Grote archieven koloniale geluiden amper toegankelijk

Ook oude geluidsfragmenten zijn belangrijk koloniaal cultuurgoed. Barbara Titus en meLê yamomo willen de duizenden opnames eindelijk bereikbaar maken voor de landen van herkomst.

Barbara Titus en meLê yamomo met transcripties die etnomusicoloog Jaap Kunst (1891-1960) in Azië maakte van melodieën die hij opnam op wasrollen.
[Foto Olivier Middendorp]

Door Rahul Gandolahage

In de kelder van het Universiteitstheater van de Universiteit van Amsterdam liggen honderden geluidsbanden. Het is een deel van het Jaap Kunst Archief, dat voor een belangrijk deel bestaat uit geluidsopnamen die de Nederlandse musicoloog Jaap Kunst (1891-1960) maakte in het voormalige Nederlands-Indië. Maar het archief is niet compleet. Een deel van de magneetbanden ligt nauwelijks bereikbaar in het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Sommige van die banden zijn kopieën van wasrollen, een van de eerste geluidsdragers, ouder nog dan de grammofoonplaat. Ook de meeste wasrollen liggen niet onder het UvA-theater. Die liggen dan weer in het Berlijnse Fonogram Archief.

Dat is alvast het eerste probleem waar geluidsonderzoeker meLê yamomo van de UvA tegenaan liep toen hij in 2008 uit de Filippijnen naar Europa kwam en ontdekte dat heel wat twintigste-eeuwse Europese onderzoekers geluidsopnamen hadden gemaakt in de Filippijnen. Dat materiaal ligt verspreid over archieven in heel Europa. Tweede probleem: hoe concreet hij zijn onderzoeksplannen ook maakte, hij mocht nergens komen luisteren.

Die problemen zijn hardnekkig weet de Nederlandse, maar deels in Indonesië opgegroeide Barbara Titus. Ze is universitair hoofddocent culturele muziekwetenschap (voorheen ‘etnomusicologie’) aan de UvA en sinds 2013 curator van het Jaap Kunst Archief. Samen dienden ze een plan in bij de Joint Programming Initiative on Cultural Heritage and Global Change, een Europees onderzoeksnetwerk voor materieel, immaterieel en digitaal erfgoed. In een driejarige pilot ‘Decolonizing South-East Asian Sound Archives’ (DeCoSEAS) willen yamomo en Titus obstakels in kaart brengen die onderzoekers, kunstenaars en andere belanghebbenden uit de regio van herkomst nu ondervinden als ze oude opnames willen opgraven in Europa, en die oplossen.

Negentig projecten deden een aanvraag, zes haalden de eindstreep, waaronder het plan van yamomo en Titus. Voor het digitaliseren en bereikbaar maken van het Jaap Kunst Archief krijgen ze 250.000 euro. Voor het hele DeCoSEAS-project, in eerste instantie een samenwerking met archieven in Frankrijk en Engeland, is samen 650.000 euro aangevraagd en inmiddels grotendeels toegekend.

Gamelan

Met de uitvinding van de fonograaf in 1877 ging er voor muziekonderzoekers in de late negentiende en vroege twintigste eeuw een wereld open. Voor het eerst kon muziek worden opgenomen en herbeluisterd. Als muziekonderzoeker boekte je vooral succes als je zo ver mogelijk weg spannende en exotische klanken opnam en mee terugbracht.

Een van de eerste muziekonderzoekers die de fonograaf gebruikte was de Nederlandse violist en jurist Jaap Kunst. In 1919 was hij voor een kleine tour in het toenmalige Nederlands-Indië, waar hij bij toeval de gamelan hoorde, een Indonesische instrumentenfamilie van met name metalen slaginstrumenten. Hij viel er als een blok voor, besloot te blijven en reisde vijftien jaar lang met een hutkoffer vol opname-apparatuur de hele Indonesische archipel af om zoveel mogelijk opnames te maken.

De fonograaf bleek ook een filantropische uitkomst. Al eeuwen was het in het Westen een vanzelfsprekendheid dat westerse muziek theoretisch weldoordacht en superieur was, en niet-westerse muziek onontwikkeld en inferieur. Om dat idee te kunnen weerleggen, gingen onderzoekers als Jaap Kunst buiten Europa op zoek naar andere muziektheoretisch systemen. Want, was de redenering, als er buiten Europa ook muziektheorieën bestonden, dan was niet-westerse muziek even ‘ontwikkeld’ als westerse. Dankzij de wasrollen werd mogelijk om muziek uit allerlei plekken met elkaar te vergelijken. Etnomusicologen classificeerden er als botanici op los, op zoek naar verbanden en overeenkomsten tussen verschillende muziekpraktijken over de hele wereld.

Westerse blik

Maar ondanks hun goede bedoelingen slopen er veel problemen in de opnames en de interpretaties van Kunst en andere Europese onderzoekers, zien yamomo en Titus. „Ze selecteerden eerst zorgvuldig wat ze gingen opnemen”, vertelt Titus. „Vervolgens instrueerden ze de uitvoerende musici alles in te korten, want op een wasrol paste hooguit zes minuten geluid. Daarbij moesten ze ook nog eens alles weglaten wat men in het Westen lelijk zou kunnen vinden.”

Onderzoekers namen dus vooral muziek op die hun eigen vermoedens bevestigde. De rest lieten ze voor het gemak of doelbewust weg. Exotisch ja, maar een luide kreet tussen het zingen door, nee laat die maar liever weg. Te lelijk voor westerse luisteraars. Zingende mensen die op een kerkkoor leken? Ook niet de moeite van het opnemen waard, want dat hadden we in het Westen al; dat kon niet authentiek oosters zijn.

Zo werd niet-westerse muziek in elk onderzoek langs een westerse lat gelegd: het moest per definitie anders klinken, maar wel voldoen aan westerse maatstaven om muziek te mogen zijn.

Dat klinkt als een probleem van toen, maar veel informatie over muziek waar ook ter wereld, bijvoorbeeld over gamelan, is grotendeels gebaseerd op deze vroeg-twintigste-eeuwse aannames en opnames.

Jaap Kunst neemt in 1932 de muziek op van een nog onbekende persoon in het dorp Urbinasopèn, Waigéo, een eiland voor de kust van West-Papoea. [Jaap Kunstarchief, Amsterdam]

Regels en eigendom

Wie als niet-westerse onderzoeker de oude opnames wil beluisteren en herinterpreteren in een poging de verkeerde aannames van toen recht te zetten en aan te vullen, stuit dus op een muur bij de archieven, zeggen yamomo en Titus. „Het heeft te maken met conventies”, zegt yamomo, inmiddels Nederlander en universitair docent aan de UvA: „Je moet de ongeschreven westerse academische regeltjes kennen om serieus genomen te worden. Toen ik net in Europa kwam, zei een professor dat ik te veel lachte. En pas nadat iemand had gezegd dat ik leren schoenen moest dragen, werd ik uitgenodigd voor een congres. Nu ik hier woon, ken ik de regeltjes redelijk, maar een onderzoeker in Azië die met geluidsopnames uit zijn land aan de slag wil, heeft het veel moeilijker. Trouwens, wie geen academisch Engels spreekt, maakt überhaupt geen schijn van kans.”

Titus, volledig opgeleid in het westerse idioom en gepromoveerd aan de Universiteit van Oxford, vult aan dat ook zij niet altijd een reactie krijgt als ze ergens een opname opvraagt. „Waarom is lastig aan te wijzen. Wie onderzoek mag doen en welk onderzoek ‘goed’ is, bepalen mensen die de archieven nu cureren. Vaak zijn het mensen in het centrum van de academische macht, met grote instituties en subsidies achter zich, die het woord mogen voeren. Het is ook de kwestie van eigendom en zeggenschap waarmee meer koloniale archieven worstelen: ook een koloniaal geluidsarchief loopt, als openbaar wordt wat het allemaal herbergt, het risico te worden opgeëist; door landen waar de opnames zijn gemaakt, door mensen die plots hun voorouders horen zingen en spelen.”

Oost naar west

Maar dat geluidsopnames in Europese archieven zo snel mogelijk voor niet-westerse onderzoekers en belanghebbenden bereikbaar moeten zijn, staat voor yamomo en Titus vast. Te beginnen met Zuidoost-Azië, waar ze allebei wortels en een netwerk hebben die ze kunnen inzetten. Het Jaap Kunst Archief en twee andere Europese onderzoeksinstellingen, het Franse Centre Asie du Sud-Est en de Britse SOAS University, gaan het goede voorbeeld geven.

Een groot deel van het Europese geld is bestemd voor het digitaliseren en online beschikbaar maken van de geluidsarchieven, maar niet zomaar lukraak. Titus: „Het geluidsarchief van de Humboldt Universiteit in Berlijn bijvoorbeeld, bewaart opnames van Aziatische en Afrikaanse krijgsgevangenen in de Eerste Wereldoorlog. Onder dwang werd hun zingen en musiceren opgenomen. Willen nabestaanden dat wel online hebben? Er bestaan opnames van muziek die gemaakt werd voor één doelgroep, bijvoorbeeld alleen mannen. Mag iedereen dat nu horen? Het zou niet goed zijn als wij in het Westen opnieuw bepalen wat wel en niet te horen moet zijn.”

Daarom willen Titus en yamomo het geld ook gebruiken om onderzoekers en belanghebbenden naar Europa te laten komen, zodat zij hier eerst kunnen komen luisteren en oordelen. „Zij mogen óns vertellen wat hun wensen zijn en tegen welke problemen ze aanlopen”, zegt Titus. „Hopelijk kunnen we die dan oplossen. Uiteindelijk willen we ook tussen Aziatische landen onderling onderzoeksnetwerken laten opbloeien, die op hun eigen manier ongehinderd met de inhoud van de geluidsarchieven aan de slag kunnen.”

Yamomo: „Vroeger gingen alle wetenschappelijke bewegingen van west naar oost. Door dit project moet dat nu van oost naar west, en uiteindelijk van oost naar oost worden. Alleen als onderzoekers en belanghebbenden uit de regio zelf bepalen welk materiaal bruikbaar is, wat de opnames inhouden en betekenen, en wat ze ermee willen doen, begin je met dekolonisatie.”

 

Meer over het project Sonic Entanglements op sonic-entanglements.com

 

Dit artikel verscheen eerder in de NRC, 24 februari 2021.

 

 

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s