Over het Indisch-zijn (II)

Het Nederlands-Indië dat maar in mij blijft voortleven

De dood van zijn moeder, in 2002, was voor Herbert van Rheeden (1937) aanleiding te schrijven over zijn “Indisch zijn”. Uiteindelijk werd het een kernhoofdstuk van zijn levensverhaal. Wat betekent dit eigenlijk: “Indisch zijn”? Hoeveel invloed had en heeft dit op zijn leven? De Java Post publiceert het hoofdstuk in drie delen. Vandaag deel II.

Door Herbert van Rheeden

mandibak

mandibak

Na hun repatriëring kregen de Indische mensen misschien wel de grootste cultuurschok te verwerken op het gebied van hun eigen lichaamsverzorging. Hoe anders dan in Indië! Dáár was men sinds mensenheugenis gewend aan het dagelijks twee of meer keer wassen van het lijf. Dat had natuurlijk te maken met het tropische klimaat; 35 graden in de schaduw is geen pretje. Als je je daar net zo snel beweegt als in Nederland, leeft je hart niet lang.

Ik herinner me dat ik op weg van mijn guesthouse in de Jalan Kebonsari te Jakarta naar de Nationale Bibliotheek verkoos te lopen. Als ik na een half uurtje in de Bibliotheek was aangekomen en ging zitten in de vooroorlogse djati-houten stoeltjes met rieten zitting uit de jaren dertig, duurde het bijna een half uur eer ik weer een beetje normale temperatuur had. Inmiddels brak me letterlijk het zweet uit alle poriën, zodat ik kletsnat werd. Achteraf kwam dat omdat ik nog niet het Indonesische looptempo had eigen gemaakt.   

Gayong en lampetkan

Elk huis in Indonesië, hoe bescheiden ook, heeft een mandikamer (kamar mandi). Vroeger was dat een ruim vertrek, betegeld met gele keramische reliëftegels in hoog reliëf – als chocoladeblokken – waar een ruime bak stond, eveneens betegeld, waarboven een kraan die zorgde dat-ie altijd vol was. Op de rand bevonden zich het zeepbakje en de gayong, tegenwoordig een plastic steelpannetje. Het mandiën bestond eruit dat je met je gayong water uit de bak schepte en dat snel en ritmisch over je heen goot (siram-men zei men vroeger). Wanneer het buiten heet was, was het heerlijk verkoelend. Daarentegen voelt het ijskoud aan, wanneer je bijvoorbeeld ‘s morgens in Bandung of Malang boven in de bergen mandit (dat is eigenlijk al vernederlandst). Dan moet je onwillekeurig geluid maken en je adem inhouden.
Tegenwoordig hebben de Indonesiërs, meegevoerd op de golven van Amerikanisme en toerisme, hun mandikamers in de hotels en guesthouses dikwijls al ingeruild voor douches met warm en koud water. Niet te geloven, zo gaat dat.

In Nederland in 1946 hadden alleen grotere huizen voor de welgestelden een badkamer. In de wijken van Berlage, Oud-Zuid in Amsterdam en Zuiderpark in Den Haag, hadden de portiekwoningen dikwijls al een gietijzeren ligbad. Dat werd echter niet vaker gebruikt dan één keer per week, op de zaterdag of zondag. Waarschijnlijk om economische redenen werden, indien er meer kinderen waren, de kinderen ook na elkaar in hetzelfde badwater gewassen.
In plaats van een vaste wastafel waar niet alle huizen over beschikten, hadden de slaapkamers en gastenkamers een lampetkan, een diepe aardewerk schaal, waarin een grote aardewerken kan stond met groot handvat. De lampetkan was gevuld met water. Door de week werd je geacht je met dat beetje water te wassen en je tanden te poetsen. Ik weet dat ik daar maar niet aan kon wennen. Deze herinnering is verbonden met het adres in Zeeuws-Vlaanderen waar mijn zus Bea en ik in 1946 naartoe werden gestuurd om weer aan te sterken.

Botol cebok

Dan de kwestie van de botol cebok (de fles of flessen in het toilet). Hoeveel Indische mensen zijn getraumatiseerd – misschien een groot woord voor het ongemak, maar toch – dat diep ingreep hun intieme leven? In Indië en meer Aziatische landen worden na het toilet de billen gewassen. In een tropisch klimaat is dat hygiënisch en doeltreffend. Geen hulpmiddelen, maar natte billen die voordat je je weer hebt aangekleed alweer opgedroogd zijn. De linkerhand was daardoor wel de ‘onreine’ hand ten opzicht van de rechterhand. In de Indische cultuur mocht je nooit iets aangeven met de linkerhand, dat was voor de ontvanger een belediging.

In het koude Europa is de traditie ontwikkeld van het schoon maken na het toilet door het afvegen met een papiertje. In de jaren veertig dikwijls nog met een stukje krantenpapier. Het moderne toiletpapier moest in de jaren veertig nog worden uitgevonden. Voor de Indische mensen was het een schok om je achterste met papier te moeten afvegen. Massa’s papier zijn het toilet ingegaan, voordat je maar het gevoel had dat het schoon was.
Ook in deze traditie is de laatste tijd het ‘vochtige doekje’ ontwikkeld en andere gewoonten, die soms de Aziatische gewoonten nabij komen.

In mijn persoonlijk leven heeft het tot mijn Indonesiëreis in 1983 geduurd, eer ik de botol cebok weer in ere heb hersteld. Ik wil hiermee maar zeggen hoe het herstel van ogenschijnlijke culturele nietige veranderingen in je uiterlijke gedrag je innerlijk een beetje kunnen genezen. Ik liet hiermee weer een beetje Indisch-zijn toe in mijn zogenaamde ‘witte’ innerlijk.

Djonkok

Joyce Bloem met ´Djonkok´

Joyce Bloem met ´Djonkok´

In 1987 waren Willemijn en ik 25 jaar getrouwd. Mijn pleegouders Ans Groeneweg en Karel Sander boden ons een gift aan die we zelf mochten verzilveren. Het toeval wilde dat we een jaar tevoren een tentoonstelling van Joyce Bloem bezochten, waar we dit keramische beeld zagen.

Joyce Bloem is een zus van Marion Bloem, die in 1983 het eerste boek schreef over de kwestie waar het hier over gaat, maar dan vanuit het perspectief van een meisje dat in 1952 in Nederland is geboren, maar wel Indisch is opgevoed en met haar ouders een reis maakte naar familie in Indonesië.

Het beeld djonkok stelt – nogal geabstraheerd – de typische Indonesisch/Indische hurkzit voor. Toen ik het beeld zag werd ik overmand door ontroering. Ik herinner me dat Indonesiërs zo zaten als ze wachten, wat ze zo vaak moesten. Het beeld had in materiaalbehandeling iets rafeligs, iets heel gevoeligs, iets zo Indisch; ook iets heel kwetsbaars. Het brengt een zeker gevoel voor weemoed in me naarboven. Indische kinderen, zoals ik, konden ook zo zitten. We hebben van geboorte langere hielspieren – zeggen ze – waardoor je op je gemak op je hurken kunt zitten zonder dat het pijn gaat doen. Ik weet niet of mijn kinderen dat nog kunnen. Indonesiërs werken zo ook als er geen plaats is om te zitten, bijvoorbeeld op het veld, de markt of pasar. Je hebt je eigen zitplaats bij je. Zelf werk ik in de tuin vaak zo.

De taalkwestie

Vanaf mijn kindsheid heb ik Nederlands gesproken, maar ik weet zeker dat ik met de baboes en djongossen heb gecommuniceerd in het Maleis, beter gezegd het pasarmaleis, dwz. het alledaagse Maleis zoals dat op de markt en in winkels werd gesproken. In 1983 bestond dat Maleis nog wel, maar in kranten en op het nieuws werd mooi Bahasa Indonesia gesproken, de taal zoals die o.a. door de Indonesiër Alisjabana werd gecodificeerd.

Bea, mijn zus, kwam in 1946 als bijna vijftienjarige naar Nederland. Wanneer je tweetalig wordt opgevoed kost het kinderen geen enkele moeite zich twee talen tegelijk eigen te maken, gesteld dat de cultuur tweetalig is zoals in Indië van voor de oorlog. Als de tweetalige opvoeding tot en met de puberteit duurt, schijnt de tweetaligheid te beklijven. Ik was acht, bijna negen, en dus te jong toen ik naar Nederland kwam. Ik was alles vergeten. En door mijn plaatsing in Nederlandse pleeggezinnen miste ik ook het taalgebruik onder Indo’s, waarbij bepaalde woorden en uitdrukkingen onverwacht plotseling opdoken tussen het Nederlands.

Tjalie Robinson (1911-1974)

Tjalie Robinson (1911-1974)

Maleis was in huis verboden, het was de taal voor de pasar, meer nog het was de taal van de inlander, zoals de Indonesiër voor de oorlog werd genoemd. Thuis diende zuiver Nederlands gesproken te worden (ABN), daar waren Indische mensen heel precies in, zeg maar dwangmatig. Zo precies dat toen zij en groupe naar Nederland kwamen, bleek dat hun Nederlands soms archaïsch aandeed bij de hier doorontwikkelde taal. Pecoh (spreek uit petjoh) een soort contacttaal tussen Indonesisch en Nederlands was al helemaal taboe. Huiselijk werd dat thuis omschreven als djedardjedoer, een dik uitgesproken Nederlands-Indisch, Indonesische grammatica en hier en daar een verindischt Nederlands woord, waarbij de dikke tongval, maar vooral de toon de muziek maakt. Op school waren er jongens die dat fantastisch konden, zoals Rob Koenders. Mijn neef Rob heeft dat ook een beetje. Wieteke van Dort, een door mij zeer bewonderde televisiepersoonlijkheid, bekend van de fameuze kinderprogramma’s in de jaren zestig met Aart Staartjes en Joost Prinsen, is in de jaren zeventig begonnen met een programma voor Indische Nederlanders, the Late late Lien Show. Daar werd ook zogenaamd pecoh gepraat, maar dan zo kunstmatig en kitscherig, dat ik er altijd pijn van in mijn buik kreeg en me ervoor schaamde(?). Ik schaam me ook als je in een restaurant Indisch eten krijgt, wat hoegenaamd niets met Indië te maken heeft.

Later leerde ik dat er een Nederlands-Indische literatuur heeft bestaan. Tjalie Robinson staat nu in onze boekenkast. Als men wil weten hoe dat pecoh gaat en klinkt, wordt aanbevolen Ik en bentiet en de onvergetelijke parafrase van Tjalie Robinson van Quenaux, Exercises du Style te lezen in het petjoh. Overigens, onze dochter Hadewych (1968) is hierop afgestudeerd.[1]

Dit fragment heb ik ontleend aan Kousbroeks Het Oostindisch kampsyndroom 1992:

`Als ik remmen, ken niet meer. Te laat. Natierlijk ik indjek mijn rem tot mijn poot bijna srobot door-en-door tot de asfalt, maar al feels te laat. Ik samber die fietser: ‘Goebrak-Njieieiek-grèsèk-grèsèk-grèsèk – Blak!…ik doet mijn ohen dih, Tjalie, en dan ik hoort: plek-toing-plok-pret-njk. Ik deng: dese, wat is dat, fallen op mijn caar. Ik doet open mijn ohen en dan Lie, ik bijna falt flou…homdoelilliah mijn Hot mijn caar hij is fol met vlees, Lie, vlees-adoeoeh- nooit meer ik eet vlees. Ik wort hevetaar-vegitar…laatmaar was deze woor, als maar niet eten vlees…’

Zo nu en dan probeerden Bea en ik nog zo te praten. Wij gierden dan altijd van de lach (of was het meer huilen?). Willemijn zegt het Indische te herkennen in mijn liefde voor onomatopeeën of klanknabootsingen, zoals ik geluiden graag wil nadoen in mijn gewone praten.
Toen ik aanstalten maakte in de jaren ‘80 om een deelstudie naar het teken- en kunstonderwijs in Indonesië te doen, voelde ik mij verplicht opnieuw de Bahasa Indonesia te leren. Dat deed ik als bijvak aan de Leidse Universiteit onder leiding van de docent Dr. Prentice, een Engelsman die een Australische methode hanteerde van Johns en Stokes (1981). Zijn enthousiaste lessen plaatste de Indonesische taal voor het eerst in een culturele context. Zoals ik me dat herinner liet hij ons zien, dat aan de wortel van de taal een andere waarneming van de wereld dan de Westerse ten grondslag lag. In de object focus constructie is het subject of de waarnemer, het ik,  ondergeschikt aan de werkelijkheid: ‘buku itu saya beli di toko.’ (letterlijk het boek koop ik in de winkel). In het individuele westen is de persoon de heerser over de wereld: ik koop het boek in de winkel, in het Indonesisch is het het boek dat ik in de winkel koop. Omdat ik geen taalkundige ben zal alles in werkelijkheid wis en zeker nog veel ingewikkelder en genuanceerder zijn. Maar deze waarneming kwam wel overeen met mijn eigen waarneming tijdens mijn verblijf in 1983 in Indonesië.

Het voornaamste komt aan het eind. Dat ik Indisch ben kan men horen, ook al ziet men mij niet. Ik ben meer dan zestig jaar in Nederland, maar aan de telefoon of opgenomen op een bandje, klinkt mijn intonatie nog onvervalst Indisch. Hoe dan? Op de middelbare school zei mijn leraar Nederlands, de heer Koote, dat Indische kinderen de scherpe tussen-s als een z uitspreken. Bovendien worden de klank beginnend met een d dikwijls dikker uitgesproken. Het is ook een kwestie van accenten.
Van jezelf kan je het niet horen.

x

Het derde en laatste deel van dit artikel is hier te lezen:
Over het Indisch-zijn (III)

x

____________________

[1] Hadewych van Rheeden, ‘Petjo. The mixed language of the Indos in Batavia’, P.Bakker and M.Mous (eds). Mixed Languagers; 15 cases in language intertwining.Amsterdam: IFOTT 1994, Pp. 223-37

Dit bericht werd geplaatst in 4. Nederlands-Indië overzee en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

24 reacties op Over het Indisch-zijn (II)

  1. Walter zegt:

    Tegenwoordig kun je de botol cebok vervangen(modernizeren) met een ingebouwd of hand spuitje, kant en klaar voor je om op je WC aan te sluiten. Ik heb er een zelf in elkaar gezet voor mijn vrouw, die Hollandse is, omdat het sconer is dan toilet papier.

  2. Ed Vos zegt:

    Troost u, mijn vrouw gebruikt in Nederland ook de botol cebok – en zij is Indonesische. In Indonesie gebruik ik de gayung 😉 want ik logeer in een huis met een Indonesisch toilet.

    Petjoh is voor mij gewoon Indisch-Nederlands van een bepaald nivo (Zie het boek van Richard Cress)

    Nog niet lang geleden belde ik iemand op, en hij sprak perfect Nederlands. Toch kon ik het niet nalaten hem te vragen of hij “Indisch” was . Hij was verbaasd dat te horen.

    “Hoe weet u dat?”, vroeg hij mij. “Dat hoor ik aan uw accent”, was mijn antwoord,

    • Ed Vos zegt:

      Overigens, misschien niet eens terzijde. Wat zegt u van die achternamen? Aan de achternamen lees ik ook vaak een indische achtergrond. Mijn vader had het vroeger vaak over: Anthonijsz, Dezentjé, Lacroix, Lapré en dergelijke. Vervolgens uit ervaring: Alting-Siberg, Frederiksz, de Severijn-Jaquet, Huwaé . Ik houd me dan ook vaak in wanneer ik met personen energiek discussieer op fora, en het niet met ze eens ben, je weet maar nooit 😉
      Ja kijk, wie neemt nou als alias Hanky Panky?

  3. HenkAnthonijsz (1926) zegt:

    Ja, Walter. je hebt gelijk. Tabé botol cebok! Ook wij hebben thuis een”toiletdouche”laten monteren voorzien van een handige wandbeugel. Gemakkelijk en hygiënisch.

    • Ed Vos zegt:

      Om even terug te komen op die botol cebok; ik gebruik nog steeds schuurpapier.
      Mijn vrouw kan daarmee niet omgaan.
      Mijn dagelijks ritueel na het opstaan is : 20 minuten dromen op de play, en vervolgens lekker onder de douche. Dus geen probleem met persoonlijk hygiene.

  4. Surya Atmadja zegt:

    Herbert schreef:
    1.In 1983 bestond dat Maleis nog wel, maar in kranten en op het nieuws werd mooi Bahasa Indonesia gesproken, de taal zoals die o.a. door de Indonesiër Alisjabana werd gecodificeerd.
    ——————————————————————————————————————–
    1.Voor zover ik weet gebruiken de Indonesiers die de Bahasa Indonesia op school hadden geleerd van af de Sekolah Dasar ( Basis Onderwijs- voorheen Sekolah Rakjat ) t/m SMA de standaard Indonesisch .Gekozen in 1928 en uitgewerkt
    In ieder geval heb ik dat in (D)Jakarta gehad t/m 1968 .
    Maleis of Bhs Melayu”pasar”(pasar Maleis) in het bijzonder de versie van de Nederlanders (incl van de Indische Nederlanders) werd NOOIT op Indonesische scholen, kranten, tv , boeken etc gegeven.
    2, Djongkok .
    Een hurkpositie , met voorwaarde dat de billen de aarde niet raak.
    Anders is het ” ngangkang”(weet niet of het goed Indonesisch is) .

    3.Bij BUKU itu saya beli di toko staat het boek centraal .
    Hangt ook af hoe het gesprek gevoerd werd (tussen 2 personen of meer) .
    Als iemand aan mij vraag of ik het boek had gekocht , sta ik centraal .
    Kamu (Anda) membeli buku itu di toko ?
    (Ja) SAYA membeli buku itu di toko.

    In 1917, werd de oude bahasa Melayu gewijzigd in de zgn Bahasa Melayu Tinggi( Hoog )
    In1928 besloten de Pemuda’s om die Bhs Melayu Tinggi ( Balai Pustaka) te kiezen als nationale taal .
    In 1938 ging men verder ontwikkelen bij de 1ste congres in Solo, de 2de congres was in Medan 1954.
    De Bhs Indonesia congres werd om de 5 jaar georganiseerd.

    • Ed Vos zegt:

      Het belangrijkste (of waar je aan denkt) staat altijd aan het begin van een zin. Geldt ook voor het Nederlands, meen ik.
      Een sollicitatiebrief heb ik nooit mogen binnen met: Ik heb uw advertentie van toen en toen gelezen.. Dat is niet netjes..

      • HenkAnthonijsz (1926) zegt:

        Ed Vos
        Ben van 1926. Toen ik na de Japanse bezettingstijd “oude papieren”van mijn, in het Japanse kamp overleden vader, doornam kwam ik afschriften van sollicitatiebrieven tegen. De aanhef was: “Geeft met eerbied te kennen……( en dan volgde zijn naam).
        Ja, wat zijn de tijden en de normen gewijzigd.

      • Jan A. Somers zegt:

        Heer Henk, daar waren boekjes voor. Als werkstudent werkte ik een tijdje op de reclame-afdeling van de Gistfabriek in Delft. Brieven aan huisartsen moest ik altijd openen met Weledelzeergeleerde Heer. (er waren nog geen vrouwelijke huisartsen?) Als student pikte ik dat niet, de meeste huisartsen waren immers niet gepromoveerd. Mijn baas zei: toch maar doen. Stel je voor dat die huisarts wel was gepromoveerd, dan zijn we een klant kwijt.

      • Eppeson Marawasin zegt:

        Jan A. Somers zegt: 13 januari 2013 om 5:24 pm: ‘/…/ Mijn baas zei: toch maar doen. Stel je voor dat die huisarts wel was gepromoveerd, dan zijn we een klant kwijt.’@

        Meneer Somers, had het dan niet moeten zijn: “Majesteit, … ” Want de klant is toch koning?!

        e.m.

      • hansvschaik zegt:

        Ja heer Ed Vos, inderdaad.
        Natuurlijk heb ik ooit geleerd dat een zin niet met IK mag beginnen en zeker nooit bij een sollicitatiebrief.
        Tegenwoordig wijk ik daarvan af en gebruik al vaker een zin die begint met: Ik…
        Vroeger als kind kreeg ik op mijn kop als ik een zin begon met : Ik…

      • Jan A. Somers zegt:

        Heer E.M: Ik weet niet of toentertijd de klant al koning was. Wel een zak met geld!

  5. Jan A. Somers zegt:

    Zelf heb ik in Nederland altijd de botol cebok gebruikt. Mijn Zeeuws meisje en de kinderen ook. Toen ik nog werkte, werkten op het Haagse hoofdkantoor van TNO een paar Indische dames, elk met een eigen botol op het toilet. Ze herkenden hun botol aan het etiket, de een duurder dan de ander. Indië was tenslotte een standenmaatschappij.
    De kraan boven de mandibak was alleen in de grote steden. Elders moest de kebon steeds bijvullen. Voor ons huis in Poedjon hadden we een eigen hydraulische ram in de laag gelegen kali met een onverwarmde douche. Koud!
    Het baden in Nederland was vroeger moeilijk. Niet alleen het water was duur, de (gas)geiser was nog niet algemeen ingevoerd. In de winter met een gayong uit de ijskoude mandibak baaien lijkt me niet zo leuk.

  6. Ed Vos zegt:

    @ HenkAnthonijsz (1926)

    Ja, de tijden zijn veranderd. Volgens mij gebruikte men vroeger ook zoiets als als “uw nederige dienaar” en dergelijke. In het Maleis ook “hamba”. Maar dit laatste is het terrein van Pak Surya.

    Overigens, is het niet beginnen van de aanhef met “Ik”, inmiddels ook een cliche. Ik houd het allemaal niet meer bij, waarmee men zich tegenwoordig bezighoudt..

  7. Eppeson Marawasin zegt:

    @Surya Atmadja zegt: 13 januari 2013 om 4:48 pm@

    http://indonesischearchipel.wordpress.com/2012/11/21/van-pasar-malei/

    e.m.

  8. H.A. Naberman zegt:

    Ik denk dat de guest house aan de jl. Kebon Sirih was…..
    En…de botol cebok gebruik ik nog altijd…..ik heb zo’n slang met kraantje jaren geleden gekocht, maar hij ligt nog altijd in de gudang (fietsenbox)..
    Die dikke tongval (djedardjedoer) is echt alleen bij mensen uit midden- en oost java aanwezig.
    Ik wil nog even terugkomen op de aanwezigheid van Indonesisch (Inlands) bloed bij mensen in Nederland.
    In de oude tijd, toen het verboden was Hollandse vrouwen naar Indie te laten komen, hadden de hoge heren meestal een Inlandse concubine. Van de kinderen werden de jongens naar Nederland gestuurd en de meisjes in Indie gehouden. Zij trouwden met Indische hoge heren en vormden zo doende de machtige Indische bestuurslaag.
    De jongens gingen op in de hoge kringen in Nederland……en het Inlandse bloed werd zo steeds verder verdund.
    Feit is echter dat er meer bloed-Indo’s in Nederland zijn dan men zou vermoeden.
    En wel in de meest vooraanstaande families.

    • Surya Atmadja zegt:

      H.A. Naberman zegt:
      13 januari 2013 om 5:57 pm
      Feit is echter dat er meer bloed-Indo’s in Nederland zijn dan men zou vermoeden.
      En wel in de meest vooraanstaande families
      ——————————————————————————————-
      Er werd aangenomen dat 2/3 van de Nederlanders uit N.O.I Indiscche Nederlanders/Indo-Europeanen waren.
      Zie ook de cijfers van o.a de CBS uit die tijd.
      En toch staat ergens in het boek De Indo van Dr T.Kok dat de percentages hoger waren , misschien tot 90%.

  9. Aelle zegt:


    Verboden op mijn toilet te JONGKOK!

  10. Ed Vos zegt:

    ” Inmiddels brak me letterlijk het zweet uit alle poriën, zodat ik kletsnat werd. Achteraf kwam dat omdat ik nog niet het Indonesische looptempo had eigen gemaakt. ”

    Dit doet me denken dat ik jaren geleden voor het eerst op Bali was en dat het me opviel dat aan het eind van mijn 2 maanden-vakantie minder marskramers op me afkwamen. Ergens vond ik het een teleurstellende ervaring. Zag ik er dan uit als iemand bij wie er niets te verdienen viel?

    Ja de redenen waren, zo bleek, vele en velerlei. Houding en gedrag, de kleding, maar wat me nog steeds bijblijft: hoe ik liep! Dat was dan op Kuta Bali.

    Uiterlijk en kleding heel belangrijk in Indonesie (de eerste indruk!), en daarom loop ik daar maar vaak “normaal” bij. Maar met een instap-fotocamera ben je al gauw een journalist.

  11. Eppeson Marawasin zegt:

    Wat is de wereld toch klein. Ik lees in dit deel II de naam van Joyce Bloem. In elk geval begin 90-er jaren woonachtig onder de rook van Zaltbommel op een steenworpafstand van de huidige Martinus Nijhoffbrug. Haar oudste dochter (Tamara???) zat niet op een basisschool aan de Waal, maar op een Jenaplanschool aan de Linge. Na groep 8 was het Buys Ballot across the bridge dichter bij huis. Joyce Bloem doneerde weleens een kunstwerk aan de school om bij opbod te verkopen t.b.v. het leerlingenfonds. Waarom zaken je bijblijven. Tijdens een open dag kwam mij een opstel van haar dochter onder ogen -Tante Marion was toen al befaamd- waarin ze een vakantiereis naar Indonesië beschreef. Mij zijn na al die jaren nog steeds de namen van twee bergen bijgebleven die ze omschreef. De ene heel erg vrouwelijk en de tweede zeer man(ne)lijk. Op Indisch 3.0 kwam ik vorig jaar de naam van een andere dochter van Joyce Bloem tegen. Het schrijven zit blijkbaar in de familie. Zie: http://www.indisch3.nl/knock-knock/
    e.m.

  12. van den Broek zegt:

    Maar waarom zijn Indischen in Nederland o zo bezig met die botol tjebok, als ik verschillende weblogs lees dan is de botol wel het symbool bij uitstek van het Indisch-zijn. Wanneer wordt niet een levensgrote botol onthuld als HET Indisch monument? In Italie, Spanje, Griekenland en Turkije om wat Europese landen te noemen is het de gewoontste zaak dat er een bidet in de wc staat die door Nederlanders in hotels vaak gebruikt wordt om de sokken en onderbroeken te wassen. Wijzelf in Italie hebben twee wcs met in elke wc een bidet, de fles ik er maar gelijk uitgeflikkerd opdat italianen er niet uit gaan drinken. En wat lichaamlijke hygiene betreft. Hier was ik me tenminste 1 keer per dag en in de zomer ook nog eens in de middag.

    Is bij de Indischen die aandacht voor het lichaam misschien ingegeven on te tonen dat we wat schoner zijn dan die Totoks. Soms kunnen ze wel erg stinken in de bus of de trein.

    Ik dacht dat elke zichzelf respecterende Indo wel tegen de hitte kan. Ik slof met mijn moeder nog bij 41° celcius nog lustig langs de winkels of we gaan gezellig bij die temperatuur badmintonen. daarenetegen eet ik met mijn zoontje in de winter bij 0° Celcius nog lustig een ijsje

  13. Jop Delfos. zegt:

    Dat 1maal per week baden vond ik ook moeilijk om aan te wennen toen we in Juni 1946 met de Tegelberg in Holland kwamen. Ik ging daarom nog vaak naar het badhuis in Heemstede aan de Binnen weg.
    Hetzelfde gold ook voor ‘de botol’! Maar daar wende ik vlugger aan.
    Wij woonden in bij mijn Groot Ouders, die een inwonende ‘kokie’ hadden. Een lieve Brabantse. Dat was ook iets om aan te moeten wennen, net als de werkster. Op de thee onderneming werden die taken vervult door de inlanders, nu waren deze personen net zo wit als wij!!
    En nu in Australia doen we het allemaal al 59 jaren zelf!
    Tabeh, selamat tingal.

  14. Michiel Alma zegt:

    Geweldig, al die verhalen nav. de botol cebok/tjebok . Ik (1945, Den Haag) ben er mee opgegroeid, op het toilet, omdat mijn moeder (Salatiga, 1904, Ten Seldam) in Indie geboren was. Ik heb mij er nooit iets bij afgevraagd: dit was van/voor haar , mijn Ned. vader en broers deden het anders. Lees met grote interesse de leerzame herinneringen van de Heer Van Rheeden .

    Titulatuur: juuist omdat het er uit raakt gebruik ik het nog zo veel mogelijk . Bij een sollicitatie voor burgemeester schreef je aan Hare majesteit met de aanhef mevrouw, en ondertekening: Uw dienstwillige dienaar . Ik neem aan dat wie het tegenwoordig anders doet even veel kans maakt . een huisarts is/ was een drs., dus weledelgeleerd .

    • Eppeson Marawasin zegt:

      Nieuwsgierig geworden ging ik op zoek. [CITAAT]: ‘Er bestaat in Nederland geen eenstemmigheid over de vraag of, en zo ja, in welke situaties, titulatuur moet worden gebruikt. Enerzijds is de officiële titulatuur de laatste decennia steeds meer in onbruik geraakt, anderzijds is er ook weer een hernieuwde belangstelling voor de correcte vormen gesignaleerd. Sommigen adviseren titulatuur achterwege te laten, behalve indien men aanleiding heeft zich schriftelijk tot een lid van het Koninklijk Huis te wenden (Taalbaak) of in het (uitzonderings)geval dat de geadresseerde veel waarde aan titulatuur hecht. [EINDE citaat] BRON: zie onderstaande link

      http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/21

      e.m.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s