‘My dear Friend’. Een Javaanse hartekreet ontcijferd.

Door David Apollonius Coppoolse

Het lijkt een onmogelijke opgave. De hier afgebeelde bladzijde van een Engelstalige brief is geschreven door de op Java wonende Nederlandse onderwijzeres en amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92). Hij is gericht aan haar Noord-Amerikaanse aanbidder John G. Dunlap (1804-’82).

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University, hierna LaRC)

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University)

De laatste moet een liefdevolle, onverschrokken lezer zijn geweest, want de wriemelende woordenbrij ziet er op het eerste gezicht angstaanjagend uit. De flinterdunne, door inktvraat aangetaste vellen zijn, waarschijnlijk met een scherpgesneden ganzenveer, veelvoudig volgekrabbeld, niet alleen, zoals gebruikelijk, horizontaal, namelijk van linksboven naar rechtsonder, maar tevens, op dezelfde kant, verticaal, van rechtsboven naar linksonder, met daar doorheen schemerend ook nog eens de eveneens dubbel en dwars geslingerde lussen van de versozijde. Postpapier is kostbaar, dat is duidelijk. De epistolaire kluwen lijkt onontwarbaar, maar bij zorgvuldige bestudering blijkt onder zijn onstuimige oppervlak een bevallig dameshandschrift verscholen te liggen dat wel degelijk goed leesbaar is. Wie is deze zuinige madame Van Nooten, hoe is zij op Java terechtgekomen en welke ontboezemingen stuurt zij haar ‘dierbare vriend’ in het verre New Orleans? Dit is de eerste regel van de eerste bladzijde van haar brief uit 1856, hier voor het eerst gepubliceerd: 

Mr. Dunlap My dear friend, I did not write you by last mail on acct [account] of my temporary absence from Batavia.

Het is 9 december 1856. Berthe woont in de Gang Scott, een kleine, maar chique en weelderig begroeide laan in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (tegenwoordig Jakarta, Indonesië). Zij stort haar hart uit bij haar trouwste vriend, haar vurigste aanbidder, haar hardnekkigste huwelijksaanzoeker.

I have been rather seriously indisposed for more than two months […].

In eerdere brieven (o.a. uit Louisiana) heeft Berthe geklaagd over de vele tegenslagen in haar leven: het verlies van haar man die in New Orleans aan de gele koorts was bezweken, haar armoede, haar schulden, haar zwakke gezondheid, haar mislukte meisjesinstituten, de bemoeizucht van haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder (die haar overhaalde om naar Batavia te komen), haar worstelingen met de kerkelijke autoriteiten, de drukkende atmosfeer van het tropische klimaat op Java, de hemeltergende goddeloosheid van zowel de ‘inlanders’ als de Europeanen, haar hoofdpijnen, buikklachten, maagkrampen, oogproblemen, depressies, keelontstekingen, er lijkt geen einde te komen aan haar lijst van kwellingen, een ware litanie. Soms werd het haar teveel. Toen Berthe nog in Galveston, Texas woonde en een keer de wanhoop nabij was overwoog zij dit leven achter zich te laten, om in een ander haar Verlosser heerlijk tegemoet te kunnen snellen. Maar daar was zij uiteindelijk van teruggeschrokken, misschien omdat die gedachte niet helemaal christelijk leek, misschien ook uit angst om haar vijf jonge en toen al vaderloze kinderen als arme hele wezen achter te laten. Nu, in Batavia en opnieuw ten einde raad, consulteert Berthe een arts. Die blijkt nuchter. Hij adviseert haar om er even tussenuit te gaan.

[…] and the Dr. advised me a short sojourn in the mountains.

Marianne North: “Tree Fern in the Preanger Mountains, Java”, Painting 704. Olie op doek, afgebeeld: boomvarens. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/704.html )

Marianne North: “Tree Fern in the Preanger Mountains, Java”,

Ten zuiden van het koel gelegen Buitenzorg, Bogor, in het hart van Java, liggen de bergen van de Preanger regentschappen, waarvan de toppen, met helder weer, zelfs vanaf de Bataviase reede in de blauwige verten te zien zijn. De Engelse wereldreizigster Marianne North (1830-’90), schilderes, Darwin-correspondente, zelfverkozen vrijgezel, enthousiast huwelijkshaatster (‘an abhorrible institution’, ‘a terrible experiment’) en net als Berthe amateurbotanica, zal in 1876 dit ongerepte berggebied intrekken, op zoek naar bijzondere en zeldzame planten. Onderweg heeft zij, op suggestie van de gouverneur-generaal, een bezoek gebracht aan haar collega ‘Madame van Nooten’, die in 1863 bekend was geworden met een rijk geïllustreerd boek over de Javaanse flora. Als Marianne haar bezoekt woont Berthe al lang niet meer in de modieuze Gang Scott, maar in een eenvoudig huis te Selipie, een landelijk gebied ten zuidwesten van Batavia. Miss North is kritisch maar enthousiast, zal ter plekke een exemplaar van Berthes prachtwerk kopen, dat laten opsturen naar London, in de Preanger twee schilderijen van het landschap maken en later op Borneo enkele exotische vruchten in olieverf schetsen, waaronder Citrus decumana (hieronder afgebeeld als afgewerkt in olieverf). Deze pomelo-achtige citrusvrucht had Berthe zelf ook getekend, en laten lithograferen, voor haar spectaculaire Java-boek.

Marianne North: “Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak”. Painting 552, Borneo, Sarawak. Afgebeeld: henna Lawsonia inermis, pomelo Citrus decumana, gewoon vliegend draakje Draco viridis. Adopted by Mrs Anne Iddiso. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/552.html )

Marianne North: “Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak”.

Nu, in 1856, volgt de overspannen weduwe het advies van haar arts op. Samen met haar oudste dochter reist zij zuidwaarts, eveneens richting de Preanger, huurt een paard, trekt twee weken lang de ruige bergen in, scheert langs steile ravijnen en ziet wild stromende rivieren zich door peilloos diepe bergkloven persen. Het gezamenlijke uitstapje is een groot succes. Berthe geniet van de natuur en voelt hernieuwde levenskrachten in zich opborrelen.

I enjoyed the trips in all of the beautiful scenery which is truly grand. I delighted in the exercise on horseback up the heights & down the depths – along the deep ravines where the mountain currents sweep wildly along – and it has invigorated my mind to behold these glorious things of nature.

Maar dit verkwikkende geluk is helaas van korte duur.

But as to my health – I know not what to say – For you my true & faithful friend I have no secrets and I will therefore [2de bladzijde] not hide from you, that I have greatly suffered in mind & body since I am here. In the deep & earnest confidence I have in you I will entrust you with the causes of my principal sorrows.

Het blijkt dat Berthes halfbroer het in zijn hoofd heeft gehaald om met de slavinnendochter Helena Cruickshank te willen trouwen. Hij heeft haar vier jaar eerder ontmoet in New Orleans en zij is inmiddels onderweg naar Batavia. Er is echter een probleem. Hij is namelijk al getrouwd, sinds 1839, met de in Nederland achtergebleven Albertine Charlotte Stulen. Deze weigert om te scheiden, schrijft Berthe, maar uit officiële verslagen van de scheidingsaanvraag blijkt dat Albertine wel degelijk het huwelijk heeft willen ontbinden. Het grootste struikelblok lijkt daarom eerder te zijn dat volgens de wet beide echtelieden bij hun scheiding in persona aanwezig moeten zijn. Aangezien op dat moment de huwelijkse afstand zo’n 13.000 kilometer bedraagt lijkt dit niet een snel, makkelijk of goedkoop op te lossen probleem. Desondanks doemt in Berthes gedachten het schrikbeeld op dat de ‘onbeschaamde’ slavinnendochter Helena haar officiële ‘halfschoonzus’ wordt. In een latere brief aan Dunlap schrijft zij dat in huize Van Dolder de ruzies hoog oplopen.

You know that Helena has given me trouble – now let me tell you that the main reason of my refusing to take her was my fear founded on her own insolent remarks – and on Mr E (my brother’s friend) […]

(deze vriend is de heer Eaton uit Boston Common, de dure parkwijk in het oude centrum van de Noord-Amerikaanse havenstad, bij wie Berthe ‘met veel genoegen’ had gelogeerd toen zij onderweg was naar Europa.)

[…] warnings to me regarding her connection with my brother – .

Vincent Jacob van Dolder, carte de visite, 1862

Vincent Jacob van Dolder, carte de visite, 1862

Berthe probeert het aanstaande huwelijk te voorkomen, gedraagt zich daarbij zo dwars als kliefhout en dreigt met vertrekken, maar zonder resultaat. Zij is bang dat Helena niet zal terugschrikken voor drastische acties. Helena’s moeder, de slavin Laurencina Cruickshank, ging, om haar meester (en biologische vader) onder druk te zetten, zelfs zover dat zij zou hebben geprobeerd diens Surinaamse plantage (hoopvol genaamd Paradise) in vuur en vlam te zetten. Maar alle tegenstand is tevergeefs. Berthe gaat het onderspit delven, en zij weet het. Met bitterheid verlaat zij de kapitale villa van haar halfbroer in de Gang Scott. Vincent Jacob zal in 1860 scheiden van Albertine, in 1868 trouwen met de triomferende Helena, om uiteindelijk in 1876 na allerlei even frauduleuze als lucratieve Indische verzekeringszaken als rijk man te sterven op landgoed De Beele bij Voorst, te Zutphen. Dit buiten was eigendom van L.A.J.W. baron Sloet van de Beele, die als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1861-’66) sponsor zou worden van de eerste editie (1863 [-’64]) van Berthes grote Java-boek.

Maar dat ligt allemaal nog in de verre toekomst als nu, begin december 1856, Berthe weinig tijd te verliezen heeft:

I cannot enter into details – Time forbids – suffice it to say – that my brother being separated from his [wife] having vainly sued for a divorce which the lady has refused […] is so […] that he cannot marry – […].

Vincent Jacob overweegt om ongewild ongehuwd, want nog ongescheiden, te gaan samenwonen, zoals overigens niet ongebruikelijk was bij blanke mannen in Batavia.

[…] and his intention to live à la manière du pays.

Voor de christelijke Berthe is dit een scandaleuze en onverdragelijke situatie.

He took a fancy to Helena. He saw her in Louisiana four [years] ago. I think she [is] [clever] etc. etc. was very angry with me for not bringing her, and has immediately sent for her […] and that she is now on her way. My brother has plainly acknowledged to me his intentions towards her – Whereupon I have of course told him that I never would stay with him while she was there. You may imagine that Helena with her revengeful nature hates me for refusing to take her along, for she knew it was to prevent her seeing my brother.

Berthe vreest zelfs voor haar eigen leven als Helena haar zin niet krijgt:

She will greatly triumph over me now – and if I remained with my brother & she was kept out of the way (as he proposed to me) she would make no scrupple[s] of making an end of me [even] to the fashion of her native land even as her mother, who set fire to the plantation of her father [James of zijn broer Robert Cruickshank] from similar reasons. Since I know that Helena is coming, I have suffered such mental anxiety as words cannot describe – add to this the excitement of many unpleasant discussions with my brother on this subject – and you will not be surprised thast I have been ill.

De (in chronologische volgorde) slavinnendochter, bediende, maîtresse, moeder, wettige echtgenote, weduwe en erfgename Helena van Dolder-Cruickshank zal het verworven kapitaal er in tien jaar doorheen weten te jagen. Zij verhuist naar Zutphen, raakt later in Amsterdam aan lager wal, wordt insolvent verklaard, emigreert naar Nederlands-Indië, trekt bij haar zoon in en komt uiteindelijk in 1911 te overlijden in één van de gebouwen van diens suikerfabriek Pandji in Sitoebondo, op Java, net zo berooid als de verleidelijke Hellen Goodwill die ze ooit was op de Surinaamse plantage Paradise. Overigens zal de slavernij in Nederlands-Indië pas op 1 januari 1860 afgeschaft worden, nauwelijks vijf maanden voor de verschijning van Multatuli’s geruchtmakende koloniale aanklacht Max Havelaar en ruim drie jaar na Berthes hartekreet aan Dunlap.

'Arnica Officialis', Elisabeth Blackwell

‘Arnica Officialis’, Elisabeth Blackwell

Los van deze onverkwikkelijke familieverwikkelingen speelt ook het drukkende tropische klimaat Berthe flink parten. Zij zweert al jaren bij allerlei homeopathische geneesmiddeltjes (zoals ‘Arnica’, het Nederlandse valkruid of wolverlei, Arnica montana) maar deze helpen nu nauwelijk meer:

The [climate] is also adding its debilitating influence to moral [causes], I have been attacked with bowel complaints – the most dangerous of all diseases, here, I am not allowed any food but rice & arrowroot […]

In de late jaren ’80 zal haar zoon Alphonse vanuit haar woonplaats Selipie (en waarschijnlijk zelfs vanuit haar huis, want volgens Berthes 20ste-eeuwse nazaat Betsy Marianne Hupka-Barth woont hij dan bij zijn moeder) een handeltje opzetten in de medicinale Arrowroot, oftewel pijlwortel, Maranta arundinacea.

[…] so you may imagine how sick & feeble I am getting. Still there is improvement since a few days and I try hard to keep up my courage.

Berthe probeert inderdaad wanhopig het hoofd boven water te houden. Zij heeft al een paar maanden na aankomst in Nederland-Indië bij de onderwijsautoriteiten in Batavia (en in laatste, beslissende instantie, Nederland) een subsidie aangevraagd om een meisjesinstituut op te richten, bedoeld voor jonge dochters van de blanke Bataviase burgerij. Dat had zij in New Orleans (samen met haar man) ook gedaan, met kortstondig succes. De spanning is te snijden omdat berichten uit het verre Nederland eindeloos op zich laten wachten en haar (financiële) toekomst daardoor onzeker blijft.

The uncertainty as to the decision of the government, which is still kept up, also added to nervous excitement – .

In het volgende voorjaar zal zij, nadat zij de hoop al heeft opgegeven, plotseling toch antwoord krijgen uit Nederland. Dat blijkt gunstig. Zij ontvangt een geldbedrag van maar liefst fl 1500,- (± € 15.000,-) per maand. Berthe is dolgelukkig. Zij kan nu, voor de vierde keer in haar leven, een school voor ‘beschaafde meisjes’ gaan opzetten. Maar ondanks een veelbelovende start en ondanks de officiële belofte dat bij gebleken succes de ‘subsidie’ voor zeker zes jaar gecontinueerd zal worden, gaat Berthes meisjesinstituut na nog geen twee jaar alweer ter ziele. De gulle geldschieters in het verre vaderland blijken namelijk niet van gediend van haar pedagogiek, die in hun ogen veel te christelijk is. Berthe, die zich Nederlands Hervormd noemt alhoewel zij liever de Engelse Kerk bezoekt, wil niet alleen dagelijks in de klas de bijbel (laten) lezen, zij verafschuwt ook het veronderstelde heidendom om haar heen en wil bovendien de ‘verderfelijke’ invloed van het papisme op Java een halt toeroepen. Zij prefereert religieuze standvastigheid boven wereldse rijkdom, een toen (als eerder en later) blijkbaar aanstootgevende voorkeur. Deze christelijke Prinzipienreiterei is één van de twee redenen dat haar meisjesschool op 1 januari 1859 alweer zal moeten sluiten. De andere is het verwijt dat haar instituut te elitair zou zijn, iets wat uitgebreid en met veel ophef in de Indische pers wordt besproken. Nu, in december 1856, en vooralsnog schoolloos, vraagt zij zich af hoe zij in hemelsnaam haar eigen kinderen moet gaan onderhouden, tenminste, voor zover die daadwerkelijk bij haar zijn, in Batavia.

And most of all perhaps a never ceasing [pain] hid in my bossom caused by the estrangement of my eldest children.

Merchiston School, Edinburgh

Merchiston Castle School, Edinburgh

Berthes beide zonen, de veertienjarige Vincent Jacques Henri en de twaalfjarige Alphonse Charles, zitten op dat moment op het (anno 2015 nog steeds florerende) Schotse jongensinternaat Merchiston Castle School, vlakbij Edinburgh. Haar twee jongste dochters had zij eerder vanuit Amerika naar haar ongetrouwde zussen in Wageningen gestuurd, maar deze zijn later met haar meegekomen naar Java. Dit was allemaal ongetwijfeld betaald door hun rijke halfoom Vincent Jacob. Deze heeft namelijk in eerdere brieven aan Berthe beloofd de kosten voor de opvoeding van haar kinderen voor zijn rekening te nemen, tenminste, als zij zelf naar Nederlands-Indië komt. Als gewiekst zakenman rekent hij waarschijnlijk op de sociale contacten die de magistratenweduwe madame Hoola van Nooten née Van Dolder heeft in de hogere kringen van Batavia. De vele fascinerende facetten van de mannelijke natuur overpeinzende, kunnen we echter ook niet uitsluiten dat hij de komst van zijn halfzus Berthe en haar kinderen gebruikt als een quasi-altruïstisch excuus om de reis van (en het samenzijn met) zijn jonge maîtresse Helena te legitimeren.

Dunlap in het verre Louisiana blijft Berthes meest nabije vriend:

Of these most bitter days in my life I have never spoken to anyone.

Zij schrijft over een verlies dat hij blijkbaar geleden heeft.

But what you have communicated to me of your [loss] & your […] […] […] to you also on this subject.

Dat moet de dood van Dunlaps echtgenote Beatrice betroffen hebben, twee jaar daarvoor. Uit eerdere brieven weten we dat hij toen hoopte eindelijk Berthe te kunnen trouwen. Zij twijfelde echter over zijn aanzoek, om wat voor redenen dan ook. In dezelfde tijd, nog relatief jong en zich bewust van haar eigen aantrekkelijkheid, was zij kort verloofd geweest (inclusief bijpassende, kostbare ring) met weer een andere aanbidder, wiens identiteit zij niet onthult vanwege een even intrigerend als door haar onverklaard ‘verschrikkelijk geheim’. Wat bedoelt Berthe hiermee? Wie is deze andere vrijer? Is hij misschien al getrouwd? We zullen dit waarschijnlijk nooit meer achterhalen, maar Berthe weet uiteindelijk ook diens avances te weerstaan. Na deze affaire (waarbij zij verzekeringen ontving van ‘other lips then yours [Dunlap]’) schreef Berth haar New Orleanse penvriend dat zij vastbesloten was om nooit meer te zullen trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook.

Pagina 5 van de brief van Bertha

De 5e bladzijde van Bertha´s brief

Haar eigen kinderen zijn een constante bron van zorg. Zij mist de jongens elke dag:

[…] from the very first I have felt chilled & cheated in my feelings for love for these children that have been so long away from me. they seem to look at me with a sort of distrust and to regard me alone as if a stranger. They are dutiful but that for which my heart had yearned & fondly hoped for through many weary years of our separation so painful to me, to which I submitted for their sake only – that cheering love – that childish trust so gratifying to a parent – are wanting. It is a daily torture of bitter grief to me. You know how much I need affection to be happy, and where shall I find it now. At the time that I most [need] submit to have my loves leave me for school – […]

Zelfs het gezelschap van haar dochters kan het gemis van haar geliefde Alphonse en Henri niet goedmaken:

[…] I find no compensation for their absence in my daughters –

Daar komt ook nog eens bij dat Vincent Jacob zijn halfzus Berthe in eerste instantie had verboden om een nieuwe meisjesschool op te zetten. Hij twijfelde aan haar zakelijke inzichten, ook al wist hij dat zij met dit plan juist haar schulden wilde afbetalen.

Two things make it impossible for me to remain with my brother. The coming of Helena & his intentions towards her, and the stern duty that bids me work for the payment of my debts.

Intussen werpen haar contacten in de hogere kringen van Batavia inderdaad hun vruchten af, zo niet voor haar halfbroer, dan toch voor haarzelf:

I have yet one hope and that is that it may please the supreme ruler of the hearts of men to induce the governor general of this island […]

(de gouverneur-generaal op dat moment is Charles Ferdinand Pahud, in functie 1855-’61)

 […] to be favourable to my request He seems to be so disposed – and [I] […] [certainly] [shall not] […]

Een deel van de originele brief is hier helaas weggevallen. We kunnen pas weer iets ontcijferen als Berthe schrijft dat zij ook haar Noord-Amerikaanse vrienden erg mist:

I long [exceedingly] [… …] do you not wish by every mail beyond expression at the silence of all my American friends, except yourself – but chiefly at that of Mr Richardson – I never should have thought it possible for him to forget me so soon I have been too much & too truly attached to him not to feel his neglects keenly. Who is there but you alone – – Should you see Mr Richardson tell him what I say – I have no secrets for him – but self respect forbids my writing to him – since my two last letters were left unanswered. He did not even call  for the letter he knew I had left for him at Mrs. Eaton and which she wrote me was still in her possession – if you know of any news regarding any old acquaintance of mine, let me know.

Zij sluit af met een vraag naar blijkbaar recente ontwikkelingen in Amerika:

I long to hear the results of the late political struggle in my dear adopted country.

Nu wordt ook duidelijk waarom het briefpapier dubbel en dwars beschreven is:

Perhaps you will find it difficult to read this, but I had to write thus for fear of making my letter too voluminous.

Een voorlopig laatste groet:

And now farewell my own dear friend. I shall not cease to think of you with unchanging regards and gratitude for all your friendship to me. It is sad to think how long I must now wait before I can have your answer. Still you must be sure to write per retour of mail.

Een laatste zegen:

Farewell dear Mr Dunlap God bless you – Henriëtta & my boys send their love & I am always Yrs affectionally & truefull [B.]

In een postscript verzoekt zij hem om nog wat valkruid op te sturen, het homeopathische huismiddel waar zij nog steeds veel baat van denkt te hebben.

Could you send me a […] more [batch] of Arnica It would oblige help me if you could forward them to Mr. Eaton. He will send them further. But you will have to write him […]

Berthe en John hebben elkaar in dit leven nooit meer ontmoet.

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana

De brief is klaar en hij kan verstuurd worden. Dat is in 1856 minder eenvoudig dan het lijkt anno 2015. Volgens de historicus De Haan waren er in Batavia zelfs in 1861 nog helemaal ‘geene brievenbussen, geene postzegels, geene postwissels’. De eerste plek waar men (ongefrankeerde) post kon achterlaten was op de bovenverdieping van het Stadhuis (tegenwoordig Jakarta History Museum), aan het toenmalige Stadhuisplein, in 1828. De eerste brievenbussen, zeven in totaal, werden pas in 1863 geplaatst en de eerste Indische postzegels werden pas op 1 april 1864 gebruikt. Berthes brief zal vanuit Batavia met de pakketvaart vervoerd zijn, waarschijnlijk per zogenaamde overland-mail, dat wil zeggen, niet naar het zuiden, door de Straat van Soenda en langs de Afrikaanse Kaap, maar richting het noorden, door de Zuid-Chinese Zee naar het Engelse Singapore (dat Berthe eerder als poste restante-adres van Vincent Jacob had opgegeven), door de Straat van Malakka, rakelings langs de zuidpunt van Ceylon over de Indische Oceaan richting Arabië, verder naar Aden en door de Rode Zee, over de snikhete landengte bij het Egyptische Suez (ooit op dromedarissen, later met paarden, vanaf 17 november 1869 per boot door het kanaal), via Alexandrië over de oostelijke Middellandse Zee naar Marseille of Triëst, dwars door Centraal-Europa richting Nederland en daarna per zeil- of stoomboot via Liverpool of Southampton met een grote boog over de Atlantische Oceaan naar Noord-Amerika, om uiteindelijk (via New York of Boston) terecht te komen in het zuidelijke New Orleans, Louisiana om na deze halve wereldreis heelhuids neer te dwarrelen op het bureau van de even trouwe als geduldige Dunlap, die op dit antwoord van Berthe bijna een half jaar heeft heeft moeten wachten. Voor haar geldt hetzelfde, in omgekeerde zin.

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Citrus Decumana’ [= Citrus maxima?], lithografie De Pannemaeker, plaat [3] uit: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Citrus Decumana’ uit: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature. 

In deze onzekere tijden besluit Berthe om opnieuw te verhuizen, dit keer naar Buitenzorg (Bogor), zo’n 60 kilometer ten zuiden van Batavia. Zij opent daar een meisjesschool, voor de vijfde keer in haar leven. Hier is zij aan alle kanten omringd door de tropische natuur en het is waarschijnlijk ook in deze omgeving dat zij op het idee is gekomen om een spectaculair salontafelboek over de Javaanse flora te publiceren, geïllustreerd met kleurenlithografieën gebaseerd op haar eigen aquarellen. De opbrengst daarvan hoopt zij kunnen te gebruiken om haar gezin te onderhouden, iets wat zij niet alleen zonder gêne maar zelfs met nadruk vermeldt in haar Préface. Het in Brussel gedrukte en uitgegeven Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java (drie edities, totale oplage niet veel minder dan zo’n 1000 exemplaren) zal inderdaad een commercieel succes worden. Maar ook hiervan plukt Berthe weinig financiële vruchten, ondanks het feit dat na haar overlijden maar liefst veertien de luxe-exemplaren van dit prachtwerk in haar huis aanwezig blijken te zijn. De weduwe mag dan berooid zijn, zij is volhardend en laat zich niets wijsmaken. Als een waarachtig christen werpt zij de Heere haar armoede niet voor de voeten, zij is er Hem juist dankbaar voor. Berthe zal op 12 april 1892 eindelijk haar Verlosser ontmoeten, in het huis van haar schoonzoon Friedrich Gustav Carl Degent te Tanah Abang, armer in aardse bezittingen dan zij ooit had gevreesd (haar nalatenschap bedraagt na aftrek van alle schulden precies ƒ45,80), maar rijker aan herinneringen dan zij ooit had durven dromen.

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, ca. 1859

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, ca. 1859

x
Dit artikel werd eerder, met bibliografie, gepubliceerd in het Magazijn van Natuurlijke Historie, van David Coppoolse.

x

Dit bericht werd geplaatst in 9. Java Post. Bookmark de permalink .

6 reacties op ‘My dear Friend’. Een Javaanse hartekreet ontcijferd.

  1. j.w.hoegen zegt:

    leuk te lezen over het multicultureel indie.

  2. Indisch4ever zegt:

    De laatste tekening is van Charles Theodore Deeleman. In diezelfde periode ontwierp hij het rijtuigje die bekend zou worden als “deeleman”

    Er staat een artikel over hem in het moessonarchief.
    http://moesson.pictura-dp.nl/voorwaarden/
    Een kleindochter van hem huwde met een oudoom van Herman Bussemaker, oud-voorzitter van het Indisch Platform en onlangs overleden.
    De christelijke begraafplaats Tanah Abang werd in 1798 gebouwd.

  3. August Pijma zegt:

    Weer een prachtig stuk geschiedenis waar ik heerlijk van genoten heb.
    Ik heb al eerder van Berthe’s book over de Javaanse Flora in de Moesson gelezen, maar zij blijft een
    facineerende historidche figuur

  4. Ælle zegt:

    Een juweeltje voor de Java Post. Bedankt,
    “Het blijkt dat Berthes halfbroer het in zijn hoofd heeft gehaald om met de slavinnendochter Helena Cruickshank te willen trouwen. Hij heeft haar vier jaar eerder ontmoet in New Orleans en zij is inmiddels onderweg naar Batavia.”
    In zijn hoofd gehaald? Hij had reeds 3 zonen bij Helena verwekt; een dochter werd na het huwelijk geboren. De tweede zoon kreeg de namen Jacques Redlod Goodwill. Redlod was Dolder in spiegelbeeld.
    In deindischeadams.nl-link staan gedetailleerde gegevens aangaande Vrouwe Bertha [volgens genlias Bartha] Henrica Philippina Hoola van Nooten, geboren Van Dolder, samengesteld uit
    gegevens ontvangen van de heer W.H. van Marle, de heer A.H. van Marle en mej. Fredda Degent en mevr. B. Drost van Dolder.
    Uit: een ‘poging tot necrologie’ door mevrouw B.M. Hupka-Barth

  5. Ik moet zeggen, de brief geeft natuurlijk een prachtig duidelijk beeld van de zeden van die dag, maar ik heb medelijden met de Amerikaanse recipient van de brief, die letterlijk VOL met niets anders dan klachten staat. En klachten waar die vriend niets aan doen kan. Erg self-absorbed, zou ik zeggen. Ik moet heus denken, die man is de dans ontsprongen!

  6. Ælle zegt:

    Onlangs ben ik de trotse bezitter van het boek, Een droombeeld van Eden/’A vision of Eden’, bezaaid met afbeeldingen van Marianne North, uitgegeven in samenwerking met The Royal Botanic Gardens, Kew, door Holt, Rinehart en Winston, New York. Printed in Hong Kong.
    Niet eerder dan in Hoofdstuk VI wordt Borneo en Java, 1876, genoemd, en in Hoofdstuk IX het tweede bezoek aan Borneo (- Australië, 1880-1881).
    M.N., geboren in 1830 in Hastings, begon haar opwindende reizen over de wereld na de dood van haar vader toen ze 39 jaar oud was. Die heldhaftige reizen hebben zestien jaren van haar leven gekost. Liever was ze zangeres/pianist geworden, maar haar zwakke zenuwen en falende stem hebben de koers van haar leven veranderd. Met 37 begon ze te schilderen. Haar leraar was Robert Hawker Dowling.
    In 1886 verhuisde Marianne North naar historisch Mount House in Alderley waar ze haar laatste jaren doorbracht terwijl ze aan reumatiek leed. Ook werd ze doof en zenuwziek. Uiteindelijk stierf ze aan een leverziekte op 59-jarige leeftijd.
    Eden verwijst waarschijnlijk naar het verloren aards paradijs …zo mooi zijn haar botanische werken. (Gen. 2:10, 15).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s