Op zoek naar het Zeemanshuis

“Mijn ouders woonden in 1955 in het zeemanshuis gelegen aan de Perakweg in Jakarta. Heeft U enig idee hoe die straat nu heet?”, aldus de vraag van Thessy Vercauteren in de Java Post. Het leek een gemakkelijke vraag, dus gingen we meteen op zoek. Een eerste zoektocht leverde echter niets op. ‘Perak’ leek namelijk te verwijzen naar Tandjoeng Perak, en dat is Soerabaja, en geen Batavia/Jakarta. Batavia heeft ooit korte tijd een Tandjoeng Perakstraat gekend, maar die lag in de wijk Gondangdia, ver van de haven. Het zeemanshuis in Soerabaja lag wél in de buurt van de Perakweg. Bedoelde zij niet Soerabaja?

Zeemanshuis, Tandjoeng Priok, ca. 1930

Zeemanshuis, Tandjoeng Priok, ca. 1930

Thessy: “Ik weet alleen dat mijn vader beheerder was van het Zeemanshuis. De enige informatie die ik heb is van iemand die een brief heeft ingestuurd naar het Koninklijke Rotterdamsche Lloyd museum. Hij noemt mijn vader bij naam. (…) Mijn vader was René Vercauteren, kwam uit Zeeland en is als missionaris tijdens de oorlogsjaren naar indonesie gegaan. Hij trouwde later met mijn moeder Valesca Bochem geboren in Jakarta en heeft met haar in het zeemanshuis gewoond. Hier zijn ook mijn twee oudste zussen geboren.” 

Kampong Kodja

Een lezeres van de Java Post (dank!) hielp ons aan de link naar het KRL-museum. Nu wordt ook opeens duidelijk hoe het misverstand in de wereld is gekomen. Op de website van het museum vinden we een verhaal van matroos Arie Smit, die in 1955 enkele weken in het zeemanshuis in Jakarta verbleef: “Na enkele weken kwamen we in Tandjong Priok aan en hoorden we dat de ‘Wonogiri’ voorlopig nog niet in deze buurt was. We werden voorlopig in het Zeemanshuis aan de Perakweg ondergebracht en die Perakweg was gelegen aan de weg naar het beroemde/beruchte Kotja… wat kan het leven toch meezitten!”

We moeten het tóch in Jakarta zoeken. Over Kotja werd in de Java Post eerder gecorrespondeerd. Het was een bekende prostitutiewijk in Batavia/Jakarta. Dáár ergens moet het zeemanshuis dus hebben gestaan. Bij de haven en de hoeren, het kan niet missen…

Een krantenbericht

Het zeemanshuis, ca. 1950.

Het zeemanshuis, ca. 1950.

We zoeken verder, en vinden dan, in het Nieuws van den dag voor Nederlands-Indië, een bericht over de officiële opening van het ‘nieuwe’ zeemanshuis, op 19 april 1929. Schout-bij-Nacht Ten Broecke Hoekstra meldde in zijn toespraak dat het vorige zeemanshuis, gelegen aan het Molenvliet, niet voldeed omdat het te ver van Priok lag. Hij dankte de Vereniging Michiel Adriaansz de Ruyter die dit alles mogelijk had gemaakt, de vorige vlootvoogd, vice-admiraal Gooszen, de havendirecteur, de ingenieurs Willems en Ladner, de bouwmeester, het Architectenbureau Reijerse en De Vries, en de verschillende Scheepvaartmaatschappijen, voor het verlenen van geldelijke steun. Ook de regering had subsidie toegezegd. Vervolgens verklaarde hij het huis voor geopend. Krachtig applaus.

“Vervolgens werd een rondwandeling gemaakt door het gebouw, dat een alleraangenaamsten indruk maakte. Een ruime, luchtige, koele zaal, eenvoudig doch gezellig en smaakvol gemeubileerd, waarin twee fonkelnieuwe biljart tafels; een keurige bar; een prettige lees- tevens schrijfkamer; een knusse voorgalerij met uitzicht op de haven; een magnifieke kegelbaan ; een voetbalveld. En de bijgebouwen: de gemakken, etc. mogen er ook wezen.”

Een exact adres werd niet gegeven, maar volgens de kranten in dat jaar lag het huis aan de Zuiderpoortsweg (ook wel Zuiderweg of Zuiderboordweg geheten), “op het terrein tegenover de Tweede Binnenhaven.”  Ook in het telefoonboek van Nederlands-Indië (uitgave 1941) werd het zo vermeld: “Zuiderboordweg t/o 2e Binnenhaven.” We hebben het dus gevonden! Op de kaart van Tandjoeng Priok is de locatie nu gemakkelijk aan te wijzen. Aan de rechterkant zien we ook kampong Kodja.

Bestaat het gebouw nog? Waarschijnlijk niet, als we af mogen gaan op de luchtfoto´s van Google. Het enige gebouw op deze locatie heeft een andere vorm dan het zeemanshuis. Ook kampong Kodja is verdwenen, het heeft plaats moeten maken voor een containerterminal.

Als Thessy binnenkort naar Indonesië reist, zal zij het gebouw dus niet meer kunnen vinden. Maar misschien dat ze toch nog even een kijkje kan nemen op de Jalan Pelabuhan Raya, en daar dan, met de ogen dicht, de zelfde zeelucht kan opsnuiven die haar ouders jarenlang hebben geroken.

x

x

Naschrift
Nu ik de luchtfoto nog een keer beter bestudeer, denk ik dat het gebouw er nog wel degelijk kan staan, zij het aangepast en uitgebouwd. Een grijs gebouw met vierkant groen puntdak komt er voor in aanmerking, evenals een gebouw met rood koloniaal pannendak ter rechterzijde daarvan, beide aan de zuidkant van de Pelabuhan Raya.

x

priok1

priok2

priok 10

priok3

priok4

Het zeemanshuis zou rechts van de onderste groene containers moeten zijn gesitueerd, aan de onderkant van de weg.

Hier dus in het midden, het grijze gebouw. Of toch - aangepast - het gebouw rechts daarvan, met dubbel rood puntdak?

Hier dus in het midden, het grijze gebouw. Of toch – aangepast – het gebouw rechts daarvan, met dubbel rood puntdak?

priok map

Java Bode, 20 juli 1951

Java Bode, 20 juli 1951

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

45 reacties op Op zoek naar het Zeemanshuis

  1. H.A.Naberman zegt:

    In de jaren 1951/58 werkte ik bij het Blauwvries Veem Tanjong Priok en kwam er geregeld….
    Was een paar panden verwijderd van ons kantoor. Ik herinner me de biljarttafels….

  2. hansvschaik zegt:

    Is er al iemand op locatie geweest?

  3. Andre Francois zegt:

    Wat doen jullie toch mooie dingen voor elkaar, geweldig

  4. Thessy zegt:

    Ik kan jullie niet genoeg bedanken voor de informatie. Ik laat jullie weten of het gebouw er nog staat en hoe het er nu uitziet daar.

  5. Herman Keppy zegt:

    Weer grondig werk verricht, Bert. Kreeg je vroeger een stempeltje voor in je schrift: Ga zo door!

    • buitenzorg zegt:

      ‘Dank, meester!’ Zó lastig was dit echter nu ook weer niet. Heb lastiger zaken opgelost zonder zo veel aardige reacties. Dit is echter een van de weinige keren dat ik van dit soort onderzoek verslag doe in de JP.

  6. Ælle zegt:

    Een knap staaltje datajournalistiek van Bert Immerzeel. Bravo!

  7. Thessy zegt:

    Vind net op een ander forum ook nog iets over iemand die iets verteld over het zeemanshuis. Hij verbleef hier 10 dagen en zegt dat het tussen de 2e en 3e haven lag vlakbij was een politiepost. Weet U daar nog van H.A. Naberman?Als ik op de luchtfoto’s kijk ligt daar ook nog een vierkant gebouw rechts vd zijstraat Pabean. Zal ook daar gaan kijken. Laat het jullie weten!

    • H.A. Naberman zegt:

      Het lag inderdaad ter hoogte van/tussen de tweede en derde haven. Aan Pabean ligt het Douanekantoor en daar tegenover een medische post. Het Zeemanshuis lag zo ongeveer tussen Kalimantan en Bangka. Of daar ook een politiepost was kan ik me niet herinmneren maar er waren meerdere politieposten in het havengebied dat in die jaren slechts met een havenpas toegankelijk was.

    • Jan A. Somers zegt:

      “Pabean”! Er gaat een signaal naar mijn denktank. Jakatra nog vóór de verovering door JPC:
      Op de Comoren trof Van den Broecke slaven “uyt Paep Ians Landt, Aethiopien”, en in de golf van Aden werd geankerd “voor de stadt Dordori int landt van Pr. Jan”, het huidige Somalië. In een Engels scheepsjournaal uit juni 1612 staat geschreven dat Kaap de Goede Hoop “is within the region and goverment of Prester John” en even verder dat “In this Land of prester John ther was seene by our Men Lyons and monkeyes (…).” In Jakatra werd de naam van de wijk waar de douane, de pabean, was gevestigd, verbasterd tot Paap Janskwartier, later verder verbasterd tot Papenquartier. Het lijkt erop dat hier de Engelse Paep Jans batterij was gesitueerd, op de westoever van de rivier, tegenover het fort.
      Paap Jan, oftewel Presbyter Iohannes. in het Portugees: Preste Joam das Indias; Engels: Prester John; Duits: der Priester Johannes; Middelnederlands: coninc pape jan, Pryester jan, Keyser paepe jan. Een prachtige mythe! De Portugezen hoopten samen met die mythische christelijke vorst Mekka te veroveren in hun strijd tegen de Islam.

      • H.A. Naberman zegt:

        Nou….deze uitleg is verrassend! Het woord pabean betekent in het Indonesisch zowat alles wat op de Dienst in-en utvoerrechten en accijnzen slaat ….. voorzover ik weet. Ik ging ervan uit dat het een samenstelling was met het woord bea.

  8. maassen zegt:

    Beste Bert, je artikel over het zeemanshuis met aandacht gelezen en voor de vraagster misschien interessant om te weten wat ik je wil vertellen. Indien haar ouders ook in de jaren 52-54 daar beheerders waren, het volgende. Ik slaagde eind 51 voor mijn certificaat. Ging naar de practijkcuerus van RH, werd op gegeven moment opgeroepen en moest met drie collega’s naar Hamburg alwaar vier coasters lagen. Oorspronkelijk uit Soanje en werden aldaar opgeknapt. Ik dacht 19 januari vertrokken we uit Hamburg. Het bootje waar ik op zat heette “Tripang” (zeekomkommer). Na veel gedoe kwamen we in Mei aan in Priok. Bij Aden was er een gezonken! Het schip werd onbewoonbaar verklaard, behalve voor de marconist want die hoorde bij “nergens”. Dat was een minder prettig gebeuren. Toen de Vader van het zeemanshuis er van hoorde en mij ook zag als klein manneke, kreeg ik een kamer in het zeemanshuis. Over de kosten moest ik me niet druk maken. Hoe weet ik niet, maar hij heeft het voor elkaar gekregen dat mijn verblijf betaald werd en ik er nog aan over hield. Dat merkte ik toen hij me wat geld gaf en verklaarde dat ze meer betaald hadden dan hij rekende!!
    Ik heb dus heel aangename herinneringen aan die Vader van het Zeemanshuis het was Mei 1952.
    Overigens , toen ik na twee weken nog niets hoorde, ben ik naar kantoor gegaan van RH dat er vlak bij lag en hoorde dat ik mijn contract niet goed gelezen had (helemaal niet dus) en dat ik bij deze uitgezonden was en voorlopig helemaal niet terug ging. Ik kwam eind 1954 weer in NL aan met de Tabinta.
    Er is veel te vertellen over die tijd, ook over Kotja – een dorp van “plezier” en druk bezocht door de zeelui. Toen was het een gewone haven, nu hoorde ik dat het voornamelijik een containerhaven is. En er ook een pretpark in de buurt ligt. Zelf ben ik er nooit meer geweest.

    Groetjes van Jan op Bali (april weer even naar IJmuiden).

  9. Thessy zegt:

    Beste Jan,
    Wat een leuke reactie. Mijn vader was in die tijd inderdaad beheerder van het zeemanshuis. Mijn ouders zijn in 1957 net als vele anderen moeten vluchten. Fijn om te horen dat U mooie herinneringen aan mijn vader heeft. Precies hoe wij hem ook gekend hebben. Altijd begaan met de medemens. Als er iemand in de problemen zat konden ze altijd bij mijn vader terecht en zette hij zijn eigen zorgen aan de kant. Mocht u nog meer te binnen schieten over mijn ouders, tijdens U verblijf in het zeemanshuis, dan hoor ik dat graag van U.
    Groetjes Thessy

  10. Soedibyo zegt:

    Beste Tessy, ik zal naar dat vierkant gebouw, rechts v/d zijstraat Pabean kijken om zeker te zijn of dat vierkant rood gebouw (volgens luchtfoto) de gewezen zeemanshuis is. Volgens de kaart ligt ten Zuiden van het rood gebouw de Bea Cukai (duoanekantoor). Het is wel mogelijk. Als ik uw logeer adres en de datum van aankomst weet, zal ik u naar het adres brengen. Mijn email adres is bij de Redactie van Java Post bekend. Is het u eerste bezoek aan Indonesia na 1956 ?

    • Soedibyo zegt:

      Beste Tessy,
      PS. Om misverstand te voorkomen, nadere verkalring: Ik breng U van Uw logeersadres naar het Zeemanshuis op de datum en uur die u bepaald.

  11. Thessy zegt:

    Op maandag de 28 april staat onze zoektocht in Jakarta gepland, wij logeren de avond van te voren in Bogor. Wij hebben een prive chauffeur die ons rondrijdt op Java en ons die dag ook naar de plaats van bestemming kan rijden. Ik heb bij Bert uw emailadres opgevraagd, als U tijd en zin heeft om daar mee te zoeken, zouden wij dat heel fijn vinden.
    Groetjes Thessy

  12. Thessy zegt:

    Beste lezers van de Java Post,
    Hier even een kort verslag van mijn zoektocht in Jakarta. Dankzij de hulp van verschillende Java Post lezers zijn wij op het haven terrein in Jakarta kunnen komen met onze chauffeur. Het ouderlijk huis stond er helaas niet meer, ze waren tpv het zeemanshuis bezig met afbraakwerkzaamheden, zijn waarschijnlijk net een jaar te laat. Het haventerrein had helemaal niets meer weg van de foto’s die ik gezien heb van vroeger, maar dat hadden wij ook niet verwacht. Wat een rare gewaarwording dat ze daar ergens heel lang geleden gewoond hebben. Na een paar rondjes gereden te hebben op de jalan pelabuhan raya, konden we niks vinden wat ook maar een beetje op hun huis leek helaas. We hebben onze zoektocht voortgezet naar de kerk waar ze getrouwd zijn. Na lang zoeken gelukkig gevonden. Er was daar een vriendelijke man die ons in de registers liet kijken en daar hebben wij de gegevens gevonden van het H. Doopsel van mijn 2 oudste zussen en het huwelijk van mijn ouders. Was erg emotioneel om te zien.
    We zijn hierna op zoek gegaan naar het ziekenhuis waar mijn zussen geboren zijn, het St. Carolus ziekenhuis en hebben dit ook kunnen vinden. Het graf van mijn opa en oma heb ik helaas niet meer kunnen vinden, wat best een domper was. Ze liggen waarschijnlijk tussen Jakarta en Bogor in begraven, neem aan dat ze hun oude dag bij familie hebben doorgebracht en ik weet dat daar nog familie moet wonen, maar door tijdgebrek helaas niet meer naar kunnen zoeken. Al met al een zoektocht met redelijk resultaat. We hebben onze toer op java voortgezet en hebben er alle vier van genoten. Verder zijn we opzoek gegaan naar een mooi en vredig plekje waar wij een deel van de as van mijn moeder hebben uitgestrooid. Dat is bij een mooie boom bij de Borobodur met uitzicht op de rijstvelden en Merapi berg gebeurt. Achteraf denk ik toeval bestaat niet, wij hebben bij Merapi tour & travel geboekt, mijn zus herkende de tempel van een foto waar ze op staat met mijn ouders. Dit was “de plek” om haar uit te strooien. Ze is nu weer gedeeltelijk thuis in haar vaderland. Mijn Missie is voltooid.
    Daarna zijn we een paar daagjes gaan bijtanken op Bali van een emotionele, prachtige onvergetelijke rondreis op Java. Daar hebben we even tijd gehad om alle indrukken te verwerken.
    Bert nogmaals bedankt voor de hulp en verder iedereen bedankt voor de lieve reacties.

    Groetjes van Ron, Thessy & zonen

    • arij smit zegt:

      ik ben arij smit,ik heb in 1955,vier weken gebivakeerd in het zeemanshuis in tj priok,waar uw vader beheerder was,een aardige,en hulpvaardige man,hij had ook wel humor,wij zaten s,avonds vaak voor het zeemanshuis op een muurtje te praten,met een bepaalde grappigheid vertelde hij dan,dat hij een afgekeurde pastoor was,en dat hij de paus,gedag had gezwaaid,en zodoende vader van het zeemanshuis was geworden,uw moeder was er soms ook bij aanwezig,aan de overkant van het zeemanshuis stond het gebouw van de emigratiedienst,en de slagbomen,om naar kampong kotja te gaan,ik was toen nog maar 16 jaar oud,en had al een jaar op de”willem ruys”gevaren,in het zeemanshuis was ik in afwachting van het ms”wonogiri” heb in totaal 20 jaar gevaren,ook als kapitein,ben al een poos gepensioneerd,en denkt vaak terug aan de tijd in ”indonesie” u weet weer wat meer,u kan altijd mailen groeten arij smit.

      • Thessy zegt:

        Beste meneer Smit wat leuk dat U reageert. Ik ben na een link via KRL naar U op zoek gegaan. Heb gezocht in de woonplaats die werd vermeld maar Ik heb uw adres toen niet kunnen achterhalen, helaas. Toen ik uw verhaal las had ik de tranen van geluk in mijn ogen. Eindelijk had ik iets gevonden van iemand die in het zeemanshuis was geweest en over mijn vader schreef. Daarom vind ik het zo leuk dat U nu reageert. Wij zijn inmiddels terug van een fantastische reis op Java en Bali. Voorheen trok het me niet om naar Indonesië te gaan, maar naarmate ik ouder wordt begon het toch aan me te knagen om naar het geboorteland van mijn moeder te gaan. Veel wist ik niet van het verleden. Voor mijn vader en moeder te pijnlijk om over te praten, dus durfde je er ook niet veel over te vragen toen ze nog leefden. Toen ik ter wereld kwam was mijn vader al 54 jaar. Mijn vader was voor ons een fantastische zorgzame vader. Er ging geen dag voorbij zonder een mop verteld te hebben. Maar achter dat vrolijke masker ging veel pijn en verdriet schuil. Als hij over zijn werk in het zeemanshuis vertelde zag je aan zijn gezicht dat hij daar met veel plezier zijn landgenoten, die aan wal kwamen, de “Hollandse kost” serveerde. Ook mijn moeder vertelde over een geweldige tijd daar in het zeemanshuis. Mijn vader kreeg naarmate hij ouder werd steeds meer last van nachtmerrie’s over het jappenkamp, niemand kon hem daarbij helpen. Mijn moeder wilde graag eens terug en dat heeft ze na de dood van mijn vader gelukkig ook gedaan. Ze heeft toen genoten. Het was voor mij belangrijk om het Zeemanshuis te vinden omdat ze daar allebei heel gelukkig zijn geweest. Ik ben met mijn gezin in de straat geweest waar het Zeemanshuis gestaan heeft, maar of ik op de goede plek was zal ik wel nooit weten. Ik heb niks gevonden wat er op leek en op Google earth werd steeds een andere plek aangegeven wanneer je het adres intoetste. Jammer dat ik deze reis nooit met mijn moeder heb kunnen maken, maar ik ben O zo blij dat ik daar ben geweest waar zij samen met mijn vader een mooie tijd gehad hebben.
        Nogmaals bedankt voor uw reactie.
        Groetjes Thessy

      • arij smit zegt:

        hallo thessy,ik vind het fijn,dat ik je heb kunnen helpen met je herinneringen,en je zoektocht,jammer dat zeemanshuis,nostalgie is,ikheb zelf ok nog wel een paar vragen,hoe oud was je vader in 1955,en is hij dan al voor de tweede wereldoorlog naar indonesie gegaan,omdat u schrijft over het jappenkamp,en wanneer is je vader overleden,en woonde je vader en moeder ook weer in zeeland.ik heb zelf ook weleens zitten googlen,maar kende het haventerrein niet meer terug,op een van de oude plattegronden,welke hier op”java post”staan staat ook een bioscoop,die herkende ik wel,dat was niet ver van het zeemanshuis,en naast de weg naar kampong kotja, ok thessy dat was het dan,de groeten aan de familie,en het beste,groeten uit zevenbergen watermolen 36.

      • Thessy zegt:

        Beste meneer Smit
        Mijn vader is voor de tweede W.O vanuit het kloosterleven uitgezonden naar Indonesië. Hij smokkelde daar medicijnen voor de ziekenhuizen. Is toen opgepakt en in het Jappenkamp terecht gekomen. Het was niet zijn keus om het klooster in te gaan. Tijdens zijn geboorte is zijn moeder op het kraambed overleden, als straf moest hij al als klein kind gaan boeten in het klooster van mijn opa. Mijn vader is in 1909 geboren en was dus 46 jaar toen U in het zeemanshuis was. Wanneer hij precies uit het kloosterleven is gestapt weet ik niet maar het is mij ten oren gekomen hij dat na de dood van mijn opa heeft gedaan. Hij is toen beheerder geworden van het zeemanshuis en heeft daar mijn moeder die 17 jaar jonger was ontmoet. Ze zijn zoals velen uit Indonesië moeten vluchten en zijn tijdelijk bij Fam in Nederland ondergebracht. Niet lang daarna kon mijn vader een baan als kok op een legerbasis in Garmisch Partenkirchen krijgen waar hij met het gezin naartoe verhuisde. Vol trots vertelde hij later dat hij voor Elvis Presley ,die daar gestationeerd was, had mogen koken, haha. Uiteindelijk is hij met het gezin in Limburg belandt waar ik ben geboren. Mijn vader is in 1988 overleden. Mijn vader was naast de geestelijke mishandelingen lichamelijk ook helemaal toegetakeld. Naarmate hij ouder werd namen de pijnen op alle fronten toe. Het was verschrikkelijk voor ons om hem zo te zien. Hij is in 1988 gestorven.

      • arij smit zegt:

        hallo thessy,bedankt voor je toelichting,ivm de verdere levensloop van je ouders,vooral van je vader,ik heb nog een punt,en dat vind ik zeer frapant,ca 2 maanden geleden,werd ik benadert door de webside beheerder van het”krl museum”de heer.van lierde,welke een goede bekende van mij is,benadert of ik wilde meewerken,aan het maken van een dvd,waar de oud krl varensgezelen aan het woord komen,aangezien dit een uitstervend ras is,dus is er een camaran en twee dames bij ons thuis geweest,en heb ik een uur lang ”mijn lloydverhalen”verteld ,ook het verhaal van het zeemanshuis in tj priok,en viel de naam van couteren ook weer,dat moet gebeurd zijn toen julie op zoek waren in indonesie,naar het zeemanshuis,is dit nou toeval,of zou dit door hogerhand zijn bestuurd,de dvd is inmiddels klaar,ik heb de copy ook thuis,en telkens als ik er naar kijkt,dat de naam van couteren ook weer mee,onze dochters en kleinkinderen hebben ook een exemplaar,zo zie je maar dat het zeemanshuis weer nieuw leven wordt ingeblazen,en wordt de naam verder verspreid,ok dat was het dan,groeten arij smit.

      • Thessy zegt:

        Beste meneer smit, ik ben begin april n.a.v. Uw verhaal naar Rotterdam gegaan om nog het een en ander te achterhalen bij het KRL museum. Er was daar helaas niks te vinden over de haven van tandjong Priok. Ik ben er heilig van overtuigd dat toeval niet bestaat. Toen ik de graven van mijn opa en oma niet vond was ik echt teleurgesteld ik had daar een deel van de as van mijn moeder achter willen laten. Wegens tijdsdruk moesten we verder. Toen wij later bij de Borobudur waren kreeg ik sterk het gevoel haar daar uit te moeten strooien, tegenover een mooie berg met uitzicht over de tempel en de rijstvelden . Ik stuurde mijn broer en zussen achteraf een foto . Een van mijn zussen stuurde terug, “die tempel kwam me zo bekend voor, ben gaan zoeken ” en ze had een foto v haar met mijn ouders daar bij die tempel gevonden . S’avonds kwamen we erachter dat het die dag dodenherdenking was. En de volgende dag vertelde onze chauffeur dat die berg de Merapi berg was. Het reisburo waar we geboekt hadden had de naam Merapi tour. Dus het heeft allemaal zo moeten zijn.
        Ik zou het leuk vinden om die dvd waar u het over heeft te kopen, dus misschien kunt u mij op de hoogte houden als hij uitkomt.
        Groetjes Thessy

      • arij smit zegt:

        hallo thessy,ik kan wel iets begrijpen over je zoektocht bij het krl museum,in rotterdam,dit is nl een sub.museum,van het originele museum,dit is gelegen te”oudehoorn”in friesland,daar woont ook de oprichter van het museum dhr.van lierde,tevens oud krl stuurman,die had u toen wel verder kunnen helpen,na 1957 wilde de hr soekarno,geen hollandse schepen meer toelaten i indonesie,dit was het begin van de ondergang,van de krl,zodoende zijn de zeelui,van voor 1960,nog krl varensgezellen,ik zal mijn best doen voor de dvd,deze zijn niet te koop,maar zijn bestemd voor het museum.ivm het krl verleden,en zullen gebruikt worden op tentoonstellingen,mijn zeemanshuis verhalen zijn op,in een vorige reactie heb ik mijn adres opgegeven,via het tel,boek,kan u mij altijd bellen,of woont u niet meer in holland,ik wens u,en de uwe het allerbeste in het verdere leven,gods zegen toegewenst,en tot bels,groeten arij smit.

  13. Ælle zegt:

    Lieve Thessy,
    Bedankt voor het inlossen van uw belofte. Blij dat u gezond en wel terug bent op de Javapost.nl
    Jammer dat het zeemanshuis en alle andere ‘monumenten’ niet voor u en uw gezin bewaard zijn gebleven. Wij zijn al dankbaar dat wat van onze familie was overgebleven het er levend vanaf heeft gebracht met symbolische kleerscheuren. De pijn is gebleven.
    Intussen heb ik voor je gezin op Panoramio een mooie serie van méér dan 2000 foto’s gevonden die gemaakt zijn door Ikung Adiwar. Er staat in het begin een foto bij van de Jalan Pelabuhan Raya en van de haven Tanjung Priuk, onze herinneringsplekjes. Pa werkte voor de KPM.
    http://www.panoramio.com/user/3702693?with_photo_id=90351655
    Laat af en toe iets van u horen. Okay?

    • Thessy zegt:

      Lieve Elle,
      Bedankt voor de link ik ga er meteen op kijken.
      Ook ik ben dankbaar dat mijn familie in die periode heelhuids in Nederland is aangekomen. Ik heb op internet een foto gevonden waarop het zeemanshuis beklad was met allerlei beangstigende leuzen tegen de blanken. Door beide ouders werd vrijwel niet gesproken over de gebeurtenissen die daar hebben plaatsgevonden. Mijn vader wilde niet meer terug vanwege het trauma dat hij had opgelopen in het jappenkamp, plus het feit dat hij met zijn gezin zoals velen uit Indonesië moest vluchten. Mijn moeder vertelde alleen maar hoe goed ze het daar hadden en hoe mooi het was. Zij is na het overlijden van mijn vader ook nog een keer terug geweest. Wat heeft zij toen genoten van die reis. Ik heb nu met eigen ogen gezien hoe mooi Java is en heb daar vaak gedacht, je zou maar gedwongen worden je vaderland achter te moeten laten!
      Ps Ik zal zeker nog wat van mij laten horen.
      Liefs Thessy

  14. Surya Atmadja zegt:

    @ Thessy
    Leuk je verslag te lezen.
    V.w.b de graven van je grootouders moet je mss proberen bij de diverse Christelijke of Kuburan Belanda(Hollandse Kerkhoven) in de Jakarta , Depok ( veel Indische mensen) en in Bogor .

  15. Wil Maassen zegt:

    Mijn vader heeft met zijn familie in het beschreven gebied gewoond tussen 1949 en 1959. In 1995?hebben een oom en tante en hun partners Indosie na jaren weer bezocht. Ze zijn ook in Priok geweest.

    Op de foto’s van dat laatste bezoek zie ik het volgende:

    Over een brede met modder bedekte weg lopen ze naar de wijk waar ze vroeger gewoond hadden. Het lag destijds tussen de kampong en het verblijf van de havenwerkers. Ze passeren een moskee-achtig gebouw. Er zit een bolvormig deel op het dak. Hoewel het gebouw van recente datum lijkt, is al het omliggende gebied braakliggend terrein. Er ligt overal een dunne laag puin. Vegetatie in de vorm van struiken en bomen heeft zich er een weg door gebaand. Hier en daar loopt een greppeltje gevuld met water.

    Buiten enkele erfafscheidingen nabij de moskee staat er geen enkele muur meer rechtop. In plaats daarvan tekent de fundering helder af waar de huizen voorheen gestaan hebben. Ze naderen de plek dichtbij “ons” oude huis. We blijken buren te zijn van de moskee. Ook hier een scheidingsmuurtje.

    Dan twee foto’s van de jachtclub. Het gebouw lijkt veel kleiner dan ik op foto’s van direct voor enna de oorlog zie. Wel ziet alles er redelijk onderhouden uit. Anders dan vroeger kent het nu op de begane grond een houten hekwerk en op de eerste etage glazen vensters. Als ik er een oudere foto langs leg is duidelijk te zien dat het beslist de jachtclub is…

    • Chris zegt:

      Mijn vader heeft met zijn ouders gewoond aan djalan dayak nr. 14 midden jaren 40 in Tanjun Priok. Het waren toen bungalows die daar waren.. Ik ben op zoek naar wat foto’s van toen van die omgeving? Zijn vader was hoofdinspecteur bij de politie daar

      • Chris Dozy zegt:

        Mijn vader heeft met zijn ouders gewoond aan Djalan Dayak nr. 14 midden jaren 40 in Tanjun Priok. Het waren toen bungalows die daar waren.. Ik ben op zoek naar wat foto’s van toen van die omgeving? Zijn vader Herman Frans Dozy was hoofdinspecteur bij de politie daar

  16. I was born in Priok and live here until now, I can help you if you need me. Thank you !

  17. Hessel A. (Bert) Naberman zegt:

    Chris Dozy, ik heb op de CAS HBS gezeten in Jakarta en daar kende ik een jongen Dozy. Hij woonde op Tg. Priok nabij Zandvoort. Was hij familie van je?

  18. Wil Maassen zegt:

    De gids gebaarde ons de bus in te stappen. Het was zeven uur ‘s ochtends. Het leek vroeg, maar heel Jakarta was al in de weer. Een niet aflatende stroom van mensen zocht zich een weg door de straat. Geduw, getoeter, gescheld. Ieder voor zich, Allah voor allen.
    De reiswekker had ons anderhalf uur eerder doen ontwaken. Gezien de warmte niet echt een straf. Ik doezelde nog na onder de douche, koelde af. Schrok op toen in de naburige ruimte de oproep tot het ochtendgebed losbarstte. Iemand had bedacht net voor onze deur luidsprekers op te hangen. Hadden wij weer. Ik droogde mij af en kleedde me aan, liep de badkamer uit. Leona was zich op aan het maken. Ze draaide haar hoofd in mijn richting en glimlachte.
    ‘Hoorde je de oproep voor het gebed? Ik schrok me dood.’
    ‘Ik dacht eerst dat jij mij riep.’
    ‘Tuurlijk schat.’
    Een blowkiss volgde… Mijn Leona. Toen ik haar leerde kennen lag Indië al enige jaren achter me. We spraken er in het begin dan ook niet veel over. We waren jong en genoten van elkaar, keken vooruit. Naarmate ik ouder werd kwamen er vanuit mijn kant anekdotes over Indië. Op een subtiele wijze was Indie altijd aanwezig. Is ook altijd zo gebleven.
    Er werd op de deur gebonkt. Ik hoorde de stemmen van Martha en Hans. Hans vroeg of we klaar waren voor het ontbijt. Ik antwoordde dat we er aan kwamen. Snel sloot ik de balkondeur en keek of ik mijn sleutels op zak had. Leona opende alvast de deur. Een goedemorgen en een goed geslapen? Volgden. Samen liepen we de gang door. We passeerden de luidsprekers. Leona en ik schoten in de lach. Hans en Martha keken ons vragend aan.
    We liepen de restauratie binnen. De inrichting was koloniaal. Een in het zwart geklede ober begroette ons in gebroken Engels en wees ons onze tafel. Ik bedankte hem in het Maleis. Nadat ik mijn fototoestel op de tafel gelegd had, begaf ik mij samen met Leona begaf naar het overdadige ontbijtbuffet. Vandaag ging ik voor een continental breakfast.
    De spanningen zoals die de dag ervoor tussen Leona en Martha ontstaan waren, klonken tijdens het ontbijt nog door. Terwijl Hans en ik over het programma van vandaag spraken, meden de vrouwen echte gesprekken met elkaar. Ik kende mijn vrouw en mijn zus voldoende om te weten dat ik hier buiten diende te blijven. Hans leek zich echter geen raad te weten met de situatie.
    Het idee om samen naar Indonesië te reizen was een jaar eerder geopperd tijdens een familiediner. Ma was jarig. De verjaardag werd gevierd in een Chinees-Indisch restaurant. Hoewel het bij de afhaalbalie redelijk druk was, zaten er in het restaurant weinig gasten te eten. Gek dat dit soort details je bij blijven. Verschillende tafels waren tegen elkaar geschoven en we genoten van het sterk gekruide eten. Zoals gebruikelijk op deze familiefeesten ontbraken de anekdotes niet.
    ‘Weet je nog onze bungalow in de bergen bij Bandoeng.’
    ‘Hadden jullie een bungalow? Waar?’
    ‘In de bergen zeg ik toch. Artjamanik.’
    ‘Maar jullie woonden toch in de stad?’
    ‘We woonden aan de Rozenlaan, nummer vijf.’
    ‘Ja in de buurt van het spoorwegstation.’
    ‘Oh ja, en als je de Rozenlaan verder doorliep, kwam je in een kampong.’
    De anekdotes waren al vaak verteld. Ik kende ze uit mijn hoofd. Het was het cement van onze familie. Martha kwam tijdens het diner met het idee om samen op vakantie naar Indonesië te gaan. Ik was niet enthousiast. Ik deed het anders voorkomen. Het zou wel overwaaien. Dat was niet zo. Een maand later belde Hans. Hij had al het een en ander uitgezocht en wilde graag langskomen om de informatie te bespreken. Om verdere afspraken te maken. Leona en Martha waren nog steeds enthousiast. uiteindelijk ontwikkelde zich ook bij mij enige interesse, nieuwsgierigheid. In Indonesië, nee In Indië, lagen mijn wortels.
    We stonden inmiddels buiten voor het hotel. Ik volgde de instructies van de gids op en stapte in de bus. De chauffeur knikte vriendelijk. Ik knikte terug en nam het binnenste van de bus in mij op. Er waren nog genoeg plaatsen onbezet. Hans en Martha stonden in het midden van de bus en wenkten naar ons. Ik pakte Leona’s hand vast en met kleine passen liep ik naar hun toe. We gingen zitten. Ik bestudeerde de andere passagiers. Veelal blanken, een enkel Japans stel.
    Niet veel later startte de bus en zette deze zich in beweging. Richting Kota Tua, de oude benedenstad. Terwijl de bus zich door het verkeer wrong, keek ik langs Leona heen naar buiten. Het was leuk alle bedrijvigheid buiten de bus te volgen. Sjouwers droegen indrukwekkend grote lasten naar een enkel aan hun bekende bestemming, taxi’s probeerden zich luid toeterend overal tussen te wringen. Ik wees Leona op een hond die op het midden van een kruispunt lag. Het verkeer draaide om hem heen terwijl hij gewoon door bleef slapen.
    Het duurde niet zo heel lang voordat we in Kota arriveerden. Als eerste vielen de vervallen panden op. Een groot aantal stond op instorten. Ook de oudere koloniale gebouwen zagen er verwaarloosd uit. De gids leidde ons naar de kade. We kregen een rondleiding op een groot, onzeewaardig schip. Vervolgens staken we met kleine bootjes de haven over naar een kleine visserskampong. Vanaf het water gaven de prauwen op het strand en de op palen staande hutten het dorpje iets idyllisch. Schijn bedroog. In het water waar we aanmeerden dreven dode ratten, vuil en afval. Nee, beslist geen zwemwater.
    Zodra we voet aan wal zetten, stormden hordes mensen op ons af. We werden welkom geheten. Hallo mister konden ze allemaal wel zeggen. De kampong stonk verschrikkelijk. De omvang van het gehucht stond in geen verhouding tot het aantal huizen en mensen. Het was sterk overbevolkt. De gids verzocht ons vriendelijk door te lopen. Come please. We volgden hem richting een open terrein. Om ons heen gebeurde van alles. Een jongetje in vuile, versleten kleding werd door twee iets oudere jongens tegen een hek gedrukt. Van achteren beukte een derde jongen met zijn blote handen op het hoofd van het slachtoffer sloeg. Het leek alsof ik de enige was die dit tafereel waarnam. Ik keek machteloos toe en wilde wat zeggen. Onze gids verzocht ons door te lopen richting vismarkt. We staken de markt over, zagen hoe een bevuilde, jonge vrouw opzichtig haar baby voedde. Ze schold op enkele mannen. Verbaasd keken de mannen elkaar aan. Zich van geen kwaad bewust.
    We volgden de weg naar het oude stadhuis met het beroemde bevruchtingskanon. Leona en Martha raakten weer met elkaar in gesprek. Ik knipoogde naar Hans. Hij knipoogde terug en wees op een aantal neo-klassieke gebouwen. Statige gebouwen van weleer waar nauwelijks onderhoud aan was gepleegd. Leegstand, grondspeculatie. Pa had ze vast nog in hun goede doen meegemaakt.
    Hij overleed in 1968. Martijn en ik waren bij hem. In het ziekenhuis. Na al die jaren liet hij op zijn sterfbed wat meer van zichzelf zien. Ontstond er een band. Er werden geen fouten vergeven of diepe geheimen opgebiecht. We vertelden elkaar enkel wat flauwe grappen. Lachten samen. Op het einde fluisterde hij ons iets toe. Trok me dichterbij tot mijn oor bijna tegen zijn mond rustte.
    ‘Wat duurt het lang.’
    Ik kon niets terugzeggen. De woorden bleven steken in mijn keel. Martijn keek mij vragend aan. Ik herhaalde wat pa gezegd had. Hij legde even z’n hand op mijn schouder en schoof vervolgens naar pa toe. Pakte zijn hand.
    ‘Ja pa, het duurt lang. Al heel lang.’
    Ik zag dat de hand van pa samenkneep. Martijn kuste hem op het voorhoofd. Pa sloeg zijn rechterarm om Martijn heen en gebaarde mij met de andere arm om dichterbij te komen. Na al die jaren kwam pa eindelijk thuis.
    De bus haalde ons op bij het stadhuis en bracht ons naar het Fatahillah plein. Er was een markt gaande. Overal stonden kraampjes. De geuren van de oosterse kruiden kwamen ons tegemoet toen we uitstapten. We volgden de gids. Bij een groente- en fruitkraam maakten vrouwen in bonte kleding kritisch hun keuze. Wat volgde was het spel van afdingen. Leona trok me aan mijn arm en wees naar de andere zijde van de straat; een busje overladen met mensen helde gevaarlijk ver over. Een scooter met drie volwassenen en een baby week uit. Dat ging net goed.
    Ik pakte mijn zakdoek en veegde mijn voorhoofd af. Het was warm. Drukkend. Benauwd. Een bezoek aan het café Batavia bood een uitkomst. Bouw, inrichting en plafondventilators zorgden voor een aangename temperatuur. De talloze foto’s aan de wand toonden filmsterren, staatslieden en het Batavia van weleer. Een gevoel van melancholie overviel me toen ik een foto van de Koninklijke Bataviasche Jacht-Club in Priok zag hangen. Triomfantelijk keek ik om mij heen. Wilde het delen met mijn reisgenoten. Ze liepen de houten trap naar de Grand Salon op en wenkten me. Jammer.
    Even later plofte ik naast Leona neer op een stoffen bank. Het eten was naar Indonesische maatstaven duur maar zag er erg lekker uit. Ik besloot om Engelse pancakes te nemen. Het bleek een goede keus te zijn.
    Na de smakelijke lunch bracht de bus ons naar het Medan Merdeka, het voormalige Koningsplein. Het plein was aan alle zijden omgeven door brede boulevards en regeringsgebouwen. In het midden torende vanuit een groot plantsoen het 137 meter hoge Monumen Nasional hoog boven ons uit. Het was overweldigend. Het museum sloegen we over. Konden hierdoor het vrijkomende uur wat rondslenteren in de directe omgeving. Hans stelde voor de nabij gelegen Istiqlal moskee te bezoeken. We passeerden een groot aantal kraampjes. Allerlei soorten koopwaar werd aangeboden. Bij een kleine kiosk kochten Leona en Martha ieder een hoofddoekje.
    Terwijl Hans foto’s maakte, keek ik om mij heen. Ik was niet voor het eerst in Jakarta. Tot nog toe had ik echter niets in het straatbeeld herkend. Het verbaasde mij niet echt. We hadden nooit in de stad zelf gewoond. Na een verblijf van ruim drie jaar als vluchteling in Nederland, voegden we ons uiteindelijk in 1948 weer bij pa in Batavia. Hij had een woning in het sterk beveiligde havengebied toegewezen gekregen. En hoewel ik een school in Batavia stad bezocht, had ik de stad zelf nooit echt kunnen verkennen. Mijn oog viel op weer een grote hoeveelheid zwerfafval. Het lag overal. Niemand leek zich erom te bekommeren. Ook lagen hier en daar delen van het riool open. Het rook er niet prettig.
    Met hoofd en schouders bedekt, kwamen Leona en Martha het winkeltje uitgelopen. Vrolijk draaiden ze een rondje om ons heen. Hans en ik bewonderden de aankoop. Ons onderonsje werd verstoord toen een gids zich aanbood om ons in de moskee rond te leiden. De drie dollar die hij vroeg, waren niet onoverkomelijk. We stemden in… en gelijk leidde hij ons langs een rij wachtenden het marmeren gebouw binnen. Er woei er een koel briesje. Het voelde aangenaam aan. Bij een loketje kochten we tickets. Een bebaarde man reikte ons lange gewaden aan en wees ons welke richting we op moesten. Een trap leidde naar een balkon van waaruit we met open mond uitkeken op de gebedsruimte. Een gigantisch aantal gebedsgangers vereerde onder ons hun god. Desondanks was de enorme moskee bij verre na niet gevuld.
    We liepen terug naar de bus. Ik opperde het idee om op eigen houtje Tanjung Priok te gaan bezoeken. Hans legde het voor aan de gids van de bus. Deze was aanvankelijk wat terughoudend maar realiseerde zich al snel dat hij nog voldoende reizigers overhield. Om hem over de streep te trekken, gaven we aan af te zien van een refund en stelden we een royale tip in het vooruitzicht. Hij ging om. Als beloning wees hij ons een taxistandplaats.
    Het duurde niet lang voordat we daar een taxi bemachtigd hadden. We legden uit dat we naar de grote haven wilden. De chauffeur knikte vriendelijk.
    ‘Permisi’
    Hij hield de deur voor ons open. Een voor een stapten we in. De taxi had airconditioning. Er klonk Indonesische muziek… En op het dashboard stond een wiebelende Ganesh. We kwamen een prijs overeen en dus werd de meter werd uitgezet. De chauffeur hield er verder het zwijgen toe. We mengden ons opnieuw in het drukke wegverkeer.
    Onderweg passeerden we allerlei oude, grote gebouwen en kleine huizen. De grotere gebouwen waren ook hier grotendeels in een vervallen staat. Eerst hadden de Indonesische bestuurders de Nederlandse erfenis genegeerd, weg willen stoppen waar niemand het zag. En toen na jaren de waarde werd ingezien, was het veelal te laat. Was het te kostbaar om de oude luister te herstellen. De huisjes waren er niet veel beter aan toe. Hier woonden onmiskenbaar de armsten der armen. Een gevoel van schaamte maakte zich van mij meester. Hoe zat het met mijn erfenis?
    De chauffeur zweeg de meeste tijd tijdens de rit maar regelmatig klonk zijn claxon om zijn bedoelingen aan de medeweggebruikers duidelijk te maken. Het werd niet duidelijk welke verkeersregels er golden. In een poging een kruier te ontwijken die onverschrokken of misschien wel onverschillig over het midden van de weg liep, botsten Hans, Martha en Leona wild tegen elkaar aan. Ik kon de plotselinge schok naar voren opvangen door mij met gestrekte armen af te zetten tegen het dashboard. En toen volgden nog de scooters, de over de weg waaierende fietsers, de gammele kleine oranje driewielers met hun sterk vervuilende motor… en de heftig in gesprek zijnde groepjes vrouwen langs of op de weg waarmee rekening gehouden diende te worden. We aanvaarden ons lot. Het poppetje op het dashboard bewoog alle kanten uit. Halverwege de rit ontdekten we dat de chauffeur begrepen had dat we naar Sunda Kelapa Harbor wilden. Waren daar eigenlijk wel enthousiast over. We konden vanuit de oude haven altijd nog doorrijden naar Priok.
    Sunda Kelpa kende veel activiteit. De chauffeur liet ons enkele mooie plekjes zien. We hadden onderweg al besloten om de taxichauffeur aan te houden en ons bezoek aan Sunda Kelapa niet te lang te laten duren. Toen we uitstapten, werden we van alle kanten bestormd door kleine handelaartjes en gidsen.
    ‘But I got a license! I’m allowed to show you around! Look at my license, look!’
    ‘No thank you…’
    ‘Where are you from?’
    ‘Belanda…’
    ‘Ah, you want to see the real life?’
    ‘Yes…, but no thank you.’
    Hans stond met zijn reisgids in de hand en prevelde zijn ingestudeerde Bahasa Indonesia
    ‘Tidak terima kasik pak.’​
    Nee bedankt meneer. Ik moest grinniken. Hans keek mij vragend aan. Dat er op dat moment een jonge vrouw voor hem stond, ontging hem volledig. Ik trok hem achter mij aan.
    ‘Als men jou iets zegt, zeg gewoon: Saya Tidak Mengerti’
    ‘Ik begrijp je niet.’
    ‘Precies…’
    ‘Serieus, ik begrijp je echt niet.’
    Hans keek mij vragend aan. Ik toonde hem het woordenboekje. Hij veerde op en knikte. We liepen over de havenkade. Overal lagen houten bootjes. De boeg naar de kade gericht. Het was een indrukwekkend gezicht. Zeelieden waren continu in de weer. We bleven even staan kijken bij het uitladen van een groot schip. Aangezien het schip te hoog was voor de kade had men met een deel van de lading hout een steiger en een steil aflopende loopplank gemaakt. Twee vrachtwagens stonden achterwaarts tegen de steiger. Behendig liepen de koelies af en aan, de loopplank veerde griezelig op en neer. Bij de vrachtwagens werd de last overgenomen. Via een kortere loopplank keerde de kruier weer snel terug aan boord… om een volgende lading op te halen. Verder langs de kade. Onze chauffeur zag ons naderen. Hij gooide een peuk weg en zwaaide naar ons.
    We reden richting Priok. Ook nu was er van alles te zien. Zo waren er kinderen die langs de weg speelden of die zich aan het wassen waren. Er waren honden die na hun nachtelijke zwerftochten en gevechten nu vredig in de zon lagen te slapen en verkopers die in hun zaakjes en restaurantjes klanten bedienden of juist op klanten wachtten. Brede straatjes wisselden smalle straatjes af. We naderden een woud van kranen en masten. De grootte van de schepen was indrukwekkend. Vooral de ongeladen schepen rezen hoog op uit het water. We passeerden de kranen, de cementfabriek. Ik genoot… Dit meende ik te herkennen.
    Het havengebied was tijdens de opstand omheind met prikkeldraad, streng bewaakt. We werden in een legertruck naar school in Batavia gebracht. Dat was veiliger. ’s Morgens vroeg, het was nog donker, stonden we op de hoek van de straat te wachten op de vrachtwagen. Naast de chauffeur en bij ons in de laadbak zat een soldaat met een doorgeladen wapen. Het waren dreigende tijden.
    Christoph en Martijn gingen in Batavia naar de HBS, ik bezocht de ambachtsschool. Terwijl hun klassen grotendeel uit totoks bestonden, was ik de enige totok tussen Indonesische jongens. We rookten samen zware shag en deelden onze gedachten en plannen. We gingen gelijkwaardig met elkaar om. Het waren mijn vrienden.
    Door de verschillende lestijden kwam het regelmatig voor dat de militaire truck al weg was als ik uit school kwam. Liftend ging ik dan naar huis. De militaire voertuigen waren altijd bereid Europeanen mee te nemen. Zo reed ik met trucks, jeeps en zelfs achterop motors mee naar het militaire kamp in Priok. Een keer stopte er zelfs een TNI-vrachtwagen. Er was een bestand van kracht. Het Tentara Nasional Indonesia en het Nederlandse leger accepteerden dan tijdelijk de status quo. De chauffeur was een Javaan gekleed in een gevechtsuniform en met lange, zwarte haren. Grote handen had hij ook. Hoewel ik gedurende de rit bloednerveus was, hebben we onderweg over van alles en nog wat gepraat. Toch was ik opgelucht toen we bij het Nederlandse legerkamp in Priok aankwamen en ik afscheid van hem kon nemen. Van daaruit moest ik dan verder lopen. Ik kon de korte route door het Nederlandse legerkamp nemen. Of de langere route om het kampement heen. Meestal koos ik voor het eerste. Nadeel was wel dat ik bij het verlaten van het Nederlandse kamp langs meerdere controleposten moest. De soldaten bij de Nederlandse controlepost waren vrij relaxed. Ze groeten vriendelijk en waren meestal wel in voor een praatje. De controlepost van het TNI richting Pasar Kota werd bewaakt door een tiental zwaar bewapende nationalisten. Ik moest hier vragen beantwoorden en ik werd meer dan eens gefouilleerd. Alle keren kon ik uiteindelijk weer doorlopen. Ik liep dan verder door een straat met enkele winkels en een Chinese toko met bar. Daar zaten altijd de prostituees en de Nederlandse militairen die wilden scoren. De hoertjes waren herkenbaar aan hun met talkpoeder bedekte witte gezicht. Niet altijd volstond dit om de wondjes verspreid over hun gezicht te verbergen. De buurt was beroemd en berucht in heel Indië en daarbuiten. Het was de Pasar Kota.
    Hans probeerde vanuit de auto foto’s te maken. De beelden die ik op het netvlies had staan waren voor hem onzichtbaar. We verlieten het drukke havengebied en reden een klein bruggetje over. De tot dusverre zwijgzame taxichauffeur liet van zich horen.
    ‘Sir, Kota Kanal.’
    Ik keek hem aan om vervolgens naar buiten te kijken. Ik draaide mijn hoofd om. We waren zojuist een bruggetje over een klein waterstroompje over gereden.
    ‘Kota Kanal here?’
    Een grote glimlach verscheen op zijn gezicht.
    ‘No sir, was here.’
    Nu drong het tot mij door. Het kanaal waar ik altijd ging vissen, waar Lies en een vriendin gilden toen ik een kreeft ving… was gedempt. Het kanaal lag op vijf minuten lopen van ons huis. Mogelijk dat dit stroompje het enige was dat restte.
    Martha boog onopvallend naar voren.
    ‘Matt, waar raakte je zo opgewonden over?’
    ‘Dat stroompje, dat bruggetje. Vroeger lag er een breed kanaal met een betonnen brug.’
    ‘Ja?’
    ‘Nou, dat is er niet meer. Het is gedempt.’
    ‘Okay!’
    Ze leunde weer terug en wees naar een naderende bakfiets. Even leek het alsof de fietser een opstopping zou gaan veroorzaken. Terwijl ik de omgeving in mij opnam en oriëntatiepunten zocht, vertelde ik mijzelf dat Martha destijds acht jaar was. Voor haar was deze reis meer een kennismaking met Indonesië dan een thuiskomst. Een thuiskomst! Zo had ik het tot nog toe niet ervaren… maar het voelde nu wel zo. We reden voorbij enkele eenvoudig gebouwde opslagloodsen. Grotendeels aluminium golfplaten. De weg was goed verhard. In de verte waren brandstof silo’s en kranen zichtbaar. De stem van de chauffeur klonk weer.
    ‘Jalan Donggala.’
    Ik knikte en weer zocht ik naar oriëntatiepunten . Terwijl hij zijn linkerarm uitstrekte wees de chauffeur naar rechts.
    ‘Jalan Jambi.’
    Ik maande hem te stoppen. Kort legde ik aan de anderen uit dat we er bijna waren. Het laatste stukje wilde ik lopen. We stapten uit.
    Over een brede met modder bedekte weg liepen we verder. Naar de kavel waar vroeger ons huis had gestaan. Ik moest zoeken. Probeerde mij te oriënteren. Buiten enkele erfafscheidingen stond er in de straat geen enkele muur meer overeind. Helder tekenden de resten van de funderingen zich af waar ooit de muren van de huizen hadden gestaan. Overal lag puin. Verspreid lagen lege blikken melkpoeder. Vegetatie in de vorm van struiken en bomen had zich door het gruis en de rommel heen een weg gebaand. Een greppel gevuld met water doorsneed het terrein. We naderden een moskee. Achter ons huis lag een kampong. Hier woonden de koelies. Het bestond vooral uit eenpersoons verblijven. Er stond een muur van zo’n twee meter hoogte omheen. Ook toen al stond er in die kampong een moskee. We waren dus heel dichtbij.
    ‘Wat een vervallen wijk’,
    Ik zag dat Martha een beetje teleurgesteld was van de aanblik.
    ‘Destijds vond je hier de betere huizen. Sommigen hadden zelfs uitzicht op zee.’
    Hans stond met de handen in de zij. Het fototoestel bungelde op zijn borst. Hij keek rond.
    ‘Ik zie nu vooral de havenwerken in de verte… en wat een puin zeg.’
    Ik nam de omgeving op mijn eigen manier in mij op. Waar de anderen funderingen en puin zagen, verrezen in mijn hoofd de huizen zoals ze vroeger waren.
    ‘Het was een wijk van twee straten met nog geen vijftien woningen. Slechts twee van de woningen werden bewoond door totoks.’
    We naderden de plek dichtbij ons oude huis. Hans maakte toch maar weer foto’s. Martha keek op een kaartje dat Lies en ik eerder uitgetekend hadden.
    ‘Uitgaande van het stratenpatroon en de plaats van de moskee moeten we nu voor ons huis staan.’
    ‘Ja, het is het tweede huis.’
    Ik stond op de plek waar eens de toegangspoort van het perceel had gestaan. Het voelde… zoals thuis voelt. Vertrouwd, een stuk van jezelf.
    ‘Kom, we gaan op de koffie.’
    Ik deed alsof ik een poort opende. Hans keek mij aan of ik gek was. Leona haalde haar schouders op. Ik stapte naar binnen.
    Ons huis had aan de voorzijde een tuin met een veranda. Linksom kon je via een poort naar achteren lopen, rechts was een pad dat via een deur naar het terras aan de achterzijde van het huis leidde. We zwermden uit over wat eens ons huis was. Ikzelf betrad de veranda. Het hout kraakte onder mijn voeten en gelach klonk om mij heen. Pa en ma, de meisjes, Christoph, Martijn, iedereen was aanwezig. De kleur in de met talloze lichtjes opgloeiende avondduisternis was groezelig bont. Ervoer opnieuw de warme tropische avonden op de veranda.
    Ik keerde terug. Voor mij tekende zich de fundering af. De binnenzijde was gevuld met puin, vuil water en planten. Balancerend op de funderingsbalken en het puin sprong ik door het huis. Ondertussen naar de anderen benoemend waar ik mij bevond. Hans lachte om mijn gespring. Leona maande mij tot voorzichtigheid. Martha verklaarde mij nu ook voor gek en hief haar armen ten hemel.
    Ik verliet het huis door de achterdeur en kwam uit op het achterterras. Met een zakdoek veegde ik mijn voorhoofd af. Jezus, wat was het warm. Rechts, richting de achterzijde van de tuin lagen aan een galerij het slaapkamertje van de baboe, de keuken of goedang, de slaapkamer van de jongens, onze badkamer, het toilet en tenslotte het toilet van de baboe met de waterput. Achter het huis lag verder een grasveldje met bomen. Een muur aan de achterzijde scheidde onze binnenplaats van de onderkomens van de havenarbeiders. Hans stond bij het muurtje. Het reikte tot aan zijn schouders. De verf was afgebladderd en groen uitgeslagen. Ik wees op het muurtje.
    ‘De muur was vroeger zo’n twee meter hoog. De onderste 80 centimeter waren met teer zwart geverfd. Tegen de witte mieren. Het andere deel werd regelmatig wit geverfd.’
    Ik raakte de muur aan. Streek erover. Groene vuiligheid bleef achter op mijn vingers. Leona reikte een tissue aan. Ik nam het aan en keek opnieuw naar het muurtje.
    ‘Aan de bovenzijde van de muur waren glasscherven ingemetseld. Toch zijn de koelies een keer over de muur geklommen.’
    ‘Ja, ma heeft dat ooit verteld.’
    ‘Ze braken de goedang open en namen vooral kleren mee.’
    ‘Kokkie had alles gehoord maar durfde geen alarm te slaan. Arm kind.’
    ‘Niet veel later werd de Chinese eigenaar van de toko vermoord, Door koelies of rampokkers. Kokkie nam ontslag en keerde terug naar haar kampong.’
    Wij, de jongens verhuisden na het incident naar een slaapkamer aan de achterzijde van het huis. Dit leek pa en ma veiliger. Vanuit ons slaapkamerraam konden Martijn en ik alles zien wat zich rechts achter bij de waterput en het open toilet van de baboe afspeelde. We waren 16 jaar, volop aan het puberen.
    We keken nog eens goed om ons heen. Martha en Hans maakten foto’s van het puin. Ik stak een scherf van een dakpan in mijn zak. Zorgde ervoor dat niemand het zag. Leona dronk uit haar fles. Ze gaf de indruk dat ze genoeg gezien had.
    Ondanks de extra beveiliging in de wijk waren we vroeger voortdurend op onze hoede. We gingen na schooltijd niet vaak de straat op. Pa sliep in die tijd met een geladen revolver onder zijn kussen. Als wij ’s nachts naar de wc op de achtergalerij moesten, liep pa altijd met ons mee. Een keer toen we allen voor het huis van de koelte zaten te genieten, hoorden we een groep inlanders met veel kabaal aankomen. We vluchten snel naar binnen. Pa en ma sloten de luiken voor de ramen. Later bleek dat de kabaalmakers enkel naar een Tarzanfilm waren geweest en daar nogal opgewonden over waren. Toch was onze angst niet ongegrond. Met het oog op de dreiging zorgde pa er voor dat tegenover ons huis een wachthuisje kwam met een inlandse soldaat. Lies zei altijd dat als er werkelijk gevaar was geweest, de soldaat onmiddellijk op de vlucht geslagen zou zijn. Ma leed er het meest onder. Als wij naar school waren en pa naar zijn werk, was zij alleen thuis. Alleen met haar angst.
    We liepen samen terug het huis in. Voor ons lag de eetkamer met rechts de latere slaapkamer van de jongens en de slaapkamer van de meisjes. Ik sprong naar de zitkamer die aansloot op de voordeur. Rechts van mij lag de ouderlijke slaapkamer.
    Ma kon het op een gegeven moment niet meer aan. Het kwam ’s avonds laat tot een uitbarsting. Ma verweet pa dat hij haar en de kinderen terug had laten komen terwijl het absoluut niet veilig was. Ma was zo angstig en boos dat ze de controle verloor, er alles uitgooide wat haar dwars zat. Wij werden wakker van haar geschreeuw, gehuil. De jongere meisjes waren behoorlijk van streek. Ze zetten het op hun beurt op een krijsen en huilen. Martijn en ik probeerden hen te kalmeren. Het was Lies die zich als eerste tot onze ouders richtte.
    ‘Kunnen jullie nu stoppen met ruzie maken? Dan kan ik weer gaan slapen.’
    Kort en bondig. To the point.
    We liepen terug naar buiten. Nog een keer maakte ik een foto. Nam afscheid. Had geen herinneringen aan het afscheid van jaren geleden. Wilde dit moment vast inprenten.
    We kuierden terug naar de taxi. Napratend over wat we zojuist gezien hadden. Napratend over wat terug in onze herinnering was gekomen. De chauffeur stond tegen de auto aan geleund een sigaret te roken. Ik liep naar hem toe en stak ook een sigaret op. In mijn beste Engels vroeg ik of de Jacht-Club er nog stond. Hij knikte.
    ‘A few minutes’,
    ‘There!’
    Hij wees naar het noorden. Na enig overleg met de anderen, vroeg ik de chauffeur er naar toe te rijden.
    We kwamen gewoonlijk tegen een uur ’s middags thuis van school. Toen kokkie er nog was, stond het eten dan al op ons te wachten. Daarna gingen we vaak naar het strand. Van ons huis uit liepen we binnen tien minuten naar de Jacht-Club.
    De chauffeur stuurde de onverharde achterplaats bij het paviljoen op. Er stond een witte Japanner en een rode 4WD. Het gebouw was nog in gebruik. We stapten uit. Het gebouw leek veel kleiner dan ik mij herinnerde. Hans maakte opnieuw foto’s. Eigenlijk was het van deze kant maar een heel eenvoudig gebouw. Ik had het ook niet onmiddellijk herkend. Vroeger straalde het aan alle kanten luxe uit. De chauffeur wees ons hoe we aan de voorzijde konden komen. Alles zag er redelijk onderhouden uit. Anders dan vroeger kende het nu op de begane grond een houten hekwerk en op de eerste etage ramen.
    Het feit dat pa geen lid was van de Jacht-Club weerhield ons er niet van om er geregeld een bezoek te brengen. Brutaal liepen we dan het terrein op. De bediendes wisten toch niet dat we geen lid waren. Toen we een keer het zoontje van kokkie meenamen, werd hij gesommeerd het terrein te verlaten. Wij dachten een statement te maken door met hem te vertrekken. Gingen vervolgens naar het strand waar de inlanders zwommen. Het lag iets verder naar het oosten.
    Aan de oostzijde van het paviljoen strekte een lange kade zich uit. Aan de voet lag het goudgele zand. Bij vloed sloeg het water hoog tegen de kade. Op veilige afstand van de zee liep over de kade een weg naar de verderop gelegen baai. Grote scheuren in het beton en plukken helmgras lieten zien dat er lange tijd geen onderhoud was gepleegd. Het terras voor het paviljoen was er nog steeds. Met vlaggenmast maar zonder zitjes, parasols en vooral zonder het geluid van schreeuwende kinderen en pratende ouders. Het was er niet meer. Wat er nog wel was, was het geluid van de golven die op de rotsen sloegen en de krijsende meeuwen in de lucht.
    Ik liep een stuk de pier op en keek uit over de kuststrook. Het verleden dook weer op. Voorbij het strand van de locals lag een lagune. Meer land inwaarts lagen moerassen en stikte het van de muggen. We hadden in Indië nooit malaria… Alleen toen we in Priok woonden.
    Voor ons jongens was de lagune een geliefde plek om te vissen. Je kon de monding bij eb oversteken en daarmee snel bij de beste visstek komen. We hadden echter geen enkele notie van eb en vloed. Een keer werden we dan ook verrast door het opkomende water. Terwijl we in een hand onze hengel omklemden, maakten we met de andere hand zwembewegingen. Het schoot niet echt op. Vooral Christoph had er moeite mee. Aangemoedigd door Martijn en mij gooide hij tenslotte zijn hengel weg. Hij had toen beide armen vrij. Uiteindelijk hebben we ons toch maar omgedraaid en zijn we terug gezwommen. Er was geen beginnen aan. Thuis aangekomen vertelden we Helena en Lies over ons avontuur. We vertelden erbij dat ze het niet aan ma mochten vertellen. Een buurmeisje versprak zich echter de volgende dag tegen ma.
    ‘Wat erg hé, dat Christoph bijna is verdronken.’
    Ma werd helemaal hysterisch en we kregen verschrikkelijk op onze kop. Van alles werd ons verboden. Die lagune bleef echter aan ons trekken.
    Een keer deden wij jongens daar een wedstrijd wie het verste kon plassen. Lies mocht het resultaat beoordelen. We hebben er een hele tijd rondgehangen. De volgende dag hoorden we dat een missionaris die wachtte op inscheping in Priok vlakbij die plek was vermoord door inlanders. In koor riepen we:
    ‘Daar zijn we gisteren ook geweest.’
    Gelukkig was ma niet in de buurt…
    Ik keek richting zee. Er vormden zich enkele donkere wolken en er woei een fris briesje. Ik stak mijn handen in mijn zak. Voelde de scherf van de dakpan.
    ‘Kom jongens, dadelijk gaat het gieten.’
    Terwijl de anderen zich omdraaiden en aanstalten maakten om terug naar de taxi te lopen, haalde ik de scherf tevoorschijn. Ik bewoog de scherf tussen mijn vingers, keer ernaar.
    Ondanks de aanhoudende onveilige situatie woonden we ruim een jaar in Tandjong Priok. Toen de nationalisten het verblijf te gevaarlijk maakten, werden ma en wij, de kinderen in een opvangkamp in Batavia ondergebracht. Niet veel later voeren we met de Fairsea vanuit Priok terug naar Nederland. Pa zou pas later volgen.
    Even twijfelde ik. Om vervolgens de scherf met een grote boog voor mij in de zee te gooien. Draaide mij om naar het paviljoen. Martha en Hans waren inmiddels uit het zicht verdwenen. Leona stond bij het paviljoen te wachten. Ze keek mij glimlachend aan toen ik haar naderde.
    ‘Het verleden is mooi.’
    Er verscheen een frons op haar voorhoofd.
    ‘Je bedoelt dat het vroeger mooi was?’
    ‘Nee, dat het verleden mooi is. Mooi is… omdat het op het moment dat het gebeurt nauwelijks een betekenis heeft. Die betekenis geven we er pas later aan.’
    ‘Erg diepzinnig.’
    Ze moest lachen. Keek me echter ook met een schuin oog aan.
    ‘En hoe zit het met de nare herinneringen?’
    ‘Het zijn herinneringen schat. Die zijn nooit zinloos.’
    Ik lachte erbij. Sloeg mijn arm om haar schouders.
    ‘Ik wil geloven dat mijn positieve ervaringen mij meer gebracht hebben dan al mijn nare ervaringen. Maar feit is….’
    Ik maakte de zin niet af. Het lag zo voor de hand om te zeggen dat nare en prettige ervaringen mij gemaakt hadden tot wie ik nu was. Maar ik wist als geen ander dat je ook kon verwerken door keuzes te maken. En door keuzes had ik mijn lot veranderd. Door keuzes was ik wie ik was…
    ‘Schat, alle Nederlanders die iets met Indië te maken hebben gehad, reageren emotioneel op dat land.’
    ‘Lieverd, dat weet ik. En via jou heb ik ook met Indië te maken. Al vanaf het moment dat ik jou ken.’
    Ik trok haar naar mij toe en kuste haar op haar wang. Samen stonden we daar. Op een plek uit mijn tienerjaren. Het voelde goed om dit met haar te delen.
    Na enige minuten liepen we verder richting de taxi. De donkere wolken kwamen dichterbij. Martha en Hans waren reeds ingestapt. Ook de chauffeur had zijn plaats al ingenomen. Hij starte de auto. Snel stapten ook wij in. Hans en Martha reageerden lichtjes geïrriteerd omdat we zo laat waren. Ik maakte een geintje richting Martha. De sfeer sloeg al snel weer om. Leona kneep mij in de arm. Ik glimlachte.
    De rit terug naar het hotel verliep traag. Opnieuw onvoorstelbaar veel auto’s, motors, bussen, en tuktuks. Het verkeer schoot nauwelijks op. De lange dag, de warmte… Ik doezelde, leunend tegen het zijraam, weg. Een paar straten voor het hotel werd ik weer wakker. De chauffeur keek mij van opzij aan en glimlachte. Ik knikte terug.
    Terug in het hotel betrok de lucht verder. Niet lang daarna viel de regen met bakken uit de lucht. Het hield niet op. Terwijl we in de lobby een drankje namen, buurtte ik met onze gids. Hij vertrouwde mij een adresje toe waar we lekker local food konden eten. Ik reageerde enthousiast en na vijf minuten stond er een taxi voor de deur. Martha en Leona protesteerden even omdat ze zich eigenlijk eerst op wilden frissen. Ik haalde mijn schouders op en liep naar de hoofdingang. De rest volgde. Ze hadden net als ik na ons bezoek aan Cafe Batavia niets meer gegeten. De regen ging hevig te keer. De voorstelling was weer begonnen. Ik onderdrukte de behoefte om Pel’s verhaal van het buideldier en de waringinboom te vertellen. De portier klapte enkele paraplu’s open en hij en onze gids begeleidden ons naar de gereedstaande taxi. Snel stapten we in. En wéér doken we het verkeer in.
    De taxi stopte na een korte rit bij een piepklein restaurantje. Ook nu werden we door een portier met paraplu opgevangen, naar binnen begeleid. Ik betaalde de chauffeer snel en rende achter de anderen aan. Giechelend tof ik de anderen voor in het restaurant aan. De frisse bui werkte op de lachspieren. Binnen was het druk. Aan de wand hingen wajangpoppen. Heel decoratief. Snel kwam er een tafel vrij. We schoven aan en een ober reikte ons ieder een menukaart aan. Terwijl we de menukaart openden, maakte Hans aanstalten om zijn woordenboekje tevoorschijn te halen. De ober schonk ons een glas water in.
    ‘Zal ik proberen te vertalen of zal ik een voorstel doen?’
    Martha en Leona keken elkaar aan. Hans knikte en stopte zijn boekje weg. Op tafel flikkerde een kleine kaars. Allen leunden naar voren en keken mij verwachtingsvol aan.
    ‘Ja joh, verras ons.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s