In sarong en baadje

De Haagse opvang van zeebaboes

Naarmate meer families op en neer reisden tussen Nederland en Nederlands-Indië, werden ook steeds meer bedienden meegenomen. Het begrip ‘zeebaboe’ deed zijn intrede voor de Indonesische vrouwen die meereisden om het – vooral blanke – grut onderweg te verzorgen. Na hun aankomst in Nederland was niets voor hen geregeld en hadden zij geen onderdak, – reden voor de vereniging Oost en West om in 1918 tot de oprichting te komen van “Persinggahan”, het tehuis voor Nederlands-Indische bedienden aan de Van Boetzelaerlaan 2 te Den Haag. De leiding werd toevertrouwd aan de Indië-zendeling F. de Munnik en zijn echtgenote W. S. C. de Munnik- Creutzberg.

“Persinggahan”, 1919

“Persinggahan”, 1919

Uit het Geïllustreerd weekblad voor Nederland en Koloniën, 12 januari 1921:

Vraag: Is het toezicht op 2 kinderen (1 en 3 jaar) aan boord Ie klasse, bij mogelijke zeeziekte der ouders voldoende, om de reis zonder zeebaboe te ondernemen? De moeder is niet gewend de verzorging, aan anderen over te laten en zal dus alleen bij ongesteldheid hulp noodig hebben. J. R. B. te R.
Antwoord: Het toezicht aan boord op kleine kindertjes is onvoldoende. Er is slechts één linnenjuffrouw, die enigszins toezicht houdt bij haar andere werk. Men moet er zelve op passen, ingeval van zeeziekte de kleintjes in de hut bij zich houden of in een kleine babybox aan dek. Een zeebaboe is tamelijk duur, doch wel te bekomen in “Persingahan”. Wend U voor dat doel tot den Directeur, den heer F. de Munnik. Telef. Scheveningen 248.”   

In sarong en baadje

Uit het Bataviaasch Dagblad van 29 januari 1939 blijkt dat het tehuis tot dusverre aan zijn verwachtingen voldeed. Onder de titel Baboe’s wachten in Den Haag – Een kijkje in het tehuis „Persinggahan”:

“„Ja mevrouw, ik heb een uitstekende baboe voor u. Nee, mevrouw, ik heb hier wel een Sitih, maar die u bedoelt, uit Soerabaia, die is er niet. Maar neemt u Mirah, Mirah Opor, dat is een heel goede baboe. Komt u dan zelf even kijken, bijvoorbeeld vrijdag”. Die vrijdag komt dan de deftige Hollandse mevrouw naar het Tehuis en Adviesbureau voor Nederlands-Indische bedienden „Persinggahan” te Den Haag, en zoekt een baboe uit. Meestal zal dat een mevrouw zijn, die na een verlof weer naar Indië gaat en nu een zeebaboe zoekt. Een zeebaboe vaart heen en weer tussen Indië en Holland. Zij verzorgt de kinderen en helpt mevrouw op de reis. En als zij in Rotterdam of Amsterdam aankomt wordt zij afgedankt en moet zij zelf maar zien hoe ze weer aan werk komt. Dan gaat baboe naar „Persinggahan”, een vriendelijke woning aan de Van Boetzelaerlaan te Den Haag, die er op berekend is, ongeveer dertig baboes te herbergen, en waar de directrice regeert en de arbeidsbeurs voor Inlandsch personeel beheert. (de heer De Munnik was in 1938 overleden, de leiding was nu in handen van mevrouw De Munnik-Creutzberg – JP)

“Persinggahan”, interieur

“Persinggahan”, interieur

Zo zitten daar, in de grote kamer, uitziende over het Scheveningse Ververschingskanaal, dertig baboes in sarong en baadje. Zij praten geanimeerd, zij haken en breien, zij spelen grammofoon, zij schrijven brieven, zij lachen en hebben genoeglijke pret onder elkaar. Allemaal moeten zij hier een paar weken wachten. Wachten tot zij weer terug kunnen gaan naar Indië. Er is veel vraag naar zeebaboes. En dus gaan de meesten weer terug met de boot waarmee zij gekomen zijn. Er is dus een groot verloop onder Persinggahan’s bevolking. Bij elke boot die vertrekt slinkt zij met vier, zes, soms tien zielen; na elke aankomst neemt zij met een dergelijk getal toe.

Vroeger, twintig jaar geleden, toen bestond dit nog niet. Nederlandsch-Indische bedienden hadden geen tehuis, waren daardoor uitsluitend aangewezen op de familie, met wie zij uit Indië kwamen, of moesten, als zij het daar niet uithielden, zwerven. Een liefdadige Haagsche vrouw, die hun een goed hart toedroeg, nam hen toen wel liefderijk in haar huis op, zorgde wel eens voor werk voor hen, kortom deed spontaan waarvoor later het bureau gesticht werd. Er was dan ook dringend behoefte aan. Eerst was er sprake van, dat het departement van koloniën er voor zou zorgen. Maar tenslotte werd het werk ter hand genomen door de vereeniging Oost en West, met financiëlen steun van Koloniën.

Nu is er voor het Inlandsche personeel al meer gelegenheid ook buiten het tehuis een onderkomen te vinden. Javanen zijn b.v. in Den Haag getrouwd en exploiteren voor hun landgenoten pensions. Maar een „veilige haven” blijft het tehuis steeds. Want nog steeds komt het wel voor, dat baboes slecht behandeld worden. Dan is het de taak van het adviesbureau, om de familie, waar baboe werkt, te waarschuwen, en bij geen verbetering het baboe mogelijk te maken, uit haar betrekking te gaan. Dat alles wordt energiek en menschlievend geregeld door de directrice van het bureau, mevrouw W.S.C. de Munnik- Creutzberg, die in de negentien jaar van het bestaan der instelling het beheer gehad heeft.

Niet alleen voor het reizende personeel, niet slechts voor de zeebaboes, is dit een tehuis. Ook de baboe, die als dienstmeisje bij een uit Indië gekomen familie blijft werken, vindt hier een milieu, waar zij haar vrije avonden kan doorbrengen, en waar zij steeds haar kopje thee kan drinken. En dat komt ook veel voor. Steeds meer Inlands personeel wordt er gezocht; niet omdat dat veel goedkoper zou zijn. Ook een baboe krijgt ongeveer vijfentwintig gulden. Maar veel mensen prefereren de nauw merkbare en toch uitvoerige zorgen van een baboe. Dat geldt ook voor de „Totoks”, dat zijn zij, die nog nimmer naar Indië kwamen. De Hollandse dienstbodennood zal aan dit verschijnsel niet vreemd zijn.

Nederlandse vrouw met baboe en kind, Den Haag

Nederlandse vrouw met baboe en kind, Den Haag

En zo is dit huis een werkelijk centrum voor het Indische personeel in Den Haag en in Holland. Hier komen ze met hun zorgen en met hun kleine vreugden. Hier kunnen ze onder elkaar praten en, als daar gelegenheid toe is, feestvieren. Hier kunnen ze hun vermogenspositie regelen en hun klachten uiten. Hier is hun tehuis en hun spaarbank. Want bij de directrice kunnen zij hun verdiende geld in bewaring geven en zo sparen op een boekje. Eén is er bijvoorbeeld, die geregeld spaart en flink ook. Elke maand komt er vijf of tien gulden op het boekje, en dat wordt straks een mooi bedrag, waar thuis iets mee te beginnen is. Een ander, die al een flink tegoed had, heeft twee reizen geleden een erf en huis voor het eigen gespaarde geld gekocht. De vorige reis kocht zij een karbouw en nu heeft zij een put laten maken. Zij heeft haar grootvader op haar bezitting gezet om die te beheeren, en als baboe straks te oud is, om nog te varen of baboe te zijn, dan heeft zij wat voor haar oude dag.

Toch is het tegenwoordig niet meer, wat het vroeger was. Toen betaalde de mevrouw voor een overtocht honderdvijfentwintig gulden. En nu nog maar ongeveer vijfentwintig gulden handgeld van te voren en twintig gulden achteraf. Soms betalen de Hollandse dames wel meer aan de verhuurkantoren in Indië. Maar die houden een zeer groot percentage af, zodat de baboe maar weinig in handen krijgt. En van dat geld moeten ze in den wachttijd hun pension betalen. Al is het niet veel, het is toch nog altijd vijfenzeventig cent par dag. Gelukkig behoeven ze nooit lang op werk te wachten. Doch zijn zij werkloos of ziek, dan betalen ze niets. Later, hoeveel later doet er niet toe, betalen ze die schuld zonder mankeeren af. Daar behoeft nooit angst voor te bestaan.

Het is gezellig in de groote ruimte vol bewegelijke Javaanse vrouwen. Allen hebben het hoogste woord. En als ik vragen stel, aldus H. B. Fortuin in de Groene Amsterdammer, krijg ik een enthousiast antwoord. Zeebaboe is een prettig vak, vindt Mirah Opor, de dikke Mirah, die zulke mooie verhaaltjes kan vertellen en die een meesteres is in het zoethouden van kinderen. Daarom is Mirah nooit zonder reis. ledereen wil haar graag hebben. Maar Mirah is ook tevreden, als zij in „Persinggahan” kan wachten. Zij komt al heel wat jaren naar Holland, al in de mobilisatie. Toen kostte een banaan vijfentwintig cent. Daar je in Indië een hele klapperboom voor, vertelt Mirah lachend. Toen was ze twee-en-een-half jaar hier, vandaar dat ze perfect Hollands spreekt. Op het Hollandse klimaat is niets te zeggen, vindt Mirah. Die sneeuw en ijs vond zij, en al haar vriendinnen, prachtig. Ze konden maar niet vaak genoeg uitgaan; en aldoor wilden ze wel blijven kijken naar het „witte zand”.

Er heerst dus een prettige stemming aan de Van Boetzelaerlaan. Al is het huis niet luxueus en voor dertig mensen niet te groot, het is alles schoon en comfortabel. En het is een tehuis, waar zelf gekookt mag worden, waar ieder mag uitgaan of thuiskomen wanneer hij wil (mits vóór tien uur), waar altijd kennissen zijn om mee te babbelen, waar de grammofoon de vreselijkste Hollandse deunen draait. Maar waar ook de gamelen gehoord wordt, op de nationale feesten, bij het Indische nieuwjaar aan het einde van de vasten. Dan leggen ze, mannen en vrouwen — want het is ook een tehuis voor djongos, altijd maar heel weinig zijn — dan leggen ze geld bij elkaar, er wordt versierd en dan wordt er feestgevierd twee, drie dagen achter elkaar, tot diep in de nacht. Zo is daar een stukje Indië aan een brede laan in Den Haag.”

De oorlog nadert

“Toch is het tegenwoordig niet meer, wat het vroeger was”, schreef het Bataviaasch Nieuwsblad over het leven van de baboes. Nog in datzelfde jaar 1939 berichtte De Indische Courant van hun financiële problemen:

Van Boetzelaerlaan 2, Den Haag (2008)

Van Boetzelaerlaan 2, Den Haag (2008)

“Actie om loonsverhoging: Ook de zeebaboe’s hebben hun actie voor positie-verbetering gevoerd, en met succes. Zij hebben wel niet een vereniging in optima forma gesticht, maar staken de koppen toch bij elkaar en het gevolg van hun gezamenlijk beraad was dat op de Gemeentelijke Arbeidsbeurs te Batavia een bespreking werd gevoerd over loonsverhooging. Baboe Harminta, die al meer dan veertig dienstreizen achter den rug heeft, trad als voorzitster op; zij is geboortig uit Soerabaia, maar woont te Batavia. In totaal waren er ruim tien baboes, die zich onder haar leiding hadden gesteld. De Mina’s en Sarina, of hoe ze verder heten mogen, bleken op het punt van hun verlangens zeer eensgezind. De presidente toonde zich trouwens zeer goed op de hoogte van de huidige omstandigheden wat het reizen naar en van Nederland betreft.
Een zeebaboe ontvangt als regel een handgeld van ƒ 30.— vooruit en na afloop van de reis nog ƒ 20. Nu is door de oorlogstoestand de duur van het verblijf in Nederland zeer onzeker geworden. Er valt niet te zeggen, wanneer er weer een boot, mailboot of vrachtboot naar Indië vertrekt. Wel is er in Den Haag, aan de Van Boetzelaerslaan, een Tehuis voor Inheems personeel, waar de baboe’s tegen zeer matige prijs onderdak kunnen krijgen, maar hun loon is niet op een verblijf van onzekere duur berekend. Daarbij komt, dat de meeste baboe’s niet met de families meegaan, als deze voor de overlandreis in Genua of Marseille afstappen; zij reizen met de boot verder, naar Amsterdam of Rotterdam. Daarbij is nu gekomen het risico van aanhouding van het schip in een Engelse haven, dat wordt door de scheepvaartmaatschappijen als het verblijf in een noodhaven beschouwd, zodat daarvoor niet geldt de bepaling, dat de baboe’s gratis medereizen. Intusschen zijn de scheepvaartmaatschappijen zeer coulant, wat betreft de kostenberekening voor het verblijf in een noodhaven. Maar de zeebaboes verliezen ook daardoor tijd zonder verdiensten te hebben.
Kort en goed, de Gemeentelijke Arbeidsbeurs heeft de bezwaren der zeebaboes erkend en besloten werd hun tarief te brengen op ƒ 50 handgeld en ƒ 25 uit te keren bij ontslag in Nederland. Waarmede de vergadering der zeebaboes accoord ging.”

Dat was 3 november 1939. Ongeveer tegelijkertijd verordonneerde de Britten dat er geen schip meer doorheen kwam. Wat met de laatste vooroorlogse zeebaboes gebeurd is, is niet bekend. Als de schepen niet meer doorvoeren naar Nederland waren de baboes verplicht in Genua of Marseille aan land te gaan en verder te reizen met het gezin waarvoor zij werkten, per trein. Het treinkaartje diende in dat geval extra te worden betaald. Hoeveel zeebaboes nadien, maar voor 10 mei 1945, naar Nederland zijn gereisd en van de nieuwe regeling gebruik hebben kunen maken, we weten het niet. Veel zullen het er niet geweest zijn. Het tehuis, tenslotte, werd in 1948 gesloten. Het beroep zeebaboe bestond niet meer.

 

Dit bericht werd geplaatst in 1. Het vooroorlogse Nederlands-Indië en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

17 reacties op In sarong en baadje

  1. Ik sta er versteld van dat Nederlanders zo met die baboes omsprongen alsof het geen mensen waren ! Dat waren dan die goede Nederlanders die elke Zondag netjes in hun Zondagsgoed in de Kerken zaten ??
    Vreselijk – ik heb er geen woorden voor. Ik hoop dat mijn ouders wat beter met onze baboes hebben omgesprongen ?!!
    Is het geen wonder dat ze ons haatte – orang blanda ??
    Ache zo sprongen ze toch ook om met de koelies en alle Indische mensen ?

    Slamat,
    Gerard Lemmens

    • Jan A. Somers zegt:

      Baboe Soep heeft ons niet gehaat hoor. Na Europees verlof in 1933 kwam zij zichzelf weer aanmelden, tenslotte was ik haar lieveling.. Een zeebaboe tijdens dat verlof konden mijn ouders zich niet veroorloven, grote depressie! Tijdens de Japanse bezetting en de bersiap had mijn moeder geen geld meer voor haar salaris, zij kwam inwonen tegen kost en inwoning.

    • Surya Atmadja zegt:

      Gerard, ik denk niet dat de zeebaboes of andere “gestrande” personeel uit Nederlanders Indie de blanda haten.
      Volgens mij zijn er verschillende redenen .
      1. Ze hebben financieel redelijk goed bij hun toeans en njonjas .
      2 Hebben een relatief goede inkomen vergeleken met hun dorpsgenoten.
      3.Goed eten/drinken, onderdak , goed salaris ( wat wil je nog meer )
      4.In je kampung is je status verhoogd ( de wereld gezien ).Zie artikel.

      Over Indische mensen, er zijn veel rijke Indische mensen ( volgens Dr T. Kok 70% of meer van de Nederlanders in Nederlands Indie waren Indo’s-Indische Nederlanders).
      Met personeel.

  2. Walter zegt:

    Buitengewoon interessant en voor hun maatstaven een goede manier om te sparen.
    Zeer loofwaardig dat de Munnik een tehuis voor de baboes oprichte.

  3. Mijn ouders waren super geliefd door het personeel op Java (1933 /1958)
    Mijn moeder vertelde de baboe hoe ze niet meer thuis moest bevallen maar in het ziekenhuis waar ze de baboe uiterst mee hielp.
    Toen de dag aan brak van de Nederlanders om te vertrekken uit Indonesie 1958 heeft mijn moeder meerden onderwerpen, zoals b.v. de naai machine etc.. achter gelaten zodat ze eventueel na haar vertrek ergens werk kon beginnen.
    De bediening verhuisde altijd mee met mijn ouders als ze van woning veranderde wat 2 keer is voor gekomen in Bandung.
    Wie weet een andere generatie of opvoeding van het mens waar het personeel met respect goed behandeld werd.

  4. H.A. Naberman zegt:

    Nooit eerder iets over gelezen!
    Interessant!
    Bedankt!

  5. Surya Atmadja zegt:

    Zo te zien zijn er 2 groepen baboes meegegaan naar Nederland.
    Een groep tijdelijk personeel om de kinderen te verzorgen, met een korte dienstverband .
    Je kan hun aantrekken bij een bemmiddelingsbureau , een ouderwetse “uitzendbureau”.
    En het is begrijpelijk dat men in Nederland geen baboe meer kan permiteren door dat men mss op financieel gebied het slechter hebben in Nederland.
    En de huizen zijn ook niet zo groot zoals in Nederlands Indie.

    Een andere groep was soms huispersoneel uit Nederlands Indie die al jaren in dienst zijn bij de familie.Dus gaan ze mee om de kinderen verder te verzorgen.
    Die blijven bij hun non /sinjo tot dat ze groot zijn . En als ze geluk hebben kunnen ze met of landgenoot ( zeeman) trouwen of met een Nederlandse arbeider.

    Ik ken een huisbaboe van een Indische vrouw ( echtpaar was kennissen van mijn ouders uit Jakarta) die met haar NON meeging naar Nederland , en later zelfstandig vestigde in Amsterdam Oost (Indische buurt).
    Het verhaal van zeebaboe en Inlandse zeemannen is ook te lezenin ” In het land van de Overheerser” deel 1 Uitgave KITLV

  6. Jan A. Somers zegt:

    Vergelijk dit eens met de behandeling/loon van dienstmeisjes in de jaren ’30 in Nederland.

  7. j.w.hoegen. zegt:

    indonesiers die ons haatten ?
    de nederlanders die met de australische troepen meekwamen in 1945 , werden met grootste feesten onthaalt.
    op java was dat anders , bemerkten de britten .
    daar hadden de jappen 3 jaar lang de javaanse jongeren geindoctrineerd ,
    azie voor de aziaten , dus vermoord alle blanken en chritenen .
    de britten bemerkten op java dat de javaanse vrijheidstrijders in de leeftijds categorie van 8 tot 14- jarigen vielen.
    ik zelf heb mijn leven te danken aan oudere javanen , die ons redden uit de klauwen van die vrijheidstrijders ,
    de jongeren zijn mata gelap mevrouw , tegen mijn moeder.
    jan willem hoegen.

    • Soedibyo zegt:

      Niet de Nederlanders als persoon wordt gehaat, maar het kolonialisme. Baboes. djongos, kokis, toekang kebon ze komen in contact met Nederlander in huishoudelijk verband. Zelfs als de toean, njonja, sinjo en nonnie de inlandsche personeel ruw behandelt dan slikken ze het toch in omdat ze het geld nodig hebben, Soms accepteerden de inlandsche huishoudelijk personeel zulke behandeling omdat ook de inlandsche ndoro hun ook niet beter zullen behandelen. Ze beschouwen zulke behandeling als hun lot. Maar ook sommige ndoros (inlandsche masters) gedragen erg onderdanig tegen de toeans and njonjas enz.
      De Jappanse bezetting beinvloed deze verhoudingen. Ze gaan niet indoctrineren, maar zelfsrespect en zelfsvertrouwen bij de jongeren (lagere school vijfde-zesde klas, en MULO) opbrengen. Als vijfde en zesde klas leerlingen op het veld kastie of korfbal spelen, dan komen een Japanse officier(en) die sumo, bajonetvechten (djukendjutsu), schermen (kendo), jujiutsu demonstreren en gaf instructies inclusief de hele filosofie. Als deze jongens van hun ouders pencak silat hebben geleerd, deze Japanse zelf-verdediging arts verhoogd de zelfsrespect en zelfsvertrouwen tot een hogere en practische level. Daarnaast leer je groeps aanvallen (banzai-aanval), en via films zie de ceremonie van de jonge kamikaze piloten, met een oneway ticket, alleen stijgen leren en duiken, afscheid van een jonge man (pemoeda) die naar het front gaat met zijn meisje, dat ontroerd je. De pemoedas horen ook van “Inggris kita Linggis, Amerika kita setrika”, van Belanda herinner ik het niet meer, maar ze weten dat is puur propaganda. De pemoedas zagen geen paniek bij de Jappenners als ze de oorlog begin te verliezen, maar gewoon door vechten “sampai titik darah penghabisan” (laatste druppel bloed). De “bushido” zijn hun levens filosofie. Ze leven een harde leven, conform met de opvoeding van een ksatria (ridder?) zoals het in da wajang wordt verteld, die een harde leven moet ondergaan voor hun mentale sterkte. Ik persoonlijk geloof, dat zonder de Japanse interventie dat Indonesia niet merdeka zal worden, wij zijn te onderdanig en accepteert de onderdrukking. Het nationalisme is een goed idee, maar het blijft een idee zonder de Jappener, we are too soft. Boven Digul (bung Hatta en Sjahrir), isolement in Soekamiskin (bung Karno) is niets te vergelijken wat Mandela heeft endured. Maar de pemoedas die zijn kepala batu (hardnekkig), als ze worden geprofoceerd dan reageren ze ook totaal, zonder aanzien des persoon, zelfs tussen vader en zoon. Deze transformatie bij de Indonesische jongeren, niet alleen Javanen, maar de hele pemoedas, Ambonesen, Padanger, Batakkers, Aceher, Buginesen, Menadonesen, Maleiers, Soendanezen etc,
      noem maar op, Deze transformatie bij de pemoedas is niet onderkent en wordt geen rekening mee gehouden, in het bijzonder bij de politieke en militaire leiderschap. De pemoedas die hebben een uithoudingsvermogen. Geen wonder, als je kanji (pap van sinkongmeel, voor de oorlog om je was te stijven) als ontbijt heeft en je moet nog vijf km looppas doen, en daarna nog banzai aanval, als je fout doet moet je overdoen of klappen krijg, geen excuses, dan word je keihard. Nog tijdens de Japanse bezetting gingen de pemoedas ook tegen de Japanners berontakken. Erkent de Jappen waren als kolonisator wreder en sadisties dan de Nederlanders, maar daarmee is het uit met koloniseren, Merdeka atau Mati, en veel van de pemoedas hebben zich opgeofferd. Tidak percuma, Indonesia Merdeka, over het politiek structuur hebben ze geen intersse, pokonya merdeka dan demokrasi.
      Maar ook de pemoedas waren niet matagelap, als er iets gebeurd als de bersiap, please onderzoek “wat waren de oorzaken of aanleiding”. De naween of wraak van de bersiap periode, tot en met December 1949, voor de Indonesier was ook veel en veel meer dan de Nederlandse. Als de uitkomst van de RTC het KNIL wordt de kern van de APRIS (Angkatan Perang Repoeblik Indonesia Serikat) dan gaat de pemoedas ( de achterban) weer vechten. Sorry, ik schrijf te veel.
      Terug naar het subject van Boetzelaarlaan 2, die sinds 1951 – 1956 was het een opvang pension van de Indonesische cadetten van de KMA (Koninklijke Militaire Academie – Breda), en adelborsten van het KIM (Koninklijke Instituut voor de Marine – den Helder). Voordien waren de cadetten opgevangen door het pension van mevrouw van Bussenmaker (de wedewu van ex resident Bussemaker van Bojonegoro) te Lange Voorhout 41. Ben niet zeker of van Boetzelaarlaan 2 toen nog onder de toezicht van familie de Munnik was.

  8. Soedibyo zegt:

    Bung Eppeson, mijn dank voor een supportive reactie. Als je rustig over de periode 1945-1949 gaat nakaarten, dan denk ik dat de uitkomst veel beter kan zijn als men maar de feiten niet negeren, niet versluierd door wishful thinking. Maar ja, nasi sudah menjadi bubur, next time better. Java Post bijhouden om wat van het verleden te leren, speciaal de reacties zijn interessant. Allerbeste.

    Pak Surya Atmadja, de laatste lichting Indonesische adelbost bij de KIM en cadet bij de KMA was 1957. Eerste lichting cadetten en adelborsten was in 1949, gezonden door de Federalisten. Eerste lichting Republikeinse adelborsten was in 1950, en cadetten in 1951. Totaal zijn er 37 cadetten en 82 adelborsten. Cadeteen van de lichting 1953 van de zes waren er vijf ex TH Bandung studenten. Ik ben er een van, niet zo zeer om militair te worden, maar zuiver om naar het buitenland en avontuur. Je heb op de HIS zoveel lessen over Nederland gekregen, hoe is het in werkelijkheid. Lumajan. Wassalam

    • Surya Atmadja zegt:

      Ik weet niet of mijn oom (si bungsu) een cadet of adelborst was , na zijn ELS (zoals mijn vader , zijn oudere broers/zusters )ging hij verder studeren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s