De pondok ‘Wigwam’ op de helling van de Lawoe. Over deze pondok schreef mevrouw H.M. van der Made-Klein in 1973 in de Tong-Tong:
“Het is alweer ruim 35 jaar geleden dat ik de laatste keer op mijn Lawoe (ruim 3000 m – 10.000 voet hoog) ben geweest vanuit ons bergdorpje Sarangan. Misschien zijn er onder de lezers nog enkelen die er ook over mee kunnen praten, en wil ik hierbij ophalen hoe de pondok er gekomen is.
Doordat mijn man toendertijd voorzitter was van de vereniging ‘Sarngan’, zorgde hij er voor dat er voor gezamelijke rekening een pondok op de top van de Lawoe kwam, waar maandenlang aan gewerkt werd, omdat elk stuk, elke plank, elk stuk dakbedekking per manof vrouw met vijf uur klimmen naar boven gebracht moest worden, en daar onder toezicht van een oud-militair op-en-in-elkaar gezet werd. Van tevoren was die pondok eerst in Sarangan in elkaar gezet, zodat men kon nagaan of alles klopte. Er moesten dus ook slaapbanken zijn en matrassen van geklopte klapperbast in vezels – verder een paar oude stoelen, tafel, kom en kan, kacheltje. Er werd ook een soort w.c. gemaakt Toen alles voor elkaar was, kreeg ik het toezicht, en ging er één maal in het jaar heen. Gewoonlijk in auguistus – de koudste tijd – met volle maan, en liet dan alles naar buiten brengen en luchten.
De tocht erheen was voor mij altijd een belevenis. Drie maal de oude weg, absoluut klimmen, stap voor stap ophijsend. Vooral de laatste stukken. Twee maal de nieuwe weg vanuit Tjemara Sewoe, die zeer geleidelijk en makkelijk naar de top liep. Overnachten of gebruik van de pondok kostte f 1,- de man. Ik ben helaas mijn schrift kwijt, waarin alle namen en overnachtingen geboekt stonden.
Ik ging gewoonlijk in mijn eentje (één keer met jonge mensen de nieuwe weg) ´s nachts om drie uur weg, met flashlight in de hand voorop, gevolgd door een paar mij bekende koelies, die de eterij, dekens, houtskool voor het kacheltje, thermos met warme koffie en een paar flessen water droegen, en dan waren we om acht uur boven. Het was constant jezelf ophijsen. Maar het merkwaardige was, dat ik vermoedelijk door mijn dagelijkse urenlange wandelingen met mijn grote doberman – ook ter controlering van alle wandelpaden – nooit moe boven kwam, meteen alles naar buiten liet brengen, luchten, schoonmaken en dan ging ik zelf naar de triangulatiepaal – bleef dan om me heen kijken, me voelend zo nietig in die oneindigheid met het hele Universum, als het ware om me heen, waardoor alle kleinheid dan van me afviel, en ik weer vol moed de pondok in kon gaan en de nacht kon doorbrengen. En de volgende morgen weer naar beneden, lopend op bevroren gras. De koelies sliepen buiten bij een groot houtvuur in allerlei oude dekens gehuld en met daglicht meteen op pad na alles weer afgesloten te hebben. Het dalen was naar verhouding veel vermoeiender, maar we deden er een uur korter over, zodat ik om tien uur weer thuis was.
De nachtwandeling met volle maan was altijd fantastisch. Ik was, merkwaardig genoeg, nooit bang, liep altijd voorop, kwam nooit een tjeleng tegen, hoewel die er wel waren. Een keer nam ik mijn grote doberman mee, maar deed dat nooit meer, omdat hij me veel te vlug optrok, en los kon ik hem niet laten, want aan weerszijden waren ravijnen en dan zou hij slippertjes hebben gemaakt, met de kans in die ravijnen op een ontmoeting met tjelengs, wat niet plezierig zou zijn geweest. Alle paden in de omgeving van Sarangan, ook hoger op, door mij steeds gecontroleerd, waren meestal zeer goed te belopen.”
← Sarangan, een idyllisch oord met de lucht van saté
Sarangan_pondok
Bookmark de permalink.