Iedere twee meter kostte een leven

Charles Dibbets werkte aan de Birma-Siamspoorweg

Charles Dibbets

Charles Dibbets. Foto: Karin Stroo.

“De vierdaagse zeereis van Tandjong Priok naar Singapore in januari 1943 was een verschrikking”, vertelt de 97-jarige Birmaspoorwegveteraan Charles Dibbets. Dicht opeengepakt in een afschuwelijk stinkend ruim van een Japans vrachtschip moesten krijgsgevangen KNIL-militairen proberen mens te blijven. Het viel in het niet bij wat hen te wachten stond bij de aanleg van de Birmaspoorweg in de jungle van Thailand. “Door het ontstaan van allerlei kwalen als gevolg van het vitaminegebrek, hebben we zelfs vergeefs geprobeerd gras te eten om te kunnen overleven.”

Door Dick Schaap

In het ruim van het vracht schip konden de krijgsgevangenen zich nauwelijks wenden of keren. “Je kon niet languit liggen, daar was geen ruimte voor”, vertelt Charles Dibbets. Een steile houten trap voerde uit het ruim naar de latrine op het dek. Rondom de trap waren voor de krijgsgevangenen naar boven oplopende houten stellingen getimmerd. Een plek op de bovenste stelling vrijwaarde de gelukkige klimmer van braaksel van zijn mogelijk zeezieke onderburen.
De krijgsgevangenen mochten alleen aan dek komen als ze naar de latrine moesten. De latrine bestond uit een houten constructie, die buitenboord hing. Er stond voortdurend een lange rij gevangenen op de trap en voor de latrine, omdat nogal veel van hen diarree hadden. De verpestende stank in het ruim ontstond ook omdat sommige gevangenen hun behoeften nauwelijks konden bedwingen.   

Vechten in de trein

Het verblijf in het voormalige Britse legerkamp Changi na aankomst in Singapore was gelukkig van korte duur. “In Changi sliepen we op de grond. Het eten was er niet best. Nauwelijks iets wat op groente leek. Er waren toen al mensen die afwijkingen kregen als gevolg van het vitaminegebrek. Hypergevoelige vingers en vooral tenen. Een ander euvel noemden we Changi balls, pijnlijke rode zwelling van de huid van het scrotum”, vertelt Dibbets. De daarna volgende bijna vijfdaagse treinreis naar Ban Pong wil hij het liefst uit zijn geheugen schrappen. Opgepropt in goederenwagons braken tussen de krijgsgevangenen onderlinge vechtpartijen uit om een plekje te bemachtigen om te kunnen slapen. “Die reis was opnieuw een verschrikking. Overdag was het bloedheet en ‘s nachts behoorlijk koud vanwege het jaargetijde.”
Op 9 februari 1943, na een rit staande in de bak van vrachtauto’s, begon voor Dibbets en zijn medegevangenen het werk aan de Birma spoorweg. De strategische reden voor de aanleg van deze 415 kilometer lange spoorlijn was het feit dat het Japanse front over land moest kunnen worden bevoorraad. De zeeroute via de Golf van Bengalen was daar vanwege de toenemende kracht van de geallieerde strijdkrachten te kwetsbaar voor geworden. “De spoorlijn voerde langs het stadje Kanchanaburi. Van de al in het werkkamp daar verblijvende Britse krijgsgevangenen hoorden we dat ze betrokken waren bij de bouw van een brug over de rivier de Kwai. Direct na zonsopgang moesten we snel wat rijstepap naar binnen werken en meteen afmarcheren naar dat werk. Op plankiers moesten we onder veel gekrijs van Japanse uitvoerders mandjes met zand en grind, afgewisseld met zakken cement, in betonmolens storten. Dit voor ons ongewone werk was uiterst vermoeiend, maar er stond aan het eind van de dag geen stevige maaltijd tegenover”, vertelt Dibbets.
De spoorbrug over de Kwai is thans een beziens waardigheid. Dichtbij de brug herinnert een smalle lange barak van bilik, gevlochten bamboe, aan de krijgsgevangenen die hier hebben gewerkt. Er sliepen in deze barak naast elkaar met ongeveer zestig centimeter tussenruimte honderd tot honderdvijftig gevangenen.

De dood langs de lijn

De kampen Nong Pladuk, Kinsayok en Konkuita zeggen Dibbets na zeventig jaar niet veel meer. Chung Kai staat hem nog helder voor de geest. “Ik zat met Donald Sorgdrager, vader van Winnie Sorgdrager, oudminister van Justitie, in dat kamp. Hij was sergeant van het KNIL en met 19 jaar de jongste Nederlandse krijgsgevangene in Thailand.” Als mr. Sorgdrager, Officier in de Orde van Oranje-Nassau, is hij in februari van dit jaar, 90 jaar oud, in Arnhem overleden. In 2007 heeft hij het boek Kamperen met oom Nippon gepubliceerd, waarin hij nauwkeurig de kampen beschrijft waarin de krijgsgevangenen tijdens de aanleg van de Birmaspoorweg tussen februari 1943 en juni 1945 hebben geleden en voor hun leven hebben gestreden. Dibbets heeft het allemaal meegemaakt. “Het kwam erop neer dat je met je eigen zak rijst van 25 kilo op je schouders urenlang vele kilometers van het ene kamp naar het volgende kamp moest lopen om de spoorweg te voltooien. We moesten ‘s avonds op onze bestemming zelf met schaarse middelen ons eten bereiden. Onderweg stapte je op het laatst zonder ze een blik te gunnen over de doden heen.”
Dat waren vooral romoesja’s, door Japan voor werk aan de Birmaspoorweg geronselde Indonesische jongeren. Van de 200.000 romoesja’s heeft slechts tien procent het werk aan de spoorlijn overleefd. Er is berekend dat iedere twee meter van deze dodenlijn een mensenleven heeft gekost. De verstrekte rantsoenen bestonden uit een derde van het absolute minimum bij zware arbeid. De gevolgen daarvan waren totale uitputting door onder meer hongeroedeem, malaria, cholera, tyfus, beriberi en tropenzweren. Vooral op het laatste stuk van de spoorlijn werd door de Japanners het tempo sterk opgevoerd.
“Het was regentijd, ons werkkamp ontving nauwelijks meer voeding. Vooral cholera heeft toen veel slachtoffers geëist. We werden van zonsopgang tot zonsondergang opgejaagd door schreeuwende Japanners die ons sloegen met stokken en knuppels. Sommigen van ons waren zo verzwakt dat ze de klappen niet overleefden”, zegt Dibbets. In deze hel was het vooral de legendarisch geworden Britse lieutenant colonel Toosey, die zich onvervaard keerde tegen de kwalijke praktijken van de Japanners.

Een gedeelte van de door krijgsgevangenen en dwangarbeiders aangelegde Birmaspoorlijn, rond 1945. Foto: NIMH

Een gedeelte van de door krijgsgevangenen en dwangarbeiders aangelegde Birmaspoorlijn, rond 1945. Foto: NIMH

Geallieerde bombardementen

Er bleef de aan de Birmaspoorweg werkende krijgsgevangenen weinig bespaard. Argwanend volgden Dibbets en de andere achterblijvers medio 1944 in Non Pladuk het naar Japan overbrengen van een fors aantal lotgenoten. “Vanwege malaria kwam ik niet in aanmerking voor Japan”, vertelt hij. In de nacht van 5 op 6 september 1944 werden de achterblijvers in Non Pladuk wakker van zwaar motorgeronk van overvliegende geallieerde bommenwerpers. “De meesten van ons bleven rustig in de barak liggen”, vertelt Dibbets.
“De volgende nacht kwamen na het terugkerende zware motorgeronk wel veel mensen naar buiten. Ze zagen dat de bommenwerpers lichtfakkels aan parachutes uitwierpen. Voor de mensen die nog in de barakken waren, was het toen te laat. Onze geallieerde vrienden dachten blijk baar dat ze boven een Japans legerkamp vlogen. Ze raakten olieopslagtanks, maar ook onze barakken. We telden bijna honderd doden.”

Met de val van de atoombom op 6 augustus 1945 op Hiroshima kwam een einde aan het lijden van de krijgsgevangenen. Van de 50.306 Australische, Amerikaanse, Britse en Nederlandse krijgsgevangenen hebben er 12.779, onder wie 3.098 Nederlanders, het werken aan de Birmaspoorweg niet overleefd. De langs de spoorweg begraven doden zijn later herbegraven op erevelden in Chungkai en Kanchanaburi in Thailand en een ereveld in Thanbyuzayat in Birma.

Andjing Nica

De jonge Charles Dibbets als soldaat.

De jonge Charles Dibbets als soldaat.

Nauwelijks bijgekomen van het werk aan de Birmaspoorweg werd Dibbets in toenmalig Nederlands-Indië ingedeeld als tankbestuurder bij het in meerderheid uit Molukkers bestaande KNIL Bataljon V, dat door de Indonesische republikeinen de scheldnaam Andjing Nica verwierf. Andjing staat voor onreine hond in het Maleis en Nica voor Nederlands Indische Civiele Administratie. Voor Dibbets en zijn sobats werd het een erenaam die tot uiting kwam in het in rood uitgevoerde bataljons embleem van een grauwende hondenkop op een zwarte ondergrond.
Dibbets werd ingedeeld bij het 1e eskadron vechtwagens (tanks) onder commando van kapitein Nix. “In die periode heb ik de eerste politionele actie meegemaakt”, vertelt hij. “In Semarang, Ambarawa en Cheribon zijn wij daadwerkelijk in gevecht geraakt met de TNI. Daarbij zijn aan onze kant doden gevallen en sobats gewond geraakt. Met onze tanks hadden wij vooral last van boobytraps en omgezaagde bomen als wegversperringen.” De tweede politionele actie is hem bespaard gebleven.
Na zijn diensttijd heeft hij gewerkt bij de Motor Transport Dienst als ambtenaar voor het vervoer van de leden van de Commissie van Goede Diensten voor een vreedzame oplossing van het Nederland-Indonesische conflict. Vervolgens heeft hij als commies 1e klas gewerkt bij het Deviezen Instituut in Jakarta. In 1952 is hij naar Nederland vertrokken en heeft hij onder meer bij de PTT aan de Hobbemakade in Amsterdam gewerkt.

Erkenning en waardering

Het was voor Dibbets als oud-KNIL soldaat der 1e klasse na ruim zestig jaar eind juni 2013 een grote verrassing in Hilversum met vier andere veteranen uit handen van luitenant-generaal Ton van Ede, Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, alsnog het Ereteken voor Oorlog en Vrede met de gespen 1946, 1947, 1948 plus het Demobilisatie-insigne KNIL te mogen ontvangen. Gebleken is dat de krijgsgevangenen in Birma in hun diepe ellende er door het verzetten van piketpaaltjes in geslaagd zijn om de aanleg van de spoorlijn te vertragen. Het droeg bij aan het mislukken van de Japanse tegenaanval op de in Birma oprukkende Britse legermacht onder leiding van admiraal Lord Mountbatten; Korporaal Herman van Dijk ontving het Ereteken voor Orde en Vrede met de gespen  1948-1949 en het Demobilisatie-insigne ven de marine. Het Nieuw-Guinea Herinneringskruis was er voor dienstplichtig marinier Hendrikus Meijer, zeemilicien der 3e klasse Jaap Wagenaar en machinist 1e klasse Walter Waltmans. In zijn toespraak onderstreepte luitenant-generaal Van Ede dat velen bij terugkeer in Nederland een slechte behandeling ten deel viel. “Herstellend van alle ellende na de Tweede Wereldoorlog was er weinig oog voor wat u had meegemaakt in de periode dat u Nederland overzee diende.”

x

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Checkpoint, november 2013.

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

8 reacties op Iedere twee meter kostte een leven

  1. Wal Suparmo zegt:

    Anjing Nica was geen scheld naam maar een gewone unit van de KNIL zoals GAJAH MERAH en BARISAN TJAKRA bestaande uit Maduresen, van sultan Tjakraningrat van Pemekasan.Dat opgericht werdt op 25 Febuari 1831,die aan de Java oorlog hebben megedaan aan de kant van de Holanders. Ook de Lombok expedite en zijne de corps van Daendels.Werd in 1945 weer in het leven geroepen.

    • Jan A. Somers zegt:

      Legereenheden uit 1831 kunnen nooit Anjing Nica hebben geheten. En aangezien het KNIL het leger was van het burgerlijk bestuur in Indië, dat tijdens de oorlog bij MacArthur als Netherlands Indies Civil Administration bekend stond, is de connectie Anjing Nica goed gevonden. Inderdaad een geuzennaam die lang is blijven bestaan, ook na opheffing van Nica.

  2. HenkAnthonijsz (1926) zegt:

    Wal Suparmo
    Het in eind 1945 in Bandoeng opgerichte KNIL Bataljon Inf.V kreeg van “tegenstanders” vlug de naam van Andjing Nica. Deze scheldnaam werd door het bataljon als erenaam aangenomen.
    Er werd een embleem ontworpen. Bekende commandant: Sjoerd Lapré.

  3. P. Vermaes zegt:

    Romusha’s waren petani’s, waarvan er naar schatting 4 tot 8 miljoen tijdens de Japanse bezetting, zogenaamd vrijwillig werden geronseld door hun bupati’s, wedana’s, camats en kepala’s kampung.
    Een zekere Willems was in 1945 een geuniformeerd ambtenaar van de NICA (geen militair). Hij was belast met het registreren van de romusha’s in Thailand. Zij werkten niet mee, vertelde hij, vanwege nationalistische propaganda. Velen gingen op in de plaatselijke bevolking en werden niet gerepatrieerd naar Nederlands-Indie. Dit gegeven kan het aantal doden onder genoemde groep misschien bijstellen.

  4. r.j.nix Lkol der Cavalerie b.d. zegt:

    Geweldig om dit verhaal te lezen van een oud-KNILmilitair, die nog onder mijn vader heeft gediend bij het 1e Eskadron Vechtwagens.Mijn vader heeft mij wel verteld, dat er met name bij Ambarawa behoorlijk gevochten is, maar bijzonderheden van de verrichtingen van het eskadron gedurende de !e Politionele Actie ken ik niet. Zoals zovele Indische mensen, sprak hij weinig over zijn oorlogservaringen. Ik wens de heer Dibbens, nog vele goede momenten toe..

  5. Willem Plink zegt:

    In het boek over de romusha’s mis ik zowel in de inhoudsopgave als op de landkaart de Pakan Baroe Spoorweg, wel iets over de niet uitgevoerde afvoer van de nog overlevende romusha’s.
    Henk Hovinga beschrijft e.e.a. duidelijk in zijn boek Op dood spoor. De voorbereidingen voor deze spoorbaan werden verricht door romusha’s. Bij de totale bouw zijn veel van hen overleden. Ik heb ze vermeld op de door mij ontworpen plaquette bij het SHBSS monument op Bronbeek. In Nederland jarenlang een vergeten spoorwegdrama en in het buitenland nog steeds onbekend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s