezien ook de ouderdom van de vrouwen, vrees ik voor het voortbestaan van de kampong.

Omdat de vloed weer opkwam, moesten wij na een half uurtje al weer terug. Het afscheid was hartroerend. De oude man prevelde weer wat, en kreeg daarbij tranen in zijn ogen. Uit beleefdheid zetten ook wij een ernstig en bedroefd gezicht op. Vervolgens ging het echter in draf weer terug naar de landingsplaats. Na enige tientallen meters waden kwamen we met behulp van de rubberboot en motorvlet weer aan boord van de Banckert, die hierop terugvoer naar Biak.

Sorong

Sorong, Waigeo, Misool

Sorong, Waigeo, Misool

Van Biak ging de reis naar Sorong, de ‘grote’ plaats van de Vogelkop, waar de N.N.G.P.M. zich na de oorlog vestigde en welke plaats voorlopig gedurende de weekends onze ligplaats zou zijn. Toen wij, komende uit het oosten, straat Selawati indraaiden, zagen wij een groot aantal kleine eilandjes, die, naar wij later vernamen, voor het merendeel onbewoond zijn. Een uitzondering hierop is het eiland Doom, waar de meeste B.B.-ambtenaren wonen en zich een  landmachtkamp bevindt in KNIL-stijl, dat wil zeggen met de gezinnen in de ‘tangsi’. Sorong is de enige mij bekende plaats op Nieuw-Guinea waar sprake is van enig vertier.

Kort nadat de Banckert had aangelegd aan de Petroleumsteiger, debarkeerden weer een aantal mariniers om een bivak in te richten op Doom, om van daaruit patrouilles te maken over de Vogelkop en langs de eilanden Batanta, Selawati en Jefkasim.

Waigeo

Na een plezierig weekend in Sorong vertrok een onuitgeslapen Banckert naar het noorden, om na enkele uren de Kaboeibaai aan de zuidkant van Waigeo binnen te stomen. Waigeo, een onherbergzaam, dicht begroeid eiland met enkele hoge toppen, is het grootste eiland van het noordwestelijke deel van de Nieuw-Guinese Archipel. Helaas nog weinig in kaart gebracht.

Op weg naar Saonek Besar

Op weg naar Saonek Besar

Na een rondvaart in de Kaboeibaai, stoomden wij op naar Saonek Besar, even ten zuiden van Waigeo. Hier is het Binnenlands Bestuur is gevestigd. Een klein eilandje, grotendeels vlak, met alleen in het noord-oosten een flinke heuvel, die niet bebost is en daardoor een prachtig uitzicht geeft over het gehele eiland. De bevolking is gemengd, vreemd genoeg grotendeels Mohammedaans, wat wel een gevolg zal zijn van de invloed van de handelaren uit nog westelijker gelegen eilanden. De kleine Christen Papoeabevolking is in de loop der tijden verdreven naar de uiterste hoek van het eiland en voelt zich maar matig gelukkig in hun kleine woningen (lees: krotjes), gelegen naast de mangrovebossen.

Nadat we in twee groepen het gehele eiland hadden doorkruist, streken we neer bij het kleine haventje. Hier leerden we de simpele manier kennen waarop door de lokale bevolking wordt gevist. Onder de steiger zwommen grote scholen van alle mogelijke soorten ikans. De Papoea’s hoefden niets anders te doen dan hun dregjes te laten zakken, te wachten tot een school voorbijkwam, en dan met kracht op te halen. Een van de haken pikte dan altijd wel vis mee. Een goedkope en snelle wijze van voedselvoorziening.

Van Saonek bracht de tocht ons om Waigeo heen naar de noordkant van het eiland, waar wij in de ochtend van de 29e mei de Fofakbaai binnenvoeren. De Fofakbaai is een slechts kleine inham in de kust, die van geen enkel belang zou zijn, ware het niet, dat van hieruit het enige pad loopt, dat de verbinding vormt van de noordkust naar de Majalibit Baai, lange tijd de schuilplaats van de bekende Duitse kruiser Emden.

Fofak Baai en Lam Lam

Fofak Baai en Lam Lam

Natuurlijk werd ook hier een aantal mariniers aan wal gezet om dit pad te zoeken en zich te vertonen aan de Majalibit Baai. Daartoe landden we bij de nagenoeg geheel verlaten kampong Lam Lam. Slechts één huis was nog maar bewoond en van de enige vrouw ter plaatse hoorden we dat de kampong sinds enige tijd in drieën was gesplitst. De reden hiervoor was dat zich bij een deel van de bevolking lepra had geopenbaard. Deze mensen werden verstoten en stichtten een aparte kolonie. Omdat ook na deze maatregel de lepralijders vrij frequent hun oude kampong, inmiddels Lam Lam Lama genoemd, bleven bezoeken om hun naaste familieleden te zien, hebben de gezinnen die geen prijs stelden op deze visites, aan de overkant van de baai hun Lam Lam Baroe gesticht. Deze wel ver doorgevoerde splitsing werd nog in de hand gewerkt doordat de kepala-kampong een liaisonnetje had in een verder afgelegen kampong en reeds geruime tijd afwezig was.

Uit de inlichtingen, die wij van de inwoners van Lam Lam Lama kregen, bleek ons ook dat van het pad, dat hier moest beginnen en dat onmiskenbaar te vinden was op de kaarten, sedert lang geen sprake meer was, en dat het bewuste pad een aantal kilometers westelijker bij het uiteinde van de baai pas begon en dat het dus aan ons de ‘eer’ was om, gewapend met een Amerikaans kapmes, ons een weg te banen langs de dichtbegroeide en nagenoeg ondoordringbare berghellingen.

Na een zware tocht van een uur of drie arriveerden wij eindelijk bij het begin van een redelijk begaanbaar pad, maar toen bleek de inspanning pas goed te zullen beginnen. Het was alsof het pad bleef stijgen tot in het oneindige. Achter iedere bocht lag weer een nieuwe hoogte. Toen we eindelijk de top bereikten waren we zó vermoeid dat we zonder enig enthousiasme aan de afdaling begonnen. Toch duurde het nog geruime tijd voor we goed en wel konden gaan rusten aan de noordelijke oevers van de Majalibit Baai. Hier had zich een gedeelte van de kleine gemeenschap van Go – de dichtstbijzijnde kampong – verzameld om ons te begroeten en te bekijken. Ook langs de Majalibit Baai zijn volgens de verhalen tal van lepralijders, maar deze houden zich angstvallig schuil voor de patrouilles, ook al worden deze, zoals de onze, vergezeld door een dokter. Hun vrees dateert nog uit de tijd van de Jappen, die weinig medelijden met hen hadden en deze vrijwel ongeneeslijke zieken zonder pardon opruimden. Wij konden niet lang bij de Go-ers blijven en moesten een voorgenomen bezoek aan Kabilol en Beeuw, een eiland in de Majalibit Baai, laten schieten, maar ongetwijfeld is onze aanwezigheid langs de hele baai bekend geworden.

Vanaf de Fofak Baai voer de tocht vervolgens langs het Amerikaanse mandaateiland Tobi (nu een onafhankelijk staatje-red.) en langs het Helen Rif. Hiervan was door de waterstand niet veel méér te zien dan slechts een zware branding. Ons voorgenomen bezoek aan de Ajoe en Asia Eilanden vond geen doorgang vanwege een ‘zuchtende’ huidplaat. Tijdens het volgende weekend werd deze in Sorong gerepareerd. Vervolgens ging het weer naar Doom, om daar de achtergelaten mariniers op te pikken. Het hele detachement was nu weer compleet en de reis voer ons door Straat Batanta naar de Kofian- en Boo Eilanden, de meest westelijke eilandengroepen van de Nieuw-Guinese Archipel.

Mariniers in motorsloep

Mariniers in motorsloep

Deer

Veel sneller dan wij verwachtten arriveerden wij ter hoogte van Deer, een minuscuul eilandje ten noorden van Kofiau. De Banckert kon niet dicht genoeg naderen, en weer werd een aantal mariniers in een paar motorsloepen gedropt, dit keer vergezeld door de dokter. Wie schetst onze verbazing, toen we op de steiger werden ontvangen met het ‘Wilhelmus’, geblazen door een 20-tal Papoea- jongetjes en meisjes op bamboefluiten! Hun repertoire omvatte naast ‘Yankie Doodle’ ook  wijsjes als ‘Piet Hein’ en ‘In een blauw geruite kiel’. We hoorden de muziek aan, en beloonden de kinderen na afloop. Daarna verscheen de kampong-oudste, die ons duidelijk maakte dat het grootste deel van de bevolking naar Misool was vertrokken om voedsel te halen. We trokken hierop in twee groepen over het eiland, en inderdaad, er was op heel Deer weinig eetbaars te vinden.

De dokter had het druk. Hij was achtergebleven in gezelschap van de goeroe, de onderwijzer annex godsdienstleraar, die de aanwezige kampongbewoners liet opdraven voor onderzoek. Uiteraard werden hier, zoals overal elders in deze omgeving, vooral infectieziekten, maar ook framboesia en dergelijke geconstateerd. In tal van woningen troffen wij verouderde en vergeelde foto’s aan van Koningin Wilhelmina. Wij trachtten de bewoners duidelijk te maken dat er nu een andere koningin in Nederland was, maar dat wilde er niet in, dat kon niet. Voor deze eenvoudigen van geest was de figuur van Koningin Wilhelmina een begrip dat geen vervanging duldde. Wij waren nog lang niet uitgekeken op de zwermen fel rood en groen gekleurde parkieten, die van boom tot boom vlogen, toen de dokter ons kwam melden dat hij klaar was. Uitgeleid door de kampongbewoners, zetten wij per sloep weer koers naar de Banckert, die intussen een andere ligplaats had gekozen en op ons wachtte aan de noordwestelijke oever van Kofiau.

thomas ernste_aan boord van de banckert_2

Aan boord van de Banckert

Op weg naar de Banckert passeerden wij nog een ander eilandje, waar men in de veronderstelling was dat wij ook dáár wel zouden aanmeren. Op de steiger had men de Nederlandse vlag al uitgehangen en een massa klappers en andere vruchten voor de ‘patroelie’ verzameld. Wij hadden echter geen tijd, en waren dus gedwongen om hen slechts met een enthousiast gewuif van verre te bedanken. Toch zegt het wel wat, dat wij op de uiterst westelijke punt van dit Nederlandse gebied zoveel opgetogenheid bij het zien van Nederlandse militairen ontmoetten. Tegen de avond waren wij terug aan boord van de Banckert, waar men inmiddels besloten had om ter plaatse voor anker te blijven liggen. Het was een mooie tropenavond, de zon ging prachtig onder tegen het decor van het zwaar beboste Kofiau. ’s Avonds was er film aan boord, hogelijk bewonderd door de inzittenden van een aantal prauwtjes die om de Banckert  heenzwermden.

Misool

Al vroeg in de ochtend werden wij gewekt door de scheepsmotoren. De reis ging weer verder. Met een brede boog voer de Banckert om de Boo Eilanden, om vervolgens koers te zetten richting Misool. Zo naderden wij dit grote eiland vanuit het noordwesten. Gedurende deze tocht sleepte een lijntje van onze dokter achter het schip, met het doel om een roofvis te vangen. Als aas werd een stukje verbandgaas gebruikt dat in het water op een zilvervisje leek. Voorlopig zonder succes.

Aan de noordwestkant van Misool bevindt zich de grootste kampong, Waigama. Toen de Banckert in zicht kwam, liep de bevolking al weer uit om ons op te wachten. De tocht per motorsloep naar de steiger viel echter nog lang niet mee en we raakten enkele malen vast, omdat een deel van het haventje was verzand.

Op de houten stellage was naast een B.B.-ambtenaar en een sergeant van de K.L., ook nog de Radja van Noord-Misool aanwezig. De bevolking leek verrast, toen uit de sloep naast onze vaste metgezel de dokter, ook nog een 15-tal mariniers debarkeerden. Al spoedig hadden wij even buiten de kampong een prettige bivakplaats gevonden. Waigama bleek helemaal niet zo klein als we vanuit zee komende gedacht hadden. Er was zelfs een aantal toko’s, maandelijks bevoorraad vanuit Sorong en gedreven door Chinezen. Aan alles kan men zien, dat de kampong Waigama vrij welvarend is, en dat de invloed van buiten groter is geweest dan in de andere gebieden. Vanaf Waigama loopt een weg dwars over het eiland, die een vlotte Papoea in twee dagen naar kampong Lilinta brengt, door dicht terrein en langs dichte moerassen. Een patrouille van de mariniers heeft een deel van dit pad gevolgd, tot kampong Fakol, en ervoer voor de zoveelste maal dat een Papoea in dit soort terrein toch beduidend sneller is dan de gemiddelde Jan.

Na een groep mariniers in Waigama te hebben achtergelaten, zette de Banckert nu koers naar het zuid-oosten om in de middaguren van de 6e Juni de Patipi Baai binnen te lopen. De nog aan boord aanwezige mariniers bereikten met de motorsloep na ongeveer een uur varen de kleine steiger van kampong Ofi. Hoewel de ontvangst hier niet zo hartelijk was als in Deer, maakte de Mohammedaanse bevolking toch geen ongunstige indruk. Bijzonder is, dat tal van Papoea’s hier geen Maleis spreken, wat elders nagenoeg niet voorkwam. Dit viel des te meer op, omdat de invloed vanuit Indonesië onmiskenbaar was, gelet onder andere op het met behulp van bamboebuizen gemaakte waterleidingsysteem. Ook hier zagen we in de huizen foto’s van Prinses Wilhelmina. Na Ofi bezochten we nog Tetar, een kampong op enige honderden meters varen van Ofi en in tegenstelling tot de eerste, geheel bevolkt door Christen Papoea’s. De goeroe (een Ambonees) was zeer gastvrij en liet ons overal rondneuzen in de school, de kerk en zijn eigen huis. Grappig was het, dat in zijn huis een foto hing van Prinses Irene. Ook gaf hij ons een uitleg van het plaatselijk gezag. Hij vertelde, dat de Korano’s (kepala kampong) allen een soort rang hebben. Zo werden Ofi en Tetar bestuurd door een ‘kapten’, maar kampong Degèn door een ‘majoor’.

Het was al tegen de avond, dat we terugkeerden naar de Banckert. Deze lichtte nu onmiddellijk het anker om langs dezelfde route terug te keren naar Sorong.
Ten zuiden van Misool werd de brug van de Banckert opgeschrikt door het gierende geluid van de telefoon. “Hier brug.” “Hier halfdek. Verzoeke vaart te mogen minderen, want de dokter heeft beet.” De brug was zo goed niet, of er werd vaart geminderd, en onze arts kreeg gelegenheid zijn lijntje binnen te halen. Langzaam werd een grote kakap opgehaald! Eindelijk succes, een glunderende dokter en een zuur kijkende kok, die extra werk kreeg. Het weekend bij Sorong hebben wij vissende doorgebracht, aangemoedigd door het enthousiasme van de dokter.

Fak-Fak en Kaimana

Voor de volgende week was wéér een route naar het zuiden uitgestippeld. Ditmaal rechtstreeks naar Fak-Fak. Bij de nadering ziet men Fak-Fak liggen op de begroeide helling. Zelden zagen wij in Nieuw-Guinea zulke hoogteverschillen en we keken dan ook een beetje zuinig, toen we bij de steiger in een Jeep werden geladen, die ons langs de meest steile wegen naar ons onderkomen bracht.

De Banckert op de rede van Fak-Fak

De Banckert op de rede van Fak-Fak

De eerste dag al werd een aantal lieden uitgestuurd in zuidelijke richting. De weg voerde ons boven langs een paar diepe, begroeide ravijnen om uit te komen in een kali, die bruisend en kolkend zijn bandjirende water loosde in zee. Voetje voor voetje, elkander aan de koppels vasthoudende, trachtten wij op de smalste plaats over te steken. Alles ging goed tot nummer drie van de reeks de koppel van zijn voorganger losliet, en daarmee de beide voorsten aan het geweld van het water overgaf. Even wankelden ze, en toen was het bekeken. Gelukkig hadden ze zoveel verstand om elkaar vast te blijven houden, dit was hun redding. Een 25 meter stroomafwaarts kon een van hen zich schrap zetten tegen een van de in de kali gelegen keien. Na hun gramschap te hebben uitgestort over de man, die hen had losgelaten, werd een andere oversteekplaats gezocht. Deze werd ons tenslotte aangewezen door een klein Papoea-jochie aan de overkant.

Aan de andere kant ging de reis stroomopwaarts verder, waarbij we een paar honderd meter hogerop zowaar een bruggetje van takken en talie ontdekten. We moesten nog enkele keren de kali over, maar hadden nu méér geluk bij het vinden van een oversteekplaats. Via een grote omweg en over een vrij hoge tjot (plm. 800 m.) keerden wij terug naar de baai, waarbij we kennis maakten met de beruchte patjets en bloedzuigers die zich vanuit de bomen naar beneden lieten vallen. Alleen een brandende sigaret helpt om van ze af te komen. Toch zaten diverse leden van de patrouille nog vol van deze beesten toen wij bij de baai aankwamen.
Na enkele keren naar de overkant te hebben geschreeuwd, werden wij groepsgewijs met prauwen overgebracht naar Fak-Fak. Overigens bemerkten wij op deze en volgende patrouilles, dat het krijgen van prauwen in de poeasa-tijd uiterst moeilijk was in deze Mohammedaanse streken.

Intussen had de Banckert zijn reis weer vervolgd naar Kaimana, waar een aantal mariniers aan land werden gezet om rond te neuzen in de oude Jappenversterkingen, die zich op het schiereilandje Bitsjaroe bevinden. Achter de stellingen bevond zich in de rotsen een groot aantal vluchtgangen, welke van west naar oost door de rotsmassa’s liepen. Hoewel we hoopten in deze stelling nog iets interessants te vinden, waren we betrekkelijk snel uitgekeken en keerden we terug naar onze goede Banckert. De volgende dag bracht ons schip ons via het eiland Karas en Fak-Fak, waar we de daar achtergebleven mariniers oppikten, terug naar Sorong.

Een klus op Jefman

Sorong, Doom en Jefna

Sorong, Doom en Jefman

In Sorong stond de stafofficier uit Hollandia op ons te wachten, en na een korte samenspraak met de commandant van de Banckert werd het gehele detachement ter beschikking gesteld. De opdracht was, op Doom twee volledige Quonsets (halfronde barakken) af te breken en daarna opnieuw op te bouwen op het nabijgelegen eiland Jefman.

Om aldaar alvast een en ander voor te bereiden, werd door de Banckert een kleine groep mariniers op Jefman afgezet. Dit kwam goed uit, want de vorige dag was daar een politiebeambte door een Papoea aangevallen, en de komst van deze mariniers werd door de autoriteiten als stok achter de deur gebruikt. Terwijl de Quonsets door hun maten op Doom werden afgebroken, hadden deze lieden de gelegenheid om het gehele eiland rond te kijken. Ook hier werd weer een in de rots uitgegraven stelling gevonden. Het was interessant, om dit alles van binnen te bekijken. In de ‘kamer’ kwam het licht naar binnen door diverse schietgaten, welke van buiten slechts leken op diepe groeven in de rotsen. De Jappen verstonden de kunst van camouflage.

De volgende morgen kwamen de beide uiteengenomen Quonsets met de rest van het detachement mee. Met vijftig man werd meteen begonnen aan de bouw en doorgewerkt tot ’s avonds laat. De volgende dag werd het overgebleven gedeelte gefikst en konden wij op onze lauweren gaan rusten, wachtend op de Banckert, die ons naar Hollandia zou brengen.

Op deze terugweg werd echter eerst nog Manokwari, aan de noord-westzijde van de Geelvinkbaai, aangelopen. Daarna werden nog in Seroei op het eiland Japen enkele mariniers opgepikt, en vervolgens aanvaardde de Banckert de terugtocht naar de Hollandia Baai.

Na zes weken keerden wij terug in Hollandia, en werden daar zowaar verwelkomd door een echte marinierskapel. We waren teruggekeerd op onze basis, en we betrokken weer ‘de Schoenendoos’, onze loods aan de Oranjelaan.

x

Dit artikel werd eerder – in oorspronkelijke vorm – gepubliceerd op de website van de zoon van Thomas Ernste, Bert Ernste. 

 

x

Dit bericht werd geplaatst in 5. Indonesia en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

4 reacties op Zes weken op patrouille in Nederlands Nieuw-Guinea

  1. DP Tick zegt:

    Dank voor dit artikel. U bent maar van alle marken thuis!

  2. Ruud Agerbeek zegt:

    Een interessant artikel. Goed weergeven. Hierdoor zie ik na 58-jaar, diverse taferelen voor me
    weer opdoemen.
    Ben als fotograaf bij de Afdeling Visuele Voorlichting van het Gouvernement, vaak in Nw.Guinea
    op tournee (zoals het toen genoemd werd) gegaan, ook in het Radja Ampat gebied, waar onbewoonde eilandjes met witte stranden lagen. Vissers voeren dan van eiland naar eiland, waar
    ze op sommige eilandjes een put groeven (brakwater) om zich te kunnen wassen.
    Prachtige, lieflijke eilandjes met soms schuin boven het strand hangende klapperbomen (zoals
    wij ze toen noemden).
    Stommeling die ik toen was. Ik heb alles met andere ogen bekeken. Ogen, die alles zo normaal
    en natuurlijk vonden.
    Evenwel, bedankt voor het artikel.

  3. Peter van den Broek zegt:

    Opmerkelijk is dat de Hr. Ms. Banckert op de foto de Geuzen vlag half stok draagt. Het was zeker 4 Mei.

  4. Jan A. Somers zegt:

    Dat het ging om een groep mariniers was waarschijnlijk i.v.m. de ruzie met Indonesië. In de tijd van mijn vader bij de GM gingen er geen gewapende lieden mee. Gewoon dagelijkse tenue. Als de resident mee was, of je moest je opwachting maken bij het plaatselijk Nederlands bestuur, was het pakean deftig. Met pet en sabel! Mijn vader moest dit als gezaghebber doen, maar had er niet altijd zin in. Hij stuurde dan de eerste officier, die kon dan ook een dansje maken met de vrouw van die bestuurder. Was ook corvee!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s