´In opgewekte stemming´(II)

In het artikel ´In opgewekte stemming (I)´ werd in de Java Post bericht gedaan van het ontstaan van werkkampen voor Indo-Europeanen op Java. In Bandoeng werd door de Japanners besloten tot de oprichting van twee ´kolonisaties´: één bij Goenoeng Haloe, en één bij Pasir Benteng. We vervolgen hier het verhaal met een beschrijving van beide kampen, en eindigen met een terugblik.

I. Goenoeng Haloe

Landschap in de Preanger

De eerste kolonisten arriveerden op Goenoeng Haloe op 9 januari 1945. Uiteindelijk zou de kolonie (inclusief subkampen) tussen de 360 en 380 bewoners krijgen, twee maal zo veel als Pasir Benteng.[i]
De onderneming bevond zich op 60 kilometer ten zuidwesten van Bandoeng, en had drie verschillende locaties: het hoofdkamp Goenoeng Haloe, en de nabijgelegen plaatsen Tjitjalobak en Montaja.
Het hoofdkamp bestond uit een verlaten theefabriek met enkele bijgebouwen, gelegen aan de oever van een riviertje. Hier werden ongeveer 200 personen gehuisvest. Dit kamp werd geleid door de Indo-Europeanen W.Ch. de Meyier en M. van Leuven.
Tjitjalobak, een uur gaans verderop, was iets kleiner. Het bood plaats aan een tiental gezinnen en een vijftigtal jongens. De gezinnen woonden in woningen, de jongens in een barak. Dit kamp werd geleid door de (éénarmige) W. Keasberry, met assistentie van A.G. van Egmond, A. Glaser, G. Abuys en K. van Greeven. De supervisie lag – evenals in het hoofdkamp – in handen van de Japanner Ema en de Indonesiër Joesoef.
Montaja, het kleinste kamp van de drie en nog weer iets verder gelegen, was in hoge mate zelfvoorzienend. Enkele gezinnen afkomstig uit de Bandoengse opvanglocatie ‘Huize Bosdijk’ hadden hier een ondersteunende rol. De kampleiding, bestaande uit M.E. Blondeel Timmerman en E. Lucardie, trachtte zo goed en zo kwaad als het ging de opgelegde taken uit te laten voeren, zonder dat sprake was van veel toezicht van Joesoef of de Japanners.  

Bewaking

Er was in Goenoeng Haloe géén sprake van een omheining of permanente bewaking. Dit was ook niet goed mogelijk, omdat de jongens op andere plaatsen in de omgeving werkten en voortdurend onderweg waren. De omschrijving van één van de tewerkgestelden lijkt waarheidsgetrouw, waar wordt gesteld:

‘Het was strikt gesproken een open kamp, want er was maar een klein stukje afgezet met prikkeldraad. Het gebied was echter onbegaanbaar, de wegen waren gebarricadeerd en overal waakten bewapende Japanners. Vluchten naar kampongs in de bergen had geen zin, want de kampongbewoners waren in deze fase van de oorlog niet geneigd tot enigerlei medewerking.’[ii]

locatie Goenoeng Haloe

Als de jongens het in hun hoofd haalden om weg te lopen, werden ze door de plaatselijke bevolking teruggestuurd. Een enkele keer werden jongens na een dergelijke vluchtpoging kaalgeschoren.
In het hoofdkamp heerste een tamelijk streng regime. Aan jongens die de kampregels overtraden werden vooral  lijfstraffen gegeven.
Niet is gebleken dat ook de families werden gestraft. Dit zou erop kunnen duiden dat er twee soorten regimes waren: één voor de opgeroepen werklozen, en één voor de overigen. Hiervoor hebben we echter geen verdere aanwijzingen.
In Tjitjalobak en in Montaja werd veel minder geslagen. De geïsoleerde ligging van deze kampen maakten dat hier – mogelijk een enkele uitzondering daargelaten – geen lijfstraffen werden toegepast.

Werkzaamheden

De jongens werkten op het land en moesten daar citroengras snijden, hout kappen of wegen aanleggen. De vrouwen werkten in de keuken en zorgden voor het eten. Hun kleinere kinderen, vanaf een jaar of 6 – 7, werden ingezet bij het maïs pellen.
Op basis van de aantekeningen van Suyderhoud, hoofd van het plaatselijk Indo-Comité, mogen we aannemen dat de jongens voor hun werk betaald kregen, zij het dat die betaling soms achterwege bleef:

´Dinsdag 6 februari. Telefoon gehad van heer Joesoef uit GH: hij vroeg om dysenterie serum (niet vaccin, dit reeds 4/2 ontvangen). Dan vroeg hij om heer Matsui mede te delen dat de jongens reeds 14 dagen geen loon ontvangen hebben van de Medji Sanyo, of hij dit aan heer Ema wil vragen (eventueel met voorschot) + de beloofde barang.
Woensdag 7 februari. Heer Matsui zei dat heer Ema gistermiddag misschien de lonen in GH gebracht heeft.´[iii]

Gezondheid

Locaties Goenoeng Haloe (onder), Tjitjalobak (links) en Montaja (boven)

De voeding was eenzijdig en onvoldoende. Ruilhandel met de bevolking en strooptochten in de vrije natuur moesten zorgen voor aanvulling van de verstrekte rantsoenen.
Veel voorkomende ziekten waren malaria en dysenterie. In Tjitjalobak en Montaja was men voor dokterbezoek aangewezen op het hoofdkamp. De in Goenoeng Haloe aanwezige arts mevrouw Veerkamp had echter te weinig medicijnen om alle ziektegevallen het hoofd te kunnen bieden. Enkele maanden voor de Japanse capitulatie vertrok zij enige tijd naar Bandoeng om daar zélf van een ziekte te genezen. Volgens Suyderhoud gingen ongeveer 20 kolonisten (van het geheel van de drie kampen) in deze acht maanden naar Bandoeng om reden van arts- en/of ziekenhuisbezoek. Als redenen worden onder meer genoemd: tandpijn, tuberculose, steenpuisten en bevallingen (2x).
In Goenoeng Haloe is niemand overleden. Wel is in april 1945 het 3-jarige meisje Edith Kors uit Tjitjalobak in een ziekenhuis in Bandoeng komen te overlijden, mogelijk mede ten gevolge van chronische ondervoeding. Later zou de moeder van het meisje opnieuw naar Bandoeng reizen om daar van een nieuwe dochter te bevallen.
In maart 1945 werden vier jongens naar Bandoeng gezonden om ze te onderzoeken op ´vrouwenziekte´. Eén hunner bleek besmet. Mogelijk doelt één van de tewerkgestelden op de losse zeden in het kamp wanneer hij vertelt:

‘Het leven in het kamp was verschrikkelijk. Geestelijk hadden ze het ongelooflijk moeilijk. Ze konden het hoe en waarom niet vatten. Met name omdat zij in zo’n beschermd milieu waren opgevoed. Ook omdat ze in het kamp dingen hebben gezien. Vrouwen die alles deden om maar aan medicijnen voor hun kinderen te komen, “in het stof beten ze”.’[iv]

Verlof

Tjitjalobak

Het was niet toegestaan zonder permissie uit het kamp te vertrekken. Een tiental weglopers werd in Bandoeng opgevangen en ter voorbeeld van de anderen enige tijd vastgehouden in een PID-cel.
Wel was er ruimte voor verlof. Verlofgangers moesten zich in Bandoeng bij Suyderhoud melden, en hem dan laten weten waar ze logeerden. Na een verblijf van ongeveer een week keerden ze terug naar de kolonie.
De registratie van Suyderhoud toont dat in totaal ongeveer 80 van de ca. 360 kolonisten toestemming hebben gekregen naar Bandoeng te reizen.[v] De eerste maanden werd toestemming verleend slechts op basis van een bijzondere reden (ziekte van een familielid, huwelijk o.i.d.), de laatste maanden werd geen reden meer vermeld. Enkelen mochten zelfs twee keer naar Bandoeng.
Suyderhoud liet op enig moment aan de kampleiding weten dat deze niet meer mensen naar ‘beneden’ (de stad) moest sturen:

´Zaterdag 21 juli: Gisteravond GH opgebeld en gevraagd aan Oeto dat (hij) niemand voorlopig naar beneden mag zenden tot nader order, aangezien momenteel 35 personen hier zijn, wat m.i. teveel is.
Dinsdag 24 juli:GH opgebeld en gezegd dat morgen die vrachtauto gaat en de verlofregeling weer in kan gaan als deze jongens weer boven zijn.´

Het is opmerkelijk dat enkele van de jongens die eerder waren weggelopen en daarom een tijd in een PID-cel hadden gezeten, nadien weer met ‘gewoon’ verlof naar Bandoeng mochten gaan. Dit zou er op kunnen duiden dat de kampleiding aan het eind van de oorlog geen voorbeelden meer nodig had en liever vergevingsgezind wilde zijn.
Tenslotte moet hier nog worden vermeld dat er ook ruimte moet zijn geweest voor enig vertier.
Uit het dagboek van Suyderhoud weten we dat er voor Goenoeng Haloe tennisballen werden gekocht, dat er werd gevoetbald, dat er een film werd vertoond en zelfs dat er een keer een theatergezelschap een voorstelling heeft gegeven.[vi] Eén van de jongens uit Tjitjalobak meldde later zelfs dat ze er ook “onnoemlijk veel plezier” hebben gehad.[vii]

II. Pasir Benteng

De rubberonderneming PasirBenteng ligt ongeveer 35 à 40 kilometer ten zuid-westen van Bandoeng. Om er te komen moest men eerst met de auto naar Tjililin, dan over dezelfde weg nog een vijf kilometer verder naar het zuiden, een afslag naar rechts, ongeveer zes kilometer over een smalle verharde weg, en dan wederom naar rechts, noordwaarts, over een pad naar de kali Tjitaroem.

Mogelijk was het laatste deel van dit pad soms minder goed begaanbaar. Eén van de bewoners omschreef het als volgt:

´De chauffeur zette de jongens af aan de voet van een berg, waar zij door geïnterneerden werden opgewacht. (…) Ze meegenomen naar kolonisatiekamp Pasir Benteng, dat op een á twee uur lopen lag. Aanvrager herinnert zich dat de voettocht door het berggebied zeer vermoeiend was. Onderweg kapte men bamboe om pikolans van te maken en de koffers te dragen.´[viii]

Veerpont over de Tjitaroem

De eerste kolonisten arriveerden hier op 18 januari 1945. Pasir Benteng heeft in totaal ongeveer 170 inwoners gehad.[ix]
Afgaande op de getuigenissen lijkt het erop dat het kamp oorspronkelijk bestond uit een fabrieksgebouw (mogelijk met enkele bijgebouwen en woningen) en twee wat hoger gelegen barakken voor het Indonesische personeel. Voor de kolonisatie werd een tiental bilikken huisjes gebouwd voor de gezinnen die belast waren met organisatie (leiding, administratie, gaarkeuken, fabriek), en een viertal nieuwe barakken voor de jongens. In de administrateurswoning was een ziekenboegje.
De leiding van het kamp was in handen gegeven van de Indo-Europese politiemannen E.Ch. Grünewald,  R.W. Schmidt en  A.L.Orth.[x]
Pasir Benteng was evenals Goenoeng Haloeng een open kamp, het had geen omheining. Het toezicht kwam slechts van de Indo-europese leiding. De jongens hadden op het terrein en tijdens hun werk relatieve bewegingsvrijheid. De bezoeken van Japanners waren uiterst incidenteel. Enkele jongens maakten gewag van appèls, maar waarschijnlijk bestonden deze slechts uit het dagelijkse aantreden voor de werkverdeling.

Een geitenstal

De werkzaamheden in Pasir Benteng waren vergelijkbaar met die in Goenoeng Haloe. De meeste jongens werden ingezet bij het rubber tappen en grondbewerking. De eerste groepen werden ingezet bij de barakkenbouw. Andere genoemde werkzaamheden: corveediensten in de keuken, transport- en bewakingsdiensten (sic). Eén jongen maakt melding van stalwerkzaamheden. Op de onderneming hield men geiten.

Bezoek van een semi-arts

Uit alle verklaringen blijkt duidelijk dat de voedselvoorziening onvoldoende was. De bewoners leden soms honger en werden genoodzaakt in de omgeving op strooptocht te gaan. Ziekten als difterie, malaria, beri beri en tropische zweren kwamen regelmatig voor. Een beperkte aanvoer van medicijnen maakte echter dat de meeste jongens toch konden doorwerken. Een enkeling kreeg toestemming voor ziekteverlof in Bandoeng. Op 28 maart meldde Suyderhoud dat op Pasir Benteng voor de medische verzorging waren gearriveerd de heer O. Spruyt (‘semi-arts’) en zuster Warnaars. Tot het einde van de oorlog zouden zij er blijven.

Solidariteit met de leiding

De jongens mochten zich zonder toestemming niet van het terrein verwijderen. De meesten zullen hier ook niet serieus aan hebben gedacht, omdat de kans groot was dat ze snel zouden worden opgepakt. Bijzonder in dit geval is de verklaring van één van de getuigen: de jongens durfden niet te vluchten omdat ze dan de gezinnen van Grünewald en Schmidt in gevaar brachten. Deze uitspraak veronderstelt een zekere solidariteit van de jongens met hun Indo-Europese leiding. Dat deze leiding erg streng zou zijn geweest, is dan ook twijfelachtig. Naar de maatstaven van toen was overigens voor het wel-functioneren van een groep van ongeveer 150 jongens van 18 à 20 jaar een zekere tucht niet ongebruikelijk.
Een enkele keer was sprake van een bestraffing. Zo belde Grünewald op 2 juli 1945 met Suyderhoud om hem te vertellen van het feit dat één van de jongens opstandig was geweest en daarom ‘klappen’ had gehad.

Verlofregeling

Evenals bij Goenoeng Haloeng is bij de beoordeling van het open c.q. gesloten karakter van de kolonisatie van belang te weten dat sommige jongens – mits daartoe toestemming verleend – enkele dagen terug mochten naar Bandoeng. In een enkel geval werd ter verkrijging van verlof door de tewerkgestelde een ziekte (bij zich zelf of bij familieleden) gefingeerd.

Locatie Pasir Benteng

Op woensdag 20 juni sprak Suyderhoud het eerst over een regeling voor ‘algemeen’ verlof.[xi] Vanaf dat moment vermeldde hij in de meeste gevallen niet meer de reden van aanmelding. Daarna kwam nog een 80-tal van de kolonisten (enkele dagen) naar Bandoeng. Aangenomen mag worden dat slechts de Japanse capitulatie verhinderde dat (vrijwel) iedereen even naar huis mocht. Suyderhoud maakt slechts één keer melding van een individueel geval van intrekking van het verlof (2 juli). De verlofgangers gingen in de meeste gevallen op eigen gelegenheid naar Bandoeng. Voor dit doel was onder meer een fiets in gebruik. De meesten liftten echter mee met vrachtwagens die voor de bevoorrading van het kamp zorgden.

De bevrijding

Goenoeng Haloe en Pasir Benteng bleven beide in functie tot de Japanse capitulatie.

´Op een gegeven moment werd op het appel, ’s morgens vroeg, tegen de kampbewoners gezegd dat ze vrij waren. De oorlog was voorbij. Iedereen reageerde gelaten, het drong nog nauwelijks tot hen door. De Japanse commandant zei dat het goed was om geen vreugde te tonen. Hij drukte hen op het hart om voorzichtig te zijn en de emoties in te houden.
De Nederlandse vlag moest men niet uitsteken. Hij zei dat de Indonesiërs erop gebrand waren om alles wat met Nederland te maken had, aan te pakken. Daarna verdween iedereen van de leiding.’[xii]

De volgende weken liepen de kampen leeg. Sommige bewoners konden meeliften met trucks naar Bandoeng, anderen gingen lopend.  
Suyderhoud lijkt bevreesd te zijn geweest in zijn dagboek de Japanse capitulatie aan te kondigen. Pas op 22 augustus is een kentering merkbaar. Moest voorheen alles aan de Japanner Matsui gevraagd worden, nu vroeg Matsui aan de BOGI of zij ‘goed’ wilden kopen voor hun armen. Op 25 augustus wordt uit Goenoeng Haloe gemeld dat ‘alles weer rustig is’.

III.  Een terugblik

Een terugblik op de geschiedenis van beide kampen levert het volgende beeld op:
Goenoeng Haloe en Pasir Benteng waren een verzinsel van de Japanners. Het Indo-Comité in Bandoeng werd slechts belast met de uitvoering. De kern van de bewoners was een groep werkloze jonge mannen die een oproep kregen zich te melden voor kolonisatie. Sommige kandidaten meldden zich nog voor ze een oproep kregen, vrijwillig, om er later achter te komen dat het waarschijnlijk niet veel had uitgemaakt.
De tweede groep bestond uit enkele tientallen gezinnen, moeders en vaders die zich veelal vrijwillig meldden om dichter bij hun zonen te zijn of omdat ze hoopten op een landbouwkolonie (voedsel!) grotere overlevingskansen te hebben. Tenslotte was sprake van enkele kleine restcategorieën.

het nabijgelegen Radiostation Tjililin

Aanvankelijk was sprake van animo. Er bestond daadwerkelijk hoop dat het leven op de kolonie beter zou zijn dan in de stad. Het beeld dat de kolonisten voor hun vertrek werd geschetst, bleek in de praktijk echter niet te kloppen.
Over de aard en zwaarte van de werkzaamheden konden de ze niet echt verrast zijn. Van te voren was immers bekend wat het doel was van de kolonie: het ontginnen van landbouwgronden.
De hardheid van het bestaan viel echter in volle zwaarte op de jongens door de gebrekkige huisvesting en voedselvoorziening, en onvoldoende medische zorg. Verder werden toezeggingen ten aanzien van een verlofregeling wel érg laat ingevuld. Voor de meesten was een uitdagend landbouwproject daarmee een internering geworden.

Goenoeng Haloe en Pasir Benteng waren echter geen strafkampen. De Japanners beoogden met het kamp niet anders dan de Indo-Europeanen aan het werk te zetten. Vrijwillige terugkeer naar Bandoeng hoorde daar echter níet bij, en dus moesten vluchtpogingen (vaak ingegeven door heimwee) worden bestraft. Ook de ter plaatse toegepaste lijfstraffen dienden slechts ter handhaving van de noodzakelijk geachte orde. Voor het overige lijkt het kamp bij de Japanners niet al te veel interesse te hebben gewekt. De enige keer dat er een delegatie Japanse hoogwaardigheidsbekleders langskwam, was ter gelegenheid van een toneeluitvoering.

Tegelijkertijd waren Suyderhoud, Joesoef, Ema en Matsui gedurende acht maanden bezig om met kunst- en vliegwerk het geheel te laten functioneren. De meeste aandacht ging daarbij uit naar het hoofdkamp, de theefabriek in Goenoeng Haloe. Dáár was sprake van een enigszins naar behoren draaiende gaarkeuken, dáár was enige bewaking en dáár werden de meeste klappen uitgedeeld. De andere kampen, Tjitjalobak en Montaja, maar ook Pasir Benteng, kregen slechts af en toe een bezoek en moesten zich zelf maar zo´n beetje bedruipen.

Als we ons tenslotte nog afvragen of het door de Japanners nagestreefde doel ook werd behaald, dan zouden we kunnen zeggen: enerzijds wél, anderzijds niet. In afwijking van vergelijkbare kampen in Batavia was het doel in Bandoeng niet van politieke -, maar slechts sociaal-economische aard. De Indo´s die niets om handen hadden moesten uit het straatbeeld; verwacht werd dat zij zich nuttig zouden maken. Dat laatste is tot op zekere hoogte ook gebeurd. Gelet echter op de korte tijd dat de kampen hebben gefunctioneerd is het nut voor de Japanners bijzonder gering geweest en waren de kosten in termen van menselijk leed voor de betrokkenen natuurlijk buitensporig hoog.

x

[i]     Op 9 januari vertrokken vanuit Bandoeng 54 personen naar Goenoeng Haloe, op 13 januari 82, op 14 januari 56, op 18 januari 137, op 27 januari 18 en tenslotte op 15 februari nog eens 13. Later volgden nog enkele tientallen individuele ‘nakomers’.
Het aantal van 360 bewoners komen we ook tegen in een rapport vanRAPWI-secretarisR.B. Quack. NIOD IC 054943, p. 3.
[ii]    Pelita, Wuv A40047
[iii]   Suyderhoud, F.J., Afschrift van de aantekeningen, 1944-1945. NIOD, IC-064051.
[iv]   Pelita, Wuv, A83859
[v]    Exclusief de 20 die om medische reden naar de stad gingen.
[vi]   Het betreft hier het gezelschap van een zekere Blok de Neve.
[vii]  Rapport ‘Gunung Halu/Pasir Benteng’ van H.J.M. van der Hart. p.1.
[viii] Pelita, Wubo, 357081
[ix]  Op 18 januari vertrokken vanuit Bandoeng 28 personen, op 15 februari 38, op 22 maart 50 en tenslotte op 12 mei nog eens 49.
Bij deze transporten mogen nog enkele personen worden opgeteld die vanuit Goenoeng Haloe naar deze onderneming vertrokken. (18januari). Het aantal van 170 bewoners komen we ook tegen in een rapport van RAPWI-secretaris R.B. Quack. NIOD IC 054943, p. 3.
[x]   Mogelijk is deze keuze gebaseerd op de gedachte dat het gezag in ieder geval gewaarborgd zou zijn. Uit de bronnen is niet duidelijk wie de eerste dagen aangewezen was als leider. Op 1 februari kreeg Suyderhoud bezoek van E.C. Grünewald en R.W. Schmidt. ‘Ze willen graag naar Pasir Benteng.’ 8 februari: ‘Grünewald (bestemd als leider aldaar) mag later dan 10/2 vertrekken. Als wakilleider vertrekt 10/2 R.W. Schmidt.’ 
[xi]  Jan Bouwer schreef op 8 januari al van een verlofregeling. Waarschijnlijk werd de opgeroepen tewerkgestelden dus tóen al een verlofregeling in het voorruitzicht gesteld. A.w., p. 312.
[xii] Pelita, Wubo, 471542.

x

Namenlijst (inclompleet) van bewoners werkkamp Goenoeng Haloe, inclusief Tjitjalobak en Montaja:

Abrahami, G. Abuys, Hans Admiraal, A. van Alphen,Marinus G.C.van Ameyde, I. Annuschek, P. Anthonio, R.G. Anthonio, H.J. Anthonijsz, H. Bausch, J.L. Belle, Belle jr., Belle jr., A.T. van de Bent, U.B. Berendhuysen, Nono Berg, Armand E. Berg, Antoon van den Berg, A. Berg-Schuwer, Best jr., Best jr., Best jr., Gonny Beuk, Jan Beuk, Jacky Beuk, C.L.A.J. van Beurden, mej. Binnendijk, J.J. Binnendijk, Benny Bloem, P. Bloem, M.E. Blondeel Timmerman, H.J. Bochart, Max Boekholt, J.H. Borgen, Egbert Bos, Henk Bos, L.H.F. Boskol, E.W. Braun, Harry Bremmer, F.P. Bremmer, Breuer, Briët, Brilman sr., Brilman jr., P. van de Brink, Edmond H. van den Broeke, Teddy J. van den Broeke, Bruggemans, D.R.J. Brugman, Lodewijk Brugman, Max Brugman, F.W. Brugman, Bruins, E.F.R. Brukus, E.F.R. Buisinck, W.A. Calbo, fam. Claessen, William Clarke, Uli Clark, F. Clignett, R. Coester, Cohen, N.A. Coldenhoff, P.B. Coldenhoff, Coldenhoff jr., Coldenhoff jr., Herman J.C.de la Combé, Cornfield, Oscar Cramer Bornemann, A.A. Dengah, E.H. Dengah, Delvit, R. Doornbos, Gustaaf F. van Doornum, Cor G.H. Duden, L.G.T. Duden, Ecoma Verstege, Rudy van Egmond, Norma van Egmond, Adrianus G. van Egmond, Irene van Egmond, Margaret van Egmond, Geertruida T. van Egmond-Flament, Albert Einholz, Otto van Elsen, Willem Engelen, mw. Engelen, R.A. van Engh, Everling, mw. Fischer, Johnny Fischer, J.E. Fransz, C.H. Geenen, Josef A. Geenen, Frans A. Geeradts, Hans B.H. Geeradts, Olga F.M. Geeradts, Edmund G.J. Geeradts, Rudolf B.A. Geeradts, Bernard C.Geeradts, A. Geeradts, Agnes T.S. Geeradts, Flora C.H. Geeradts, Constance M.E. Geeradts, Tera Susanna Geeradts-Hartmann, E.F.E. Gentenaar, Gentenaar, F.E. Gentenaar, C.H. Gervais,M.J. Gervais, Rudie van Giffen, Emile A. Gijsbers, Donald Glaser, Brigitte G.M. Glaser, August Glaser, Theresia Glaser-Chattelin, J.C.Gout, Lucie W. Greeuw, Greeuw jr., Greeuw jr., K. van Greeven, H.J. van Greeven, Benny ter Haar, E.M. Haasen, van Haassen, A.T. van Hastert, B. van Haastert, G. van Haastert, A.M.M. Hage, Olaf Hage, Leendert Hage, Otto Hagedoorn, F..L. Hage-Geeraths, Jopie van der Hagen, Hermanus Harmens, Harting, B. Hendriks, T. Hendriks, G.A.C.Hendriks-Nefkens, H. van Hesterman, John R. Heur, A.Th. L. Heyman-Bausch, Rudie van Hinsbeek, Ferdinand Hoefsloot, H.L.C.Hoefsloot, Houtspeek, Piet Huising, A. van Hutten, Jimmy W. Ingram, Ingram, Van Iperen, Janssen, mw.L.Janssens, Janssens, L. Jessinovsky, Joesoef, Joseph, mw. Joseph-Heymans,W. Keasberry, F. Kernkamp, mw. Kernkamp, Kernkamp jr., Kernkamp jr., Kernkamp jr., Johan C.Kiefer, Kiemeney, Kiemeney, Kloesman, G.M.N. Kluyskens, R. Kneefel, mej. J.M. Kohler, J.H. Kohler, mw. Kok, E. Komans, P. Komans, F. Komans, W. Komans, J. Komans, E. Komans, F. Komans, H. Komans, Joh. Komans-Leisann, Yvonne Kors, Helena G. Kors, Edith E. Kors (+), W.G. Kors-de la Leeuwe, S. Kuhl, Ed. Kuijer, J. Lambertus, Flip Lambertus, B.A. Langelaan, Stella Leeflang, mw. M. van Leeuwen, Ronald Lefeber, D.R. Leidelmeyer,R.A. Leidelmeyer, H. Leidelmeyer, Elisabeth Leidelmeyer, mw. J.A. Leidelmeyer-van Bronckhorst, Frans Lenden, Lenden jr., Lenden jr., F. Lenden, Maria Lenden-Djahili, B. Lentze, A.S. Lesquillier, Hans van Leuven, Ad van Leuven, mw. Van Leuven, M. van Leuven, J. Lezer, Henri Lodewijk, Eddy Lucardie, Lucardie jr., Lucardie jr., A.Macaré, R. Marcks, K.A.Marcus, Fietje Martin, Ch. Mettrop, W.C. de Meyier, Meyier jr., Meyier jr., W.J. Mighorst, Sonja van Motman, Ollie van Motman, Oete van Motman,Louis van Motman, P.H. van Motman, Marinus Mulder, M.E.Muller, A.J.Muller, H.J.Müller, Alfons de Neve, fam. Nobels,Chris Nommensen,Jan Neys, J.G.H. van Ommen, A.L. Orth, H. Overbeek Bloem, Paasmark, G.C.F. Pechler, Phefferkorn, Polanen Petel, Polanen Petel, Marinus Portier, L.G. Prins, Rakers, Reibel, J.A.Riga/Rija, W.Rijnenberg, T.B. deRochemont, H.B. de Roeteringh Schimlau, C. Roosen, P. Roosen, W. Rosbak, G.J.M. Rosier, Thelma Roumimper, Hendrik Roumimper, mw. B. Roumimper-Pet, C.F.E. Roze, A.J. Ruitenbach, fam. De Ruiter, mw. Ruyf, Ruyf jr., A.H. Satoor de Rootas, Gerrit Schaap, Coby Schenk, M. Schmidt, H.L. Schnetzler, G. Schoolderman, Harry L.C. Schuttevaer, mw. G. Schuuring-Sijbesma, mw. Schuwer-Witterland, Schuwer jr., Schuwer jr., mej. Schwab, A.M. Schwab, E. Sere/Sirre, fam. Servet, Eddy Sikkema, H. Smit, D.N. Smit, Sörnsen de Koste, J.F. van Sprang, Van Sprew, Egbert Steenhuizen, Steenhuizen, F. Steensma, Stevens, Loutje Stolk, Theodorus, Joh. A. Thies, Timmer, B.A. Tokaya, Rudie Tokaya, mw. Tours-Bijns, Tours-Bijns jr., Trebels, H. Trommelen, Jeanne V. Tulleken-Neijhoff, W. Vacquier, mw. Dr.C.K. Veerkamp, Veerkamp jr., fam. Verschuur, J.E. Verstege, Johan E. Vodegel, M. Volkert, Ernest Voogd, G.H. Vree, Van de Vrijhoef, Walt van der Wal, Harry Jan Waller, W.J. Wareman, Dicky Wener, mej. Wermuth, fam. Westerloo, mw.C.T.H. Westveer, J.C.Westveer, Chris Wetzel, K.H. Wetzel, P.J.H. Wiersma, Van Wijk, Rudolf de Wijs, D.A.J. de Wijs, E.M. Willemse, G.E. Willemsen, Eddy de Wit, Arthur J. de Wit, Wolrabe jr., Wolrabe jr., mw. Wolrabe-Witterland, Lodewijk Zwartjes, Benny Zwartjes, Van Zutphen.

Namenlijst (inclompleet) van bewoners werkkamp Pasir Benteng:

Olaf Anderson, Annuschek, W. Asmus, Attinger, mw. J.J. Bakker-Bakkers, Z. Bakker, Ch. Barends, H. van Blommestein, C.S. Blommestein, H. Bochaert, B. de Boer, A.B. de Bont, Valma de Bont, mw. Bauwens, Bauwens jr., Bauwens jr., J. Briët, Brugman  Kain, Butter, G.O.R. Canter Visser, J.W. Carp, zr. Cochrane, P.B. Coldenhoff, Coldenhoff jr., Coldenhoff jr., W.P. Cornelis, Corver, mw. Corver,M. Croes, Chattelein, Daerden, Max Deuning, J.B..A. Dieker, M. Dieker, A. Van Drongelen, Dumais, R. Gorter, Gout-Ketel, H.J. Greeven, F. de Greter, E.Ch.Grünewald, mw. Grünewald, Grünewald jr., Grünewald jr., Grünewald jr., J. de Gruyter, J.C.R. Hazenberg, Van Heel, L.K. Hennekendock, B. Herrebrugh, Emmy Herrebrugh, M.Th. Herrebrugh, Herrebrugh jr., Herrebrugh jr., Herrebrugh jr., Hetzel, R.A. Hoet, Henry Hogendorp, J.B.A. Hommes, W.J.A. Hommes, A.L. Horst, F.E. Jansen, Jansz, Lia Ketel, Kloesman, Kneefel, mw.Kneefel, B.F. Kolmus,R. Kolmus, Kraayenoord, Kremer, A.R. van Laar, H. van Laar, L. Lammers,  F. Landway,R. Langen, F. Langen, W.J.A. Lecerff, C.van Leeuwen-Tas, Van Leeuwen, S. Lendway, mej. Loohuizen, F. Loohuyzen, Lookaizi, A.Macaré, G.Macaré, P.Macaré, Jan Mager, J.H. Makkink, E.W.Martinus, Martinus jr., B. Meeng, J.E. Meijer, G. Middel, L. Mozes, zr. Müschner, M.L. Noll, F. Orth, A.L. Orth, mw. Orth, Orth jr., Orth jr., F.A. Pesah, W. Polak, R.E. Portier, L.W. Quix, Quix jr., Quix-Mendes da Costa, J.W.A. Raven, Raven jr., Raven jr., mw. T.W.L. Reiche-van Ardenne, H. Reichart, D.A. Reinhart, Roos, J., Rotman, H. Satzinger, B. Scott, H. Schatzings, Scheiber, C.R. Schilling, R.W. Schmidt, D.L. Schreiber, C.H. Schreuders, C.H.O. Schreuders, D.N. Smit, Eddy Smit, Eddy Soffner, P. van Sterson, Stolk, Ed. Stumpf, mw. E. Stumpf, Oscar Stumpf, J. Termaten, J. Trebels, P. Ulrich, Varkenvisser, F. Verduyn Lunel, W.C.Vissenberg, M. van de Vrijhoef, Warnaars zr., Warnaars jr., M. van der Werff, M. van der Werff, R. van der Werff, C. de Wilde, C.A. de Wilde,  A.N. de Wilde, Fred von Winckelmann, Rudolph von Winckelmann, G. van Zwieten.

Dit bericht werd geplaatst in 2. Japanse Bezetting, 1942-1945 en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

13 reacties op ´In opgewekte stemming´(II)

  1. H J Anthonijsz zegt:

    Namenlijst “Goenoeng Haloe”:
    Ik mis er de volgende namen:
    Max Kerkhoff en vriendin Thelma van de Braak, Celli Kerkhoff , Eddie von Grumbkow, Rudi van Vianen. Zij verbleven op Tjisalobak. Ik zat er ook.
    Toen bekend werd dat Japan had gecapituleerd verbleef ik voor behandeling van een gebroken pols bij een tante in Bandoeng. Ik moest mij echter, omdat de arts verdere behandeling niet meer nodig achtte, mij melden bij dhr Suyderhoudt (BOGI kantoor).
    Van dhr Suyderhoudt moest ik terug naar het kamp Tjisalobak. Ik werd daar naar toe gebracht per vrachtbusje door ene heer Ingram. Vertrek vanaf de gaarkeuken aan de jalan Kebon Kawoeng. Zowel de heer Suyderhoudt als de heer Ingram drukten mij op het hart om bij terugkeer in het kamp niets te vertellen van de “geruchten” dat de oorlog voorbij was. Ik heb dat goede nieuws natuurlijk wel verteld. Enkele dagen na mijn terugkomst in het kamp kregen wij bezoek van enkele Indonesische politiemensen en werd ons verteld dat de oorlog voorbij was en dat de Republiek Indonesia een feit was. Ons werd opgedragen ons rustig te houden en in het kamp te blijven. Enkele dagen daarna zijn mijn neef (Eddie von Grumbkow) , nog enkele barakgenoten en ik naar de theefabriek Goenoenghaloe gelopen en zijn wij liftend per vrachtauto de “vrijheid” tegemoet gegaan. Terug naar familie in Bandoeng.

    • Guido Abuys zegt:

      Weet u ook iets af van de familie Abuys? Alleen mijn grootvader G. Abuys (van beroep onderwijzer) wordt genoemd. Hij zat hier met zijn vrouw Abuys-Pelt en vijf kinderen, waaronder mijn vader Albertus Abuys (roepnaam Bert, 1936).

      • H J Anthonijsz, Eindhoven zegt:

        Guido,
        Neen de naam Abuys zegt mij niets. Ik kan mij geen Abuys herinneren. Ook geen Bert.
        Tenminste niet op Tjisalobak.

      • buitenzorg zegt:

        Nee, helaas niet. Suyderhoud noemde Abuys in zijn verslag, – hij zei echter niets over diens gezin. Andere bronnen heb ik niet tot mijn beschikking.

  2. buitenzorg zegt:

    Suyderhoud schreef in zijn dagboek:
    ´Dinsdag 3 juli: ´Gemeld uit G.H.: H.J. Anthonijsz – Dj. Alipin 3.
    (…)
    Woensdag 15 augustus: ´Ingram telefoneert dat hij a.s. vrijdag naar G.H. gaat.´

    • H J Anthonijsz zegt:

      Ja, toen ik van de Japanner (Emma?) voor medische behandeling van mijn gebroken pols op eigen gelegenheid naar Bandoeng mocht gaan moest ik mij bij aankomst op het kantoor van de BOGI melden (dhr Suyderhoudt). Dat was in de maand juli 1945. Ik werd behandeld in het toenmalige Boromeus-ziekenhuis aan de Dagoweg door Dr Brenkman en Dr Lie (?).
      Dr Brenkman was zo goed dat hij een bestraling van de pols nodig achtte waardoor ik langer buiten het kamp kon blijven. Maar dat kon hij niet eindeloos doen en toen met bestraling gestopt werd moest ik mij weer bij de BOGI melden. Dat was toen in Bandoeng het nieuws circuleerde dat Japan gecapituleerd had. Dhr Ingram heeft mij toen naar Goenoenghaloe teruggereden. Dat moet ná 15 augustus 1945 geweest zijn.

  3. Henk Anthonijsz zegt:

    Ik heb in de jaren 1958/1959 en ook nog in 1994 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een z.g. “Japanse uitkering”als burger-geinterneerde. Afgewezen met als argument::
    15 mei 1959 Brief Min.van Buitenlandse Zaken.
    “het verblijf op de onderneming Hoenoeng Haloe valt niet onder het begrip internering, als bedoeld in de Publicatie van 7 juli 1956, aangezien aan dit verblijf, ongeacht de bemoeienissen van de Japanners daarmede, het karakter van gevangenschap heeft ontbroken.”

    10 november 1994 Brief van Min.van Buitenlandse Zaken.
    “” omdat het door u opgegeven verblijf te Goenoeng Haloe niet voldoet aan de, voor het begrip “” internering” gestelde criteria van vrijheidsberoving en ondervonden behandeling”

    Gevoelsmatig voelde ik mij beroofd van mijn vrijheid. Wij waren daar gevangenen, van de onderneming weggelopen jongens werden bij thuiskomst opgepakt en naar de gevangenis in Glodok afgevoerd.
    Japan had gecapituleerd en toch MOEST ik terug naar de onderneming nadat de dokter in Bandoeng mij weer gezond achtte. De Nederlandse regering noemt dat geen “internering”. De Ned.regering stelt dat de periode welke men verbleef in een zogenaamd “werkkamp”niet als inernering wordt gezien in het STIKKER/YOSHIDA ACCOORD!
    Een accoordje gegooid met de vijand. Om te huilen en verdrietig te zijn.
    Henk Anthonijsz

    • buitenzorg zegt:

      De Commissie Japanse uitkeringen (en later de SAIP) beoordeelden de aanvragen op grond van de door deze Commissie gestelde voorwaarden: ´verblijf door of op last van de Japanners´ in een ´erkend´ kamp, gedurende ´in totaal tenminste zes maanden´. Omdat de notulen van de Commissievergaderingen zijn zoekgeraakt of vernietigd weten we niet meer welke overwegingen de Commissie destijds had om verblijf in werkkampen als Pasir Benteng en Goenoeng Haloe niet te erkennen. Later werd overigens in het kader van de Wuv en de Wubo na uitgebreid onderzoek een dergelijk verblijf wél geaccepteerd. De Nederlandse overheid heeft haar verantwoordelijkheid in deze dus wel genomen. Dat de Commissie JU/SAIP later niet meer op haar standpunt is teruggekomen heeft waarschijnlijk meer te maken met het feit dat er nog zó weinig aanvragen binnenkwamen dat een heroverweging niet meer zinvol werd geacht.

  4. Jody Keasberry zegt:

    Weet iemand misschien wat de volle naam was van Dhr W. Keasberry (Tjitjalobak) of wat ongeveer zijn leeftijd was? Vriendelijk dank…

    • H J Anthonijsz, Eindhoven zegt:

      Neen, zijn voornamen weet ik niet. Maar hij was het kamphoofd van TJISALOBAK. Ik was toen 18 jaar en naar mijn schatting zal hij toen een veertiger zijn geweest. Hij miste één arm.

    • buitenzorg zegt:

      Het enige wat ik nog kan toevoegen, is dat deze W. Keasberry in juni 1945, met tijdelijk verlof uit Tjitjalobak, in Bandoeng een weekje verbleef op het adres Westhofweg 7, dichtbij het Juliana Ziekenhuis.

  5. H J Anthonijsz, Eindhoven zegt:

    Ja, weglopen uit het kamp Goenoenghaloe kon je wel. Maar de gevolgen?
    Een kamergenoot , Otto Croes, liep weg.( zijn naam ben ik in de namenlijst niet tegengekomen).
    Na de bezetting ben ik hem in Bandoeng weer tegengekomen.Erg vermagerd. Hij vertelde dat hij niet lang van zijn vrijheid heeft genoten – na zijn vlucht is hij opgepakt en naar de gevangenis Glodok overgebracht.
    .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s